-A +A

Spoorwegongeval 29 bis contractuele aansprakelijkheid zwakke weggebruiker verjaring

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Brugge
Datum van de uitspraak: 
don, 17/12/2015

Het bijzonder regime van «objectieve» aansprakelijkheid dat door art. 29bis WAM in het leven wordt geroepen, kan niet in samenloop treden met de contractuele aansprakelijkheid van de reiziger/spoorwegvervoerder.

De rechtsvordering op grond van art. 29bis WAM verjaart pas na vijf jaar vanaf het schadeverwekkend feit, of vanaf de dag waarop het misdrijf gepleegd is als het een misdrijf betreft (vergelijk: Cass. 21 mei 2010, RGAR, 2010, nr. 14.688).

Art. 29bis, § 1, tweede lid WAM doelt inderdaad op elk verkeersongeval waarbij een aan spoorstaven gebonden motorrijtuig betrokken is en waarvan een zwakke weggebruiker het slachtoffer was, ongeacht de plaats waar een dergelijk ongeval zich voordoet .

Het perron van een station is een terrein dat beantwoordt aan de omschrijving van art. 2, § 1 WAM.

Art. 9, vierde lid van de wet op de vervoerovereenkomsten voorziet in de éénjarige verjaringstermijn. Deze bepaling maakt evenwel een uitzondering voor vorderingen die volgen uit een feit dat door de strafwet als misdrijf is gekwalificeerd. Wanneer de contractuele vordering (de aangevoerde, contractuele wanprestatie) samenvalt met het misdrijf van artt. 418-420 Sw., namelijk het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen, is dit misdrijf onderworpen aan de vijfjarige verjaringstermijn.De burgerlijke vordering kan niet eerder verjaren dan de strafvordering (art. 26 Voorafgaande Titel Sv.). Derhalve is de vordering op grond van de vervoerovereenkomst niet verjaard na 1 jaar, maar pas na 5 jaar.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1428
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

NMBS t/ D.L. en B.L.

I. Procedure

Het dossier dat aan de rechtbank wordt overgelegd, bevat de rechtsplegingsdossiers met:

– een voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis van de Politierechtbank te Brugge, op tegenspraak gewezen op 7 januari 2014;

– een gemotiveerd verzoekschrift tot hoger beroep tegen voormeld vonnis, door NV NMBS neergelegd ter griffie van de rechtbank alhier op 4 juli 2014 (...).

...

II. Bijzonderste gegevens van de zaak

Op basis van de grieven zoals geformuleerd in het inleidend verzoekschrift tot hoger beroep, die hier als nader herhaald dienen te worden beschouwd en bij de beoordeling ten gronde nader zullen worden ontmoet, tekent NV NMBS hoger beroep aan tegen voormeld vonnis, waarin de eerste rechter op basis van de door hem vermelde motieven, die hier als volledig herhaald dienen te worden beschouwd, de hoofdvordering, in zoverre gebaseerd op art. 29bis WAM ontvankelijk en principieel gegrond verklaarde. De eerste rechter kende provisies toe aan eisers en hij stelde dr. R.W. aan als geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdracht. De verdere beoordeling werd aangehouden tot na de expertise.

De voornaamste feitelijke gegevens en de antecedenten van de zaak werden reeds samengevat in het bestreden vonnis (...) en de rechtbank verwijst naar kwestieuze passages.

NV NMBS zet in haar beroepsakte uiteen dat zij geenszins akkoord gaat met het bestreden vonnis.

Allereerst is de vordering volgens haar verjaard. De omstandigheid dat eisers zich primair op art. 1382 BW beriepen en subsidiair op art. 29bis WAM, is subsidiair aan de contractuele rechtsverhouding tussen partijen, namelijk de vervoerovereenkomst in de zin van de wet van 25 augustus 1891 op de vervoerovereenkomsten. Bij samenloop van contractuele en extra-contractuele aanspraken, primeert de contractuele rechtsverhouding, aldus appellante. Geïntimeerden hadden niet langer de keuze en aangezien D.L. als treinreiziger dient te worden beschouwd, moet hij zich baseren op de specifieke regelgeving van het vervoercontract. Derhalve kan er volgens appellante geen toepassing worden gemaakt van art. 1382 BW noch van art. 29bis WAM, aangezien deze bepaling de buitencontractuele aansprakelijkheid beoogt.

