-A +A

Stallingskosten en veterinaire kosten zijn geen schadeposten bij koopvernietiging van de koop van een paard wegens gebrek

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
woe, 02/05/2012

Het hof oordeelt dat de kosten voor stalling en voor van het paard evenals de kosten van dierenarts, hoefsmid en dergelijke meer, uitgaven zijn die door de koper ook hadden moeten betaald worden indien het paard verder zou bereden geweest zijn. Dit zijn kosten eigen aan het houden van een paard, ongeacht of dit bereden wordt of niet. De koper toont ook niet aan en houdt evenmin voor dat zij voor het gehuurde paar eveneens dergelijke kosten heeft moeten betalen, zodat er geen sprake is van dubbele kosten. De stalgelden en de veterinaire kosten die voor het paar betaald werden staan bijgevolg niet in oorzakelijk verband met het weerhouden gebrek, aangezien deze kosten eveneens gemaakt moesten worden wanneer het paard geen gebrek had vertoond en wel bereden zal zijn geweest.

De kostprijs voor de huren van het vervangingspaard staat daarentegen wel in causaal verband met het gebrek van het paard, aangezien een vervangingspaard wel gehuurd werd omdat het paard voor de dochter niet berijdbaar was. Het feit dat de beslissing om een vervanging te huren een eigen beslissing van de koper was, doet hieraan geen afbreuk.
 

Publicatie
tijdschrift: 
DCCR
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2012
Pagina: 
100
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Er is een wezenlijk verschil tussen de wet van 25 augustus 1885 en de wet op de consumentenkoop.

De wet van 25 augustus 1885 is er gekomen met de bedoeling de toepassing van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de verborgen gebreken, zoals vastgesteld in de artikelen 1641-1648 Burgerlijk Wetboek te vergemakkelijken ter zake de verkoop of ruiling van huisdieren .

Te dien einde heeft de wet van 25 augustus 1885 een bijzondere vorm van rechtspleging in het leven geroepen en aan de regering de zorg overgedragen om de gebreken en ziekten aan te duiden die, bij uitsluiting van alle andere, als koopvernietigende dienden beschouwd te worden bij de verkoop/ruiling van welbepaalde dieren en de termijnen te bepalen binnen dewelke de rechtsvorderingen wegens koop-vernietigende gebreken dienen ingesteld te worden.

Wat dit betreft, kan onder meer verwezen worden naar de koninklijke besluiten van 31 mei 1951 maar 23 september 1960 en 24 december 1987. Enkel de huisdieren vermeld in de wet van 25 augustus 1885 (waaronder de paarden) en de ziektes/gebreken, opgesomd in de uitvoeringsbesluiten komen in aanmerking voor kopervernietiging.

Andere ziekten en gebreken aan de huisdieren vermeld in de wet van 25 augustus 1885 hebben geen koopvernietiging voor gevolg. De wettelijke opsomming van de gebreken is beperkend en niet vatbaar voor uitbreiding.

De wet van 25 augustus 1885 op de koopvernietigende gebreken bij verkoop of ruiling van huisdieren heeft bijgevolg de vrijwaring waartoe de verkoper op grond van artikel 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek gehouden is, beperkt tot enkel die ziekten en gebreken door de regering aangeduid en enkel die ziekten en gebreken aan dieren vermeld in de wet van 25 augustus 1885 kunnen aanleiding geven tot de rechtsvordering van artikel 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek (vergelijk. . Vranken, koop en ruil van dieren, APR 1979 nummers 22 en 34).

De wet van 25 augustus 1885 heeft met andere woorden het toepassingsveld van artikel 1641 beperkt ingeval van een verkoop/ruiling van huisdieren (zoals paarden, ezels en dergelijke meer), maar niet vervangen of uitgesloten.

De wet van 25 augustus 1885 is bijgevolg een Lex specialis ten overstaan van de gemeenrechtelijke vrijwaring -van artikel 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek bij verkoop of ruiling van huisdieren.

