-A +A

Stakingsbevel preventief karakter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 20/02/2015

Diegene tegen wie een stakingsbevel werd uitgevaardigd, kan voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan de werken of de handelingen werden uitgevoerd, “in kort geding” de opheffing van deze maatregel vorderen tegen het Vlaamse Gewest.

Deze uitdrukkelijk door de wetgever voorziene procedure verloopt weliswaar volgens de “vormen van het kort geding” en wordt derhalve ook door de voorzitter van de rechtbank beslecht, maar in wezen heeft ze niets met het kort geding te maken. De decreetgever schrijft enkel voor dat men voor de specifiek genoemde vordering de procedure van het kort geding moet volgen, en dit teneinde een snelle procesgang te verzekeren.

In tegenstelling tot het (eigenlijk) kort geding, komt de urgentie hier niet bij te pas; het gaat om een specifieke procedure die haar oorsprong als dusdanig niet vindt in de urgentie.

Eveneens in tegenstelling tot het (eigenlijke) kortgeding behandelt de voorzitter geen voorlopige maatregelen, doch de grond van de zaak.

Artikel 6.1.47, zesde lid VCRO moet m.n. worden gelezen in de context van artikel 159 Grondwet, krachtens hetwelk de hoven en rechtbanken geen gevolg geven aan de bestuurshandelingen die niet met de wetten overeenstemmen.

Krachtens die laatste bepaling behoort het tot de bevoegdheid van de kortgedingrechter om de in toepassing van artikel 6.1.47, zesde lid VCRO aangevochten maatregel ten gronde te toetsen op haar externe en interne wettigheid en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel of ze op machtsoverschrijding of machtsafwending berust.

M.a.w. heeft de voorzitter in kort geding, zonder daarbij de opportuniteit van het stakingsbevel te beoordelen, de mogelijkheid en de plicht om zich uit te spreken over de onwettigheid van dit stakingsbevel (voor zover betwist).

Deze materiële bevoegdheid van de voorzitter is een specifieke toegekende bevoegdheid, die enkel geldt voor de door de wetgever specifiek bedoelde vordering, nl. in casu de vordering tot opheffing van het bekrachtigde bevel tot staking van de werken of handelingen waarvan wordt beweerd dat ze een inbreuk uitmaken op de VCRO.

Aldus is de voorzitter in kort geding bevoegd om na te gaan of de bedoelde werken en/of handelingen vergunningsplichtig zijn, vergund zijn (gebeurlijk ingevolge een door de decreetgever in het leven geroepen fictie) en of een gebeurlijke vergunning al dan niet conform werd uitgevoerd.

Ook dient hij na te gaan of de door het bestuur getroffen maatregel op een formeel rechtsgeldige wijze is tot stand gekomen, wat mede impliceert dat de substantiële of op straffe van nietigheid of verval voorgeschreven termijnen en/of pleegvormen zijn geëerbiedigd. Dit impliceert mede dat indien de vaststellingen waarop het stakingsbevel is gesteund op onrechtmatige wijze zouden zijn verkregen, er aan het stakingsbevel mogelijks evenmin rechtsgevolgen kunnen worden verleend. Het is in deze context dat de voorzitter, en dus thans het hof, vermag na te gaan of voor het verrichten van de vaststellingen die aan het stakingsbevel ten grondslag liggen al of niet een visitatiemachtiging vereist was en zo ja, of ze wettig verkregen en/of uitgevaardigd werd en of het gebruik dat ervan gemaakt werd overeenstemt met de inhoud/omvang van de verkregen machtiging.

Verder dient hij na te gaan of de beslissing materieel en formeel afdoende gemotiveerd is (nu zowel het stakingsbevel als de bekrachtigingsbeslissing vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 29 juni 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen).

Evenzeer dient hij te toetsen of de door het bestuur getroffen maatregel uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen, en dus niet gesteund is op motieven die aan de ruimtelijke ordening vreemd zijn of die steunen op een opvatting van goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is. De kortgedingrechter oordeelt daarbij alleen of het bestuur in redelijkheid is kunnen komen tot de beslissing om de kwestieuze maatregel te treffen. Rekening houdend met de beleids- en beoordelingsvrijheid van het bestuur kan de kortgedingrechter die beslissing slechts marginaal toetsen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2015/20
Pagina: 
1463
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

RvVb, 21/04/2015

(G.E. / Vlaamse Gewest - Rolnr.: 2013/AR/2584)

1.

