-A +A

Splitsbaarheid en onsplitsbaarheid geschil over geldigheid van eigenhandig testament

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 28/10/2016
A.R.: 
C.16.0023.N

Bij onderscheiden beslissingen inzake de geldigheid van het testament ten aanzien van de wettige erfgenamen, ontstaat een onverdeeldheid tussen de wettige erfgenamen ten aanzien van wie het testament werd vernietigd, die aanspraak kunnen maken op hun wettig erfdeel in de nalatenschap, en de bij testament aangewezen bijzondere legataris, die in de plaats treedt van de erfgenamen ten aanzien van wie het testament wel geldig is; de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen inzake de geldigheid van het testament is slechts mogelijk indien, na de vereffening-verdeling van de nalatenschap tussen de wettige erfgenamen ten aanzien van wie het testament werd vernietigd en de algemeen legataris, de bij testament bijzondere legaten nog kunnen worden uitgekeerd

De conclusie van het OM is andersluidend (infra)

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.16.0023.N
V. D.,
eiseres,
tegen
1. A. D.,
2. I. A. L. D.,
3. J. M. D.,
4. J. Th. D.,
5. M. C. C. D., .
6. A. D.,
verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 juni 2015 op verwijzing na arrest van het Hof van 22 maart 2013.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 31 Gerechtelijk Wetboek is het geschil enkel onsplitsbaar in de zin van dit artikel, wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onder-scheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn.

2. De appelrechters stellen vast dat:
- de eiseres en de eerste tot en met vijfde verweerders de wettelijke erfgenamen zijn van wijlen J. D.;
- er geen reservataire erfgenamen zijn;
- J. D. bij eigenhandig testament van 7 februari 1994 de eiseres heeft aangewe-zen als algemene legataris, met last tot uitkering van een aantal bijzondere le-gaten aan de eerste tot en met zesde verweerders, meer bepaald van een aantal onroerende goederen aan de eerste tot en met vijfde verweerders en van een som van 2.478,94 euro aan de zesde verweerder;
- de eerste, tweede, derde en zesde verweerders hebben betwist dat het testa-ment eigenhandig werd geschreven door J. D. en zij op die grond de nietigver-klaring hebben gevorderd van het testament;
- in het kader van deze betwisting inmiddels werd beslist door het tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 maart 2011 dat de eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde verweerders hebben erkend dat het testament door J. D. werd geschreven zodat het ten hunne opzichte dezelfde bewijskracht heeft als een authentieke akte;
- dit niet geldt voor de derde verweerder, ten aanzien van wie het testament voorlopige bewijskracht ontbeert.

3. Bij onderscheiden beslissingen inzake de geldigheid van het testament ten aanzien van de wettige erfgenamen, ontstaat een onverdeeldheid tussen de wettige erfgenamen ten aanzien van wie het testament werd vernietigd, die aanspraak kunnen maken op hun wettig erfdeel in de nalatenschap, en de bij testament aangewezen algemeen legataris, die in de plaats treedt van de erfgenamen ten aanzien van wie het testament wel geldig is.

De gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen inzake de geldigheid van het testament is slechts mogelijk indien, na de vereffening-verdeling van de nalatenschap tussen de wettige erfgenamen ten aanzien van wie het testament werd vernietigd en de algemeen legataris, de bij testament toege-kende bijzondere legaten nog kunnen worden uitgekeerd.

4. Het middel luidens welk in een dergelijk geval de bijzondere legaten steeds kunnen worden uitgekeerd, gaat in zoverre uit van een andere rechtsopvatting en faalt naar recht.

5. Verder heeft het hof van beroep te Antwerpen in zijn tussenarrest van 21 maart 2011 enkel het geschilpunt inzake de bewijskracht van het betwiste testa-ment ten aanzien van de vernoemde verweerders definitief beslecht.

Anders dan de eiseres voorhoudt, heeft het hof van beroep te Antwerpen in voor-meld arrest de rechten van de partijen in de nalatenschap niet definitief vastge-steld, zodat zijn rechtsmacht over dit geschilpunt niet is uitgeput.

6. Door te oordelen dat het testament zijn uitwerking verliest ten aanzien van alle verweerders wanneer de eiseres de geldigheid van het testament niet kan be-wijzen jegens de derde verweerder, hebben de appelrechters hun rechtsmacht al-dus niet overschreden.

In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 19 Gerechtelijk Wetboek, kan het niet worden aangenomen.

