-A +A

Statuut handelzaak opgestart voor het huwelijk die pas tot ontwikkeling is gekomen tijdens het huwelijk

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 10/12/2015
A.R.: 
2013/AR/2306

Een handelszaak die voorafgaand aan het huwelijk slechts bestond in een embryonaal stadium kan bij gebrek aan daadwerkelijke exploitatie voorafgaand aan het huwelijk niet aanzien worden als een eigen goed in de zin van artikel 1399 van het Burgerlijk Wetboek.

Het loutere formele opstarten en de voorafgaande inschrijving in het handelsregister voorafgaand aan het huwelijk volstaat niet om de handelszaak als eigen te aanzien.

De handelszaak die als onderneming pas opgebouwd werd tijdens het huwelijk behoort tot de huwelijksgemeenschap (art. 1405, 4° BW) met alle gevolgen van dien.

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017-3
Pagina: 
162
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

( ... )

1. Relevante feitelijke en procedurele elementen

1. M.G. (hierna: G) en R.B. (hierna: B) zijn ex-echtgenoten met een gemeenschappelijke (intussen meerderjarige) dochter: J.G. (11 oktober 1980).

Zij zijn in het huwelijk getreden op 25 augustus 1979 onder een bij huwelijkscontract van 14 augustus 1979 bedongen gemeenschapsstelsel.

Zij zijn uit de echt gescheiden bij (definitief) vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde van 2 december 1997, met navolgende overschrijving (op 26 februari 1998) van het beschikkende gedeelte van de echtscheidingsuitspraak in de registers van de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand.

2. Krachtens artikel 1278, tweede lid Ger.W. is het huwelijk in de vermogensrechtelijke verhouding tussen de partijen ontbonden op 12 november 1996, dit is de datum van de dagvaarding tot echtscheiding uitgaande van G.

3. In het echtscheidingsvonnis van 2 december 1997 beveelt de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde de gerechtelijke vereffening-verdeling (in de zin van de oude art. 1207 e.v. Ger.W.) van de gewezen huwelijksgemeenschap G-B, met aanwijzing van notaris D als notaris-vereffenaar in de zin van het oude artikel 1209, tweede lid Ger.W. en notaris DW als notaris-vertegenwoordiger in de zin van het oude artikel 1209, derde lid Ger.W.

Notaris M fungeert inmiddels als opvolger van gewezen notaris D (art. 54 Wet notarisambt).

Notaris V fungeert inmiddels als opvolger van gewezen notaris DW (art. 54 Wet notarisambt).

4. Na prealabele notariële werkzaamheden blijkens (1) een inventaris van 17 oktober 1995 met voortzetting op 29 november 1995 en 17 april 1996 en (2) een proces-verbaal tot opening van werkzaamheden van 10 juni 1998 komt de notaris-vereffenaar tot een staat van vereffening-verdeling van 11 september 2009.

Blijkens deze staat:

* voeren de ex-echtgenoten (inz.) discussie omtrent (1) het eigen dan wel gemeenschappelijke karakter van (het gros van) de aandelen van de NV G OFFICE EQUIPMENT en (2) de preferentiële overname van de gewezen gezinswoning te Zingem/Ouwegem;

* oordeelt de notaris-vereffenaar dat de bedoelde aandelen behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B;

* oordeelt de notaris-vereffenaar (1) dat B zich, indien gewenst, de gewezen gezinswoning preferentieel kan doen toewijzen en (2) dat G pas als tweede de keuze heeft;

* bedragen de activa van de huwelijksgemeenschap G-B in totaal 826.438,38 euro;

* bedragen de passiva van de huwelijksgemeenschap G-B in totaal 36.315,29 euro;

* bedragen de netto-activa van de huwelijksgemeenschap G-B in totaal 826.438,38 - 36.315,29 = 790.123,09 euro,

waarvan aan de ex-echtgenoten elk de helft of meer precies 395.061,54 euro toekomt;

* maakt de individuele rekening aan de zijde van G, aan wie onder meer de bedoelde aandelen toevallen, dat hij een bedrag van 19.970,86 euro moet opleggen;

* maakt de individuele rekening aan de zijde van B, aan wie onder meer de gewezen gezinswoning en de inboedel toevallen, dat zij van de opleg van Geen bedrag 10.923,85 euro verwerft.

