-A +A

Sterfhuisclausule en successierechten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 24/06/2014

Een wijziging van de huwelijksovereenkomst houdt geen “verblijvingsbeding”, of. een contractuele erfstelling in, wanneer deze clausule geen betrekking heeft op goederen in de nalatenschap van de beschikker.

Het beding in een huwelijkscontract, dat het volledig gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel “om eender welke reden” aan één welbepaalde mede-echtgenoot toebedeelt, is geen overeenkomst over goederen van de nalatenschap van de mede-echtgenoot, maar een overeenkomst over het gemeenschappelijke vermogen. Krachtens art. 1464, eerste lid BW kan een dergelijk beding niet worden beschouwd als een schenking, maar als huwelijksvoorwaarden.

De sterfhuisclausule is daarentegen een beding houdende toebedeling van de goederen van het gemeenschappelijk vermogen aan een met naam genoemde echtgenoot zonder overlevingsvoorwaarde.

Deze clausule, waarbij het volledig gemeenschappelijk vermogen onvoorwaardelijk wordt toegekend aan één van de huwelijkspartners. brengt met zich mee dat bij de ontbinding van de huwgemeenschap, ongeacht de oorzaak van die ontbinding,de volledige gemeenschap in volle eigendom toekomt aan deze huwelijkspartner.

Het gaat niet om een contractuele erfstelling of een overeenkomst met betrekking tot de nalatenschap, maar om een overeenkomst met betrekking tot het gemeenschappelijk vermogen. Er wordt aldus aan de begunstigde een huwelijksvoordeel toegekend, te beschouwen als een overeenkomst te bezwarenden titel, en niet als een schenking (art. 1464, eerste lid BW).

Het Burgerlijk Wetboek vereist niet dat er een overlevingsvoorwaarde zou zijn opdat sprake zou kunnen zijn van een geldig huwelijksvoordeel (vergelijk met Cass. 10 december 2010, Pas. 2010, nr. 726, p. 3174). Uit art. 1461 BW is niet af te leiden dat een beding van ongelijke verdeling of het beding van verblijving bedoeld bij art. 1464, eerste lid BW maar mogelijk is in het geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden ten voordele van de overlevende echtgenoot. Art. 1464 BW verwijst ook niet naar art. 1461 BW.

Wanneer er aldus geen sprake is van schenking vóór overlijden, vindt art. 7 W.Succ. geen toepassing vindt.

Een kanselement is niet te beschouwen als een kenmerk van een huwelijksvoordeel (zie o.m.: R. Barbaix, N. Geelhand de Merxem en A. Verbeke, Handboek Estate Planning, bijzonder deel 4, Huwelijksvoordelen, Gent, De Boeck-Larcier, 2010, p. 74, nr. 65.

Art. 1464, eerste lid BW stelt uitdrukkelijk dat het beding van ongelijke verdeling en het beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen niet beschouwd worden als schenkingen, maar als huwelijksvoorwaarden. 

Art. 5 W.Succ. bepaalt: “De overlevende echtgenoot, wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, wordt voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt”.

Wanneer de gemeenschap aan deen huwelijkspartner wordt toedeeld toebedeeld door een clausule die niet voorziet in de voorwaarde van overleving, is aan de voorwaarden van art. 5 W.Succ. niet voldaan. Art. 5 W.Succ. is volgens zijn tekst maar van toepassing als “een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent” aan de begunstigde huwelijkspartner.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1075
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Belgische Staat, minister van Financiën t/ P.V.
arrest gewezen in graad van beroep tegen het vonnis van de Burgerlijke Rechtbank te Brugge van 16 januari 2013, waarbij het aanvochten vonnis werd bevestigd (RW 2013-14, 231)

Feitelijke gegevens

De geïntimeerde is op 3 augustus 1959 gehuwd met mevrouw R.V. voor de ambtenaar van de burgerlijke stand onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract.

Bij akte verleden voor notaris L. De M. te G. op 11 december 2009 hebben de echtgenoten V.-V. hun huwelijkscontract gewijzigd (zonder wijziging van het stelsel), waarbij volgende clausule wordt ingevoegd: “In geval het gemeenschappelijk vermogen ontbonden wordt, komt het gemeenschappelijk vermogen in elk geval toe aan de heer P.V. of zijn erfgenamen”.