Appellant verwijst nog naar rechtspraak en ze argumenteert dat de feiten zich wel degelijk tijdens de uitoefening van de vervoerovereenkomst voordeden, zodat de verjaring van de vordering is ingetreden.

Van enige strafrechtelijke aansprakelijkheid van appellante kan er volgens haar geen sprake zijn, aangezien geen enkel gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg (bestanddeel van het misdrijf op grond van artt. 418-420 Sw.) aangetoond wordt.

Volgens appellante diende haar oorspronkelijke tegenvordering op grond van art. 1382 BW gegrond te worden verklaard, aangezien D.L. het algemeen reglement van de politie op de spoorwegen overtrad. Hierdoor heeft appellante schade geleden, zodat zij gerechtigd is op de vergoeding daarvan.

Als derde grief brengt appellante naar voor dat de vergoedingsregeling van art. 29bis WAM niet van toepassing is.

Zij besluit dan ook tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toekenning van voorbehoud voor de door haar geleden schade.

Geïntimeerden besluiten tot afwijzing van het hoger beroep en tot bevestiging voor wat de vergoedingsplicht van appellante betreft op basis van art. 29bis WAM.

Tevens tekenen geïntimeerden incidenteel hoger beroep aan in de mate dat de eerste rechter hun vordering afwees op basis van de vervoerovereenkomst en/of op basis van art. 1382 BW.

...

III. Beoordeling

Geïntimeerden baseren hun vordering op onder meer de vervoerovereenkomst die door D.L. werd gesloten met appellante. Omdat de betrokkene zich op het perron bevond met de bedoeling om in de trein te stappen, diende hij inderdaad als reiziger beschouwd te worden. De aansprakelijkheid van de spoorvervoerder begint immers vanaf het ogenblik dat de reiziger zich, na het sluiten van de overeenkomst, op de infrastructuur begeven heeft van waaruit hij verder vervoerd zal kunnen worden. Dit kan bijvoorbeeld het perron zijn (vergelijk: A. Poelmans e.a., «Overzicht van rechtspraak. Vervoersrecht (1976-2012)», TPR 2013, 2049, met aangehaalde rechtspraak).

Volgens art. 4 van de wet van 25 augustus 1891 betreffende de vervoersovereenkomsten is appellante aansprakelijkheid voor (...) de ongevallen aan reizigers overkomen, tenzij ze bewijst dat (...) de ongevallen het gevolg zijn van een vreemde oorzaak die haar niet kan worden toegerekend.

Ten onrechte argumenteert appellante ook in hoger beroep dat de contractuele vordering onontvankelijk is wegens verjaring, gelet op de strekking van art. 9, vierde lid van de wet op de vervoerovereenkomsten, dat voorziet in de éénjarige verjaringstermijn. Deze bepaling maakt immers een uitzondering voor vorderingen die volgen uit een feit dat door de strafwet als misdrijf is gekwalificeerd. In casu valt de contractuele vordering (de aangevoerde, contractuele wanprestatie) samen met het misdrijf van artt. 418-420 Sw., namelijk het onopzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen. Dit misdrijf is onderworpen aan de vijfjarige verjaringstermijn, en de burgerlijke vordering kan niet eerder verjaren dan de strafvordering (art. 26 Voorafgaande Titel Sv.). Derhalve is de vordering op grond van de vervoerovereenkomst niet verjaard.

Ze is wel ongegrond en de eerste rechter overwoog op goede gronden, die hier als herhaald en hernomen beschouwd worden, dat eerste geïntimeerde gestruikeld is en daardoor ten val is gekomen. Dit is de oorzaak van de schade en voor appellante vormt dit een vreemde oorzaak.

Zelfs al zou het bewezen zijn dat de trein sneller dan normaal het station kwam binnengereden en dat hij niet kon stoppen op de plaats waar hij normaal tot stilstand kwam, dan nog kan hieruit geen enkele fout van de treinbestuurder afgeleid worden, laat staan een fout in causaal verband met het ongeval.

Weliswaar is het juist – zoals geïntimeerden betogen – dat voor het misdrijf van artt. 418-420 Sw. reeds de minste of de allerkleinste fout in oorzakelijk verband met de schade volstaat om de aansprakelijkheid van de treinbestuurder teweeg te brengen, maar er moet nog altijd een dergelijke fout aangetoond worden van appellante, of een aangestelde van haar, en hierin falen geïntimeerden.

