-A +A

Stadionverbod sanctionerende ambtenaar en delegatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Politierechtbank
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
don, 21/01/2016

artt. 26 en 27 Voetbalwet:

Art. 26, § 1 bepaalt dat de administratieve sanctie wordt opgelegd door “een door de Koning aangewezen ambtenaar met uitzondering van de ambtenaar die... proces-verbaal heeft opgemaakt”.

Art. 26, § 3 (ingevoegd in 2004) laat aan die ambtenaar toe om bepaalde bevoegdheden te delegeren aan een andere ambtenaar. Deze wetsaanpassing is er gekomen nadat deze rechtbank er haar verwondering over had uitgedrukt dat het mogelijk was dat een “beklaagde” zich mondeling ging verdedigen bij ambtenaar A, waarna ambtenaar B, die van dat hele verweer niets had gehoord, een beslissing nam. Deze rechtbank heeft indertijd om die reden beslissingen nietig verklaard en het Hof van Cassatie was het met die stelling eens (arrest nr. C.02.0183.N, 19 november 2004 inzake Belgische Staat t/ vzw Club Brugge). Volgens het Hof bleek uit de wettelijke bepalingen, zoals ze indertijd bestonden, dat de ambtenaar die de overtreder hoorde en de ambtenaar die de sanctie oplegde één en dezelfde persoon moesten zijn.

Minder dan zes weken na dit arrest werd de wet gewijzigd en werd in de wet uitdrukkelijk de mogelijkheid ingeschreven om bepaalde bevoegdheden te delegeren. Dit maakte het mogelijk de “beklaagde” te laten horen door ambtenaar A, waarna ambtenaar B de beslissing kon nemen. De vraag van deze rechtbank aan het Grondwettelijk Hof of er hier sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel werd in een arrest van 29 november 2006 (RW 2006-07, 1517) negatief beantwoord.

Artt. 26, § 3 en 27 Voetbalwet slaan dus op de mogelijkheid om onder meer de bevoegdheid om de beklaagde te horen te delegeren en ze gaan niét over het feit dat de ambtenaar die de initiële brief schrijft ook dezelfde moet zijn als deze die uiteindelijk de beslissing neemt.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1315
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

S.D. t/ Belgische Staat, minister van Binnenlandse Zaken

...

II. Ten gronde

A. Gegevens en voorwerp van de vordering

De vordering van appellant strekt ertoe de beslissing tot het opleggen van een administratieve sanctie, genomen op 24 april 2015 wegens een overtreding van art. 21 van de wet van 21 december 1998 “betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden”, te vernietigen. Bij voormelde beslissing werd aan appellant een administratieve geldboete opgelegd van 1.000 euro en een stadionverbod van twaalf maanden.

B. Beoordeling

1. Voornaamste feitelijke elementen en antecedenten

1. Het dossier vindt zijn oorsprong in feiten die zich op zaterdag 22 november 2014 omstreeks 20 u 58 hebben voorgedaan in het Jan Breydelstadion te Brugge, waar een voetbalwedstrijd werd gespeeld tussen Club Brugge en Waasland Beveren.

Blijkens het initieel proces-verbaal stelde een inspecteur van politie vast dat appellant in het stadion aanwezig was, hoewel hij een stadionverbod had, dat liep van 6 juli 2014 tot 5 februari 2015. Hij werd ter plekke verhoord en bevestigde dat hij in het stadion was gekomen met een “voetbalticket dat ik reeds een paar dagen op voorhand gekregen heb van een vriend van mij. Eens dat ik het stadion betreden had werd ik staande gehouden door jullie diensten ter controle. Hierbij werd vastgesteld dat ik een lopend stationverbod heb, maar ik weet niet voor hoe lang. Ik neem er kennis van dat dit stadionverbod loopt tot 5 februari 2015.”