Op 12 mei 2011 wordt mevrouw V. als volgt ongeschikt verklaard door dr. I.M.: “De ondergetekende, dr. I.M., verklaart na grondig medisch onderzoek dat mevr. R.V. (...) niet meer over al haar geestesvermogens beschikt en derhalve geen enkele handeling van patrimoniumbeheer meer kan stellen”.

Mevrouw R.V. is overleden op 13 augustus 2011.

De geïntimeerde dient op 10 februari 2012 een aangifte van nalatenschap in bij het bevoegde registratiekantoor, waarin duidelijk wordt verwezen naar voornoemde clausule in het huwelijkscontract en met een begeleidend schrijven in verband met de onbelastbaarheid van de sterfhuisclausule, waarin bevestigd wordt dat het gemeenschappelijk vermogen op basis van het huwelijkscontract in volle eigendom toekomt aan de geïntimeerde.

Op 2 maart 2012 wordt een aanslag in de successierechten gevestigd, waardoor geïntimeerde een bedrag van 83.550,34 euro aan successierechten verschuldigd is.

Vervolgens werd op 14 maart 2012 een bijvoeglijke aangifte ingediend.

Er wordt een bijkomende aanslag gevestigd ten bedrage van 169,79 euro.

De geïntimeerde heeft bij verzoekschrift een vordering tegen deze aanslagen bij de eerste rechter ingediend.

De eerste rechter stelt vast dat bij administratieve beslissing van 15 juli 2011 de appellant op zijn vroegere beslissingen betreffende de onbelastbaarheid van de sterfhuisclausule terugkwam, deze beslissingen ingetrokken werden en werd beslist dat alle sterfhuisclausules belastbaar worden op grond van art. 5 W.Succ. Deze verstrengde regel zou worden toegepast op nalatenschappen die openvallen vanaf 28 juli 2011.

De eerste rechter kon de stelling van de appellant, dat het vertrouwensbeginsel niet contra legem kan worden toegepast, niet bijvallen. Volgens de eerste rechter is immers niet aangetoond dat de administratie door haar vroegere beslissingen, waarin de sterfhuisclausule niet werd belast, een houding zou hebben aangenomen die strijdig is met de wet, meer bepaald met art. 5 W.Succ. De eerste rechter oordeelde op basis hiervan dat appellant het vertrouwensbeginsel geschonden heeft.

Voorts neemt de eerste rechter aan dat de schending van de zorgvuldigheidsnorm, zoals in casu voortvloeiend uit de administratieve beslissing, op 15 juli 2011 genomen door appellant, geen aquiliaanse fout vormt en dat de geïntimeerde overigens geen schade bewijst.

De appellant roept in dat:

– de toebedeling door middel van het sterfhuisbeding een onrechtstreekse schenking zou zijn en derhalve belastbaar op grond van art. 7 W.Succ.

– en subsidiair dat de sterfhuisclausule in ieder geval belastbaar is op basis van art. 5 W.Succ.

Hij vraagt dan ook het bestreden vonnis teniet te doen (...).

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis (...).

Beoordeling

1. De betwisting betreft de al dan niet belastbaarheid in de successierechten ingevolge de toebedeling van gemeenschapsgoederen aan de geïntimeerde bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel.

De door de geïntimeerde en wijlen zijn echtgenote aanvaarde wijziging van hun huwelijksovereenkomst houdt echter geen “verblijvingsbeding”, m.a.w. een contractuele erfstelling in, omdat deze clausule geen betrekking heeft op goederen in de nalatenschap van de beschikker.

Daarentegen, het beding in een huwelijkscontract, dat het volledig gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel “om eender welke reden” aan één welbepaalde mede-echtgenoot toebedeelt, is geen overeenkomst over goederen van de nalatenschap van de mede-echtgenoot, maar een overeenkomst over het gemeenschappelijke vermogen. Krachtens art. 1464, eerste lid BW kan een dergelijk beding niet worden beschouwd als een schenking, maar als huwelijksvoorwaarden.

