-A +A

Sterfhuisclausule en successierechten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 24/06/2014

Een wijziging van de huwelijksovereenkomst houdt geen “verblijvingsbeding”, of. een contractuele erfstelling in, wanneer deze clausule geen betrekking heeft op goederen in de nalatenschap van de beschikker.

Het beding in een huwelijkscontract, dat het volledig gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel “om eender welke reden” aan één welbepaalde mede-echtgenoot toebedeelt, is geen overeenkomst over goederen van de nalatenschap van de mede-echtgenoot, maar een overeenkomst over het gemeenschappelijke vermogen. Krachtens art. 1464, eerste lid BW kan een dergelijk beding niet worden beschouwd als een schenking, maar als huwelijksvoorwaarden.

De sterfhuisclausule is daarentegen een beding houdende toebedeling van de goederen van het gemeenschappelijk vermogen aan een met naam genoemde echtgenoot zonder overlevingsvoorwaarde.

Deze clausule, waarbij het volledig gemeenschappelijk vermogen onvoorwaardelijk wordt toegekend aan één van de huwelijkspartners. brengt met zich mee dat bij de ontbinding van de huwgemeenschap, ongeacht de oorzaak van die ontbinding,de volledige gemeenschap in volle eigendom toekomt aan deze huwelijkspartner.

Het gaat niet om een contractuele erfstelling of een overeenkomst met betrekking tot de nalatenschap, maar om een overeenkomst met betrekking tot het gemeenschappelijk vermogen. Er wordt aldus aan de begunstigde een huwelijksvoordeel toegekend, te beschouwen als een overeenkomst te bezwarenden titel, en niet als een schenking (art. 1464, eerste lid BW).

Het Burgerlijk Wetboek vereist niet dat er een overlevingsvoorwaarde zou zijn opdat sprake zou kunnen zijn van een geldig huwelijksvoordeel (vergelijk met Cass. 10 december 2010, Pas. 2010, nr. 726, p. 3174). Uit art. 1461 BW is niet af te leiden dat een beding van ongelijke verdeling of het beding van verblijving bedoeld bij art. 1464, eerste lid BW maar mogelijk is in het geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden ten voordele van de overlevende echtgenoot. Art. 1464 BW verwijst ook niet naar art. 1461 BW.

Wanneer er aldus geen sprake is van schenking vóór overlijden, vindt art. 7 W.Succ. geen toepassing vindt.

Een kanselement is niet te beschouwen als een kenmerk van een huwelijksvoordeel (zie o.m.: R. Barbaix, N. Geelhand de Merxem en A. Verbeke, Handboek Estate Planning, bijzonder deel 4, Huwelijksvoordelen, Gent, De Boeck-Larcier, 2010, p. 74, nr. 65.

Art. 1464, eerste lid BW stelt uitdrukkelijk dat het beding van ongelijke verdeling en het beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen niet beschouwd worden als schenkingen, maar als huwelijksvoorwaarden. 

Art. 5 W.Succ. bepaalt: “De overlevende echtgenoot, wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, wordt voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt”.

Wanneer de gemeenschap aan deen huwelijkspartner wordt toedeeld toebedeeld door een clausule die niet voorziet in de voorwaarde van overleving, is aan de voorwaarden van art. 5 W.Succ. niet voldaan. Art. 5 W.Succ. is volgens zijn tekst maar van toepassing als “een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent” aan de begunstigde huwelijkspartner.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
1075
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Belgische Staat, minister van Financiën t/ P.V.
arrest gewezen in graad van beroep tegen het vonnis van de Burgerlijke Rechtbank te Brugge van 16 januari 2013, waarbij het aanvochten vonnis werd bevestigd (RW 2013-14, 231)

Feitelijke gegevens

De geïntimeerde is op 3 augustus 1959 gehuwd met mevrouw R.V. voor de ambtenaar van de burgerlijke stand onder het wettelijk stelsel bij gebrek aan huwelijkscontract.

Bij akte verleden voor notaris L. De M. te G. op 11 december 2009 hebben de echtgenoten V.-V. hun huwelijkscontract gewijzigd (zonder wijziging van het stelsel), waarbij volgende clausule wordt ingevoegd: “In geval het gemeenschappelijk vermogen ontbonden wordt, komt het gemeenschappelijk vermogen in elk geval toe aan de heer P.V. of zijn erfgenamen”.

Op 12 mei 2011 wordt mevrouw V. als volgt ongeschikt verklaard door dr. I.M.: “De ondergetekende, dr. I.M., verklaart na grondig medisch onderzoek dat mevr. R.V. (...) niet meer over al haar geestesvermogens beschikt en derhalve geen enkele handeling van patrimoniumbeheer meer kan stellen”.