2. Met een aangetekende brief van 17 december 2014 werd aan de h. D. een kopie gestuurd van het proces-verbaal en werd hij uitgenodigd om zijn verweer schriftelijk uiteen te zetten of te vragen om een mondelinge verdediging van zijn zaak. Die brief werd verstuurd naar het adres dat vermeld staat in het proces-verbaal (...), maar keerde onbesteld terug, kennelijk omdat de h. D. verhuisd was. Verschillende nieuwe pogingen naar het nieuwe adres ((...) Zeebrugge) waren uiteindelijk wel succesvol en de h. D. reageerde met brief van 23 februari 2015. Daarin zegt hij het volgende: “Ik wist van mijn supportersclub dat ik stadionverbod had opgelopen; ze deelden dit mij mede op 22 juli 2014. De ticketverantwoordelijke kon mij niet meedelen voor hoelang ik de Belgische stadions niet mocht betreden. Op 10 december 2014 heb ik via gerechtsdeurwaarder D. een betekening ontvangen van de beslissing die door jullie werd genomen betreffende het stadionverbod. Na de match van 22 november 2014 waarop uw collega’s mij hebben medegedeeld dat ik een stadionverbod had dat liep tot 5 februari 2015, heb ik het stadion ook niet meer betreden.”

3. Op 24 april 2015 volgde de bestreden beslissing. Daarin wordt een overtreding van art. 21 Voetbalwet (negeren stadionverbod) bewezen verklaard. Volgens de bestreden beslissing is “uit nazicht van het vorig dossier” gebleken dat de h. D. per aangetekend schrijven van 5 juni 2014 op de hoogte was gebracht van de beslissing waarbij hem een stadionverbod werd opgelegd en in de begeleidende brief waren de begin- en einddatum van dat verbod opgenomen. De brief werd evenwel niet afgehaald. Per gewone brieven van 2 juli en 18 juli 2014 werd de h. D. nog eens op de hoogte gebracht, maar die brieven keerden terug met de vermelding dat hij de briefwisseling niet meer ontving op het vermelde adres (...), hoewel de h. D. op 24 november 2014 op dat adres was ingeschreven. Voorts wordt erop gewezen dat de h. D. zelf in zijn brief (van 23 februari 2015) heeft toegegeven dat hij via zijn supportersclub op de hoogte was van het stadionverbod. Hij wordt veroordeeld tot een geldboete van 1.000 euro en een stadionverbod van twaalf maanden.

2. Nopens (...) het advies van het openbaar ministerie

Ter openbare terechtzitting van 7 januari 2016 heeft het openbaar ministerie mondeling advies gegeven, waarna de partijen hebben gerepliceerd.

Hoewel soms wordt beweerd dat er geen advies moet worden gegeven, is de rechtbank van oordeel dat de aanwezigheid en het advies van het openbaar ministerie wel degelijk vereist zijn. Het hoger beroep voor de politierechtbank werd immers precies ingevoerd om de (vermeende) overtreder in staat te stellen de juistheid van de beslissing van de ambtenaar te laten toetsen door een rechter. Dit impliceert dat de rechter de regelmatigheid van de administratieve procedure moet toetsen ten aanzien van de internationale normen (bv. EVRM), de grondwettelijke normen (bv. artt. 10 en 11 Gw.) en de wet van 29 juli 1991 “betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”. Het gaat hier om normen die betrekking hebben op de openbare orde, zodat de aanwezigheid van het openbaar ministerie in het raam van zijn adviesbevoegdheid, bepaald in art. 138 Ger.W., aangewezen voorkomt (Omzendbrief COL. 14/99 van het College van Procureurs-Generaal bij de Hoven van Beroep van 27 oktober 1999, 9; F. Clarysse en Y. Segaert-Vanden Bussche, “De nieuwe voetbalwet: het openbaar ministerie getackeld”, RW 1999-2000, 1149; D. Verstuyft, “Rechtsbescherming en verweer” in Gemeentelijke Administratieve Sancties, studienamiddagen te Genk op 1 juni 2005 en Gent op 8 juni 2005, Brugge, Vanden Broele, p. 237, nr. 311).