7. De aangevoerde grief houdt verband met de uitputting van rechtsmacht en niet met het gezag van gewijsde van voormeld tussenarrest.
In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 23 tot 28 Gerechtelijk Wetboek is het niet ontvankelijk.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 902,77 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, in openbare rechtszitting van 28 oktober 2016 

C.16.0023.N
Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. In het raam van een betwisting betreffende de geldigheid van een eigenhandig testament (waarbij eiseres werd aangewezen als algemeen legataris), werd geoordeeld dat - waar de overige verweerders inmiddels hadden erkend dat het testament door de decujus werd geschreven, zodat het te hunne opzichte dezelfde bewijskracht heeft als een authentieke akte - dit niet geldt voor de derde verweerder, t.a.v. wie het testament voorlopig bewijskracht ontbeert.

2. In zoverre het bestreden arrest (op verwijzing na cassatie d.d. 22 maart 2013) in voormelde context de doorgang beveelt van het schriftonderzoek m.b.t. het eigenhandig testament (cf. de artikelen 884 en 886 Ger. W.), oordeelt het hierbij reeds dat wanneer eiseres faalt in de bewijslast t.a.v. één van de wettelijke erfgenamen (in casu derde verweerder) zij zich evenmin op dit testament kan beroepen t.a.v. de andere wettelijke erfgenamen in de mate dat eenzelfde testament, formeel gezien, niet tegelijk geldig en ongeldig kan zijn wegens het onsplitsbaar karakter van het geschil t.a.v. alle wettelijke erfgenamen.

3. Tegen deze beslissing voert eiseres een enig middel tot cassatie aan waarin zij zich beroept op een schending van artikel 31 Ger. W. (m.b.t. het begrip onsplitsbaarheid), evenals van de artikelen 23 t.e.m. 28 Ger. W. (i.v.m. het gezag en de kracht van gewijsde) en van artikel 19 Ger. W. (overschrijding rechtsmacht).

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.

1. Op grond van artikel 31 Gerechtelijk Wetboek is een geschil enkel onsplitsbaar wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding geeft, materieel onmogelijk zou zijn.

2. In zoverre het begrip van onsplitsbaarheid strikt wordt geïnterpreteerd(1), wordt ter zake enkel de natuurlijke onsplitsbaarheid in overweging genomen: als dusdanig betreft de onsplitsbaarheid noch de beslissingen zelf, noch de aard van de betwisting, maar enkel de onmogelijkheid van de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het geschil aanleiding geeft. Een logische onmogelijkheid om gelijktijdig tegenstrijdige beslissingen uit te voeren, is aldus niet voldoende en enkel de uitkomst van de betwisting is dus doorslaggevend(2).

3. In voormelde context wordt bijvoorbeeld erkend dat betwistingen inzake afstamming onsplitsbaar zijn(3), waar het immers materieel onmogelijk is om tegenstrijdige beslissingen inzake afstamming tegelijkertijd ten uitvoer te leggen: men kan niet tegelijk wel en niet een afstammingsband met iemand hebben. Ook betwistingen inzake revindicatie zijn onsplitsbaar: een persoon kan niet tegelijk wel en geen eigenaar zijn van het betwiste goed. Een ander klassiek voorbeeld betreft de faillietverklaring: vorderingen van verschillende schuldeisers betreffende de faillietverklaring van een handelaar zijn onsplitsbaar. Een handelaar kan immers niet t.a.v. de ene schuldeiser wel en t.a.v. de andere schuldeiser niet failliet worden verklaard(4). Ook de vordering tot verdeling is ondeelbaar/onsplitsbaar: eens de onverdeeldheid bewezen is en vaststaat wie deelgenoot is in deze onverdeeldheid, moeten alle deelgenoten betrokken worden, evenals alle goederen en schulden van de onverdeeldheid(5). Het is immers materieel onmogelijk om de verdeling van de onverdeeldheid t.a.v. bepaalde deelgenoten uit te spreken en de onverdeeldheid t.a.v. andere deelgenoten te behouden. Zo kan een verdeling niet worden doorgevoerd zonder de aanwezigheid van de verzetdoende schuldeiser: de gezamenlijke uitvoering van de beslissingen eensdeels van een verdeling die de verzetdoende schuldeiser wel heeft kunnen beïnvloeden en, anderdeels, van een verdeling die die schuldeiser niet heeft kunnen beïnvloeden, is materieel onmogelijk(6).

4. Waar in deze diverse voorbeelden een natuurlijke onsplitsbaarheid bestaat, d.w.z. dat de gelijktijdige tenuitvoerlegging van onderscheiden beslissingen niet mogelijk is op een natuurlijke, materiële manier, stelt zich in de huidige betwisting aldus de vraag of het geschil betreffende de ongeldigheid van een testament wegens niet-naleving van de formaliteiten van artikel 970 Burgerlijk Wetboek, dat rijst tussen de wettige erfgenamen enerzijds en de testamentaire erfgenamen anderzijds (in dit geval de eiseres die bij testament als algemeen legataris was aangewezen), op een dergelijke - strikt te interpreteren - wijze onsplitsbaar is.

