-A +A

Stakingsvordering en kennelijke onredelijkheid

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 15/05/2015

Wanneer een weekendhuisje permanent bewoond wordt zijn de implicaties voor de ruimtelijke ordening beperkt. Het belang van de ruimtelijke ordening weegt bij de beoordeling van een staking niet op tegenover het belang van de bewoners.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017
Pagina: 
411
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Uittreksel uit het arrest:

“de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, zetelend zoals in kortgeding, en thans ook het Hof, zetelend zoals in kortgeding in graad van hoger beroep, was/is gevat in het kader van artikel 6.1.47, lid 6 VCRO. Krachtens deze bepaling kan diegene tegen wie bij toepassing van dit artikel een stakingsbevel werd uitgevaardigd, voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan de werken en/of de handelingen werden uitgevoerd, “in kortgeding” de opheffing van deze maatregel vorderen tegen het Vlaamse gewest.

Deze uitdrukkelijk door de wetgever voorziene procedure verloopt weliswaar volgens de “vormen van het kortgeding” en wordt derhalve ook door de voorzitter van de rechtbank beslecht, maar in wezen heeft ze niets met een kort geding te maken. De decreetgever schrijft enkel voor dat men voor de specifiek genoemde vordering de procedure van het kortgeding moet volgen, en dit ten einde een snelle procesgang te verzekeren.

In tegenstelling tot het (eigenlijke) kortgeding, komt de urgentie hier niet bij te pas; het gaat om een specifieke procedure die haar oorsprong als dusdanig niet vindt in de urgentie.

Eveneens in tegenstelling tot het (eigenlijke) kortgeding behandeld de voorzitter geen voorlopige maatregelen, doch de grond van de zaak.

Artikel 6.1.47, lid 6 VCRO moet met name gelezen in de context van artikel 159 van de grondwet, krachtens hetwelk de hoven en rechtbanken geen gevolg geven aan de bestuurshandelingen die niet met de wetten overeenstemmen.

Krachtens die laatste bepaling behoort het tot de bevoegdheid van de kortgedingrechter om in toepassing van artikel 6.1.47, lid 6 VCRO aangevochten maatregel ten gronde te toetsen op haar externe en interne wettigheid en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel of ze op machtsoverschrijding of machtafwending berust (vergelijk cassatie 16 januari 2009, nummer C.06.04 80..N).
Met andere woorden heeft de voorzitter in kortgeding, zonder daarbij de opportuniteit van een staking te beoordelen, de mogelijkheid en de plicht om zich uit te spreken over de onwettigheid van dit staking (voor zover betwist).

Deze materiële bevoegdheid van de voorzitter is een specifieke toegekende bevoegdheid, die enkel geldt voor de door de wetgever specifiek bedoelde vordering, namelijk in casu de vordering tot opheffing van het bekrachtigd bevel tot staking van de werken of handelingen waarvan wordt beweerd dat ze een inbreuk maken op deVCRO.

Aldus is de voorzitter in kortgeding bevoegd om na te gaan of bedoelde werken en/of handelingen vergunningsplichtig zijn, vergund zijn (gebeurlijk ingevolge een door de decreetgever in het leven geroepen fictie) en/of een gebeurlijke vergunning al dan niet conform werd uitgevoerd.

Ook dient hij na te gaan of de door het bestuur getroffen maatregel op een formeel rechtsgeldige wijze is tot stand gekomen.

Verder dient hij na te gaan of de beslissing materieel en formeel voldoende gemotiveerd is (nu zowel het staking als de bekrachtigingsbeslissing vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 29 juni 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen).

Evenzeer dient hij te toetsen of de door het bestuur getroffen maatregel uitsluitend met het oog op de ruimtelijke ordening is genomen, en dus niet gesteund is op motieven die aan de ruimtelijke ordening vreemd zijn of die steunen op een opvatting van goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is. De kortgedingrechter oordeelt daarbij alleen of het bestuur in redelijkheid is kunnen komen tot de beslissing om de kwestieuze maatregel te treffen. Rekening houdende met de beleids- en beoordelingsvrijheid van het bestuur kan de kortgedingrechter die beslissing slechts marginaal toetsen.