5. Blijkens de notariële akte van 4 december 2009 formuleert Geen aantal bezwaren, inzonderheid aangaande (1) de bedoelde aandelen en (2) de gewezen gezinswoning.

B van haar kant verklaart akkoord te gaan met de staat van vereffening-verdeling, met dien verstande dat zij alsnog wil antwoorden op de door G aangebrachte bezwaren.

In die optiek verleent de notaris-vereffenaar een bijkomende termijn van vier maanden aan beide partijen teneinde een en ander nog te kunnen uitwerken en/of staven.

6. Bij akte van 8 april 2011 brengt de notaris-vereffenaar advies uit.

De notaris-vereffenaar bevestigt de eerdere zienswijze dat de bedoelde aandelen behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B, met dien verstande dat de waardering moet gebeuren ten tijde van de verdeling.

De notaris-vereffenaar bevestigt eveneens (1) dat B zich, indien gewenst, de gewezen gezinswoning preferentieel kan doen toewijzen en (2) dat G pas als tweede de keuze heeft. De notaris-vereffenaar verwerpt het bezwaar van G die voor het eerst op 4 december 2009 een recht op terugname doet gelden met betrekking tot de gewezen gezinswoning. Daar waar G dit recht op terugname vastknoopt aan de inbreng van een (voorhuwelijkse en derhalve) eigen bouwgrond bij huwelijkscontract van 14 augustus 1979, verwerpt de notaris-vereffenaar zijn aanspraak. De notaris-vereffenaar oordeelt meer precies dat het blijkens het huwelijkscontract de bedoeling was het recht op terugname te verzaken.

Verder stelt de notaris-vereffenaar dat de staat van vereffening beperkt moet worden aangepast wat betreft de toebedeling van bepaalde rekeningen.

ll. Beroepen vonnis

1. Op 28 april 2011 legt de notaris-vereffenaar eensluidende afschriften van de benodigde notariële akten neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, en dit met toepassing van het oude artikel 1219, § 2 Ger.W.

2. G neemt conclusie in de lijn van zijn eerder aangebrachte bezwaren, inzonderheid aangaande (1) de bedoelde aandelen en (2) de gewezen gezinswoning. G hekelt ook (3) de inventarisatie en de waardering van de inboedel en andere roerende elementen, (4) de vergoedingsrekeningen en (5) de beheersrekening.

B van haar kant verklaart akkoord te gaan met de staat van vereffening-verdeling, met dien verstande dat de staat van vereffening-verdeling en meer precies de beheersrekening moet worden aangepast omdat zij bepaalde betalingen heeft gedaan met betrekking tot de gewezen gezinswoning( ... ).

3. Bij vonnis van 8 oktober 2012 ( ... ) beoordeelt de eerste kamer bis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde de respectieve bezwaren.

De rechtbank bevestigt de zienswijze van de notaris-vereffenaar dat de bedoelde aandelen behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B.

De rechtbank oordeelt anders dan de notaris-vereffenaar dat G wel degelijk een recht op terugname kan doen gelden met betrekking tot de gewezen gezinswoning.

Daar waar G dit recht op terugname vastknoopt aan de inbreng van een (voorhuwelijkse en derhalve) eigen bouwgrond bij huwelijkscontract van 14 augustus 1979, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank geenszins (impliciet) afgezien van zijn aanspraak. Volgens de rechtbank was het blijkens het huwelijkscontract geenszins de bedoeling het recht op terugname te verzaken. Dit recht primeert boven het recht op preferentiële toewijzing van de gewezen gezinswoning aan hetzij B hetzij G.

Daar waar G andere, meer beperkte bezwaren oppert, oordeelt de rechtbank (1) dat hij zijn bezwaren omtrent de inventarisatie en de waardering van de inboedel en andere roerende elementen eerder had moeten laten gelden, (2) dat het aan de notaris-vereffenaar toekomt om een en ander verder uit te klaren en in die optiek de staat van vereffening-verdeling aan te passen en (3) dat het aan de notaris-vereffenaar toekomt om nader advies te verschaffen.