5. Indien het testament t.a.v. één of enkele wettige erfgenamen wordt vernietigd, kunnen die erfgenamen aanspraak maken op hun wettig erfdeel in de nalatenschap. Er zal dus een onverdeeldheid ontstaan tussen deze erfgenamen en de bij testament aangewezen algemeen legataris die in de plaats zal treden van de wettige erfgenamen t.a.v. wie het testament wel geldig is. In dat geval bestaat aldus een samenloop tussen de wettige devolutie (t.a.v. de erfgenamen die de vernietiging van het testament hebben verkregen) en de testamentaire devolutie (t.a.v. de erfgenamen jegens wie het testament nog geldt). Welnu, een gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen inzake de geldigheid van het testament is mogelijk, indien - na de vereffening-verdeling van de nalatenschap tussen de wettige erfgenamen t.a.v. wie het testament werd vernietigd en de algemeen legataris - de bij testament toegekende bijzondere legaten nog kunnen worden uitgekeerd. In dat geval kunnen de wettige devolutie en de testamentaire devolutie wel samen plaatsvinden. De notaris zal dit moeten onderzoeken in het kader van de verdeling van de nalatenschap en de toekenning van de bijzondere legaten.

6. In voormelde context komt het mij dus voor dat de appelrechters alleszins voorbarig geweest zijn door in de bestreden beslissing in absolute termen te oordelen dat het in elk geval materieel onmogelijk is om onderscheiden beslissingen inzake de echtheid/valsheid van een testament gezamenlijk ten uitvoer te leggen. In zoverre, zoals in de aanhef van de bespreking van deze problematiek reeds gesteld, een logische onmogelijkheid om tegenstrijdige beslissingen gezamenlijk ten uitvoer te leggen, niet voldoende is, kunnen de appelrechters dit oordeel dan ook niet steunen op het argument dat eenzelfde testament, formeel gezien, niet terzelfdertijd geldig en ongeldig kan zijn.

7. Het lijkt mij bovendien niet evident om op grond van de regels inzake de onsplitsbaarheid van het Gerechtelijk Wetboek te verantwoorden dat het testament jegens alle verweerders zijn uitwerking verliest, ten gevolge van de ongeldigheid van dit testament jegens de derde verweerder. De regels inzake de onsplitsbaarheid zijn immers uitsluitend procedureregels. Zij leiden er enkel toe dat, wanneer het geschil onsplitsbaar is, het hoger beroep gericht moet worden tegen alle partijen wier belang in strijd is met dat van de eiser in hoger beroep (art. 1053, eerste lid, Ger. W.). De eiser moet bovendien de andere niet in beroep komende, niet in beroep gedagvaarde of niet opgeroepen partijen binnen de gewone termijnen van hoger beroep en ten laatste voor de sluiting van de debatten in de zaak betrekken (art. 1053, tweede lid, Ger. W.). Het niet-naleven van dit artikel heeft de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep tot gevolg (art. 1053, derde lid, Ger. W.). Dit artikel is van openbare orde, zodat de rechter het middel dat is afgeleid uit het niet in het geding betrekken van alle partijen desgevallend ambtshalve moet opwerpen(7).

8. In een arrest van 7 februari 1964(8) had het Hof van Cassatie reeds beslist dat de rechtsvordering tot nietigverklaring van een testament deelbaar is in die zin dat het aan ieder van hen die daarbij belang hebben (erfgenamen of legatarissen krachtens een vorig testament), behoort te oordelen of ze moet worden ingesteld, zulks zonder inachtneming van het bestaan van andere belanghebbenden die inactief zouden blijven, en met dien verstande dat de rechtsvordering aan de eisers slechts tot voordeel kan strekken in de mate van hun rechten in de nalatenschap van de erflater. Op grond daarvan vernietigde het Hof een arrest van het hof van beroep te Gent van 28 juni 1962 dat, na te hebben vastgesteld dat de eisers niet al hun mede-erfgenamen noch de legatarissen krachtens een vorig testament in de zaak hadden geroepen, de rechtsvordering ambtshalve onontvankelijk verklaarde op grond van de onsplitsbaarheid van het geschil tegenover al de bij de nalatenschap met hetzelfde belang betrokken personen. Het hof van beroep had geoordeeld dat het niet te verantwoorden valt dat hetzelfde testament, op gronden die tegenover alle wettige erfgenamen dezelfde uitwerking hebben, t.a.v. de enen nietig zou zijn, terwijl het volledig zou gelden t.a.v. de anderen(9). Het Hof heeft deze redenering niet aanvaard. Ook de oude Franse rechtspraak erkent het deelbaar karakter van een vordering tot nietigverklaring van een testament(10).