Zelfs wanneer het Hof (dat hieromtrent uitdrukkelijk geen uitspraak doet omdat dit niet nodig is om tot de hierna geformuleerde beslissing te komen) per hypothese zou aannemen dat:
- het aanhoudend (loutere) gebruik van opgerichte en afgewerkte constructies en/of van een perceel in strijd met de bepalingen van het gewestplan in bepaalde gevallen een inbreuk zou kunnen vormen op artikel 6.1.1, eerste lid 6° VCRO (en de voordien op artikel 146, eerste lid, 6° DORO), waarbij dat gebruik zowel kan worden gepleegd voortgezet als in stand gehouden,
- uit het kwestieuze gebruik van de betrokken constructies/het kwestieuze percelen, het bestaan van een opeenvolgende (niet door de strafrechtelijke verjaringstermijn onderbroken) reeks positieve en aflopende handelingen van met de gewestplanbestemming strijdig gebruik zou kunnen worden afgeleid, die, in de mate dat ze elk op zich en/of samengenomen strafbaar zijn, samen een voortgezet misdrijf zouden kunnen uitmaken,
- dit gebruik zal voldoen aan de vereisten van (het hebben van) ruimtelijke implicaties, welke vereiste onder meer bevestigd werd in de cassatie arresten van 24 oktober 2013 (C. 12.00 68. N C12.0069N)
- het stakingsbevel gericht tegen het geviseerde (alsdan wederrechtelijke) gebruik een preventief karakter zal vertonen omdat het van aard zal zijn verdere inbreuken en/of het verderzetten van een vastgestelde voortgezette inbreuk te voorkomen.
- Er zich dienaangaande geen (door partijen overigens in syntheseconclusie niet ingeroepen of niet ontmoet) problemen van formele motivering zal stellen, spijt het feit dat (zoals onder overweging drie hierboven aangegeven) deze staking bevelen, zoals verder gemotiveerd in hun bekrachtigingsbeslissing, geenszins op een inbreuk op artikel 6.1.1. lid1, 6° VCRO zijn geënt.
- En/of dat bedoeld gebruiken inbreuk zou vormen op artikel 6.1.1. Lid één, ten zevende VCRO (waarnaar in de formele motivering van beide stakingsbevelen wordt verwezen en waaromtrent partijen in hun conclusies geen specifiek standpunt blijken te hebben ingenomen).
Dan nog zijn de beide bekrachtigde stakingsbevelen in onderhavig concreet geval als kennelijk onredelijk en dus als onwettig te bestempelen.

Het stakingsbevel is een preventief instrument (cassatie 18 mei 2007, zijn 06.0567.N) erop gericht verdere schade aan de ruimtelijke ordening te voorkomen (zie ook het handhavingsplan ruimtelijke ordening 2010. www.ruimtelijkeordening.be, . 5.5 pagina 23: “het doel van het staking is om op preventieve wijze een handhaving te doen. Wanneer de handhavende overheid een decreettaal omschreven misdrijf “in wording” vaststelt, legt zij een staking op. Het staking is erop gericht om verdere schade aan de goede ruimtelijke ordening te voorkomen”) en inzonderheid om inbreuken op de ruimtelijke ordening te voorkomen die door een later beroep op de rechter ten gronden moeilijk te herstellen zijn.

“Dit instrument mag niet kennelijk of onredelijk of disproportioneel worden ingezet, noch mag het stakingsbevel als een repressiemiddel worden ingezet” (zie ook omzendbrief RO/2014/03 pagina twee laatste alinea).

Los van de vaststelling dat de beide stakingsbevelen telkens in hun motivering niet zijn geënt op een inbreuk op artikel 6.1.1., Lid één, 6° VCRO (en dus los van de hierboven reeds gemaakte bedenking dat dit wel eens een probleem van formele motivering zou kunnen inhouden), zijn de beide stakingsbevelen hier gericht tegen het (met het gewestplan) strijdige gebruik van de kwestieuze woning als permanent verblijf. De stakingsbevelen zouden in deze optiek aldus hun gebeurlijk preventief karakter kunnen ontlenen aan het feit dat hiermee verhinderd wordt dat nog nieuwe (hier dan allicht dagdagelijkse) handelingen van strijdig gebruik zouden worden gesteld.

Evenwel is het zo dat de (eventuele) ruimtelijke implicaties (gegenereerd door een permanent verblijf in onderhavig “weekendhuis”, vergeleken met een weekend-&/of vakantieverblijf aldaar) indien al aanwezig, voor zover als aangetoond dan toch beperkt zijn.