3. Bespreking

1. In hoger beroep voert appellant geen betwisting over het feit op zich dat hij op 22 november 2014 in het voetbalstadion te Brugge is geweest.

2. Hij voert aan dat zijn recht van verdediging op een onherstelbare wijze geschonden werd omdat de sanctie-ambtenaar al had beslist dat de overtreding bewezen was en dat appellant schuldig was, nog vóór die de kans had gekregen enig verweer te voeren.

In de brief (van 17 december 2014) waarmee appellant werd ingelicht van het feit dat de procedure tegen hem werd opgestart en waarbij hij werd uitgenodigd om zijn verweer te laten geworden staat:

“Geachte...

Op 8 december 2014 heeft het proces-verbaal met nr. (...) mijn administratie bereikt. Bijgaand vindt U een kopie van dit proces-verbaal. De volgende overtreding werd daarbij vastgesteld: U was in overtreding met uw stadionverbod... U heeft nu de gelegenheid om uw verweermiddelen (...) uiteen te zetten (...)”.

Appellant voert aan dat uit deze brief blijkt dat de overtreding al als vaststaand werd vermeld, terwijl de zaak nog beoordeeld moest worden. De schuld stond dus al vast vooraleer appellant enige mogelijkheid had gekregen om zich te verdedigen. Bijgevolg moet de aangevochten beslissing nietig worden verklaard wegens schending van art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de volledige lezing van de brief echter niet geconcludeerd worden dat de sanctie-ambtenaar al had beslist dat appellant schuldig was vooraleer er wat dan ook gebeurd was. Via die brief wordt het proces-verbaal immers bezorgd aan de vermeende overtreder. In de brief staat welke overtreding in dat proces-verbaal werd vastgesteld (“de volgende overtreding werd “daarbij” vastgesteld” – het woord “daarbij” verwijst naar het proces-verbaal)... De ambtenaar zegt dus niét: “U bent schuldig aan...” of “Ik verklaar U schuldig aan...” De ambtenaar zegt enkel “volgens het proces-verbaal werd overtreding zus of zo vastgesteld”. En de ambtenaar voegt er meteen aan toe dat de betrokkene “nu de gelegenheid heeft om uw verweermiddelen uiteen te zetten enz...”. De ambtenaar vraagt dus uitdrukkelijk om te laten weten wat men wenst in te brengen tegen het proces-verbaal. Precies door daarnaar te vragen geeft de ambtenaar te kennen dat hij geenszins reeds beslist heeft, maar zinnens is dat pas te doen nadat hij kennis zal hebben gekregen van de verweermiddelen.

Ten overvloede kan erop gewezen worden dat de ambtenaar dezelfde brief drie keer aangetekend heeft verstuurd (op 17 december, 13 januari en 26 januari) en twee keer per gewone post (op 26 januari en 23 februari). Als hij werkelijk al zou beslist hebben en niet geïnteresseerd was in het verweer van appellant, dan zou hij nooit al die moeite gedaan hebben om appellant telkens weer de kans te geven zijn verweer te laten geworden.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt dan ook ten onrechte aangevoerd dat de bestreden beslissing nietig zou zijn wegens schending van het recht van verdediging en/of onpartijdigheidsbeginsel.

3. Volgens appellant werd de bestreden beslissing genomen door een ambtenaar die daartoe niet bevoegd was, zodat zij nietig verklaard moet worden. Hij zet uiteen dat de procedure werd opgestart door de h. T., die de brief van 26 januari 2015 (die hem bereikte) ondertekende. Blijkens die brief is de h. T. “attaché – vervangend diensthoofd voetbalcel”. De bestreden beslissing werd genomen door de h. B., die volgens die beslissing “adviseur” is. Volgens appellant kon de h. B. geen beslissing nemen en kon enkel de h. T. dat doen.

Deze stelling vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort uit een foute lezing van de tekst van artt. 26 en 27 Voetbalwet.