Daar waar B stelt dat de beheersrekening moet worden aangepast omdat zij bepaalde betalingen heeft gedaan met betrekking tot de gewezen gezinswoning( ... ), komt het volgens de rechtbank eens te meer aan de notaris-vereffenaar toe om nader advies te verschaffen.

( ... )

IV. Beoordeling

( ... )

C. Bezwaar van G aangaande de bedoelde aandelen

1. Het eerste centrale punt van discussie betreft het eigen dan wel gemeenschappelijke karakter van (het gros van) de aandelen van de NV G OFFICE EQUIPMENT.

Zowel de notaris-vereffenaar als de eerste rechter oordelen dat de bedoelde aandelen behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B.

G handhaaft zijn (zowel door de notaris-vereffenaar als door de eerste rechter verworpen) bezwaar en blijft van oordeel dat de bedoelde aandelen eigen zijn, met de gevolgen van dien.

B van haar kant beaamt de zienswijze van de notaris-vereffenaar, zo ook de zienswijze van de eerste rechter op dat punt. Dit behelst het beperkte hoger beroep van G, dat, met hervorming van het beroepen vonnis, strekt tot inwilliging van zijn bezwaar aangaande de bedoelde aandelen, met de gevolgen van dien.

2. De NV G OFFICE EQUIPMENT is opgericht bij notariële akte van 5 februari 1988, met een geplaatst maatschappelijk kapitaal ten bedrage van 4.600.000 BEF.

Hiertegenover staan 460 aandelen ter waarde van elk 10.000 BEF. De totale waarde van de aandelen bedraagt derhalve 460 x 10.000 = 4.600.000 BEF.

Van deze 460 aandelen worden er:

* 452 ingeschreven op naam van G omwille van de inbreng in natura van de eerder door G gestarte handelszaak in kantoormateriaal: G heeft daarbij inzonderheid goodwill en een voorraad handelsgoederen ingebracht;

* 4 ingeschreven op naam van B omwille van de inbreng in geld;

* 3 ingeschreven op naam van dochter J.G. omwille van de inbreng in geld;

* 1 ingeschreven op naam van L.G. (blijkbaar de broer van M.G.) omwille van de inbreng in geld.

De in het raam van de notariële werkzaamheden na de echtscheiding in onderling akkoord aangewezen deskundige raamt de bedoelde (452 + 4 = 456) aandelen (op naam van G respectievelijk B) op datum van 20 november 1998 op een waarde van 386.998,08 euro. De deskundige komt tot deze waarde op basis van de boekhoudkundige stukken (inz. de balansen) voor de jaren 1993-98.

Ter terechtzitting van 26 november 2015 bevestigen beide partijen zich vooralsnog naar deze waarde te richten, zij het dat zij de vraag naar actualisering (in het licht van inz. art. 890 Ger.W.) willen open laten.

3. G heeft de bedoelde handelszaak als eenmanszaak opgericht op 1 juli 1979, waarbij hem een BTW-nummer is toegewezen.

4. In een eerste fase en meer precies in de jaren 1979-1985 betreft het een handel in bijberoep. G was alsdan nog tewerkgesteld als technieker bij de firma DE WOLF (Gent). Voor deze werkgever verzorgde hij het onderhoud en de herstelling van kantoormateriaal voornamelijk in verschillende afdelingen van de firma BEKAERT. De firma BEKAERT was een belangrijke klant van de firma DE WOLF.

In die context verkocht hij (ook in de jaren voordien reeds) kantoormateriaal (inz.) aan het werknemersbestand van de firma BEKAERT en werkte hij zodoende na zijn uren, mede tot onderhoud en herstelling van het verkochte kantoormateriaal. Gedurende die overuren werkte G op commissie van de firma DE WOLF (zijn werkgever) voor de verkopen (inz.) aan de werknemers van de firma BEKAERT (een klant van zijn werkgever). Aldus is duidelijk dat deze verkopen gebeurden door G in naam en voor rekening van de firma DE WOLF en zodoende als vertegenwoordiger van de firma DE WOLF.