Mevrouw R.V. is overleden op 13 augustus 2011.

De geïntimeerde dient op 10 februari 2012 een aangifte van nalatenschap in bij het bevoegde registratiekantoor, waarin duidelijk wordt verwezen naar voornoemde clausule in het huwelijkscontract en met een begeleidend schrijven in verband met de onbelastbaarheid van de sterfhuisclausule, waarin bevestigd wordt dat het gemeenschappelijk vermogen op basis van het huwelijkscontract in volle eigendom toekomt aan de geïntimeerde.

Op 2 maart 2012 wordt een aanslag in de successierechten gevestigd, waardoor geïntimeerde een bedrag van 83.550,34 euro aan successierechten verschuldigd is.

Vervolgens werd op 14 maart 2012 een bijvoeglijke aangifte ingediend.

Er wordt een bijkomende aanslag gevestigd ten bedrage van 169,79 euro.

De geïntimeerde heeft bij verzoekschrift een vordering tegen deze aanslagen bij de eerste rechter ingediend.

De eerste rechter stelt vast dat bij administratieve beslissing van 15 juli 2011 de appellant op zijn vroegere beslissingen betreffende de onbelastbaarheid van de sterfhuisclausule terugkwam, deze beslissingen ingetrokken werden en werd beslist dat alle sterfhuisclausules belastbaar worden op grond van art. 5 W.Succ. Deze verstrengde regel zou worden toegepast op nalatenschappen die openvallen vanaf 28 juli 2011.

De eerste rechter kon de stelling van de appellant, dat het vertrouwensbeginsel niet contra legem kan worden toegepast, niet bijvallen. Volgens de eerste rechter is immers niet aangetoond dat de administratie door haar vroegere beslissingen, waarin de sterfhuisclausule niet werd belast, een houding zou hebben aangenomen die strijdig is met de wet, meer bepaald met art. 5 W.Succ. De eerste rechter oordeelde op basis hiervan dat appellant het vertrouwensbeginsel geschonden heeft.

Voorts neemt de eerste rechter aan dat de schending van de zorgvuldigheidsnorm, zoals in casu voortvloeiend uit de administratieve beslissing, op 15 juli 2011 genomen door appellant, geen aquiliaanse fout vormt en dat de geïntimeerde overigens geen schade bewijst.

De appellant roept in dat:

– de toebedeling door middel van het sterfhuisbeding een onrechtstreekse schenking zou zijn en derhalve belastbaar op grond van art. 7 W.Succ.

– en subsidiair dat de sterfhuisclausule in ieder geval belastbaar is op basis van art. 5 W.Succ.

Hij vraagt dan ook het bestreden vonnis teniet te doen (...).

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis (...).

Beoordeling

1. De betwisting betreft de al dan niet belastbaarheid in de successierechten ingevolge de toebedeling van gemeenschapsgoederen aan de geïntimeerde bij de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel.

De door de geïntimeerde en wijlen zijn echtgenote aanvaarde wijziging van hun huwelijksovereenkomst houdt echter geen “verblijvingsbeding”, m.a.w. een contractuele erfstelling in, omdat deze clausule geen betrekking heeft op goederen in de nalatenschap van de beschikker.

Daarentegen, het beding in een huwelijkscontract, dat het volledig gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel “om eender welke reden” aan één welbepaalde mede-echtgenoot toebedeelt, is geen overeenkomst over goederen van de nalatenschap van de mede-echtgenoot, maar een overeenkomst over het gemeenschappelijke vermogen. Krachtens art. 1464, eerste lid BW kan een dergelijk beding niet worden beschouwd als een schenking, maar als huwelijksvoorwaarden.

De sterfhuisclausule is daarentegen een beding houdende toebedeling van de goederen van het gemeenschappelijk vermogen aan een met naam genoemde echtgenoot zonder overlevingsvoorwaarde.

2. De administratie verdedigt het standpunt dat de toebedeling van het gemeenschappelijk vermogen belastbaar is met toepassing van art. 7 W.Succ.

De hierboven aangehaalde huwelijksvermogensrechtelijke clausule is te beschouwen als een zogenaamde sterfhuisclausule, waarbij het volledig gemeenschappelijk vermogen onvoorwaardelijk wordt toegekend aan de geïntimeerde. Bij de ontbinding van de huwgemeenschap, ongeacht de oorzaak van die ontbinding, komt de volledige gemeenschap in volle eigendom toe aan de geïntimeerde.

