-A +A

Stakingsvordering kan toegekend als de onwettige staat gestopt is maar er nog risico bestaat op herhaling

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 25/06/2015
A.R.: 
C.14.0395.F

Wanneer een onwettige daad gestopt is kan de stakingsrechter de staking bevelen indien er nog steeds risico op herhaling bestaat

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2015-2016
Pagina: 
1582
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.14.0395.F

NV B. t/ CVBA P.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Luik van 29 april 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Middel

Tweede onderdeel

...

Voor het overige stelt de voorzitter van de rechtbank van koophandel, luidens art. 2, eerste lid van de wet van 6 april 2010 met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming, dat van toepassing is op het geschil, het bestaan vast en beveelt de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van die wet.

Uit deze bepaling volgt dat de stakingsrechter, in de regel, het bestaan van een inbreuk niet kan vaststellen zonder vervolgens de staking ervan uit te spreken.

De vaststelling dat de onwettige daad gestopt is, staat de uitspraak van een bevel tot staking slechts in de weg indien het risico op herhaling van die daad, of van de onwettige praktijk die eraan ten grondslag ligt, uitgesloten is.

Het arrest stelt vast dat “[de eiseres] erkent [...] dat, “[de verweerster] op 1 april 2013 de manier om haar prijzen te vermelden op haar website heeft veranderd; dat de prijzen van haar paketten voortaan immers [...] ook de huurprijs van de modem en van het kabeldistributieabonnement omvatten”” en overweegt vervolgens dat “een zo radicale ommezwaai van de prijzenpolitiek van [de verweerster] toelaat om elk risico op recidive uit te sluiten”, aangezien het “ondenkbaar is dat [de verweerster] zou kunnen teruggrijpen naar haar vorige formule, die minder voordelig is voor de consument in een door harde concurrentie gekenmerkte markt waaraan [de verweerster] toevoegt “dat op het niveau van een commerciële onderneming zoals [de hare], een dergelijke aanpassing van haar prijzen en van de specifieke kenmerken van haar producten niet kan worden gerealiseerd zonder een maandenlange voorbereiding, informaticaontwikkeling, opleiding van het personeel en van de verkopers, alsook zeer aanzienlijke investeringen in communicatie opdat het idee van een “all-in”-prijs ingang kan vinden bij de consument; op grond van die omstandigheden is een “terugkeer” objectief gezien uitgesloten is”.

Met die overwegingen, waaruit blijkt dat, volgens het hof van beroep, de omstandigheden elk risico uitsluiten op herhaling van de daad of van de praktijk die de uiting ervan is, heeft het arrest, zonder voornoemd art. 2, eerste lid te schenden of voornoemde regels betreffende de bewijslast te miskennen, naar recht kunnen beslissen dat “de door [de eiseres] ingestelde vordering tot staking zonder grondslag moet worden verklaard”.

In zoverre het onderdeel ontvankelijk is, kan het niet worden aangenomen.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 27/05/2016 - 14:17
Laatst aangepast op: za, 11/06/2016 - 11:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.