9. De precedentwaarde van deze rechtspraak lijkt mij evenwel beperkt te zijn, aangezien deze arresten dateren van vóór de totstandkoming van het Gerechtelijk Wetboek en de invoering van artikel 31 Ger. W.. Op het ogenblik van deze rechtspraak werd de (on)splitsbaarheid van het geschil dus nog niet getoetst aan de strikte voorwaarde van de materiële (on)mogelijkheid om de onderscheiden beslissingen gezamenlijk ten uitvoer te leggen.

10. De traditionele rechtsleer heeft, in overeenstemming met deze oudere rechtspraak, erkend dat de vordering tot vernietiging van een testament splitsbaar is in die zin dat elkeen deze vordering individueel kan instellen. Bij welslagen van die vordering zal de nietigheid enkel gelden t.a.v. de optredende erfgenaam in verhouding tot zijn wettig aandeel in de nalatenschap(11). Deze rechtsleer erkent evenwel (in algemene bewoordingen en zonder nadere uitleg) één uitzondering op de principiële deelbaarheid van de vordering, nl. wanneer het voorwerp van het bijzonder legaat op een natuurlijke wijze ondeelbaar is(12).

11. Op grond van het bovenstaande moet m.i. dan ook worden besloten dat de appelrechters - door te oordelen dat onderscheiden beslissingen inzake de geldigheid van een testament t.a.v. de wettige erfgenamen in geen geval gezamenlijk ten uitvoer gelegd kunnen worden, op grond dat eenzelfde testament principieel niet tegelijk geldig en ongeldig kan zijn - hun beslissing niet naar recht verantwoorden.

12. Het middel komt mij dan ook gegrond voor.

13. Volledigheidshalve staat het mij bovendien voor dat de appelrechters noch het gezag van gewijsde van het tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 21 maart 2011 hebben miskend, noch hun rechtsmacht hebben overschreden. Waar in voormeld tussenarrest het hof van beroep te Antwerpen oordeelt dat het testament van wijlen (...) tegenover de eerste, de tweede en de vierde tot de zesde verweerders dezelfde bewijskracht heeft als een authentieke akte (art. 1322 BW), betreft het gezag van gewijsde van dit arrest aldus uitsluitend de bewijskracht van het betwiste testament t.a.v. de vernoemde verweerders. De appelrechters hebben alzo enkel het geschilpunt inzake de bewijskracht van het testament jegens die verweerders definitief beslecht: zij oordelen op definitieve wijze dat het testament t.a.v. deze verweerders dezelfde bewijskracht heeft als een authentieke akte. Het bestreden arrest bevestigt dit trouwens ook (p. 17, r.o. 6, al. 1).

14. In het tussenarrest oordeelt het hof van beroep te Antwerpen echter niet over de uitwerking/de gevolgen van het testament t.a.v. deze verweerders, d.w.z. over de materiële (on)mogelijkheid om de wettige en testamentaire devolutie samen te laten bestaan. Het tussenarrest heeft betreffende dit geschilpunt aldus geen gezag van gewijsde, noch heeft het inzake dit punt zijn rechtsmacht uitgeput. Door te beslissen dat het testament geen uitwerking zal hebben t.a.v. de eerste, tweede en vierde tot zesde verweerders wanneer het testament ongeldig is t.a.v. één wettige erfgenaam (in casu de derde verweerder) oordelen de appelrechters dus niet opnieuw over een reeds beslecht geschilpunt.