Het gaat niet om een contractuele erfstelling of een overeenkomst met betrekking tot de nalatenschap, maar om een overeenkomst met betrekking tot het gemeenschappelijk vermogen. Er werd aldus aan de geïntimeerde een huwelijksvoordeel toegekend, te beschouwen als een overeenkomst te bezwarenden titel, en niet als een schenking (art. 1464, eerste lid BW).

Anders dan door de appellant wordt beweerd, vereist het Burgerlijk Wetboek niet dat er een overlevingsvoorwaarde zou zijn opdat sprake zou kunnen zijn van een geldig huwelijksvoordeel (vergelijk met Cass. 10 december 2010, Pas. 2010, nr. 726, p. 3174). Uit art. 1461 BW is niet af te leiden dat een beding van ongelijke verdeling of het beding van verblijving bedoeld bij art. 1464, eerste lid BW maar mogelijk is in het geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel door overlijden ten voordele van de overlevende echtgenoot. Art. 1464 BW verwijst ook niet naar art. 1461 BW.

Er is derhalve geen sprake van schenking vóór overlijden, zodat art. 7 W.Succ. geen toepassing vindt.

De appellant voert aan dat de hierboven aangehaalde huwelijksvermogensrechtelijke clausule geen enkel toeval bevat, d.i. een onzekere gebeurtenis op het ogenblik van het overeenkomen van de clausule, gebeurtenis waarvan de kans van de geïntimeerde had afgehangen om zich het gemeenschappelijk vermogen te zien toebedelen, en een risico voor de geïntimeerde om niet het hele gemeenschappelijk vermogen te verwerven. Hieruit leidt de appellant af dat de clausule in kwestie geen kanscontract is en dus geen contract te bezwarenden titel, zodat de clausule niet valt onder art. 1464, eerste lid BW en dat de geïntimeerde niet bewijst door andere middelen van recht dat de overeenkomst te bezwarenden titel is. In de ogen van de appellant gaat het dan om een (onrechtstreekse) schenking die onder toepassing van art. 7 W.Succ. valt.

De appellant kan hierin niet gevolgd worden. Niet alleen is een kanselement niet te beschouwen als een kenmerk van een huwelijksvoordeel (zie o.m.: R. Barbaix, N. Geelhand de Merxem en A. Verbeke, Handboek Estate Planning, bijzonder deel 4, Huwelijksvoordelen, Gent, De Boeck-Larcier, 2010, p. 74, nr. 65), maar bovendien bepaalt art. 1464, eerste lid BW uitdrukkelijk dat het beding van ongelijke verdeling en het beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen niet beschouwd worden als schenkingen, maar als huwelijksvoorwaarden. De stelling van de appellant gaat in tegen de wet, terwijl de geïntimeerde mag volstaan met zich op deze wetsbepaling te beroepen, zonder nog te moeten aantonen dat er een kanselement voorhanden is. Om dezelfde redenen kan er ook geen sprake zijn van een onrechtstreekse schenking, zoals de appellant verdedigt.

3. De appellant voert subsidiair aan dat, indien het hof toch zou oordelen dat de kwestieuze clausule te bezwarenden titel is, de successierechten verschuldigd zijn op grond van art. 5 W.Succ. Volgens de appellant heeft de ongelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen jegens de overlevende echtgenoot het karakter van een schenking op fiscaal vlak, op grond van de bij art. 5 W.Succ. bepaalde fictie.

Art. 5 W.Succ. bepaalt: “De overlevende echtgenoot, wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, wordt voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt”.

Te dezen wordt de gemeenschap aan de geïntimeerde toebedeeld door een clausule die niet voorziet in de voorwaarde van overleving, noodzakelijk opdat art. 5 W.Succ. zou kunnen worden toegepast. Art. 5 W.Succ. is volgens zijn tekst maar van toepassing als “een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent” aan de geïntimeerde.

De door de appellant verdedigde stelling is strijdig met art. 5 W.Succ., waaromtrent voor zoveel als nodig moet gesteld worden dat het een strikt te interpreteren fiscale bepaling is en dat het in voorkomend geval moet worden geïnterpreteerd tegen de appellant (in dubio contra fiscum).

Het middel van de appellant is ongegrond.

4. De appellant is van oordeel dat het beperken van de toepassing van art. 5 W.Succ. tot het geval waarin de bewoordingen “op voorwaarde van overleving” in de overeenkomst opgenomen zijn, in strijd is met het grondwettelijke vereiste van gelijkheid van de burgers voor de belastingen.