Een (gebeurlijk over-uurse) werknemersactiviteit waarbij de goede naam en faam van de werknemer (gelet op diens professionele ervaring en knowhow) aan zijn werkgever klanten en omzet oplevert (terwijl de werknemer commissies opstrijkt), staat als dusdanig niet gelijk met (de opbouw van) een handelszaak.

G handelde in zoverre (wat betreft de verkopen) niet in eigen naam (zeker niet vóór medio 1979), met dien verstande dat [inz.] het onderhoud en de herstelling van het verkochte kantoormateriaal (vanaf medio 1979) in eigen naam gebeurde (in een eigen atelier met eigen werkmiddelen). G faalt in een afdoende stoffering van zijn andersluidende aanvoeringen.

Op die manier fungeerde G (vanaf medio 1979) als zelfstandige in bijberoep. Het klantenbestand (ongeacht de minutieuze wijze waarop G dit aanlegde en formaliseerde) was evenwel in essentie dat van zijn werkgever. Dat het klantenbestand verband hield en aandikte omwille van de gebeurlijk goede naam en faam van G, neemt niet weg dat het in essentie bleef gaan om het klantenbestand van zijn werkgever. Daar waar de medio 1979 opgerichte eenmanszaak (met een eigen BTW-nummer) enigszins is voortgesproten uit de eerder lopende activiteit van verkoop op commissie en onderhoud/herstel, betrof het ten tijde van het huwelijk een handelszaak in een zeer embryonaal stadium. G was ten tijde van de redactie van het huwelijkscontract en het navolgende huwelijk nog maar net ingeschreven in het toenmalige handelsregister en G had nog maar net een BTW-nummer. Het winstgevende karakter was (zo niet negatief dan toch) verwaarloosbaar, welke becijferingen G ook wil voorspiegelen, terwijl het vanzelf spreekt dat hij bezwaarlijk kan werken met officieuze elementen. G kan geen aanspraken halen uit een onrechtmatige handelwijze in verhouding tot fiscale aangiften van weleer.

Wat betreft (1) de voorraad van het met het oog op voortverkoop aangekochte kantoormateriaal en (2) de beroepskosten, zaait G verwarring, terwijl een en ander sowieso onduidelijk blijft. Het past te focussen op de net vóór het huwelijk opgerichte handelszaak, met de kosten en zeer beperkte winst (of veeleer verlies) van dien. De stand van zaken, bekeken aan de hand van aankoop- en verkoopfacturen (als handelaar in bijberoep), was pover. Verkoopfacturen (van G) van vóór medio 1979 blijken niet. Zij kunnen overigens niet blijken, bij gebrek aan een eerdere inschrijving in het toenmalige handelsregister en een BTW-nummer. Met beweerde verkopen zonder factuur (doch op commissie in het zwart) kan geen rekening worden gehouden.

De aan- en verkopen en de bijhorende betalingen (als werknemer van de firma DE WOLF) op commissie moeten worden onderscheiden en staan als dusdanig los van de later opgerichte eenmanszaak. Dat G eerder gedane aankopen (bij wijze van investering) heeft ingebracht in de eenmanszaak, verandert niets. De eerder gedane bouw en/of investering in een handelsruimte en werkmiddelen, is evenmin doorslaggevend.

Eigenlijk is de eenmanszaak als zelfstandige in bijberoep pas echt gestart na de huwelijkssluiting. Van een reële handelszaak met een reëel eigen cliënteel (van dienstig belang) was ten tijde van het huwelijk als dusdanig geen sprake. Dat ze (eigenlijk louter formeel gezien) kort vóór de huwelijksdatum (25 augustus 1979) is (op)gestart, is niet doorslaggevend. Het gegeven dat G in het huwelijkscontract van 14 augustus 1979 als handelaar met een inschrijving in het toenmalige handelsregister staat opgegeven, is evenmin doorslaggevend. Van een handelszaak zelf is in het huwelijkscontract geen sprake. Zij zat immers, zoals aangegeven, in een embryonaal stadium. Een handelszaak is trouwens meer dan alleen maar formele elementen. Een reëel cliënteel van dienstig belang is cruciaal.