De sterfhuisclausule is daarentegen een beding houdende toebedeling van de goederen van het gemeenschappelijk vermogen aan een met naam genoemde echtgenoot zonder overlevingsvoorwaarde.

2. De administratie verdedigt het standpunt dat de toebedeling van het gemeenschappelijk vermogen belastbaar is met toepassing van art. 7 W.Succ.

De hierboven aangehaalde huwelijksvermogensrechtelijke clausule is te beschouwen als een zogenaamde sterfhuisclausule, waarbij het volledig gemeenschappelijk vermogen onvoorwaardelijk wordt toegekend aan de geïntimeerde. Bij de ontbinding van de huwgemeenschap, ongeacht de oorzaak van die ontbinding, komt de volledige gemeenschap in volle eigendom toe aan de geïntimeerde.

Het gaat niet om een contractuele erfstelling of een overeenkomst met betrekking tot de nalatenschap, maar om een overeenkomst met betrekking tot het gemeenschappelijk vermogen. Er werd aldus aan de geïntimeerde een huwelijksvoordeel toegekend, te beschouwen als een overeenkomst te bezwarenden titel, en niet als een schenking (art. 1464, eerste lid BW).

Anders dan door de appellant wordt beweerd, vereist het Burgerlijk Wetboek niet dat er een overlevingsvoorwaarde zou zijn opdat sprake zou kunnen zijn van een geldig huwelijksvoordeel (vergelijk met Cass. 10 december 2010, Pas. 2010, nr. 726, p. 3174). Uit art. 1461 BW is niet af te leiden dat een beding van ongelijke verdeling of het beding van verblijving bedoeld bij art. 1464, eerste lid BW maar mogelijk is in het geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden ten voordele van de overlevende echtgenoot. Art. 1464 BW verwijst ook niet naar art. 1461 BW.

Er is derhalve geen sprake van schenking vóór overlijden, zodat art. 7 W.Succ. geen toepassing vindt.

De appellant voert aan dat de hierboven aangehaalde huwelijksvermogensrechtelijke clausule geen enkel toeval bevat, d.i. een onzekere gebeurtenis op het ogenblik van het overeenkomen van de clausule, gebeurtenis waarvan de kans van de geïntimeerde had afgehangen om zich het gemeenschappelijk vermogen te zien toebedelen, en een risico voor de geïntimeerde om niet het hele gemeenschappelijk vermogen te verwerven. Hieruit leidt de appellant af dat de clausule in kwestie geen kanscontract is en dus geen contract te bezwarenden titel, zodat de clausule niet valt onder art. 1464, eerste lid BW en dat de geïntimeerde niet bewijst door andere middelen van recht dat de overeenkomst te bezwarenden titel is. In de ogen van de appellant gaat het dan om een (onrechtstreekse) schenking die onder toepassing van art. 7 W.Succ. valt.

De appellant kan hierin niet gevolgd worden. Niet alleen is een kanselement niet te beschouwen als een kenmerk van een huwelijksvoordeel (zie o.m.: R. Barbaix, N. Geelhand de Merxem en A. Verbeke, Handboek Estate Planning, bijzonder deel 4, Huwelijksvoordelen, Gent, De Boeck-Larcier, 2010, p. 74, nr. 65), maar bovendien bepaalt art. 1464, eerste lid BW uitdrukkelijk dat het beding van ongelijke verdeling en het beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen niet beschouwd worden als schenkingen, maar als huwelijksvoorwaarden. De stelling van de appellant gaat in tegen de wet, terwijl de geïntimeerde mag volstaan met zich op deze wetsbepaling te beroepen, zonder nog te moeten aantonen dat er een kanselement voorhanden is. Om dezelfde redenen kan er ook geen sprake zijn van een onrechtstreekse schenking, zoals de appellant verdedigt.

3. De appellant voert subsidiair aan dat, indien het hof toch zou oordelen dat de kwestieuze clausule te bezwarenden titel is, de successierechten verschuldigd zijn op grond van art. 5 W.Succ. Volgens de appellant heeft de ongelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen jegens de overlevende echtgenoot het karakter van een schenking op fiscaal vlak, op grond van de bij art. 5 W.Succ. bepaalde fictie.

Art. 5 W.Succ. bepaalt: “De overlevende echtgenoot, wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, wordt voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt”.