Het verschil met de wet op de consumenten koop bestaat er in dat, waar de wet van 25 augustus 1885 de gemeenrechtelijke regeling van artikel 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek overeind laat (doch enkel het toepassingsveld beperkt), de wet op de consumenten koop op de gemeenrechtelijke vrijwaringstreling van artikel 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek uitsluit en vervangt door een specifieke regeling – opgenomen in het Burgerlijk Wetboek onder een nieuwe afdeling vier, bevattende de artikelen 1649 bis tot en met 1649 octies – althans voor de verborgen gebreken die zich manifesteren binnen de termijn van twee jaar na de levering, waarna de gemeenrechtelijke vrijwaring opnieuw in werking treedt.

Bijgevolg is de wet op de consumentenkoop in werking getreden op 1 januari 2005 én dwingend van aard, én een bijzondere wet (Lex specialis) niet alleen ten aanzien van de gemeenrechtelijke koopregeling van de artikelen 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek, maar ook ten aanzien van de wet van 25 augustus 1885, die de toepassing van artikel 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek in welomschreven gevallen beperkt, maar niet uitsluit noch vervangt.

Wanneer de voorwaarden voor de toepassing van de wet op de consumentenverkoop vervuld zijn, is dan ook enkel deze wet van toepassing en in niet de artikelen 1641 en volgende Burgerlijk Wetboek, noch de wet van 25 augustus 1885 en bijhorende uitvoeringsbesluiten.

1. Wie een paard verkoopt in het kader van de uitbating van een handelszaak is een verkoper in de zin van artikel 1649 bis §2 ten tweede Burgerlijk Wetboek.
2. Een paard is een consumptie goed in de zin van artikel 1649 bis §2 3° Burgerlijk Wetboek, aangezien ook dieren als roerende lichamelijke goederen te aanzien zijn.
3. Wie een paard koopt als geschenk voor zijn kind, handelt als consument.

In deze omstandigheden (1. 2. En 3) is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de wet op de consumentenkoop

Het feit dat het paard zou zijn aangekocht voor deelname aan wedstrijden ontneemt de koper niet de hoedanigheid van consument in de zin van artikel 1649 bis §2 ten eerste Burgerlijk Wetboek. Een paard dat werd aangekocht als rijpaard voor de dochter van de koper om te worden gebruikt zowel in de manege als op de openbare weg en het feit dat de dochter zinnens was om met dit paard (sporadisch) deel te nemen aan dressuurwedstrijden maakt dit nog niet tot een commerciële activiteit.

De toepassing van de wet op de consumentenkoop op de verkoop van het paard heeft voor gevolg dat de verkoper overeenkomstig artikel 1649 quater §1, ten eerste en ten derde lid Burgerlijk Wetboek als verkoper garantie plichtig is voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestond bij de levering van het paard en dat zich manifesteerde binnen een termijn van twee jaar vanaf de levering.

Het wordt niet (ernstig) betwist dat het paard minstens sedert 15 of 16 augustus 2009 problemen vertoonde (verzet, steigeren en dergelijke) en dat dit gebeurde binnen de garantietermijn van twee jaar na levering. Aldus blijft de verkoper in principe garantieplichtig.

Indien tot een gebrek aan overeenstemming besloten wordt en dit gebrek manifesteerde zich binnen de zes maand na de levering, wordt het gebrek overeenkomstig artikel 1649 quater §4 Burgerlijk Wetboek vermoed te hebben bestaan op het tijdstip van de levering. Dit vermoeden is vatbaar voor het bewijs van het tegendeel, dat door de verkoper moet worden geleverd.

Op dat de verkoper als garantie plichtig kan aangesproken worden in het bewijs van een gebrek aan overeenstemming vereist. Deze bewijslast rust op de koper als eisende partij.

In de wet op de consumentenkoop wordt voor de toepassing van artikel 1604 eerste Burgerlijk Wetboek een afzonderlijke regeling opgelegd in artikel 1649 ter Burgerlijk Wetboek, in die zin dat er vier cumulatieve overeenstemmingscriteria worden opgelegd waaraan de aangekochte zaak (in casu het paard) moet voldoen om in overeenstemming met de overeenkomst zijn. Het niet voldoen aan een van de vier criteria is voldoende om tot een gebrek aan overeenstemming te besluiten.