Art. 26, § 1 bepaalt dat de administratieve sanctie wordt opgelegd door “een door de Koning aangewezen ambtenaar met uitzondering van de ambtenaar die... proces-verbaal heeft opgemaakt”.

Art. 26, § 3 (ingevoegd in 2004) laat aan die ambtenaar toe om bepaalde bevoegdheden te delegeren aan een andere ambtenaar. Deze wetsaanpassing is er gekomen nadat deze rechtbank er haar verwondering over had uitgedrukt dat het mogelijk was dat een “beklaagde” zich mondeling ging verdedigen bij ambtenaar A, waarna ambtenaar B, die van dat hele verweer niets had gehoord, een beslissing nam. Deze rechtbank heeft indertijd om die reden beslissingen nietig verklaard en het Hof van Cassatie was het met die stelling eens (arrest nr. C.02.0183.N, 19 november 2004 inzake Belgische Staat t/ vzw Club Brugge). Volgens het Hof bleek uit de wettelijke bepalingen, zoals ze indertijd bestonden, dat de ambtenaar die de overtreder hoorde en de ambtenaar die de sanctie oplegde één en dezelfde persoon moesten zijn.

Minder dan zes weken na dit arrest werd de wet gewijzigd en werd in de wet uitdrukkelijk de mogelijkheid ingeschreven om bepaalde bevoegdheden te delegeren. Dit maakte het mogelijk de “beklaagde” te laten horen door ambtenaar A, waarna ambtenaar B de beslissing kon nemen. De vraag van deze rechtbank aan het Grondwettelijk Hof of er hier sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel werd in een arrest van 29 november 2006 (RW 2006-07, 1517) negatief beantwoord.

Artt. 26, § 3 en 27 Voetbalwet slaan dus op de mogelijkheid om onder meer de bevoegdheid om de beklaagde te horen te delegeren en ze gaan niét over het feit dat de ambtenaar die de initiële brief schrijft ook dezelfde moet zijn als deze die uiteindelijk de beslissing neemt.

De bestreden beslissing is wel degelijk geldig genomen door een daartoe bevoegde ambtenaar.

4. Appellant voert aan dat hij op 22 november 2014 (nog) niet onderworpen was aan het stadionverbod dat hem in een eerdere beslissing werd opgelegd omdat die beslissing hem pas op 10 december 2014 werd betekend en het stadionverbod dus nog niet liep op 22 november. Hij legt het bewijs voor dat hem op 10 december 2014 door een gerechtsdeurwaarder een “betekening-bevel” werd betekend.

Nochtans bepaalt art. 30 Voetbalwet dat de beslissing ter kennis wordt gebracht per aangetekende brief. Dat er nadien gepoogd wordt om door tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder en via een “betekening-bevel” over te gaan tot gedwongen uitvoering van de geldboete, is irrelevant en al een volgende stap (een stap die volgt nadat de procedure is afgerond en een stap die moet leiden tot uitvoering).

Als geïntimeerde kan bewijzen dat zij de eerdere beslissing ter kennis heeft gebracht op de wettelijk voorgeschreven manier (per aangetekende brief), dan is er een geldige kennisgeving geweest. In de bestreden beslissing zegt geïntimeerde dat de kennisgeving is gebeurd per aangetekende brief van 5 juni 2014, die evenwel door de h. D. niet werd afgehaald. In de loop van het geding heeft geïntimeerde haar dossier aangevuld en het bewijs voorgelegd dat effectief met aangetekende brief van 5 juni 2014 aan appellant de beslissing ter kennis werd gebracht waarin hem een stadionverbod werd opgelegd (dat zou lopen van 6 juli 2014 tot 5 februari 2015). Dat die brief effectief werd verstuurd, wordt op zich in conclusies door appellant niet betwist, maar hij vestigt er de aandacht op dat hij de brief niet heeft afgehaald omdat hij “niet langer woonachtig was op het adres waarnaar het aangetekende schrijven werd verzonden.”