III. CONCLUSIE: VERNIETIGING.
_________________
(1) Zie over dit begrip, A. FETTWEIS, "L'indivisibilité du litige en droit judiciaire privé, JT 1971, 271, nr. 10; M. GREGOIRE en V. DE FRANCQUEN, "Réflexions sur l'indivisibilité en matière de recours" in X. Mélanges Philippe Gérard, Brussel, Bruylant, 2002, 400, nr. 3; E. KRINGS en M. STORME, "Onsplitsbaarheid", Preadvies in Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Jaarboek 1969-1970, 307-312; F. PETILLON, "Samenvoeging ingevolge onsplitsbaarheid en het bevoegdheidsafwijzing ingevolge splitsbaarheid", RW 1990-91, 1137.
(2) T. VAN SINAY, Handboek gerechtelijke verdeling, Brussel, Larcier, 2010, 131, nr. 186.
(3) Cass. 24 februari 2005, AR C.02.0268.F - C.02.0274.F, AC 2005, nr. 115.
(4) Zie voor deze voorbeelden K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, 219-220; J.-M. POUPAERT, "Artikel 1053 Ger.W." in Gerechtelijk recht. Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 1988, nrs. 4-7.
(5) M. PUELINCKX-COENE, J. VERSTRAETE en N. GEELHAND, "Overzicht van rechtspraak. Erfenissen. 1988-1995", TPR 1997, 298, nr. 193; M. PUELINCKX-COENE, N. GEELHAND, J. VERSTRAETE, I. VERHAERT en R. BARBAIX, "Overzicht van rechtspraak. Erfenissen. 1996-2004", TPR 2005, 622, nr. 260; T. VAN SINAY, Handboek gerechtelijke verdeling, Brussel, Larcier, 2010, 131, nr. 186.
(6) Cass. 18 november 2002, AR C.00.0256.N, AC 2002, nr. 610; P & B 2002, 139, met noot S. MOSSELMANS.
(7) J-M POUPAERT, "Artikel 1053 Ger.W." in Gerechtelijk recht. Bijzondere commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 1988, nr. 8.
(8) Cass. 7 februari 1964, Pas. 1964, I, 601 en RW 1965-66, 1150.
(9) Gent 28 juni 1962, RW 1963-64, 1280; zie ook Gent 20 juni 1962, RW 1963-64, 1364.
(10) Cass. fr. 5 april 1948, Bull. civ. 1848, 99; Cass. fr. 10 augustus 1858, Bull. Civ. 1858, 228.
(11) H. DE PAGE en R. DEKKERS, Traité élémentaire de droit civil belge, VIII, Les testaments, Brussel, Bruylant, 1973, 1390, nr. 1220.C en 1424-1425, nr. 1271; M. PLANIOL en G. RIPERT, Traité pratique de droit civil français, V, Parijs, LGDJ, 1957, 631, nr. 495 en 902, nr. 726; recent bevestigd in J. SACE e.a., "Les testaments - fond" in Rép.Not., III, Successions, donations et testaments, livre VIII, Brussel, Larcier, 2010, 260.
(12) H. DE PAGE en R. DEKKERS, Traité, 1973, 1390, nr. 1220.C en 1424-1425, nr. 1271; M. PLANOL en G. RIPERT, Traité, V, 1957, 631, nr. 495; A. FETTWEIS, "L'indivisibilité du litige en droit judiciaire privé", JT 1971, 271, nr. 11 in fine.

Noot: 

Rechtspraak

Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] VERLOOY, Beatrice; Noot 'Nogmaals over de vraag of het geschil over de echtheid van een eigenhandig testament onsplitsbaar is' 2017, nr. 4, p. 244-253.

Wettelijke bepalingen inzake testamenten (uitrekesel uit het burgerlijk wetboek:

HOOFDSTUK V. - BESCHIKKINGEN BIJ TESTAMENT.

AFDELING I. - ALGEMENE REGELS BETREFFENDE DE VORM DER TESTAMENTEN.

Art. 967. Een ieder kan bij testament beschikken, hetzij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, hetzij onder elke andere benaming die geschikt is om zijn wil te kennen te geven.

Art. 968. Geen testament kan in een zelfde akte door twee of meer personen worden gemaakt, hetzij ten voordele van een derde, hetzij als wederkerige en onderlinge beschikking.

Art. 969. <W 02-02-1983, art. 19> Een testament kan eigenhandig, of bij openbare akte of in de vorm van het internationaal testament, gemaakt worden.

Art. 970. Het eigenhandig testament is niet geldig, indien het niet geheel met de hand van de erflater geschreven, gedagtekend en ondertekend is; het is aan geen andere formaliteiten onderworpen.

Art. 971. <W 16-12-1922, art. 1> Een testament bij openbare akte is het testament dat voor een notaris in tegenwoordigheid van twee getuigen, of voor twee notarissen verleden wordt.

Art. 972.[1 Wanneer het testament wordt verleden voor één of twee notarissen wordt het, zoals het hem of hun door de erflater werd gedicteerd, [2 op papier opgemaakt overeenkomstig artikel 13]2 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt.]1
[In beide gevallen moet het aan de erflater worden voorgelezen. Indien er slechts één notaris is, geschiedt de voorlezing in tegenwoordigheid van de getuigen.] <W 16-12-1922, art. 1>
Van een en ander wordt uitdrukkelijk melding gemaakt.
----------
(1)<W 2009-05-06/03, art. 31, 015; Inwerkingtreding : 29-05-2009>

(2)<W 2010-12-29/01, art. 22, 016; Inwerkingtreding : 10-01-2011>

Art. 973. Dit testament moet door de erflater getekend worden; indien hij verklaart dat hij niet kan tekenen of daartoe niet in staat is, wordt in de akte uitdrukkelijke melding gemaakt van zijn verklaring, alsook van de oorzaak die hem verhindert te tekenen.

