-A +A

Spoedeisend karakter niet aan de orde door potentieel omzetverlies in de procedure voor de raad van state

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 12/12/2017
A.R.: 
240.161

De enkele omstandigheid dat een aantal anderstalige kandidaten zich mogelijk tot andere rijscholen in het Waalse Gewest of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zouden kunnen wenden, met potentieel omzetverlies bij de bvba waarvan verzoeker zaakvoerder is tot gevolg, betekent op zich helemaal niet dat verzoeker zonder een bevolen schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zou terechtkomen in een toestand «met onherroepelijke schadelijke gevolgen

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2017
Pagina: 
1389
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

A.A. t/ Vlaamse Gewest

Arrest nr. 240.161

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 24 april 2017, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2017 «tot wijziging van het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs, het KB van 10 juli 2006 betreffende het rijbewijs voor voertuigen van categorie B en het KB van 4 mei 2007 betreffende het rijbewijs, de vakbekwaamheid en de nascholing van bestuurders van voertuigen van de categorieën Cl, Cl+E, C, C+E, Dl, Dl+E, D, D+E».

...

VI. Spoedeisendheid

...

Beoordeling

...

12.1. Verzoeker voert [...] aan dat hij omzet zal verliezen door het verminderde aantal anderstalige kandidaten die zich zullen wenden tot andere rijscholen in het Waalse Gewest of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waar zij nog gebruik kunnen maken van de faciliteiten van een tolk. Deze verminderde omzet zal volgens hem ook leiden tot een vermindering van het aantal instructeurs en dus van de werkgelegenheid die verzoeker aanbiedt.

...

12.4. ...

... De enkele omstandigheid dat een aantal anderstalige kandidaten zich mogelijk tot andere rijscholen in het Waalse Gewest of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zouden kunnen wenden, met potentieel omzetverlies bij de bvba waarvan verzoeker zaakvoerder is tot gevolg, betekent op zich helemaal niet dat verzoeker zonder een bevolen schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zou terechtkomen in een toestand «met onherroepelijke schadelijke gevolgen».

...

13. Daarnaast dient te worden vastgesteld dat verzoeker de aangevoerde spoedeisendheid grondt op zijn hoedanigheid van zaakvoerder van een erkende rijschool, terwijl het bestreden besluit geen betrekking heeft op de werking van de erkende rijscholen, noch op de bijstand van een tolk tijdens door de erkende rijscholen aangeboden rijlessen. De bestreden regeling betreft daarentegen de bijstand van een tolk tijdens alle rijexamens. Ook in het licht van deze bijzondere omstandigheid mag van verzoeker worden verwacht dat hij concreet aantoont waarom hij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. (...)

14.1. (...). In het kader van de gewone schorsingsvordering geldt er in beginsel geen dwingende voorwaarde om diligent en voortvarend op te treden, zoals bij een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De regelgeving laat toe dat de schorsing «op elk moment» wordt gevorderd (art. 17, § 1, tweede lid RvSt-Wet).

Dit betekent echter niet dat het talmen van een verzoekende partij om in rechte te treden, als proceshouding steeds zonder invloed blijft op de beoordeling van de spoedeisendheid.

Een schorsing heeft immers enkel voor de toekomst uitwerking.

Met het instellen van een vordering tot schorsing streeft een verzoekende partij voorts na zich te behoeden voor schadelijke gevolgen van een bepaalde omvang, waarvoor een later arrest ten gronde niet nuttig meer wordt gewezen. Vereist is dan ook dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing het onherroepelijke schadelijke gevolg nog zinvol kan worden geweerd.

Mede om die reden moet een verzoekende partij die de Raad van State ertoe wil brengen om haar zaak bij voorrang op andere zaken te onderzoeken en om een schorsing te bevelen, bij het benaarstigen ervan zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om dit schadelijke gevolg nog te kunnen weren. Dit betekent onder meer dat zij naargelang van de omstandigheden, de zaak toch zo spoedig mogelijk bij de Raad van State aanhangig maakt.

14.2. In casu blijkt dat verzoeker de onderhavige vordering tot schorsing pas heeft ingesteld op de laatste nuttige dag van de beroepstermijn van zestig dagen op 24 april 2017, hoewel het bestreden reglementair besluit reeds werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 februari 2017 en de litigieuze bepalingen m.b.t. de tolken voor alle rijexamens, namelijk de artt. 2, 3 en 9, in werking zijn getreden op 1 maart 2017, zodat verzoeker de beweerde nadelige gevolgen van het besluit reeds gedurende bijna twee maanden heeft ondergaan alvorens een vordering tot schorsing in te stellen bij de Raad van State. Ook de proceshouding van verzoeker lijkt dus een negatie in te houden van de beweerde spoedeisendheid van de vordering.

...

Noot: 

Lust, P.-D.-S., « De spoedeisendheid in het administratief kort geding », R.A.B.G., 2016/12, p. 872-875

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 23/04/2018 - 22:28
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:28

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.