-A +A

Sterfhuisclausule kan niet gelijkgesteld met een legaat

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 08/09/2015

Overeenkomstig artikel 5 W.Succ. wordt de overlevende echtgenoot, aan wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, voor de heffing van de rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

Het Vlaamse Gewest houdt ten onrechte voor dat het voor de toepassing van artikel 5 W.Succ. volstaat dat de clausule uitwerking krijgt op het moment van het vooroverlijden van één der echtgenoten en dat de formulering van de voorwaarde van vooroverlijden in de clausule slechts een vormvoorwaarde betreft, waarvan het ontbreken niet tot gevolg heeft dat artikel 5 W.Succ. niet kan worden toegepast.

De tekst van artikel 5 W.Succ. is ter zake immers duidelijk en behoeft geen interpretatie: in artikel 5 W.Succ. wordt duidelijk gesteld dat een huwelijksovereenkomst voorhanden is waarin meer dan de helft van de gemeenschap wordt toegekend, op voorwaarde van overleving. Die voorwaarde moet derhalve in de huwelijksovereenkomst besloten zijn opdat de fictie van artikel 5 W.Succ., die als uitzonderingsmaatregel van strikte toepassing is, kan worden toegepast.

Door te stellen dat artikel 5 W.Succ. een fictie invoert die een verblijvingsbeding gelijk stelt met een legaat, ongeacht of er een voorwaarde van overleving werd gesteld, gaat de administratie in tegen de tekst van de wet.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/9
Pagina: 
774
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Sterhuisclausule is geen schenking

Antwerpen, 08/09/2015, R.A.B.G., 2017/9, p. 774-780

Het Vlaamse Gewest / H.V.L. - Rolnr.: 2014/AR/879)

1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting
De betwisting betreft de vraag of successierechten verschuldigd zijn op hetgeen H.V.L. bekwam ingevolge een sterfhuisclausule, opgenomen in zijn huwelijkscontract.

1.2. Huwelijkscontract, overlijden, aangifte van nalatenschap
(…)

1.3. Procedure voor de eerste rechter
(…)

1.4. Procedure voor het hof van beroep
(…)

2. Bespreking
2.1. De sterfhuisclausule
2.1.1. Algemeen
Bij notariële akte, verleden op 18 juli 2011 voor notaris A.V. werd volgend beding opgenomen in het huwelijkscontract van de echtgenoten H.V.L./M.D.W. (stuk 1 belastingplichtigen):

“(…) De verschijners verklaren overeenkomstig artikel 1394, laatste lid en artikel 1395, § 1 van het Burgerlijk Wetboek, hun huwelijksvermogensstelsel te wijzigen als volgt: toevoeging artikel 7:

A) Partijen verklaren in te brengen in hun gemeenschappelijk vermogen om te willen aanzien als aanwinst: al hun persoonlijke en/of eigen goederen.

B) Comparanten verklaren dat het gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding als volgt zal verdeeld worden: het gemeenschappelijk vermogen komt toe aan de heer H.V.L., voornoemd, ongeacht de oorzaak van de ontbinding van het huwelijksstelsel. Beide echtgenoten verklaren uitdrukkelijk deze wijziging te aanvaarden, en deze niet als schenking, maar als huwelijksvoorwaarde te beschouwen. (…)”

Voormeld beding betreft aldus een klassieke sterfhuisclausule, zijnde een clausule die erin voorziet dat bij ontbinding van het huwelijk het gemeenschappelijk vermogen wordt toebedeeld aan één welbepaalde echtgenoot, ongeacht of deze echtgenoot de langstlevende echtgenoot is of niet.

De discussie stelt zich of hetgeen de heer H.V.L. aldus in uitvoering van deze clausule heeft bekomen onderworpen kan worden aan de successierechten of niet. De administratie meent van wel en steunt zich daarbij op de artikelen 7, ondergeschikt 5 W.Succ., zoals het ten tijde van het overlijden van toepassing was.

2.1.2. Artikel 1 W.Succ.?
Vast staat in elk geval dat onderhavig beding niet valt onder toepassing van artikel 1 W.Succ., overeenkomstig hetwelk successierechten worden geheven op hetgeen uit de nalatenschap van een rijksinwoner wordt verkregen. De heer H.V.L. heeft de betrokken goederen immers niet verkregen uit de nalatenschap van zijn echtgenote, mevrouw M.D.W., doch wel naar aanleiding van de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap.