Art. 974. (opgeheven) <W 1999-05-04/03, art. 46, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2000>

Art. 975. (opgeheven) <W 1999-05-04/03, art. 46, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2000>

Art. 976. <W 02-02-1983, art. 20> Wanneer een erfenis is opengevallen waarvoor een eigenhandig testament of een testament in de internationale vorm werd gemaakt, moeten de volgende formaliteiten worden verricht :
1° Ieder eigenhandig testament wordt, voordat het wordt ten uitvoer gelegd, aangeboden aan een notaris.
Dit testament wordt door laatstgenoemde geopend indien het verzegeld is. De notaris maakt een proces-verbaal op van de opening en van de staat waarin het testament zich bevindt.
Dit testament zal samen met gezegd proces-verbaal onder de minuten van de notaris worden gerangschikt.
Binnen de maand volgend op de datum van het proces-verbaal, zal de notaris een gelijkvormig afschrift ervan samen met een gewaarmerkte fotocopie van het testament deponeren ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen.
Wanneer de erfenis in het buitenland is opengevallen gebeurt de deponering ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de notaris zijn standplaats heeft.
In een daartoe gehouden register maakt de griffier melding van de deponering en overhandigt aan de notaris een ontvangstbewijs.
2° In het geval van het internationaal testament zal de notaris, bij wie het testament in bewaring werd gegeven, een proces-verbaal van de opening en van de staat van het testament opmaken.
Het internationaal testament zal samen met genoemd proces-verbaal onder de minuten van de notaris worden gerangschikt.
Binnen de maand volgend op de datum van het proces-verbaal zal de notaris een gelijkvormig afschrift ervan, samen met een gewaarmerkte fotocopie van het testament en van de verklaring, deponeren ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen.
Wanneer de erfenis in het buitenland is opengevallen gebeurt de deponering ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de notaris zijn standplaats heeft.
In een daartoe gehouden register maakt de griffier melding van de deponering en overhandigt aan de notaris een ontvangstbewijs.
3° De voornoemde beschikkingen zijn ook toepasselijk ten opzichte van de Belgische diplomatieke en consulaire ambtenaren met notariële bevoegdheid, onder de voorwaarden die door de Ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie worden bepaald.

Art. 977. (Opgeheven) <W 16-12-1922, art. 1>

Art. 978. (Opgeheven) <W 02-02-1983, art. 22>

Art. 979. (Opgeheven) <W 02-02-1983, art. 22>

Art. 980. (Opgeheven) <W 03-07-1974, art. 1>

AFDELING II. - BIJZONDERE REGELS BETREFFENDE DE VORM VAN BEPAALDE TESTAMENTEN.

Art. 981. Testamenten van militairen en van personen in dienst bij het leger kunnen, in welk land ook, verleden worden voor een bataljons- of eskadronscommandant of voor iedere andere officier van een hogere graad, in tegenwoordigheid van twee getuigen, of voor twee oorlogscommissarissen, of voor één van die commissarissen in tegenwoordigheid van twee getuigen.

Art. 982. Zij kunnen, indien de erflater ziek is of gewond, ook verleden worden voor de officier van gezondheid, hoofd van de geneeskundige dienst, bijgestaan door de militaire bevelhebber die met de politie van (het hospitaal) belast is. <W 15-12-1949, art. 23>

Art. 983. De bepalingen van de vorige artikelen zijn alleen van toepassing op hen die zich te velde, in kwartier, in garnizoen buiten het Belgisch grondgebied of in krijgsgevangenschap bij de vijand bevinden; zij zijn niet van toepassing op hen die binnenslands in kwartier of in garnizoen zijn, behalve wanneer dezen zich in een belegerde plaats bevinden, of in een vesting of een andere plaats waarvan de poorten gesloten zijn en waarmee het verkeer ten gevolge van de oorlog verbroken is.

Art. 984. Het in de hierboven bepaalde vorm gemaakte testament wordt waardeloos, zes maanden nadat de erflater is teruggekeerd in een plaats waar het hem mogelijk is de gewone vormen in acht te nemen.

Art. 985. Testamenten gemaakt in een plaats waarmee alle verkeer verbroken is ten gevolge van de pest of een andere besmettelijke ziekte, kunnen worden gemaakt voor de vrederechter, of voor een van de municipale ambtenaren der gemeente, in tegenwoordigheid van twee getuigen.