Te dezen wordt de gemeenschap aan de geïntimeerde toebedeeld door een clausule die niet voorziet in de voorwaarde van overleving, noodzakelijk opdat art. 5 W.Succ. zou kunnen worden toegepast. Art. 5 W.Succ. is volgens zijn tekst maar van toepassing als “een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent” aan de geïntimeerde.

De door de appellant verdedigde stelling is strijdig met art. 5 W.Succ., waaromtrent voor zoveel als nodig moet gesteld worden dat het een strikt te interpreteren fiscale bepaling is en dat het in voorkomend geval moet worden geïnterpreteerd tegen de appellant (in dubio contra fiscum).

Het middel van de appellant is ongegrond.

4. De appellant is van oordeel dat het beperken van de toepassing van art. 5 W.Succ. tot het geval waarin de bewoordingen “op voorwaarde van overleving” in de overeenkomst opgenomen zijn, in strijd is met het grondwettelijke vereiste van gelijkheid van de burgers voor de belastingen.

De appellant vergelijkt twee onderscheiden niet met elkaar vergelijkbare toestanden, namelijk de echtgenoten die een verblijvingsbeding opnemen in hun huwelijkscontract en zij die een sterfhuisclausule opnemen in hun huwelijkscontract. Het gaat om twee verschillende rechtstoestanden. Zo bijvoorbeeld moet worden opgemerkt dat ingevolge de sterfhuisclausule de volledige gemeenschap bij vooroverlijden van de geïntimeerde zich in de nalatenschap zou bevinden en krachtens art. 1 W.Succ. de volledige gemeenschap van successierechten zou onderworpen zijn krachtens art. 1 W.Succ.

Er is klaarblijkelijk geen schending van het gelijkheidsbeginsel, zodat ook niet onderzocht moet worden of een prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

5. De appellant beweert dat er sprake is van veinzing en meer bepaald dat de partijen bij de overeenkomst niet alle gevolgen van de rechtshandeling zouden hebben aanvaard. De redenering die de appellant daartoe opbouwt is als volgt:

– de geïntimeerde en wijlen zijn echtgenote hadden de bedoeling met de hierboven vermelde wijziging van hun huwelijkscontract van 11 december 2009 om een huwelijksvoordeel te bezwarenden titel aan te gaan ten voordele van de geïntimeerde, wat ook de oorzaak is van de ontbinding van het huwelijksstelsel;

– art. 1 Hypotheekwet bepaalt dat de akten houdende overdracht onder de levenden van onroerende goederen moeten worden overgeschreven op het kantoor van de hypotheekbewaarder;

– volgens de rechtsleer moet een akte onder de levenden tot wijziging van het huwelijksvermogensstelsel slechts overgeschreven worden op het kantoor van de hypotheekbewaarder als ze een onroerende overdracht bewerkstelligt of teweegbrengt, bv. in geval van inbreng van een eigen onroerend goed in het gemeenschappelijk vermogen; in deze veronderstelling moet de onroerende inbreng uitdrukkelijk worden vermeld in de wijzigingsakte van het huwelijksvermogensstelsel die de overdracht of aanwijzing vaststelt van onroerende zakelijke rechten in de zin van art. 1 Hypotheekwet, en deze onroerende inbreng moet dus worden overgeschreven op het kantoor van de hypotheekbewaarder om tegenwerpelijk te zijn aan derden;

– het valt niet in te zien waarom deze principes, die gelden wanneer een eigen goed wordt ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen, zouden moeten genegeerd worden wanneer gemeenschappelijke goederen “in elk geval” naar het eigen vermogen van een echtgenoot worden overgeheveld;

– bijgevolg hadden de partijen de verplichting om niet enkel een inventaris op te maken van de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen op de datum van de akte (art. 1175 e.v. BW), maar ook om de hypothecaire overschrijving te laten uitvoeren teneinde de belanghebbende derden te waarschuwen dat de gemeenschappelijke onroerende goederen voortaan zouden toebehoren aan het eigen vermogen van de geïntimeerde wanneer de voorwaarde bepaald door de partijen in hun overeenkomst gerealiseerd zou worden, d.w.z. “om wat voor reden dan ook”;

– er moet worden vastgesteld dat dit niet de benadering van de partijen was, aangezien ze niets hebben onderworpen aan de overschrijving binnen de wettelijke termijn van art. 2 Hypotheekwet; zij hebben bijgevolg het plan niet gevolgd dat ze zichzelf hadden opgelegd.