De appellant vergelijkt twee onderscheiden niet met elkaar vergelijkbare toestanden, namelijk de echtgenoten die een verblijvingsbeding opnemen in hun huwelijkscontract en zij die een sterfhuisclausule opnemen in hun huwelijkscontract. Het gaat om twee verschillende rechtstoestanden. Zo bijvoorbeeld moet worden opgemerkt dat ingevolge de sterfhuisclausule de volledige gemeenschap bij vooroverlijden van de geïntimeerde zich in de nalatenschap zou bevinden en krachtens art. 1 W.Succ. de volledige gemeenschap van successierechten zou onderworpen zijn krachtens art. 1 W.Succ.

Er is klaarblijkelijk geen schending van het gelijkheidsbeginsel, zodat ook niet onderzocht moet worden of een prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

5. De appellant beweert dat er sprake is van veinzing en meer bepaald dat de partijen bij de overeenkomst niet alle gevolgen van de rechtshandeling zouden hebben aanvaard. De redenering die de appellant daartoe opbouwt is als volgt:

– de geïntimeerde en wijlen zijn echtgenote hadden de bedoeling met de hierboven vermelde wijziging van hun huwelijkscontract van 11 december 2009 om een huwelijksvoordeel te bezwarenden titel aan te gaan ten voordele van de geïntimeerde, wat ook de oorzaak is van de ontbinding van het huwelijksstelsel;

– art. 1 Hypotheekwet bepaalt dat de akten houdende overdracht onder de levenden van onroerende goederen moeten worden overgeschreven op het kantoor van de hypotheekbewaarder;

– volgens de rechtsleer moet een akte onder de levenden tot wijziging van het huwelijksvermogensstelsel slechts overgeschreven worden op het kantoor van de hypotheekbewaarder als ze een onroerende overdracht bewerkstelligt of teweegbrengt, bv. in geval van inbreng van een eigen onroerend goed in het gemeenschappelijk vermogen; in deze veronderstelling moet de onroerende inbreng uitdrukkelijk worden vermeld in de wijzigingsakte van het huwelijksvermogensstelsel die de overdracht of aanwijzing vaststelt van onroerende zakelijke rechten in de zin van art. 1 Hypotheekwet, en deze onroerende inbreng moet dus worden overgeschreven op het kantoor van de hypotheekbewaarder om tegenwerpelijk te zijn aan derden;

– het valt niet in te zien waarom deze principes, die gelden wanneer een eigen goed wordt ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen, zouden moeten genegeerd worden wanneer gemeenschappelijke goederen “in elk geval” naar het eigen vermogen van een echtgenoot worden overgeheveld;

– bijgevolg hadden de partijen de verplichting om niet enkel een inventaris op te maken van de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen op de datum van de akte (art. 1175 e.v. BW), maar ook om de hypothecaire overschrijving te laten uitvoeren teneinde de belanghebbende derden te waarschuwen dat de gemeenschappelijke onroerende goederen voortaan zouden toebehoren aan het eigen vermogen van de geïntimeerde wanneer de voorwaarde bepaald door de partijen in hun overeenkomst gerealiseerd zou worden, d.w.z. “om wat voor reden dan ook”;

– er moet worden vastgesteld dat dit niet de benadering van de partijen was, aangezien ze niets hebben onderworpen aan de overschrijving binnen de wettelijke termijn van art. 2 Hypotheekwet; zij hebben bijgevolg het plan niet gevolgd dat ze zichzelf hadden opgelegd.

Volgens de appellant kan men dus bevestigen dat de partijen niet alle gevolgen van hun rechtshandeling hebben gerespecteerd, zodat er – steeds volgens de appellant – geen reden is om rekening te houden met de bepaling “in elk geval” en dat het beding van volledige toebedeling belastbaar is met toepassing van art. 5 W.Succ.

De geïntimeerde heeft hierover geen standpunt ingenomen.

De appellant kan in zijn redenering niet gevolgd worden. De wijziging van het huwelijkscontract zoals hierboven vermeld, is niet vergelijkbaar met een inbreng van een onroerend goed in het gemeenschappelijk vermogen. De voormelde wijziging van het huwelijksvermogensstelsel is niet onderworpen aan overschrijving op het hypotheekkantoor, omdat met deze wijziging geen overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten in de zin van art. 1 Hypotheekwet gebeurt.

Er zijn voorts geen andere gegevens voorhanden waaruit de door de appellant aangevoerde simulatie zou kunnen worden afgeleid.