Art. 986. Deze bepaling geldt zowel ten opzichte van hen die door die ziekten zijn aangetast, als ten opzichte van hen die zich in de besmette plaats bevinden, ook al zijn zij op dat ogenblik niet aangetast.

Art. 987. De in de twee vorige artikelen vermelde testamenten worden waardeloos, zes maanden nadat het verkeer hersteld is met de plaats waar de erflater zich bevindt, of zes maanden nadat hij in een plaats gekomen is, waarmee het verkeer niet verbroken is.

Art. 988. Testamenten gemaakt op zee, gedurende de loop van een reis, kunnen worden verleden :
Aan boord van oorlogsbodems en andere schepen van de Staat, voor de officier die het bevel voert over het schip, of, bij gebreke van deze officier, voor degene die hem volgens de dienstregeling vervangt, de ene of de andere samen met de officier van administratie of met degene die diens ambt vervult;
En, aan boord van koopvaardijschepen, voor de scheepsschrijver of voor degene die diens ambt vervult, de ene of de andere samen met de kapitein, de gezagvoerder of de schipper of, bij gebreke van dezen, voor degenen die hen vervangen.
In ieder geval moeten die testamenten verleden worden in tegenwoordigheid van twee getuigen.

Art. 989. Het testament van de kapitein of van de officier van administratie, op schepen van de Staat, en dat van de kapitein, de gezagvoerder of schipper, of van de schrijver, op koopvaardijschepen, kunnen worden verleden voor degenen die volgens de dienstregeling na hen komen, met inachtneming, voor het overige, van de bepalingen van het vorige artikel.

Art. 990. In ieder geval wordt het origineel van de in de twee vorige artikelen bedoelde testamenten in tweevoud opgemaakt.

Art. 991. Wanneer het schip een vreemde haven aandoet, waar zich een consul van België bevindt, moeten degenen voor wie het testament verleden is, een van beide originelen, gesloten of verzegeld, bij die consul in bewaring stellen; deze zal het doen toekomen aan de minister (van Verkeerswezen), die het zal doen neerleggen op de griffie van het vredegerecht van de woonplaats van de erflater. <W 15-12-1949, art. 7>

Art. 992. Bij de terugkeer van het schip in België, hetzij in de haven waar het is uitgerust, hetzij in een andere haven dan die waar het is uitgerust, moeten beide originelen van het testament, eveneens gesloten en verzegeld, of het origineel dat overblijft, indien het andere, overeenkomstig het vorige artikel, gedurende de reis in bewaring is gegeven, op het kantoor van de (waterschout) afgegeven worden; (deze laatste) zal de originelen zonder verwijl doen toekomen aan de minister (van Verkeerswezen), die de neerlegging daarvan zal bevelen, zoals in hetzelfde artikel bepaald is. <W 15-12-1949, art. 5, 7 en 24>

Art. 993. Op de scheepsrol wordt, nevens de naam van de erflater, op de kant vermeld dat de originelen van het testament zijn afgegeven hetzij in handen van een consul, hetzij op het kantoor van de (waterschout). <W 15-12-1949, art. 5>

Art. 994. Een testament wordt niet beschouwd als gemaakt op zee, hoewel het in de loop van de reis gemaakt is, indien het schip, ten tijde dat het testament verleden is, een vreemd land of een onder Belgische heerschappij staande land had aangedaan, waar zich een Belgisch openbaar ambtenaar bevond; in dat geval is het slechts geldig voor zover het is opgemaakt overeenkomstig de vormen die in België voorgeschreven zijn of overeenkomstig de vormen die gebruikelijk zijn in het land waar het gemaakt is.

Art. 995. De voorafgaande bepalingen zijn ook van toepassing op testamenten gemaakt door gewone passagiers die niet tot de bemanning behoren.

Art. 996. Een testament gemaakt op zee, in de vorm bij artikel 988 voorgeschreven, is slechts geldig voor zover de erflater sterft hetzij op zee, hetzij binnen drie maanden nadat hij aan land is gegaan, en in een plaats waar hij het testament in de gewone vorm opnieuw heeft kunnen maken.

Art. 997. Een testament gemaakt op zee mag geen beschikking bevatten ten voordele van de officieren van het schip, indien zij geen bloedverwanten van de erflater zijn.

Art. 998. De testamenten in de vorige artikelen van deze afdeling vermeld, worden ondertekend door de erflaters en door hen voor wie zij verleden worden.
Indien de erflater verklaart dat hij niet kan tekenen of daartoe niet in staat is, wordt melding gemaakt van zijn verklaring, alsook van de oorzaak die hem verhindert te tekenen.
In de gevallen waarin de tegenwoordigheid van twee getuigen vereist is, wordt het testament ten minste door een van beiden ondertekend, en wordt melding gemaakt van de oorzaak waarom de andere niet getekend heeft.