5. In een tweede fase en meer precies in de jaren 1985-1989 betreft het een handel in hoofdberoep om vervolgens uit te monden in de NV G OFFICE EQUIPMENT.

6. B maakt (mede in het licht van de stukken van haar bundel VII) aannemelijk dat zij zowel in voormelde eerste fase van handel in bijberoep (in de periode 1979-1985) als in voormelde tweede fase van handel in hoofdberoep (in de periode 1985-1989) meewerkte tot opbouw van de handelszaak. Zij verzorgde mee de administratie en leveringen. G wil een en ander ten onrechte negeren.

7. In de gegeven context en omstandigheden moet worden aangenomen dat de door G gestarte handelszaak in kantoormateriaal tijdens het huwelijk heeft plaatsgevonden en zodoende valt onder de werking van het gemeenschapsstelsel (art. 1405, sub 4° BW). De handelszaak behoort derhalve tot de huwelijksgemeenschap G-B. Het betreft als dusdanig, ondanks de beweringen van G, geen voorhuwelijks eigen goed in de zin van artikel 1399, eerste lid BW.

De handelszaak, zoals zij thans is ondergebracht in de NV G OFFICE EQUIPMENT, is pas tijdens het huwelijk opgebouwd/verwezenlijkt.

Dit gemeenschappelijke karakter blijft doorspelen bij de inbreng in natura van goodwill en een voorraad bij de oprichting van de NV G OFFICE EQUIPMENT. Deze inbreng is immers niet gevoed met eigen elementen, laat staan dat het gaat om een wederbelegging van eigen elementen. De bedoelde goodwill (met een ten tijde van de inbreng geschatte waarde van 991.335 BEF) is opgebouwd/verwezenlijkt tijdens het huwelijk. De bedoelde handelsvoorraad (met een ten tijde van de inbreng geschatte waarde van 3.528.665 BEF) is eens te meer opgebouwd/verwezenlijkt tijdens het huwelijk.

G stelt vergeefs dat de aandelen op zijn naam die tegenover deze inbreng staan, een eigen karakter hebben. Voormelde elementen maken dat deze aandelen eveneens een gemeenschappelijk karakter hebben. Dat de bedoelde 452 aandelen op naam van G zijn ingeschreven, doet aan het gemeenschappelijke karakter ervan geen afbreuk. De inschrijving van aandelen op naam van een van de echtgenoten zegt niets over het huwelijksvermogensrechtelijke eigendomsstatuut. Anders dan G wil voordoen, bieden noch de oprichtingsakte van 5 februari 1988 noch het daarbij horende verslag van de bedrijfsrevisoren VERDEGEM-BODEVIJN soelaas.

Het gegeven dat de oprichtingsakte gewag maakt van de handelszaak van G (als 'zijn handelszaak') kan het huwelijksvermogensrechtelijke statuut van deze handelszaak niet sturen, laat staan wijzigen.

Het gegeven dat het bedrijfsrevisorenverslag (beweerdelijk met goedkeuring van B) gewag maakt van elementen van een eigen handelszaak waarvoor de verworven aandelen de tegenprestatie vormen, kan het huwelijksvermogensrechtelijke statuut van deze handelszaak evenmin sturen, laat staan wijzigen. Het betreft een louter eenzijdige en niet-bindende verklaring, waarmee G het geldende huwelijksvermogensstelsel niet kan omgooien. De beweerde toenmalige goedkeuring van B (die het verslag overigens niet heeft onderschreven) blijkt niet op sluitende wijze. Op die manier kan G bezwaarlijk tornen aan het geldende gemeenschapsstelsel. Door als mede-oprichter te fungeren en aldus de oprichtingsakte te onderschrijven, heeft B niet zonder meer ingestemd met het (hoe dan ook niet door haar onderschreven) bedrijfsrevisoren verslag.

Zowel (1) de handelszaak als (2) de aandelen van de NV G OFFICE EQUIPMENT en meer precies de 452 aandelen op naam van G én de 4 aandelen op naam van B behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B.

Niet alleen deze aandelen maar ook de meerwaarde die zij intussen hebben verworven, zijn derhalve gemeenschappelijk. G beroept zich vergeefs op artikel 1400 BW.