6. Voor zover als nodig moet worden opgemerkt dat het de appellant toegelaten is om terug te komen op eerdere standpunten en de wet te interpreteren op een andere wijze dan hij vroeger deed, omdat het gaat om de toepassing van de wet en het probleem het recht betreft en niet de feiten. Tevergeefs wordt in dit verband door de geïntimeerde een schending van beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, aangevoerd. Deze beginselen kunnen er niet aan in de weg staan dat de administratie, desnoods door een gewijzigde interpretatie, de juiste toepassing van de wet wil verzekeren. Ten onrechte verwijst de geïntimeerde ook naar Europeesrechtelijke rechtspraak, te dezen niet van toepassing op de materie van de successierechten.

De eventuele juiste toepassing van de wet op heden kan ten opzichte van de eventuele onjuiste toepassing van de wet in het verleden om dezelfde reden geen schending van het gelijkheidsbeginsel ten voordele van de geïntimeerde opleveren (zie ook supra).

7. De geïntimeerde vordert een schadevergoeding op grond van art. 1382 BW.

Het hof is echter van oordeel dat van een schadeverwekkend standpunt of handelen van de Belgische Staat geen sprake is. Het volstaat in dit verband te verwijzen naar het arrest van het Hof van Cassatie van 10 december 2010, naar de uitgebreide rechtsleer en rechtspraak vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie, waaruit op zijn minst blijkt dat de hele problematiek rond de “sterfhuisclausule” verre van duidelijk is. Door de juiste toepassing van de fiscale wet te willen verzekeren heeft de appellant geen fout begaan. De appellant bevindt zich in dezelfde situatie als om het even welke belastingplichtige die een standpunt heeft dat verschilt van dat van de belastingadministratie in een betwiste aangelegenheid.

Noot: 

Noot onder dit arrest in het RW van I. De Troyer

Zie ook:

• Gent 4 februari 2014, Fisc.Act. 2014/7, 8, Fisc. 2014, nr. 1377, 15;
• Gent 17 juni 2014).
• E. Spruyt, “Antimisbruikbepaling in registratie- en successierecht: nieuwe ontwikkelingen”, TEP 2013/4, p. 10, nr. 10-13.
• K. Janssens en R. Willems, “Antimisbruik in registratie- en successierechten niet retroactief”, Fisc.Act. 2013/33, 1
• E. De Nolf, “Ook Antwerpse rechter vindt dat sterfhuisclausule onbelast blijft”, Fisc.Act. 2014/2, 2). 
• A. Haelterman, “De doelstellingen van een fiscale bepaling – Zoektocht naar de grenzen van “fiscaal misbruik” in de nieuwe algemene antimisbruikbepalingen”, TFR 2010, nr. 427, 760).

Sterhuisclausule is geen schenking

Antwerpen, 08/09/2015, R.A.B.G., 2017/9, p. 774-780

Het Vlaamse Gewest / H.V.L. - Rolnr.: 2014/AR/879)

1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting
De betwisting betreft de vraag of successierechten verschuldigd zijn op hetgeen H.V.L. bekwam ingevolge een sterfhuisclausule, opgenomen in zijn huwelijkscontract.

1.2. Huwelijkscontract, overlijden, aangifte van nalatenschap
(…)

1.3. Procedure voor de eerste rechter
(…)

1.4. Procedure voor het hof van beroep
(…)

2. Bespreking
2.1. De sterfhuisclausule
2.1.1. Algemeen
Bij notariële akte, verleden op 18 juli 2011 voor notaris A.V. werd volgend beding opgenomen in het huwelijkscontract van de echtgenoten H.V.L./M.D.W. (stuk 1 belastingplichtigen):

“(…) De verschijners verklaren overeenkomstig artikel 1394, laatste lid en artikel 1395, § 1 van het Burgerlijk Wetboek, hun huwelijksvermogensstelsel te wijzigen als volgt: toevoeging artikel 7:

A) Partijen verklaren in te brengen in hun gemeenschappelijk vermogen om te willen aanzien als aanwinst: al hun persoonlijke en/of eigen goederen.

B) Comparanten verklaren dat het gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding als volgt zal verdeeld worden: het gemeenschappelijk vermogen komt toe aan de heer H.V.L., voornoemd, ongeacht de oorzaak van de ontbinding van het huwelijksstelsel. Beide echtgenoten verklaren uitdrukkelijk deze wijziging te aanvaarden, en deze niet als schenking, maar als huwelijksvoorwaarde te beschouwen. (…)”

Voormeld beding betreft aldus een klassieke sterfhuisclausule, zijnde een clausule die erin voorziet dat bij ontbinding van het huwelijk het gemeenschappelijk vermogen wordt toebedeeld aan één welbepaalde echtgenoot, ongeacht of deze echtgenoot de langstlevende echtgenoot is of niet.