Het hof heeft de partijen bij monde van hun raadslieden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands.

Zowel de voor hen neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.

Er werden syntheseconclusies in de zin van artikel 748bis Ger.W. neergelegd ter griffie van dit hof voor appellant op 12 september 2014 en voor geïntimeerde op 3 oktober 2014.

2.

De bestreden beslissing is het vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, zetelend zoals in kort geding, op 15 juli 2013 gewezen in de zaak die daar gekend was onder algemeen rolnr. 13/1021/A, waartegen appellant tijdig en geldig naar de vorm hoger beroep heeft ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 3 oktober 2013.

3.

3.1. Het geschil heeft betrekking op het schriftelijke stakingsbevel dat op 15 oktober 2012 werd uitgevaardigd in toepassing van artikel 6.1.47 VCRO (Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) met betrekking tot de eigendom van appellant, gelegen aan het (…) te Jabbeke, en kadastraal gekend (…).

Dit perceel was volgens het gewestplan Brugge-Oostkust, vastgesteld bij KB van 7 april 1977, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en bezwaard met een reservatiegebied en bouwvrije zone voor een aan te leggen autosnelweg; ingevolge de wijziging van het vigerende gewestplan bij KB van 19 september 1996 is dit perceel thans en sindsdien gelegen in bosgebied.

3.2. De vaststellingen die aan het stakingsbevel ten grondslag liggen werden verricht nadat voorafgaandelijk op 3 september 2012 door de politierechter te Brugge (onder meer) met betrekking tot het kwestieuze perceel een machtiging tot visitatie werd verleend aan L.V., T.D.R. en S.V.A., telkens aangeduid als “gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur en OGP” (officier van gerechtelijke politie). Daarbij werden gelast om “voormelde ambtenaren” bij de visitatie “te vergezellen”: “de leden van de politie van de PZ Jabbeke en collega's bij de Vlaamse Overheid van het agentschap inspectie RWO en agentschap Natuur en Bos”.

De vaststellingen werden (evenwel) verricht, het stakingsbevel werd uitgevaardigd en het PV werd opgemaakt op 15 oktober 2012 door “medewerker” M.S., verbonden aan het Agentschap Inspectie RWO.

De verbalisant stelde op het perceel de aanwezigheid van diverse constructies vast die het (minstens) dienstig maakten voor gebruik als buitenverblijf/vakantieverblijf. Zo werd de aanwezigheid vastgesteld van een omheining in metaaldraad bekleed met heidematten of groen doek, een metalen poort, een carport, een chalet met houten aanbouw en een waterpomp, een houten prieel en twee houten constructies. Verder werd de aanwezigheid van onder meer tuinslangen, een mazouttank, bloembakken, … vastgesteld. Ook werd vastgesteld dat het perceel minstens gedeeltelijk vertuind was.

Door appellant wordt trouwens niet ontkend dat hij zijn perceel heeft ingericht om dienst te doen als buitenverblijf/vakantieverblijf en dat hij zijn perceel (minstens tot aan het stakingsbevel) als zodanig gebruikte.

3.3. De omvang/het voorwerp van het stakingsbevel werd in het proces-verbaal als volgt omschreven: “De staking werd bevolen ten aanzien van alle werken, handelingen en wijzigingen. De staking werd tevens bevolen ten aanzien van het zonevreemde en gewoonlijke gebruik van het perceel.”

3.4. Het stakingsbevel werd door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur op 19 oktober 2012 bekrachtigd.

3.5. Inmiddels heeft geïntimeerde met betrekking tot het kwestieuze perceel op 30 januari 2014 een herstelvordering voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid voorgelegd en op 4 april 2014 dienaangaande een eensluidend advies bekomen.

4.

Appellant maakte het geschil aanhangig voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge middels dagvaarding betekend op 28 maart 2013, waarbij hij (in essentie) vorderde het kwestieuze stakingsbevel op te heffen en geïntimeerde te verwijzen in de gedingkosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding.

Uiterst ondergeschikt vroeg hij dat zou worden gezegd voor recht dat het stakingsbevel wordt opgeheven indien geïntimeerde binnen de 6 maanden vanaf het vonnis geen vordering voor de bodemrechter zou hebben uitgebracht (waarmee de herstelvordering bedoeld wordt).