De eerste rechter weerhield gebrek aan overeenstemming met de overeenkomst op drie vlakken:

 

1.Het dier was niet geschikt voor het door de koper (consument) bestemd gebruik (artikel 1649 ter §1 ten tweede Burgerlijk Wetboek)

2. Het dier was niet geschikt voor het gebruik waartoe goederen van dezelfde soort gewoonlijk dienen (artikel 1649 §1 ten derde Burgerlijk Wetboek)

3. Het dier beantwoordde niet aan de kwaliteiten en de prestaties die voor goederen van dezelfde soort normaal zijn en die de consumenten redelijkerwijze mag verwachten, gelet op de door de verkoper gedane publieke mededelingen met betrekking tot de door hem aangeboden paarden (artikel 1649 ter §1 ten vierde Burgerlijk Wetboek)

Zoals gezegd volstaat een miskend criterium om een gebrek aan overeenstemming aan de overeenkomst te weerhouden en de verkoper hiervoor aansprakelijk te achten.

[Het paard had op de openbare weg gesteigerd voor aankomende voertuigen, het paard bleef verzet vertonen en had de neiging bij druk op de rug gevaarlijk te steigeren. Klinisch onderzoek, toont aan dat het paard abnormaal druk en pijn gevoelig is in de zadelstreek. Het paard wordt ronduit stijf bestempeld en lijkt niet echt geschikt voor een eerder jonge ruiter waarbij de oorzaak hoofdzakelijk wellicht in het karakteriële zal liggen

De eerste rechter weerhield op grond van de bevindingen van de gerechtsdeskundige het bestaan van een intrinsiek karakteriële gebrek bij het paard. Anders dan de technisch raadsman van de koper weerhoudt de deskundige geen fysiek gebrek maar wel een gedrag dat het gevaarlijk maakt voor normaal gebruik door niet professionelen.

Het steigert, verzet zich, springt ongevraagd zijwaarts (waardoor het in het verkeer onberekenbaar is: een normale ruiter kan dit paard in zijn huidige staat niet onder controle houden wanneer een voertuig nadert. Dit is volgens de deskundige te wijten aan het moeilijk en nukkig karakter van het paard waarbij de deskundige niet uitsluit dat het bekwamer en meer ervaren ruiter van het paard meer en zelfs veel meer kan bekomen, voornamelijk wanneer het paard strak aangereden wordt en aan de teugel wordt gebracht en een sterk vertrouwen in zijn berijder heeft.

Maar van een 13-jarig meisje verwacht de deskundige niet dat zij daartoe in staat zou geweest zijn. Het moeilijke karakter van het paard maakte het volgens de deskundige voor een 13-jarige ruiter, die niet het gezag uitstraalt van een volwassen ruiter met bijzondere vaardigheden, en zelfs voor een doorsnee ruiter zo goed als onmogelijk om het paard probleemloos en gevaarloos te bereiden en in toom te houden.

Om aan te tonen dat het moeilijk karakter van het paard niet bewezen is en het gebrek in ieder geval nog niet bestond ten tijde van de aankoop, verwijst de verkoper naar het feit dat zijn echtgenote en dochter probleemloos voor de aankoop met het paard hebben gereden en nog op 16 augustus 2009 een dressuurwedstrijd het paard hebben gewonnen.

De deskundige sluit niet uit dat het paard in de periode voor de aankoop goed en strak aangereden was waardoor het een tijdlang geen verzet zal vertoond hebben. Vlak voor de levering was het paard overigens gestald bij zeer ervaren ruiters gespecialiseerd in dressuur, dat per definitie een zeer strenge discipline is waarvoor goed getrainde en autoritaire ruiters nodig zijn. Wellicht was het paard hierna een goed berijdbaar paard (geworden).

Wanneer de teugels evenwel minder strak en minder professioneel werden aangelegd en de discipline minder streng werkt – wat van een 13-jarige ruiter normaal kan verwacht worden – en het paard bijgevolg de strakke hand die het vroeger gewend was, niet meer voelde, heeft zijn karakter de bovenhand genomen, waardoor het paard onvoorzienbaar werd. Dit is voor een 13-jarige ruiter een zeer gevaarlijke situatie, zeker wanneer met het paard op de openbare weg gereden wordt.]