2.1.3. Artikel 2 W.Succ.?
Successierechten zijn verschuldigd op de erfgoederen ongeacht of zij ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling worden overgemaakt (art. 2 W.Succ.).

Een contractuele erfstelling is een erfstelling die bij wijze van overeenkomst tot stand komt.

Ze is een overeenkomst onder kosteloze titel, waarbij iemand ten voordele van een ander beschikt over de goederen die zijn nalatenschap zullen samenstellen.

Een sterfhuisclausule kan nooit een contractuele erfstelling uitmaken, vermits men zich in dergelijke clausule niet bevindt op het niveau van de nalatenschap maar op een eerder niveau, namelijk dat van de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel. Een sterfhuisclausule beschikt derhalve niet enkel over de goederen die deel zullen uitmaken van de nalatenschap (noodzakelijke vereiste om te kunnen spreken van een contractuele erfstelling), maar ook over de goederen die ingevolge de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel zullen toekomen aan de langstlevende (zie hierover conclusie advocaat-generaal D. Thijs voor Cass. 10 december 2010). Verwijzend naar het tweede onderdeel, stelt het Hof van Cassatie in het derde onderdeel van zijn arrest van 10 december 2010 dat de Belgische Staat uitgaat van de foutieve veronderstelling dat in de sterfhuisconstructie enkel wordt beschikt over de toekomstige goederen van de nalatenschap en dat deze stelling niet kan worden aangenomen (Cass. 10 december 2010, RW 2010-11, p. 1436).

2.1.4. Artikel 7 W.Succ.?
Overeenkomstig het toenmalige artikel 7 W.Succ. worden de goederen, waarover, naar het door het bestuur geleverd bewijs, de afgestorvene kosteloos beschikte gedurende de 3 jaar vóór zijn overlijden, geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, indien de bevoordeling niet onderworpen werd aan het registratierecht, gevestigd voor de schenkingen, behoudens verhaal van de erfgenamen of legatarissen op de begiftigde voor de wegens die goederen gekweten successierechten.

Opdat artikel 7 W.Succ. in onderhavig geval kan worden toegepast is vereist dat aangetoond wordt dat er ter zake sprake is van een schenking binnen 3 jaar vóór het overlijden.

Aanvankelijk hield de administratie voor dat de sterfhuisclausule viel onder toepassing van artikel 7 W.Succ. zodat de successierechten opeisbaar werden. Ter zitting van 9 juni 2015 verklaart de raadsman van het Vlaamse Gewest dat zijn cliënt afziet van de toepassing van dit artikel.

Ten overvloede kan erop gewezen worden dat een beding van ongelijke verdeling of van verblijving van het gemeenschappelijk vermogen overeenkomstig artikel 1464, eerste lid BW niet beschouwd wordt als een schenking maar als een huwelijksvoorwaarde.

Ten onrechte houdt de administratie hierbij voor dat artikel 1464, eerste lid BW enkel kan worden toegepast wanneer in de clausule een voorwaarde van overleving wordt opgenomen. De administratie verwijst hierbij naar artikel 1461 BW en naar de voorbereidende werken. Het hof stelt evenwel vast dat artikel 1464 BW niet verwijst naar artikel 1461 BW en dat beide artikelen voorkomen onder de hoofding “bedingen die afwijken van de regels van de gelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen”, zonder dat daarbij de voorwaarde van overleving wordt gesteld. De parlementaire voorbereidingen van de wet van 14 juli 1976 sluiten geenszins uit dat de ongelijke verdeling van de gemeenschap of van verblijving van het gemeenschappelijk vermogen wordt bedongen bij ontbinding om welke reden dan ook.

Het bepaalde in artikel 1464, tweede lid BW doet hieraan geen afbreuk.

Bedingen van ongelijke verdeling en bedingen van verblijving van het gemeenschappelijke vermogen worden overeenkomstig artikel 1464, tweede lid BW enkel als schenkingen beschouwd voor het aandeel boven de helft dat aan de langstlevende echtgenoot wordt toegewezen in de waarde, op de dag van de verdeling, van de tegenwoordige of toekomstige goederen die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in het huwelijkscontract.

In dit verband werd door het Hof van Cassatie geoordeeld dat artikel 1464, tweede lid BW strekt tot bescherming van de reservataire erfgenamen, doch dat deze wetsbepaling er niet toe leidt dat het “surplus” een schenking is. Deze wetsbepaling heeft enkel tot gevolg dat het voordeel bij het overlijden van de echtgenoot die eigen goederen heeft ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen, aan inkorting kan worden onderworpen (Cass. 10 december 2010, voormeld).