5.

Middels het bestreden vonnis verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk en wees hij ze af als ongegrond. Hij verwees appellant in de gedingkosten en stelde daarbij vast dat geïntimeerde geen aanspraak maakte op een rechtsplegingsvergoeding.

6.

6.1. In deze instantie vordert appellant volgens zijn syntheseconclusie in hoofdorde dat het kwestieuze stakingsbevel alsnog zou worden opgeheven en dat geïntimeerde zou worden verwezen in de gedingkosten die hij aan zijn zijde heeft begroot, waarbij hij geen aanspraak (meer) maakt op een rechtsplegingsvergoeding.

Ondergeschikt vraagt hij dat zou worden gezegd voor recht dat het stakingsbevel wordt opgeheven indien binnen de 6 maanden na onderhavig arrest geen vordering ten gronde (waarmee de herstelvordering bedoeld wordt) door het O.M. of door geïntimeerde mocht ingeleid zijn en dat het in elk geval opgeheven zal worden nadat door de rechter over de herstelvordering uitspraak zal zijn gedaan.

6.2. Geïntimeerde vordert in deze instantie volgens zijn syntheseconclusie dat:

het hoger beroep zou worden afgewezen als niet ontvankelijk in zoverre het handelt over de ondergeschikte vordering;
het hoger beroep voor het overige zou worden afgewezen als niet gegrond;
daarbij de (registratie-)beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke van 7 april 2014 waarbij de constructies gelegen op de terreinen te (…) in het vergunningenregister van de gemeente Jabbeke als “vergund geacht” werden opgenomen, buiten toepassing zou worden gelaten wegens onwettigheid en dit in toepassing van artikel 159 Gw.;
appellant zou worden verwezen in de gedingkosten, waarbij hij geen aanspraak maakt op enige rechtsplegingsvergoeding.
7.

Het hoger beroep is ontvankelijk. De eerste rechter heeft al hetgeen appellant voor hem vorderde, zowel in hoofdorde als ondergeschikt, afgewezen. Appellant vermag op te komen tegen deze beslissing, zowel in de mate dat hetgeen in hoofdorde werd gevorderd werd afgewezen, als in de mate dat hetgeen ondergeschikt werd gevorderd werd afgewezen. Of hetgeen in ondergeschikte orde werd gevorderd (en thans opnieuw beoogd wordt) ontvankelijk was/is, raakt de ontvankelijkheid van de vordering en niet de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de beslissing waarmee deze ondergeschikte vordering werd afgewezen.

Voor het overige ontwaart het hof evenmin ambtshalve op te werpen middelen van niet-ontvankelijkheid.

8.

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, zetelend zoals in kort geding, en thans ook het hof, zetelend zoals in kort geding in graad van hoger beroep, was/is gevat in het kader van artikel 6.1.47, zesde lid VCRO.

Krachtens deze bepaling kan diegene tegen wie bij toepassing van artikel 6.1.47, eerste lid et seq. VCRO een stakingsbevel werd uitgevaardigd, voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan de werken of de handelingen werden uitgevoerd, “in kort geding” de opheffing van deze maatregel vorderen tegen het Vlaamse Gewest.

Deze uitdrukkelijk door de wetgever voorziene procedure verloopt weliswaar volgens de “vormen van het kort geding” en wordt derhalve ook door de voorzitter van de rechtbank beslecht, maar in wezen heeft ze niets met het kort geding te maken. De decreetgever schrijft enkel voor dat men voor de specifiek genoemde vordering de procedure van het kort geding moet volgen, en dit teneinde een snelle procesgang te verzekeren.

In tegenstelling tot het (eigenlijk) kort geding, komt de urgentie hier niet bij te pas; het gaat om een specifieke procedure die haar oorsprong als dusdanig niet vindt in de urgentie.

Eveneens in tegenstelling tot het (eigenlijke) kortgeding behandelt de voorzitter geen voorlopige maatregelen, doch de grond van de zaak.

Artikel 6.1.47, zesde lid VCRO moet m.n. worden gelezen in de context van artikel 159 Grondwet, krachtens hetwelk de hoven en rechtbanken geen gevolg geven aan de bestuurshandelingen die niet met de wetten overeenstemmen.