Volgens de appellant kan men dus bevestigen dat de partijen niet alle gevolgen van hun rechtshandeling hebben gerespecteerd, zodat er – steeds volgens de appellant – geen reden is om rekening te houden met de bepaling “in elk geval” en dat het beding van volledige toebedeling belastbaar is met toepassing van art. 5 W.Succ.

De geïntimeerde heeft hierover geen standpunt ingenomen.

De appellant kan in zijn redenering niet gevolgd worden. De wijziging van het huwelijkscontract zoals hierboven vermeld, is niet vergelijkbaar met een inbreng van een onroerend goed in het gemeenschappelijk vermogen. De voormelde wijziging van het huwelijksvermogensstelsel is niet onderworpen aan overschrijving op het hypotheekkantoor, omdat met deze wijziging geen overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten in de zin van art. 1 Hypotheekwet gebeurt.

Er zijn voorts geen andere gegevens voorhanden waaruit de door de appellant aangevoerde simulatie zou kunnen worden afgeleid.

6. Voor zover als nodig moet worden opgemerkt dat het de appellant toegelaten is om terug te komen op eerdere standpunten en de wet te interpreteren op een andere wijze dan hij vroeger deed, omdat het gaat om de toepassing van de wet en het probleem het recht betreft en niet de feiten. Tevergeefs wordt in dit verband door de geïntimeerde een schending van beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, aangevoerd. Deze beginselen kunnen er niet aan in de weg staan dat de administratie, desnoods door een gewijzigde interpretatie, de juiste toepassing van de wet wil verzekeren. Ten onrechte verwijst de geïntimeerde ook naar Europeesrechtelijke rechtspraak, te dezen niet van toepassing op de materie van de successierechten.

De eventuele juiste toepassing van de wet op heden kan ten opzichte van de eventuele onjuiste toepassing van de wet in het verleden om dezelfde reden geen schending van het gelijkheidsbeginsel ten voordele van de geïntimeerde opleveren (zie ook supra).

7. De geïntimeerde vordert een schadevergoeding op grond van art. 1382 BW.

Het hof is echter van oordeel dat van een schadeverwekkend standpunt of handelen van de Belgische Staat geen sprake is. Het volstaat in dit verband te verwijzen naar het arrest van het Hof van Cassatie van 10 december 2010, naar de uitgebreide rechtsleer en rechtspraak vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie, waaruit op zijn minst blijkt dat de hele problematiek rond de “sterfhuisclausule” verre van duidelijk is. Door de juiste toepassing van de fiscale wet te willen verzekeren heeft de appellant geen fout begaan. De appellant bevindt zich in dezelfde situatie als om het even welke belastingplichtige die een standpunt heeft dat verschilt van dat van de belastingadministratie in een betwiste aangelegenheid.

Noot: 

Noot onder dit arrest in het RW van I. De Troyer

Zie ook:

• Gent 4 februari 2014, Fisc.Act. 2014/7, 8, Fisc. 2014, nr. 1377, 15;
• Gent 17 juni 2014).
• E. Spruyt, “Antimisbruikbepaling in registratie- en successierecht: nieuwe ontwikkelingen”, TEP 2013/4, p. 10, nr. 10-13.
• K. Janssens en R. Willems, “Antimisbruik in registratie- en successierechten niet retroactief”, Fisc.Act. 2013/33, 1
• E. De Nolf, “Ook Antwerpse rechter vindt dat sterfhuisclausule onbelast blijft”, Fisc.Act. 2014/2, 2). 
• A. Haelterman, “De doelstellingen van een fiscale bepaling – Zoektocht naar de grenzen van “fiscaal misbruik” in de nieuwe algemene antimisbruikbepalingen”, TFR 2010, nr. 427, 760).

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 03/03/2015 - 15:23
Laatst aangepast op: di, 03/03/2015 - 15:23

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.