Een en ander is een verwezenlijking van de echtgenoten G-B tijdens hun huwelijk.

8. In de lijn van wat zowel de notaris-vereffenaar als de eerste rechter aangeven, is ook het hof van oordeel dat de bedoelde aandelen behoren tot de huwelijksgemeenschap G-B. Het bezwaar van G als zouden de bedoelde aandelen eigen zijn (met de gevolgen van dien) moet derhalve worden afgewezen.

Het beperkte hoger beroep van G, dat, met hervorming van het beroepen vonnis, strekt tot inwilliging van zijn bezwaar aangaande de bedoelde aandelen met de gevolgen van dien, slaagt niet.

D. Bezwaar van G aangaande de gewezen gezinswoning

1. Het tweede centrale punt van discussie betreft het recht op terugname dan wel de preferentiële overname van de gewezen gezinswoning te Zingem/Ouwegem.

( ... )

2. De voorliggende discussie betreft het klassieke geval waarbij een van beide (aanstaande) echtgenoten een eigen (bouw)grond inbrengt, waarop de echtgenoten later (veelal) met gemeenschapsgelden bouwen. De bouwactiviteit vindt zodoende plaats na de inbreng, op een ogenblik dat de bouwgrond een gemeenschappelijk karakter heeft verworven. De vraag rijst in welke mate het recht van terugname in de zin van artikel 1455 BW speelt in dergelijk geval. Een van beide echtgenoten brengt dus een eigen bouwgrond in de huwelijksgemeenschap opdat beide echtgenoten op de aldus gemeenschappelijk geworden bouwgrond (inz.) met gemeenschapsgelden kunnen bouwen. Later volgt, zoals in casu, de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel, met enige discussie aangaande de toewijzing van de gemeenschappelijke gezinswoning.

( ... )

7. In essentie is de inbreng aangewezen om de regels inzake het gemeenschappelijk vermogen toepasselijk te maken, voornamelijk de bestuursregeling van de artikelen 1415 e.v. BW. Verder wordt de vaak moeilijke en mogelijks delicate vergoedingsregeling uitgesloten. Ook de mogelijkheden tot begunstiging van de langstlevende echtgenoot worden uitgebreid. Tot slot kan de inbreng fiscale beweegredenen kennen.

Wanneer een echtgenoot een eigen grond inbrengt om er met gemeenschapsgelden op te bouwen, wordt het mogelijk de woning op een vermogensrechtelijk (en ook fiscaalrechtelijk) eenvoudigere (en goedkopere) wijze in de kavel en dus het vermogen van de andere echtgenoot te laten terechtkomen. De ingebrachte grond en de woning die er zich mee verenigt, behoort immers tot het gemeenschappelijk vermogen met alle, inzonderheid in artikel 745bis, § 1 BW neergelegde, erfrechtelijke gevolgen van dien voor de langstlevende echtgenoot.

Hierbij zij trouwens aangestipt dat, in geval de echtgenoot-inbrenger overlijdt vóór de echtgenoot-niet-inbrenger en dit zonder (gebeurlijk adoptieve) afstammelingen na te laten, deze langstlevende echtgenoot met toepassing van de wettelijke devolutie (art. 745bis, § 1, tweede lid BW) het gemeenschappelijk vermogen (met inbegrip van de gezinswoning) in volle eigendom verwerft (geval waarbij art. 1455 BW ten andere geen toepassing vindt).

Voorts zij aangestipt dat de echtgenoot-niet-inbrenger, voor het geval de echtgenoot-inbrenger overlijdt vóór de echtgenoot-niet-inbrenger en dit terwijl hij wel afstammelingen nalaat, zich tegen de aanspraken van deze afstammelingen kan beveiligen door inlassing in het huwelijkscontract van een verblijvingsbeding (geval waarbij art. 1455 BW evenmin toepassing vindt; zie evenwel art. 1464, tweede lid BW).