Krachtens die laatste bepaling behoort het tot de bevoegdheid van de kortgedingrechter om de in toepassing van artikel 6.1.47, zesde lid VCRO aangevochten maatregel ten gronde te toetsen op haar externe en interne wettigheid en te onderzoeken of ze strookt met de wet dan wel of ze op machtsoverschrijding of machtsafwending berust (vgl. Cass. 16 januari 2009, C.06.0480.N).

M.a.w. heeft de voorzitter in kort geding, zonder daarbij de opportuniteit van het stakingsbevel te beoordelen, de mogelijkheid en de plicht om zich uit te spreken over de onwettigheid van dit stakingsbevel (voor zover betwist).

Deze materiële bevoegdheid van de voorzitter is een specifieke toegekende bevoegdheid, die enkel geldt voor de door de wetgever specifiek bedoelde vordering, nl. in casu de vordering tot opheffing van het bekrachtigde bevel tot staking van de werken of handelingen waarvan wordt beweerd dat ze een inbreuk uitmaken op de VCRO.

Aldus is de voorzitter in kort geding bevoegd om na te gaan of de bedoelde werken en/of handelingen vergunningsplichtig zijn, vergund zijn (gebeurlijk ingevolge een door de decreetgever in het leven geroepen fictie) en of een gebeurlijke vergunning al dan niet conform werd uitgevoerd.

Ook dient hij na te gaan of de door het bestuur getroffen maatregel op een formeel rechtsgeldige wijze is tot stand gekomen, wat mede impliceert dat de substantiële of op straffe van nietigheid of verval voorgeschreven termijnen en/of pleegvormen zijn geëerbiedigd. Dit impliceert mede dat indien de vaststellingen waarop het stakingsbevel is gesteund op onrechtmatige wijze zouden zijn verkregen, er aan het stakingsbevel mogelijks evenmin rechtsgevolgen kunnen worden verleend. Het is in deze context dat de voorzitter, en dus thans het hof, vermag na te gaan of voor het verrichten van de vaststellingen die aan het stakingsbevel ten grondslag liggen al of niet een visitatiemachtiging vereist was en zo ja, of ze wettig verkregen en/of uitgevaardigd werd en of het gebruik dat ervan gemaakt werd overeenstemt met de inhoud/omvang van de verkregen machtiging.

Verder dient hij na te gaan of de beslissing materieel en formeel afdoende gemotiveerd is (nu zowel het stakingsbevel als de bekrachtigingsbeslissing vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 29 juni 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen).

Evenzeer dient hij te toetsen of de door het bestuur getroffen maatregel uitsluitend met het oog op de goede ruimtelijke ordening is genomen, en dus niet gesteund is op motieven die aan de ruimtelijke ordening vreemd zijn of die steunen op een opvatting van goede ruimtelijke ordening die kennelijk onredelijk is. De kortgedingrechter oordeelt daarbij alleen of het bestuur in redelijkheid is kunnen komen tot de beslissing om de kwestieuze maatregel te treffen. Rekening houdend met de beleids- en beoordelingsvrijheid van het bestuur kan de kortgedingrechter die beslissing slechts marginaal toetsen.

Binnen het bestek van artikel 6.1.47, zesde lid VCRO heeft de voorzitter geen rechtsmacht inzake een vordering tot vernietiging van andere/andersoortige bestuurshandelingen (zoals een beslissing van het CBS van de gemeente Jabbeke van 27 april 2014 om de kwestieuze percelen op te nemen in het vergunningenregister van de gemeente), doch in de mate dat de ene of de andere partij zich op het bestaan van een andere bestuurshandeling (dan het kwestieuze stakingsbevel en/of de bekrachtigingsbeslissing) steunt ter ondersteuning van zijn betwisting, dan wel ter staving van de wettigheid van het kwestieuze stakingsbevel of van de overeenstemmende bekrachtigingsbeslissingen, zal de voorzitter bij toepassing van artikel 159 Gw. aan de andere/andersoortige bestuurshandeling geen rechtsgevolgen verlenen indien deze naar zijn oordeel de wettigheidstoets niet doorstaan.

9.

9.1. Op 15 oktober 2012 werden geen vaststellingen verricht met betrekking tot constructies in oprichting of werken in uitvoering. De vaststellingen van 15 oktober 2012 hebben alle betrekking op een (mogelijks reeds lang) bestaande toestand met constructies waarvan de oprichting (mogelijks reeds lang) voltooid was en/of werken, tuinaanleg, enz. die reeds waren uitgevoerd.

