-A +A

Steun ouders behoeftige echtgenoot en lager persoonlijk onderhoudsgeld

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 19/03/2015
A.R.: 
C.14.0179.F

De uit de echt gescheiden echtgenoot dient in de eerste plaats de in art. 301 BW bedoelde uitkering tot levensonderhoud te betalen als de andere echtgenoot behoeftig is. Slechts in de tweede plaats dienen de ouders in het levensonderhoud van hun gescheiden kind te voorzien met toepassing van art. 203, § 1 BW.

Die bepalingen beletten niet dat, om de relatieve staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde echtgenoot te beoordelen, de rechtbank rekening houdt met de vrijwillige financiële hulp die zijn ouders hem gaven tijdens het samenleven en die zij hem blijven geven.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.14.0179.F
C. V. R.,
tegen
D. V. d. W.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 december 2013.

II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar cassatieverzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Eerste middel
(...)

Tweede onderdeel
Om de relatieve staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde echtgenoot te be-oordelen, dient de rechter geen rekening te houden met de financiële situatie en de levensstijl van de uitkeringsplichtige echtgenoot sinds de scheiding van de partij-en.

Het onderdeel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.

Derde onderdeel
Krachtens artikel 301, §§ 2 en 3, Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud toestaan ten laste van de andere echtgenoot. De rechtbank legt het bedrag van de onderhoudsuitke-ring vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kin-deren tijdens het samenleven of daarna.

Luidens artikel 203, § 1, Burgerlijk Wetboek [de cassatierechter diende evenwel naar art. 205 en 207 te verwijzen die de onderhousplicht inhouden voor de meerderjarige kinderen] dienen de ouders naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de ge-zondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kin-deren. Indien de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meer-derjarigheid van het kind.

De uit de echt gescheiden echtgenoot dient in de eerste plaats de in artikel 301 Burgerlijk Wetboek bedoelde uitkering tot levensonderhoud te betalen als de an-dere echtgenoot behoeftig is. Slechts in de tweede plaats dienen de ouders in het levensonderhoud van hun gescheiden kind te voorzien met toepassing van artikel 203, § 1, Burgerlijk Wetboek.

Die bepalingen beletten niet dat, om de relatieve staat van behoefte van de uitke-ringsgerechtigde echtgenoot te beoordelen, de rechtbank rekening houdt met de vrijwillige financiële hulp die zijn ouders hem gaven tijdens het samenleven en die zij hem blijven geven.

Het arrest stelt dat:

- de eiseres "het onroerend goed dat tot echtelijke verblijfplaats diende en waarvan zij uiteenzet dat het aan haar moeder toebehoort, is blijven bewonen; dat goed wordt haar kosteloos ter beschikking gesteld";
- "zij het genot blijft hebben van een appartement in Zwitserland voor haar wintervakanties en van een appartement in Knokke voor andere vrije periodes of vakanties";
- zij "dankzij de hulp van haar ouders [...] het voertuig Mercedes C200, dat tijdens het samenleven op naam [van de verweerder] stond ingeschreven, heeft overgenomen" maar dat het "een luxevoertuig" betreft, "waarvan zij de noodzaak om de eigendom ervan te behouden, niet verantwoordt".
Het arrest oordeelt dat "het hof [van beroep], in tegenstelling tot wat [de eiseres] lijkt aan te voeren, wel degelijk dient rekening te houden met al die gegevens om haar eventuele staat van behoefte te beoordelen".

Door die vermeldingen antwoordt het, enerzijds, op de conclusie van de eiseres die aanvoert dat "de onderhoudsverplichting van haar ouders ondergeschikt moet blijven aan die van de verweerder" en verantwoordt het, anderzijds, naar recht zijn beslissing dat de eiseres niet aantoont dat zij in een relatieve staat van behoef-te verkeert.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
(...)

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel,

Noot: 

• C. VaN Roy, De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting: de voowaardelijke "ja" voor de levensstandaard vervangen door een "ja, maar", T. Fam. 2014/5, 107, Noot onder de weergave van dit arrest in zelfde tijdschrift.

• S. Brouwers, Rechtsmisbruik” en de principiële onwijzigbaarheid van de uitkering na een (oude) EOT, RABG 2011/05, 357 (noot onder Brussel, 19/10/2010, RABG 2011/5,357)

• Gerd Verschelden, Cassatie aanvaardt afschaffing alimentatie na rechtsmisbruik bij EOT overeenkomst, Juristenkrant 228, 20 april 2011, pagina 3 en Cass. 14 oktober  2010.De auteur wijst erop dat dit arrest, dat weliswaar kan toegejuicht worden, toch inhoudt dat een contractueel recht werd verbeurd, hetgeen een wrang gevoel heeft en waarbij de vraag kan gesteld worden waarom geen toevlucht werd gezocht tot een procedure tot vermindering van onderhoudsgeld. Persoonlijk begrijpen wij deze opmerking, doch deze opmerking benatwoordt de problemen niet bij een reeds verleende titel, een nog niet gewijzigd onderhoudsgeld, een uitvoering voor achterstallige betalingen, naast de moeilijkheden verbonden aan een procedure tot vermindering van een persoonlijk onderhoudsgeld na EOT.

Dit arrest werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Familierecht en aldaar voorzien van een noot van P. Sennaeve, Aangaande het bepalen van het onderhoudsgerechtigd zijn en aangaande de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, T. Fam. 2014/3-4, 98. In deze noot maakt de auteur het onderscheid tussen het principieel gerechtigd zijn op onderhoudsgeld en de wijze van begroting van de onderhoudsuitkering.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 6 maart 2014, RW 2014-2015, 1462

AR nr. C.12.0184.N

A. t/ D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 mei 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

...

2. Krachtens art. 301, § 3, eerste en tweede lid BW legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun behoeften en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Uit deze bepalingen volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding.

3. Het onderdeel dat er voor het overige geheel van uitgaat dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding verplicht is rekening te houden met de aanzienlijke terugval van de economische situatie die het gevolg is van de echtscheiding, zodat de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet worden bepaald op grond van de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 24/03/2017 - 11:35
Laatst aangepast op: vr, 24/03/2017 - 11:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.