-A +A

Stafhouder en onderzoeker kunnen op tuchtzitting gehoord worden

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 16/12/2016
A.R.: 
D.16.0006.N

Krachtens artikel 458, § 1, eerste lid Gerechtelijk Wetboek ontvangt en onderzoekt de stafhouder de klachten tegen de advocaten van zijn Orde.

Krachtens artikel 458, § 1, tweede lid Gerechtelijk Wetboek leidt de stafhouder het onderzoek of stelt hij een onderzoeker aan, wiens taken en bevoegdheden hij omschrijft.

Krachtens artikel 458, § 2, eerste lid Gerechtelijk Wetboek zendt de stafhouder die na het onderzoek oordeelt dat er redenen bestaan om de advocaat te laten verschijnen voor de tuchtraad, het dossier samen met zijn met redenen omklede beslissing aan de voorzitter van de tuchtraad, zodat deze de tuchtraad kan samenroepen overeenkomstig de bepalingen van artikel 459.

Krachtens artikel 459, § 1, tweede lid Gerechtelijk Wetboek roept de voorzitter van de tuchtraad, ambtshalve of op verzoek van de stafhouder, de advocaat bij een ter post aangetekende brief op om voor de tuchtraad te verschijnen.

Krachtens artikel 459, § 2, laatste lid Gerechtelijk Wetboek wordt de onderzoeker ter zitting gehoord in zijn verslag.

Krachtens artikel 467 Gerechtelijk Wetboek worden de debatten voor de tuchtraad van beroep gehouden zoals voorgeschreven door artikel 459, § 2.

Deze bepalingen noch artikel 6 EVRM sluiten uit dat de stafhouder samen met de onderzoeker ter zitting van de tuchtraad van beroep kan worden gehoord.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017/6
Pagina: 
435
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(N.D. / Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel - Rolnr.: D.16.0006.N)

I. Rechtspleging voor het Hof
Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Nederlandstalige tuchtraad van beroep voor advocaten van 9 februari 2016.

Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. Cassatiemiddelen
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. Beslissing van het Hof
Beoordeling
Eerste middel
1. Krachtens artikel 458, § 1, eerste lid Gerechtelijk Wetboek ontvangt en onderzoekt de stafhouder de klachten tegen de advocaten van zijn Orde.

Krachtens artikel 458, § 1, tweede lid Gerechtelijk Wetboek leidt de stafhouder het onderzoek of stelt hij een onderzoeker aan, wiens taken en bevoegdheden hij omschrijft.

Krachtens artikel 458, § 2, eerste lid Gerechtelijk Wetboek zendt de stafhouder die na het onderzoek oordeelt dat er redenen bestaan om de advocaat te laten verschijnen voor de tuchtraad, het dossier samen met zijn met redenen omklede beslissing aan de voorzitter van de tuchtraad, zodat deze de tuchtraad kan samenroepen overeenkomstig de bepalingen van artikel 459.

Krachtens artikel 459, § 1, tweede lid Gerechtelijk Wetboek roept de voorzitter van de tuchtraad, ambtshalve of op verzoek van de stafhouder, de advocaat bij een ter post aangetekende brief op om voor de tuchtraad te verschijnen.

Krachtens artikel 459, § 2, laatste lid Gerechtelijk Wetboek wordt de onderzoeker ter zitting gehoord in zijn verslag.

Krachtens artikel 467 Gerechtelijk Wetboek worden de debatten voor de tuchtraad van beroep gehouden zoals voorgeschreven door artikel 459, § 2.

2. Deze bepalingen noch artikel 6 EVRM sluiten uit dat de stafhouder samen met de onderzoeker ter zitting van de tuchtraad van beroep kan worden gehoord.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel
3. Geen van de sancties van artikel 460 Gerechtelijk Wetboek, ook al moeten ze op hun evenredigheid kunnen worden getoetst, zijn als behandelingen of straffen in de zin van artikel 3 EVRM te aanzien.

In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

4. Uit de redenen die de bestreden beslissing ter zake bevat onder de rubriek “7. De strafmaat”, blijkt dat de opgelegde tuchtsanctie uitsluitend is bepaald op grond van de bewezen verklaarde medewerking aan de frauduleuze vereffening van R. NV.

5. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de opgelegde tuchtsanctie mede is bepaald op grond van de feiten met betrekking tot het dossier M.S.V. CVBA en het dossier ING, zonder dienaangaande de aangenomen verzachtende omstandigheden in aanmerking te nemen, berust het op een onjuiste lezing van de bestreden beslissing.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

6. De appelrechters dienden daardoor niet verder te antwoorden op het verweer van de eiseres dat met de verzachtende omstandigheden in de voormelde dossiers rekening moest worden gehouden, dat ingevolge hun beslissing geen belang meer vertoonde.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 754,21 EUR.

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 20/07/2017 - 14:21
Laatst aangepast op: do, 20/07/2017 - 14:21

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.