Bovendien komt de beschikking over de goederen pas tot stand bij het overlijden en niet ervóór (N. Geelhand de Merxem, “Het sterfhuisbeding. Fiscale aspecten” in Handboek Estate Planning, deel 4, Huwelijksvoordelen, Brussel, Larcier, 2010, p. 158 et seq.).

Gelet op het voorgaande en meer bepaald de duidelijke tekst van artikel 1464, eerste lid BW, kan de sterfhuisclausule niet als een schenking worden beschouwd en ziet het Vlaamse Gewest aldus terecht af van zijn argumentatie op grond van artikel 7 W.Succ.

2.1.5. Artikel 5 W.Succ.?
Het Vlaamse Gewest handhaaft wel zijn stelling dat successierechten verschuldigd zijn, zelfs als wordt aangenomen dat het niet om een schenking gaat, maar om een huwelijksvoorwaarde, gelet op de fictie van artikel 5 W.Succ.

Overeenkomstig artikel 5 W.Succ. wordt de overlevende echtgenoot, aan wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, voor de heffing van de rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

Het Vlaamse Gewest houdt voor dat het voor de toepassing van artikel 5 W.Succ. volstaat dat de clausule uitwerking krijgt op het moment van het vooroverlijden van één der echtgenoten en dat de formulering van de voorwaarde van vooroverlijden in de clausule slechts een vormvoorwaarde betreft, waarvan het ontbreken niet tot gevolg heeft dat artikel 5 W.Succ. niet kan worden toegepast.

De administratie kan in deze stelling evenwel niet gevolgd worden. De tekst van artikel 5 W.Succ. is ter zake immers duidelijk en behoeft geen interpretatie: in artikel 5 W.Succ. wordt duidelijk gesteld dat een huwelijksovereenkomst voorhanden is waarin meer dan de helft van de gemeenschap wordt toegekend, op voorwaarde van overleving. Die voorwaarde moet derhalve in de huwelijksovereenkomst besloten zijn opdat de fictie van artikel 5 W.Succ., die als uitzonderingsmaatregel van strikte toepassing is, kan worden toegepast.

Door te stellen dat artikel 5 W.Succ. een fictie invoert die een verblijvingsbeding gelijk stelt met een legaat, ongeacht of er een voorwaarde van overleving werd gesteld, gaat de administratie in tegen de tekst van de wet.

In onderhavig geval voorziet de betrokken clausule niet in de voorwaarde van overleving, noodzakelijk opdat artikel 5 W.Succ. van toepassing zou zijn. Artikel 5 W.Succ. mag derhalve niet toegepast worden wanneer de overlevingsvoorwaarde niet wordt gesteld, zoals in onderhavig geval.

Het volstaat derhalve niet dat de overlevende echtgenoot meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen bekomt. Vereist is bovendien dat in de clausule de voorwaarde van overleving werd opgenomen. In onderhavig geval werd echter uitdrukkelijk overeengekomen dat de heer H.V.L. het geheel van het gemeenschappelijke vermogen zou bekomen, ongeacht de oorzaak van de ontbinding van het huwelijksstelsel.

Het feit dat mevrouw M.D.W. reeds ziek zou zijn geweest op het moment van de aanpassing van het huwelijkscontract doet hieraan geen afbreuk. Indien het huwelijk vóór het overlijden van mevrouw M.D.W. ontbonden zou zijn geweest door echtscheiding, zou de heer H.V.L. eveneens het geheel van het gemeenschappelijk vermogen bekomen hebben ingevolge het beding in het huwelijkscontract.

Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het Hof van Cassatie hierover geen uitspraak deed in het arrest van 19 oktober 2000, door de administratie geciteerd, vermits de geciteerde passage enkel de weergave van het bestreden arrest betreft.

Ten onrechte roept de administratie in dat het gelijkheidsbeginsel in deze zou worden geschonden door de toepassing van artikel 5 W.Succ. te beperken tot het geval waarin de voorwaarde van overleving in de clausule werd opgenomen. De hypothese waarin deze voorwaarde werd opgenomen is immers wezenlijk verschillend van de hypothese waarin dit niet het geval zou zijn, zodat het gaat om twee totaal verschillende toestanden. Het gelijkheidsbeginsel is aldus kennelijk niet geschonden door voor verschillende situaties in verschillende regelgeving te voorzien.