Dat de brief niet werd afgehaald, is nochtans irrelevant: geïntimeerde moet enkel bewijzen dat ze hem verstuurd heeft naar een correct adres. Appellant dient de gevolgen te dragen als hij zijn aangetekende post niet ophaalt. Uit de stukken van geïntimeerde blijkt dat appellant van 14 februari 2012 tot 25 november 2014 zijn woonplaats had te Brugge, (...) (adres dat overigens vermeld is in het proces-verbaal van 22 november 2014 dat aan de basis ligt van huidige procedure). Geïntimeerde kon in juni 2014 dus rechtsgeldig de vorige beslissing ter kennis brengen aan appellant door ze aangetekend naar dat adres te versturen.

De rechtbank mag eraan herinneren dat de woonplaats de plaats is waar een persoon zijn hoofdverblijf heeft en geacht wordt aanwezig te zijn voor het uitoefenen van zijn rechten en het nakomen van zijn verplichtingen, hoewel hij er in feite misschien niet bestendig verblijft (W. Delva, Personen- en familierecht, Gent, Story-Scientia, 1978, deel 2A, p. 20). Krachtens art. 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters is de hoofdverblijfplaats “de plaats waar de leden van een huishouden dat uit verscheidene personen is samengesteld gewoonlijk leven, ongeacht of die personen al dan niet door verwantschap verbonden zijn, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft”. Art. 5 van de wet schrijft voor dat een verandering van hoofdverblijf moet worden aangegeven en het niet-naleven van de bepalingen van de wet is krachtens art. 7 ervan strafbaar met geldboeten van 26 tot 500 euro.

Zolang de h. D. zijn woonplaats had op het adres (...) mocht geïntimeerde – meer zelfs, zij “moest” – hem aanschrijven op dat adres. Door hem aangetekend op dat adres de beslissing te bezorgen, bracht zij de beslissing geldig ter kennis. Dat de h. D. de brief niet afhaalde, misschien omdat hij verbleef op een ander adres en naliet tijdig zijn woonplaats te wijzigen of gewoon omdat hij geen zin had zijn post op te halen, maakt niet de zaak uit van geïntimeerde.

Ten overvloede kan de rechtbank verwijzen naar het stuk 2 dat appellant zelf voorlegt en waaruit blijkt dat hij het appartement aan de (...) te Brugge pas verlaten heeft op 24 juni 2014 door afgifte van de sleutel aan de eigenaar. Op 5 juni 2014 was hij daar dus niet alleen gedomicilieerd, maar kennelijk verbleef hij er ook nog daadwerkelijk.

Het is dan ook ten onrechte dat appellant aanvoert dat het stadionverbod op 22 november 2014 (nog) niet liep omdat het hem nooit ter kennis gebracht was. Het was hem wél ter kennis gebracht en het liep wél.

Zijn – minstens impliciete – stelling dat hij het niet wist (omdat hij nooit de aangetekende brief heeft afgehaald) en het dus niet kon overtreden, kan niét worden bijgevallen. Zijn stelling volgen zou betekenen dat iemand die veroordeeld is tot een stadionverbod, moet zorgen dat hij nooit zijn aangetekende post afhaalt: dat kan het stadionverbod nooit lopen en kan hij het nooit overtreden...

Dat appellant in het stadion was, staat vast, zodat vast staat dat hij het stadionverbod overtrad.

...

6. Conclusie: de overtreding is wel degelijk bewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de sanctie gerechtvaardigd en staat zij in verhouding tot de ernst der feiten. Het gaat om het wettelijke minimum.

...

Noot: 

Zie Cass. 17 mei 2010, RW 2011-12, 531, noot C. Idomon, zijnde het cassatiearrest tot verwijzing waarna dit vonnis werd uitgesproken

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/05/2017 - 12:18
Laatst aangepast op: di, 09/05/2017 - 12:18

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.