Het stakingsbevel is een preventief instrument (zie ook Cass. 18 mei 2007, C.06.0567.N, www.juridat.be), erop gericht verdere schade aan de ruimtelijke ordening te voorkomen (zie ook het handhavingsplan ruimtelijke ordening 2010, www.ruimtelijkeordening.be, punt 5.5, p. 23: “het doel van het stakingsbevel is om op preventieve wijze aan handhaving te doen. Wanneer de handhavende overheid een decretaal omschreven misdrijf 'in wording' vaststelt, legt zij een stakingsbevel op. Het stakingsbevel is erop gericht om verdere schade aan de goede ruimtelijke ordening te voorkomen”) en inzonderheid om inbreuken op de ruimtelijke ordening te voorkomen die door een later beroep op de rechter ten gronde moeilijk te herstellen zijn.

Los van hetgeen hierna onder 9.2. wordt gezegd omtrent het gebruik daarvan, is het stakingsbevel (waarvan in het PV uitdrukkelijk wordt gezegd dat het gericht is tegen “alle werken, handelingen en wijzigingen”) als onwettig te bestempelen in de mate dat het er aldus op gericht zou zijn te vermijden dat appellant bijkomende niet vergunde constructies zou oprichten op zijn perceel, dan wel niet vergunde wijzigingen zou aanbrengen aan de bestaande constructies, terwijl niet blijkt dat appellant bij het uitvaardigen van het stakingsbevel daarmee een aanvang had genomen, daartoe enige aanstalten maakte of daartoe nog maar zelfs concrete plannen zou hebben gehad.

Zelfs indien het zo zou zijn dat de aanwezige constructies en/of vertuining stedenbouwkundige inbreuken zouden uitmaken, dan nog laat dit niet toe dat een stakingsverbod zou worden opgelegd, gericht tegen hypothetische nieuwe inbreuken waaromtrent geen concrete vaststellingen in de zin van de voormelde paragraaf werden verricht.

Luidens artikel 6.1.47 VCRO kunnen de (in art. 6.1.5. vermelde) ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie ter plaatse de onmiddellijke staking van het werk, van de handelingen of van het gebruik bevelen indien zij vaststellen dat het werk, de handelingen of de wijzigingen een inbreuk vormen vermeld in artikel 6.1.1. (…). Buiten dergelijke vaststelling, vermogen zij geen stakingsbevel op te leggen.

Ten aanzien van louter hypothetische, toekomstige constructies ontbreken dergelijke vaststellingen; er werden zoals gezegd in onderhavig geval enkel vaststellingen verricht omtrent bestaande, volledig opgerichte constructies, ten aanzien waarvan een stakingsbevel het preventief karakter ontbeert.

A fortiori geldt het voorgaande in de mate dat het stakingsbevel er zou op gericht zijn om te voorkomen dat louter niet vergunningsplichtige onderhoudswerken zouden worden uitgevoerd. Dit zou in onderhavig concreet geval bovendien kennelijk onredelijk zijn, nu dit enkel zou leiden tot verval van de betrokken constructies, waarmee de ruimtelijke ordening als zodanig niet gebaat is.

9.2. In de mate dat het stakingsbevel erop gericht is de staking van het gebruik van de betrokken constructies/het betrokken perceel te bewerkstellingen, is het evenzeer als onwettig te beschouwen, en dit wegens kennelijke onredelijkheid.

Zelfs wanneer het hof (dat hieromtrent uitdrukkelijk geen uitspraak doet omdat dit niet nodig is om tot de hierna geformuleerde beslissing te komen) per hypothese zou aannemen dat:

het na 1 mei 2000 aanhoudend (loutere) gebruik van de opgerichte en afgewerkte constructies en/of het kwestieuze perceel in strijd met de bepalingen van het gewestplan in bepaalde gevallen een inbreuk zou kunnen vormen op artikel 6.1.1., eerste lid, 6° VCRO (en voordien op art. 146, eerste lid, 6° DORO), waarbij dat gebruik zowel kan worden gepleegd, voortgezet als in stand gehouden (zie ook Cass. 10 januari 2012 (P.11.0843.N), 17 januari 2012 (P.11.0917.N), 8 februari 2013 (C.11.0617.N), 24 oktober 2013 (C.12.0068.N) en 24 oktober 2013 (C.12.0069.N), www.cass.be), ook wanneer deze constructies zouden zijn opgericht vóór 1 mei 2000;
uit het kwestieuze aanhoudend gebruik van de betrokken constructies/het kwestieuze perceel na 1 mei 2000 het bestaan van een opeenvolgende (niet door de strafrechtelijke verjaringstermijn onderbroken) reeks positieve en aflopende handelingen van met de gewestplanbestemming strijdig gebruik zou kunnen worden afgeleid, die, in de mate dat ze elk op zich en/of samen genomen strafbaar zijn, samen een voortgezet misdrijf zouden kunnen uitmaken;
dit gebruik zou voldoen aan de vereiste van (het hebben van) ruimtelijke implicaties, welke vereiste onder meer bevestigd werd in de cassatiearresten van 24 oktober 2013 (C.12.0068.N en C.12.0069.N, www.cass.be);
het stakingsbevel gericht tegen het geviseerde (alsdan wederrechtelijke) gebruik een preventief karakter zou vertonen omdat het van aard zou zijn verdere inbreuken en/of het verder zetten van een vastgestelde voortgezette inbreuk te voorkomen,
dan nog zou het stakingsbevel in onderhavig concreet geval als kennelijk onredelijk en dus als onwettig te bestempelen zijn.

Immers: het staken van het gebruik zou enkel leiden tot leegstand en verval van de betrokken constructies en het betrokken perceel. Aan de betrokkene wordt hierdoor een zware last opgelegd, nu hij niet langer (recreatief) kan genieten van zijn eigendom en nu hij dit integendeel ziet verloederen, terwijl de ruimtelijke ordening met dergelijke verloedering kennelijk niet gebaat is.

Dit alles terwijl het stakingsbevel (zoals gezegd) een preventieve maatregel is, die er niet op gericht is om nog vóór afhandeling van de herstelvordering en los daarvan een vorm van herstel te bewerkstelligen (terwijl overigens zelfs niet kan gezegd worden dat het verval van de constructies en de verloedering van het terrein een voor de goede ruimtelijke ordening batig herstel of, zoals geïntimeerde het uitdrukt, een “realisatie van de gewestplanbestemming” genereert), laat staan dat het zou mogen worden aangewend als repressief middel (zie ten overvloede ook omzendbrief RO/2014/03, p. 2, laatste alinea: “Dit instrument mag niet kennelijk onredelijk of disproportioneel worden ingezet, noch mag het stakingsbevel als een repressief middel worden ingezet.”).

Het hof moet trouwens vaststellen dat ofschoon het stakingsbevel reeds werd opgelegd op 15 oktober 2012, de herstelvorderingen (slechts) op 30 januari 2014 voor eensluidend advies aan de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid werd voorgelegd, waarna eensluidend advies volgde op 4 april 2014 en waarna de vordering nog voor de rechtbank diende te worden ingeleid, waar de behandeling ook een zekere tijd in beslag zal nemen; dit onderstreept de lange tijdsduur gedurende dewelke het stakingsbevel de hierboven beschreven gevolgen (zal) genereren, met alle bijkomende kwalijke gevolgen van dien ingeval de herstelvordering, waarop het hof thans niet vermag vooruit te lopen en waarbij het hof zulks ook in generlei mate doet, gebeurlijk en per loutere hypothese niet tot gevolg zou hebben dat tot afbraak van de betrokken constructies zou moeten worden overgegaan.

9.3. Op basis van het voorgaande beslist het hof dan ook tot de opheffing van het kwestieuze bekrachtigde stakingsbevel van 15 oktober 2012.

(…)

11.

Alle anders luidende conclusies worden door het hof verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant.

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in navolgende mate gegrond,

Heft op het kwestieuze stakingsbevel, uitgevaardigd op 15 oktober 2012 met betrekking tot hel perceel kadastraal gekend als Jabbeke, (…) en bekrachtigd op 19 oktober 2012.

Wijst het meer gevorderde af.

Verwijst geïntimeerde in de gedingkosten van beide instanties, die enkel nuttig te begroten vallen aan de zijde van appellant op:

- dagvaarding: 263,58 EUR

- rolrecht beroep: 210 EUR.

Noot: 

Vermeire, N., « “Uiterst dringende noodzakelijkheid” voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen: timing is everything », R.A.B.G., 2015/20, p. 1454-1462

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/07/2017 - 08:58
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 08:58

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.