Het arrest van het hof van beroep te Luik van 28 november 2014 dat het Vlaamse Gewest bijbrengt als stuk B23 van zijn bundel is in deze niet ter zake dienend. Dit arrest betrof immers geen beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen in de zin van artikel 1464 BW, doch wel een beding van vooruitmaking in de zin van artikel 1457 BW. Het hof van beroep van Luik steunde zich op artikel 1459 BW, zoals van toepassing op het moment van het overlijden, om te oordelen dat artikel 5 W.Succ. van toepassing was.

Artikel 1459 BW betreft evenwel bedingen van vooruitmaking en niet bedingen van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen in de zin van artikel 1464 BW en is in onderhavig geval dan ook niet aan de orde.

2.1.6. Simulatie?
Volgens de administratie is er in deze sprake van veinzing vermits de partijen niet alle gevolgen van de overeenkomst zouden hebben aanvaard.

Het hof stelt vast dat de administratie er hierbij vanuit gaat dat de echtgenoten op 18 juli 2011 de onroerende goederen, behorende tot de gemeenschap hebben overgeheveld naar het eigen vermogen van de heer H.V.L. en dat zij bijgevolg de verplichting hadden om een inventaris op te maken van de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen en om een hypothecaire overschrijving te laten verrichten binnen de termijn voorzien in artikel 2 van de hypotheekwet.

Het hof kan de stelling van de administratie niet volgen. In deze werd er bij de akte van 18 juli 2011 geen overdracht verwezenlijkt van de goederen van het gemeenschappelijke vermogen naar het eigen vermogen van de heer H.V.L. Het betreft een huwelijksvoordeel, dat enkel uitwerking kon krijgen in geval van ontbinding van het gemeenschappelijke vermogen. Er was derhalve geen sprake van een overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten in de zin van artikel 1 hypotheekwet en derhalve was er geen reden tot het verrichten van een overschrijving op het hypotheekkantoor.

Dat er sprake zou zijn van simulatie wordt voor het overige door de administratie geenszins aangetoond. Het feit dat mevrouw M.D.W. op 3 november 2011 is overleden doet hieraan geen afbreuk.

2.2. Tegenvordering: schadevergoeding
De belastingplichtige stelt een tegenvordering en vraagt de betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep en ondergeschikt op grond van artikel 1382 BW.

Het hof kan het standpunt van de belastingplichtige in deze niet volgen. Er dient immers te worden vastgesteld dat de sterfhuisclausule tot heel uiteenlopende rechtsleer en rechtspraak aanleiding geeft. In dit verband kan onder meer verwezen worden naar de bronnen, vermeld door advocaat-generaal D. Thijs in zijn conclusie voor Cass. 10 december 2010, voormeld. Er kan het Vlaamse Gewest in deze niet verweten worden in deze controversiële materie zijn standpunt te verdedigen tegenover dat van de belastingplichtige.

Het Vlaamse Gewest heeft zich in deze dan ook niet kennelijk onredelijk gedragen en heeft geen fout begaan door hoger beroep aan te tekenen. Er is dan ook geen reden om een schadevergoeding toe te kennen.

(…)

3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verleent akte aan het Vlaamse Gewest van zijn gedinghervatting voor de Belgische Staat.

Het hof verklaart het hoger beroep van het Vlaams Gewest toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van H.V.L. toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt het Vlaamse Gewest tot 4/5 van de kosten van het geding in hoger beroep en H.V.L. tot 1/5 van deze kosten, met begroting van de kosten op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 2.200 EUR.

Noot: 

Zie ook:

• Gent 4 februari 2014, Fisc.Act. 2014/7, 8, Fisc. 2014, nr. 1377, 15;
• Gent 17 juni 2014).
• E. Spruyt, “Antimisbruikbepaling in registratie- en successierecht: nieuwe ontwikkelingen”, TEP 2013/4, p. 10, nr. 10-13.
• K. Janssens en R. Willems, “Antimisbruik in registratie- en successierechten niet retroactief”, Fisc.Act. 2013/33, 1
• E. De Nolf, “Ook Antwerpse rechter vindt dat sterfhuisclausule onbelast blijft”, Fisc.Act. 2014/2, 2). 
• A. Haelterman, “De doelstellingen van een fiscale bepaling – Zoektocht naar de grenzen van “fiscaal misbruik” in de nieuwe algemene antimisbruikbepalingen”, TFR 2010, nr. 427, 760).

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 23/07/2017 - 08:14
Laatst aangepast op: zo, 23/07/2017 - 08:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.