In het specifieke geval, zoals in casu, dat een echtgenoot een eigen bouwgrond in het gemeenschappelijk vermogen brengt opdat beide echtgenoten op de aldus gemeenschappelijk geworden bouwgrond (inz.) met gemeenschapsgelden kunnen bouwen, ligt de bedoeling bovenal hierin dat, in geval van ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel (ingevolge overlijden of echtscheiding), beide echtgenoten (of hun erfgenamen of rechtsopvolgers, aldus art. 1431 BW) op gelijke wijze hun eigendomsrechten kunnen laten gelden.

Volkomen los van de wens van de echtgenoot-niet-inbrenger om bij de ontbinding van het stelsel op een of andere manier het mede door hem geïnvesteerde geld terug te zien, strekt de inbreng ertoe dat elk van beide echtgenoten in gelijke mate aanspraak kunnen maken om daadwerkelijk in de woning te blijven. Hier biedt de inbreng een toevoeging ten behoeve van de echtgenoot-niet-inbrenger. Het spreekt voor zich dat deze gelijke aanspraken niet aan de orde zijn bij gebrek aan inbreng. Alsdan is en blijft de echtgenoot-grondeigenaar (art. 1399, eerste lid BW), ingevolge natrekking, eigenaar van de er opgerichte woning, wat artikel 1400, sub 1 ° BW overigens bekrachtigt. De echtgenoot-niet-grondeigenaar wordt wel (in speciën) vergoed voor de vermogensverschuiving (art. 1432 BW), met inbegrip van de gebeurlijke waardevermeerdering (art. 1435 BW).

8. In de lijn van voormelde elementen, wilden de (aanstaande) echtgenoten G-B met de inbreng (in de huwelijksgemeenschap G-B) door G van een eigen bouwgrond om er met gemeenschapsgelden op te bouwen, de artikelen 1446- 1447 BW inzake de preferentiële toewijzing van de bedoelde gezinswoning ten volle zien gelden: beide echtgenoten genieten principieel gelijke kansen om in de bedoelde gezinswoning te (kunnen) blijven, wat de vereffenende instantie in concreto moet appreciëren. Dit was/is in de ogen van B het nut van de inbreng, die overigens toch een huwelijksvoordeel uitmaakt. Wanneer zij enerzijds weet dat zij ook zonder de bedoelde inbreng een financiële compensatie krijgt voor wat zij mede in de alsdan volledig eigen blijvende woning van G steekt en zij anderzijds ondanks de bedoelde inbreng zou moeten blijven buigen voor de wezenlijk prioritaire eigendomsaanspraken van G (die als hij dit wenst, zich zou kunnen blijven beroepen op art. 1455 BW), is dit nut (te) weinig voelbaar.

( ... )

11. Het bezwaar van G aangaande gewezen gezinswoning moet derhalve worden afgewezen.

Het beperkte hoger beroep van B, die, met hervorming van het beroepen vonnis, de afwijzing van het bezwaar van G aangaande de gewezen gezinswoning nastreeft, is gegrond. B beoogt terecht de bevestiging van de staat van vereffening-verdeling, inzonderheid wat betreft de zienswijze en het oordeel van de notaris-vereffenaar aangaande de gewezen gezinswoning.

( ... )

F. Besluit

1. Het hoger beroep van G slaagt niet, terwijl het hoger beroep van B wel slaagt.

2. De staat van vereffening-verdeling verdient navolging, met dien verstande dat de notaris-vereffenaar de beheersrekening moet aanpassen daar waar B bepaalde betalingen heeft gedaan en op afdoende wijze staaft met betrekking tot de gewezen gezinswoning( ... ).

3. Aldus verzendt het hof de zaak terug naar de notaris-vereffenaar met het oog op voortzetting van de werkzaamheden van vereffening-verdeling met toepassing van het oude artikel 1223 Ger.W.

Het komt de notaris-vereffenaar toe de staat van vereffening-verdeling van 11 september 2009 te finaliseren overeenkomstig de rechterlijke instructies.

( ... )

Noot: 

A. Paulus, Le statut de l’entreprise initiée par un époux avant un mariage en communauté mais développée durant celui-ci , TBBR 2017-3, 163

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 16/06/2018 - 09:59
Laatst aangepast op: za, 16/06/2018 - 09:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.