De rechtbank acht het niet nuttig om in te gaan op het verzoek van geïntimeerden om in voorkomend geval een deskundige aan te stellen teneinde een onderzoek te voeren naar de snelheid waarmee de trein het station kwam binnengereden. Deze omstandigheid is hoe dan ook te vaag om tot enige aansprakelijkheid van appellante te kunnen leiden.

In de mate dat de tegeneis van appellante louter gebaseerd zou zijn op de vervoerovereenkomst, is deze vordering onontvankelijk wegens verjaring.

De verwijzing naar art. 12.1. Wegverkeersreglement is niet dienstig, aangezien dit artikel gericht is tot de gebruikers van de openbare weg (zie art. 1 Wegverkeersreglement). Het perron 15 in het spoorwegstation Brussel-Zuid maakt geen deel uit van de openbare weg.

De voorliggende feiten ressorteren duidelijk niet onder art. 422 Sw. Dit artikel bestraft immers het onopzettelijk in gevaar brengen van personen die zich in de trein bevinden. Dit is een constitutief bestanddeel van het misdrijf (vergelijk: A. Vandeplas, «De bestraffing van gevaarzetting bij treinongevallen», noot onder Pol. Brugge 15 februari 2007, RW 2007-08, 1128). Door te struikelen op het perron en door tussen de sporen te vallen, met de gekende, ongelukkige gevolgen, bracht eerste geïntimeerde geen treinreizigers in gevaar.

Ook de andere overtredingen die appellante aan eerste geïntimeerde verwijt (van artt. 3, 1o en 5, 3o van het KB van 20 december 2007 «houdende algemeen reglement van de politie op de spoorwegen»), worden niet bewezen. Betrokkene is gewoon gestruikeld, met alle, verregaande gevolgen vandien. Het is niet bewezen dat hij daarbij een fout beging. Getuige C. zag slachtoffer vallen bij aankomst en juist vóór de stilstand van de trein. Volgens de getuige was er geen sprake van enige wanhoopsdaad; evenmin denkt ze dat het slachtoffer geduwd werd.

Bij analyse van de camerabeelden kwam de politie tot dezelfde conclusie, namelijk dat het slachtoffer ten val is gekomen tussen het perron en de trein. Volgens de vaststellingen van de politie stond het slachtoffer te wachten op het perron, binnen de vereiste veiligheidsafstand (...). Appellante beweert weliswaar het tegendeel, maar zij toont dit niet aan en ze levert daarvan ook niet het bewijs.

Geen enkele fout of tekortkoming van D.L. in oorzakelijk verband met het ongeval komt bewezen voor, zodat de tegenvordering van appellante correct afgewezen werd.

Nopens de vergoedingsplicht op grond van art. 29bis WAM verwijst de rechtbank naar het helder en correct exposé van de politierechter.

Het bijzonder regime van «objectieve» aansprakelijkheid dat door art. 29bis WAM in het leven wordt geroepen, kan niet in samenloop treden met de contractuele aansprakelijkheid van de reiziger/spoorwegvervoerder (vergelijk: H. Ulrichts, Schaderegeling in België, Mechelen, Kluwer, 2013, 404).

De rechtsvordering op grond van art. 29bis WAM verjaart pas na vijf jaar vanaf het schadeverwekkend feit, of vanaf de dag waarop het misdrijf gepleegd is als het een misdrijf betreft (vergelijk: Cass. 21 mei 2010, RGAR, 2010, nr. 14.688).

Art. 29bis, § 1, tweede lid WAM doelt inderdaad op elk verkeersongeval waarbij een aan spoorstaven gebonden motorrijtuig betrokken is en waarvan een zwakke weggebruiker het slachtoffer was, ongeacht de plaats waar een dergelijk ongeval zich voordoet (vergelijk: Cass. 11 januari 2010, NJW 2010, 197, noot I. Boone, VAV 2010, 283, noot; vergelijk: Cass. 30 september 2010, AR nr. C.09.0545, Arr.Cass. 2010, 2371).

Het perron van het station Brussel-Zuid is ongetwijfeld een terrein dat beantwoordt aan de omschrijving van art. 2, § 1 WAM en het staat vast dat het voorliggend ongeval een verkeersongeval is.

Zowel het principaal, als het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond en het bestreden vonnis moet worden bevestigd.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 13/05/2017 - 08:42
Laatst aangepast op: za, 13/05/2017 - 08:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.