Het paard was met andere woorden niet geschikt voor het gebruik (voor een 13-jarige ruiter) waartoe het bij aankoop bestemd was. Deze bestemming was nochtans aan de verkoper genoegzaam bekend en deze betwist dit ook niet.

Het paard vertoonde bijgevolg (in ieder geval) een gebrek aan overeenstemming in de zin van artikel 1649 ter §1 ten tweede Burgerlijk Wetboek, en waar het tegenbewijs niet geleverd kan worden van het vermoeden dat het gebrek, wanneer het zich manifesteert binnen de zes maand na de levering, aanwezig was op het tijdstip van de levering (artikel 1649 quater §4 Burgerlijk Wetboek) is de verkoper aansprakelijk voor het gebrek, temeer hij als professionele verkoper evenmin aantoont dat het gebrek voor hem onnaspeurbaar was. De verkoper en zijn echtgenote zijn ervaren instructeurs in dressuurrijden, en konden beter dan wie ook het karakter van het paard inschatten in de periode voor de levering en hadden derhalve, ook al konden zij het paard de baas, bepaalde karaktereigenschappen moeten opmerken die het paard ongetwijfeld ook toen reeds vertoond zal hebben, gelet op de hevige reacties die het vertoonde bij een simpele druk op een plek waar het dit niet leuk vond, namelijk in de rug. Minstens hadden zij moeten inschatten dat een dergelijk paard van wie zij wisten dat het werd aangekocht om te worden bereden door een 13-jarige, voor zijn berijder niet geschikt was en zelfs gevaarlijk kon zijn.

Het bewijs wordt niet geleverd dat het gedrag van het paard te wijten is aan de slechte ruiterskunsten van het 13-jarige meisje of aan een verkeerd of onoordeelkundig gebruik.

Indien het gebrek aan overeenstemming vaststaat zoals het hier het geval is, beschikte de consument over diverse sanctiemogelijkheden die worden opgesomd in artikel 1649 quinquies Burgerlijk Wetboek. De consument heeft het keuzerecht op hetzij deherstelling of de vervanging hetzij op een prijsvermindering en de ontbinding van de overeenkomst. Dit keuzerecht is niet willekeurig en is onderhevig aan de hiërarchie tussen de sancties; zo zijn de sancties van de prijsvermindering en de ontbinding, die als een herstel bij wijze van equivalent aanzien worden, ondergeschikt aan de kosteloze herstelling of de kosteloze vervanging, die als herstel in natura worden aangemerkt en voorrang genieten.

Artikel 1649 quinquies §1 eerste lid Burgerlijk Wetboek bepaalt in dit verband dat de consument, naast desgevallend schadevergoeding, het recht heeft van de verkoper die aansprakelijk is voor een gebrek aan overeenstemming, het zij de het of de vervanging van het goed onder de voorwaarden bedoeld in §2, hetzij een passende vermindering van de prijs of de ontbinding van de overeenkomst, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in §3 te eisen.

Artikel 1649 quinquies §2 bepaalt: “in eerste instantie heeft de consument het recht om van de verkoper kosteloze herstelling of de kosteloze vervanging van het goed te verlangen, behalve als dat onmogelijk of buiten verhouding zou zijn. Elke herstelling of vervanging moet, rekening houdend met de aard van het goed en het door de consument beoogd gebruik, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de consument verricht worden”.

De koper vordert de ontbinding van de overeenkomst met terugbetaling van de koopprijs en met schadevergoeding. De verkoper verzet zich hiertegen en stelt dat het paard tot een bruikbaar paard kan afgericht worden of minstens kan vervangen worden, derwijze dat de sanctie van de ontbinding te verregaand is.