De discussie stelt zich of hetgeen de heer H.V.L. aldus in uitvoering van deze clausule heeft bekomen onderworpen kan worden aan de successierechten of niet. De administratie meent van wel en steunt zich daarbij op de artikelen 7, ondergeschikt 5 W.Succ., zoals het ten tijde van het overlijden van toepassing was.

2.1.2. Artikel 1 W.Succ.?
Vast staat in elk geval dat onderhavig beding niet valt onder toepassing van artikel 1 W.Succ., overeenkomstig hetwelk successierechten worden geheven op hetgeen uit de nalatenschap van een rijksinwoner wordt verkregen. De heer H.V.L. heeft de betrokken goederen immers niet verkregen uit de nalatenschap van zijn echtgenote, mevrouw M.D.W., doch wel naar aanleiding van de vereffening-verdeling van de huwelijksgemeenschap.

2.1.3. Artikel 2 W.Succ.?
Successierechten zijn verschuldigd op de erfgoederen ongeacht of zij ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling worden overgemaakt (art. 2 W.Succ.).

Een contractuele erfstelling is een erfstelling die bij wijze van overeenkomst tot stand komt.

Ze is een overeenkomst onder kosteloze titel, waarbij iemand ten voordele van een ander beschikt over de goederen die zijn nalatenschap zullen samenstellen.

Een sterfhuisclausule kan nooit een contractuele erfstelling uitmaken, vermits men zich in dergelijke clausule niet bevindt op het niveau van de nalatenschap maar op een eerder niveau, namelijk dat van de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel. Een sterfhuisclausule beschikt derhalve niet enkel over de goederen die deel zullen uitmaken van de nalatenschap (noodzakelijke vereiste om te kunnen spreken van een contractuele erfstelling), maar ook over de goederen die ingevolge de vereffening-verdeling van het huwelijksvermogensstelsel zullen toekomen aan de langstlevende (zie hierover conclusie advocaat-generaal D. Thijs voor Cass. 10 december 2010). Verwijzend naar het tweede onderdeel, stelt het Hof van Cassatie in het derde onderdeel van zijn arrest van 10 december 2010 dat de Belgische Staat uitgaat van de foutieve veronderstelling dat in de sterfhuisconstructie enkel wordt beschikt over de toekomstige goederen van de nalatenschap en dat deze stelling niet kan worden aangenomen (Cass. 10 december 2010, RW 2010-11, p. 1436).

2.1.4. Artikel 7 W.Succ.?
Overeenkomstig het toenmalige artikel 7 W.Succ. worden de goederen, waarover, naar het door het bestuur geleverd bewijs, de afgestorvene kosteloos beschikte gedurende de 3 jaar vóór zijn overlijden, geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, indien de bevoordeling niet onderworpen werd aan het registratierecht, gevestigd voor de schenkingen, behoudens verhaal van de erfgenamen of legatarissen op de begiftigde voor de wegens die goederen gekweten successierechten.

Opdat artikel 7 W.Succ. in onderhavig geval kan worden toegepast is vereist dat aangetoond wordt dat er ter zake sprake is van een schenking binnen 3 jaar vóór het overlijden.

Aanvankelijk hield de administratie voor dat de sterfhuisclausule viel onder toepassing van artikel 7 W.Succ. zodat de successierechten opeisbaar werden. Ter zitting van 9 juni 2015 verklaart de raadsman van het Vlaamse Gewest dat zijn cliënt afziet van de toepassing van dit artikel.

Ten overvloede kan erop gewezen worden dat een beding van ongelijke verdeling of van verblijving van het gemeenschappelijk vermogen overeenkomstig artikel 1464, eerste lid BW niet beschouwd wordt als een schenking maar als een huwelijksvoorwaarde.

Ten onrechte houdt de administratie hierbij voor dat artikel 1464, eerste lid BW enkel kan worden toegepast wanneer in de clausule een voorwaarde van overleving wordt opgenomen. De administratie verwijst hierbij naar artikel 1461 BW en naar de voorbereidende werken. Het hof stelt evenwel vast dat artikel 1464 BW niet verwijst naar artikel 1461 BW en dat beide artikelen voorkomen onder de hoofding “bedingen die afwijken van de regels van de gelijke verdeling van het gemeenschappelijk vermogen”, zonder dat daarbij de voorwaarde van overleving wordt gesteld. De parlementaire voorbereidingen van de wet van 14 juli 1976 sluiten geenszins uit dat de ongelijke verdeling van de gemeenschap of van verblijving van het gemeenschappelijk vermogen wordt bedongen bij ontbinding om welke reden dan ook.