Ook strekken de gevolgen van een eventuele inbreuk zich (bij niet staking) weliswaar verder uit in de tijd, maar naar omvang (begrepen als de wijze/intensiteit waarop deze gevolgen zich op een bepaald tijdstip manifesteren) nemen zij niet toe. Los van de mogelijke gevolgen van het niet benaarstigen van de herstelvordering, ontwikkelt er zich voor zover als aangetoond in onderhavig specifiek geval dan ook geen inbreuk (weze het een complexe inbreuk) (bij niet staking) naar omvang (begrepen zoals hiervoor aangeduid) toeneemt en/of die inmiddels een herstelvordering nog moeilijk te herstellen zou zijn.

Bovendien betreft het een situatie die niet recent is, en zelfs aan de GSI geruime tijd bekend was. Zo werd er reeds een PV opgemaakt omwille van het wijzigen van de bestemming van het pand zonder stedenbouwkundige vergunning.

Daartegenover is het zo dat de gevolgen van de stakingsbevelen voor de consoorten VD erg belastend zijn. Hierdoor zijn zij immers genoodzaakt elders een hoofdverblijf te vestigen. Anders dan bij de herstelvordering (tot de vrijwaring waarvan het stakingsbevel in het leven werd geroepen) zouden zij er ook toe gedwongen worden om dit (behoudens goodwill van de bevoegde overheden) onmiddellijk te doen, bij gebreken waaraan zij zich blootstellen aan strafsancties en administratieve sancties. Hiermee dienen wij zelfs de reeds voltrokken functiewijziging (ten aanzien van de staking hoe dan ook preventief karakter ontberen) ongedaan te maken. Overigens dit alles dan nog buiten enig advies van de hoge Raad voor het handhavingsbeleid, laat staan voorafgaande rechterlijke tussenkomst (waarbij het Hof nog vaststelt dat ofschoon de GS (zoals gezegd) reeds sinds medio 2009 op de hoogte is van het kwestieuze permanente verblijf, hij tot aan de sluiting der debatten in onderhavige zaak niettemin in geen herstelvordering (tot de vrijwaring waarvan we, en dus niet tot de vervanging waarvan, het staking in het leven werd geroepen) heeft ingesteld of voor eensluidend advies aan de hoge Raad voor het handhavingsbeleid heeft voorgelegd, mede spijts het voorbehoud dat hij daaromtrent in zijn schrijven van 4 juni 2010-bij aflevering van een negatief declaratief attest inzake het woonrecht-reeds had gemaakt).

Het hof oordeelt dan ook tot de kennelijke onredelijkheid van de kwestieuze twee (bekrachtigde) stakingsbevelen en beslist tot opheffing ervan.

Volledigheidshalve stipt het Hof nog aan dat de beide stakingsbevelen werden uitgevaardigd ten aanzien van het (verder) gebruikt als permanent verblijf en niet ten aanzien van het staken van de werkzaamheden in uitvoering (welke ook niet werden vastgesteld) en/of ten aanzien van de reeds doorgevoerde functiewijziging als zodanig.

Het Hof voegt daaraan toe dat mocht dit toch het geval zijn of geweest zijn, de staking en alsdan ten aanzien van eerdere voltooide werken en/of ten aanzien van een voltrokken functiewijziging (of met andere woorden ten aanzien van van dergelijke voltooide aflopende misdrijven) in elk geval ieder preventief karakter (zouden) ontberen.

Gelet op het voorgaande wordt (weliswaar op andere gronden) het bestreden vonnis bevestigd waar het de vordering tot opheffing van het stakingsbevel van de 4 maart 2013 bekrachtigd, heeft ingewilligd en waar het Vlaamse gewest werd verwezen in de geding kosten van eerste aanleg die door de eerste rechter oordeelkundig werden begroot, en is ook de vordering in opheffing van het stakingsbevel van 20 september 2012 zoals bekrachtigd op 26 september 2012gegrond.
[…]

Noot
John Toury , staking van de gebruiker weekendverblijf voor permanente bewoning is kennelijk onredelijk
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 26/06/2017 - 10:47
Laatst aangepast op: ma, 26/06/2017 - 10:47

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.