Wat de gestelde vervanging betreft verwijst het hof naar de eerdere briefwisseling tussen de raadslieden van de partijen waaruit blijkt dat een voorstel van de verkoper tot vervanging van het paard door zijn eigen toedoen op niets uitdraaiden aangezien hij het paard dat ter vervanging voorzien was, inmiddels zelf had doorverkocht. Vervanging is zodoende geen optie en biedt trouwens geen voldoende garantie.

Herstel behoort evenmin dat de sanctiemogelijkheden, nu het omvormen van het paard tot een bruikbaar paard zeer veel tijd zou vergen zonder dat gegarandeerd kan worden dat het karakteriële gebrek dat volgens de deskundigen aangeboren is weggenomen of minstens geneutraliseerd wordt.

De tijd om een paard met een karakteriële stoornis herop te voeden tot een normaal bruikbaar paar – ter zake tot een paard dat door een 13-jarige gevaarloos kan bereden worden – valt in ieder geval niet in te schatten, zodat het niet zeker is dat een dergelijk herstel binnen een redelijke termijn zou kunnen gebeuren. Bovendien is het niet onwaarschijnlijk dat de kostprijs van een dergelijk herstel de waarde van het paard overschrijdt, zodat de kostprijs van een eventueel herstel evenmin in verhouding is.

Prijsvermindering kan niet nu dit impliceert dat het paard zou moeten terugkeren naar de koper, wat uiteraard niet mogelijk is. De sanctie wordt door de partijen overigens ook niet als mogelijkheid aangevoerd.

Ontbinding van de overeenkomst is dan ook de enige sanctiemogelijkheid, wat noodzakelijk resulteert in een teruggave van de koopsom van € 7500.

De koper vordert als schadevergoeding de kosten van stalling en verzorging tot en met de datum waarop de verkoper het paard mede onder druk van de betekening van het eindvonnis (in eerste aanleg) op 4 maart 2011, terug haalde. Zij vordert eveneens de huur van het vervangingspaard de datum waarop de verkoper de oorspronkelijke koopprijs zal terugbetaald hebben, aangezien zij tot dan niet over de nodige financiële middelen beschikt om zelf een vervangpaard te kopen.

De eerste rechter weerhield de gevorderde schadeposten en kende de door de koper gevorderde provisie van € 2000 toe overwegende dat dit bedrag voldoende gestaakte bleek op basis van de voorgelegde stukken.

De verkoper betwist de schadeposten argumenterende dat de stalgelden en de veterinaire kosten onvermijdelijke uitgaven zijn, het huren van een vervanging een eigen beslissing was van de koper waarbij dit niet als schade kan gekwalificeerd worden.

Het Hof stelt vast dat de koper haar schade nog steeds niet definitief begroot. Dit is vermoedelijk te verklaren door het feit dat zij de kosten voor het gehuurde vervanging vordert tot de datum waarop haar de koopprijs zal worden terugbetaald, aangezien zij pas dan over de financiële middelen zou beschikken om een nieuw paard te kopen.

Het hof oordeelt dat de kosten voor stalling en voor van het paard evenals de kosten van dierenarts, hoefsmid en dergelijke meer, uitgaven zijn die door de koper ook hadden moeten betaald worden indien het paard verder zou bereden geweest zijn. Dit zijn kosten eigen aan het houden van een paard, ongeacht of dit bereden wordt of niet. De koper toont ook niet aan en houdt evenmin voor dat zij voor het gehuurde paar eveneens dergelijke kosten heeft moeten betalen, zodat er geen sprake is van dubbele kosten. De stalgelden en de veterinaire kosten die voor het paar betaald werden staan bijgevolg niet in oorzakelijk verband met het weerhoudengebrek, aangezien deze kosten eveneens gemaakt moesten worden wanneer het paard geen gebrek had vertoond en wel bereden zal zijn geweest.

De kostprijs voor de huren van het vervangingpaard staat daarentegen wel in causaal verband met het gebrek van het paard, aangezien een vervangingpaard wel gehuurd werd omdat het paard voor de dochter niet berijdbaar was. Het feit dat de beslissing om een vervanging te huren een eigen beslissing van de koper was, doet hieraan geen afbreuk.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 23/08/2017 - 12:44
Laatst aangepast op: wo, 23/08/2017 - 12:44

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.