Het bepaalde in artikel 1464, tweede lid BW doet hieraan geen afbreuk.

Bedingen van ongelijke verdeling en bedingen van verblijving van het gemeenschappelijke vermogen worden overeenkomstig artikel 1464, tweede lid BW enkel als schenkingen beschouwd voor het aandeel boven de helft dat aan de langstlevende echtgenoot wordt toegewezen in de waarde, op de dag van de verdeling, van de tegenwoordige of toekomstige goederen die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in het huwelijkscontract.

In dit verband werd door het Hof van Cassatie geoordeeld dat artikel 1464, tweede lid BW strekt tot bescherming van de reservataire erfgenamen, doch dat deze wetsbepaling er niet toe leidt dat het “surplus” een schenking is. Deze wetsbepaling heeft enkel tot gevolg dat het voordeel bij het overlijden van de echtgenoot die eigen goederen heeft ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen, aan inkorting kan worden onderworpen (Cass. 10 december 2010, voormeld).

Bovendien komt de beschikking over de goederen pas tot stand bij het overlijden en niet ervóór (N. Geelhand de Merxem, “Het sterfhuisbeding. Fiscale aspecten” in Handboek Estate Planning, deel 4, Huwelijksvoordelen, Brussel, Larcier, 2010, p. 158 et seq.).

Gelet op het voorgaande en meer bepaald de duidelijke tekst van artikel 1464, eerste lid BW, kan de sterfhuisclausule niet als een schenking worden beschouwd en ziet het Vlaamse Gewest aldus terecht af van zijn argumentatie op grond van artikel 7 W.Succ.

2.1.5. Artikel 5 W.Succ.?
Het Vlaamse Gewest handhaaft wel zijn stelling dat successierechten verschuldigd zijn, zelfs als wordt aangenomen dat het niet om een schenking gaat, maar om een huwelijksvoorwaarde, gelet op de fictie van artikel 5 W.Succ.

Overeenkomstig artikel 5 W.Succ. wordt de overlevende echtgenoot, aan wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, voor de heffing van de rechten van successie en van overgang bij overlijden, gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

Het Vlaamse Gewest houdt voor dat het voor de toepassing van artikel 5 W.Succ. volstaat dat de clausule uitwerking krijgt op het moment van het vooroverlijden van één der echtgenoten en dat de formulering van de voorwaarde van vooroverlijden in de clausule slechts een vormvoorwaarde betreft, waarvan het ontbreken niet tot gevolg heeft dat artikel 5 W.Succ. niet kan worden toegepast.

De administratie kan in deze stelling evenwel niet gevolgd worden. De tekst van artikel 5 W.Succ. is ter zake immers duidelijk en behoeft geen interpretatie: in artikel 5 W.Succ. wordt duidelijk gesteld dat een huwelijksovereenkomst voorhanden is waarin meer dan de helft van de gemeenschap wordt toegekend, op voorwaarde van overleving. Die voorwaarde moet derhalve in de huwelijksovereenkomst besloten zijn opdat de fictie van artikel 5 W.Succ., die als uitzonderingsmaatregel van strikte toepassing is, kan worden toegepast.

Door te stellen dat artikel 5 W.Succ. een fictie invoert die een verblijvingsbeding gelijk stelt met een legaat, ongeacht of er een voorwaarde van overleving werd gesteld, gaat de administratie in tegen de tekst van de wet.

In onderhavig geval voorziet de betrokken clausule niet in de voorwaarde van overleving, noodzakelijk opdat artikel 5 W.Succ. van toepassing zou zijn. Artikel 5 W.Succ. mag derhalve niet toegepast worden wanneer de overlevingsvoorwaarde niet wordt gesteld, zoals in onderhavig geval.

Het volstaat derhalve niet dat de overlevende echtgenoot meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen bekomt. Vereist is bovendien dat in de clausule de voorwaarde van overleving werd opgenomen. In onderhavig geval werd echter uitdrukkelijk overeengekomen dat de heer H.V.L. het geheel van het gemeenschappelijke vermogen zou bekomen, ongeacht de oorzaak van de ontbinding van het huwelijksstelsel.

Het feit dat mevrouw M.D.W. reeds ziek zou zijn geweest op het moment van de aanpassing van het huwelijkscontract doet hieraan geen afbreuk. Indien het huwelijk vóór het overlijden van mevrouw M.D.W. ontbonden zou zijn geweest door echtscheiding, zou de heer H.V.L. eveneens het geheel van het gemeenschappelijk vermogen bekomen hebben ingevolge het beding in het huwelijkscontract.

Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het Hof van Cassatie hierover geen uitspraak deed in het arrest van 19 oktober 2000, door de administratie geciteerd, vermits de geciteerde passage enkel de weergave van het bestreden arrest betreft.

Ten onrechte roept de administratie in dat het gelijkheidsbeginsel in deze zou worden geschonden door de toepassing van artikel 5 W.Succ. te beperken tot het geval waarin de voorwaarde van overleving in de clausule werd opgenomen. De hypothese waarin deze voorwaarde werd opgenomen is immers wezenlijk verschillend van de hypothese waarin dit niet het geval zou zijn, zodat het gaat om twee totaal verschillende toestanden. Het gelijkheidsbeginsel is aldus kennelijk niet geschonden door voor verschillende situaties in verschillende regelgeving te voorzien.

Het arrest van het hof van beroep te Luik van 28 november 2014 dat het Vlaamse Gewest bijbrengt als stuk B23 van zijn bundel is in deze niet ter zake dienend. Dit arrest betrof immers geen beding van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen in de zin van artikel 1464 BW, doch wel een beding van vooruitmaking in de zin van artikel 1457 BW. Het hof van beroep van Luik steunde zich op artikel 1459 BW, zoals van toepassing op het moment van het overlijden, om te oordelen dat artikel 5 W.Succ. van toepassing was.

Artikel 1459 BW betreft evenwel bedingen van vooruitmaking en niet bedingen van verblijving van het gehele gemeenschappelijke vermogen in de zin van artikel 1464 BW en is in onderhavig geval dan ook niet aan de orde.

2.1.6. Simulatie?
Volgens de administratie is er in deze sprake van veinzing vermits de partijen niet alle gevolgen van de overeenkomst zouden hebben aanvaard.

Het hof stelt vast dat de administratie er hierbij vanuit gaat dat de echtgenoten op 18 juli 2011 de onroerende goederen, behorende tot de gemeenschap hebben overgeheveld naar het eigen vermogen van de heer H.V.L. en dat zij bijgevolg de verplichting hadden om een inventaris op te maken van de samenstelling van het gemeenschappelijk vermogen en om een hypothecaire overschrijving te laten verrichten binnen de termijn voorzien in artikel 2 van de hypotheekwet.

Het hof kan de stelling van de administratie niet volgen. In deze werd er bij de akte van 18 juli 2011 geen overdracht verwezenlijkt van de goederen van het gemeenschappelijke vermogen naar het eigen vermogen van de heer H.V.L. Het betreft een huwelijksvoordeel, dat enkel uitwerking kon krijgen in geval van ontbinding van het gemeenschappelijke vermogen. Er was derhalve geen sprake van een overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten in de zin van artikel 1 hypotheekwet en derhalve was er geen reden tot het verrichten van een overschrijving op het hypotheekkantoor.

Dat er sprake zou zijn van simulatie wordt voor het overige door de administratie geenszins aangetoond. Het feit dat mevrouw M.D.W. op 3 november 2011 is overleden doet hieraan geen afbreuk.

2.2. Tegenvordering: schadevergoeding
De belastingplichtige stelt een tegenvordering en vraagt de betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep en ondergeschikt op grond van artikel 1382 BW.

Het hof kan het standpunt van de belastingplichtige in deze niet volgen. Er dient immers te worden vastgesteld dat de sterfhuisclausule tot heel uiteenlopende rechtsleer en rechtspraak aanleiding geeft. In dit verband kan onder meer verwezen worden naar de bronnen, vermeld door advocaat-generaal D. Thijs in zijn conclusie voor Cass. 10 december 2010, voormeld. Er kan het Vlaamse Gewest in deze niet verweten worden in deze controversiële materie zijn standpunt te verdedigen tegenover dat van de belastingplichtige.

Het Vlaamse Gewest heeft zich in deze dan ook niet kennelijk onredelijk gedragen en heeft geen fout begaan door hoger beroep aan te tekenen. Er is dan ook geen reden om een schadevergoeding toe te kennen.

(…)

3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verleent akte aan het Vlaamse Gewest van zijn gedinghervatting voor de Belgische Staat.

Het hof verklaart het hoger beroep van het Vlaams Gewest toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van H.V.L. toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt het Vlaamse Gewest tot 4/5 van de kosten van het geding in hoger beroep en H.V.L. tot 1/5 van deze kosten, met begroting van de kosten op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 2.200 EUR.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 03/03/2015 - 16:23
Laatst aangepast op: zo, 23/07/2017 - 09:08

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.