Art. 999. (Opgeheven) <W 2004-07-16/31, art. 139, 6°, 011; Inwerkingtreding : 01-10-2004>

Art. 1000. (Opgeheven) <W 15-12-1949, art. 29>

Art. 1001. De formaliteiten waaraan de onderscheiden testamenten, krachtens de bepalingen van deze en van de vorige afdeling, zijn onderworpen, moeten worden in acht genomen op straffe van nietigheid.

AFDELING III. - ERFSTELLINGEN EN LEGATEN IN HET ALGEMEEN.

Art. 1002. Uiterste wilsbeschikkingen zijn of algemeen, of onder algemene titel, of onder bijzondere titel.
De gevolgen van ieder van deze beschikkingen, gemaakt hetzij onder de benaming van erfstelling, hetzij onder de benaming van legaat, worden bepaald overeenkomstig de regels hierna vastgesteld voor de algemene legaten, voor de legaten onder algemene titel en voor de bijzondere legaten.

AFDELING IV. - ALGEMEEN LEGAAT.

Art. 1003. Een algemeen legaat is de uiterste wilsbeschikking waarbij de erflater aan een of meer personen de algemeenheid van de goederen geeft die hij bij zijn overlijden zal nalaten.

Art. 1004. Wanneer, bij het overlijden van de erflater, erfgenamen bestaan aan wie de wet een voorbehouden erfdeel op zijn goederen toekent, treden deze erfgenamen, door zijn dood, van rechtswege in het bezit van alle goederen van de nalatenschap; en de algemene legataris moet hun de afgifte van de in het testament begrepen goederen vragen.

Art. 1005. Evenwel heeft de algemene legataris in die gevallen het genot van de in het testament begrepen goederen, te rekenen van de dag van het overlijden, indien de vordering tot afgifte is ingesteld binnen het jaar na dit tijdstip; bij gebreke daarvan, vangt het genot eerst aan op de dag waarop de rechtsvordering is ingesteld of waarop de afgifte vrijwillig is toegestaan.

Art. 1006. Wanneer, bij het overlijden van de erflater, geen erfgenamen bestaan aan wie de wet een voorbehouden erfdeel op diens goederen toekent, treedt de algemene legataris, door de dood van de erflater, van rechtswege in het bezit, zonder de afgifte te moeten vragen.

Art. 1007. (Opgeheven) <W 02-02-1983, art. 22>

Art. 1008. <W 02-02-1983, art. 21> In het geval van artikel 1006 moet de algemene legataris, indien het een eigenhandig of een internationaal testament betreft, zich in het bezit doen stellen door een beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de erfenis is opengevallen, geschreven onderaan op een verzoekschrift, waarin melding wordt gemaakt van de deponering bedoeld in artikel 976.

Art. 1009. De algemene legataris die tot de erfenis komt samen met een erfgenaam aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, is, persoonlijk voor zijn aandeel en hypothecair voor het geheel, gehouden tot betaling van de schulden en lasten der nalatenschap van de erflater; en hij is verplicht alle legaten uit te keren, behoudens het geval van inkorting, zoals in de artikelen 926 en 927 is bepaald.

AFDELING V. - LEGAAT ONDER ALGEMENE TITEL.

Art. 1010. Een legaat onder algemene titel is dat waarbij de erflater een gedeelte vermaakt van de goederen waarover hij volgens de wet mag beschikken, zoals de helft, een derde, of al zijn onroerende goederen, of al zijn roerende goederen, of een bepaald gedeelte van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen.
Ieder ander legaat is slechts een beschikking onder bijzondere titel.

Art. 1011. De legatarissen onder algemene titel moeten de afgifte vragen aan de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent; bij gebreke van zodanige erfgenamen, aan de algemene legatarissen; en bij gebreke van dezen, aan de erfgenamen die tot de nalatenschap geroepen zijn in de volgorde bepaald in de titel Erfenissen.

Art. 1012. De legataris onder algemene titel is, evenals de algemene legataris, persoonlijk voor zijn aandeel en hypothecair voor het geheel, gehouden tot betaling van de schulden en lasten der nalatenschap van de erflater.

Art. 1013. Wanneer de erflater slechts over een gedeelte van het beschikbaar gedeelte heeft beschikt, en zulks onder algemene titel, is de legataris met de natuurlijke erfgenamen gehouden tot het uitkeren van de bijzondere legaten, naar evenredigheid van zijn aandeel.

AFDELING VI. - BIJZONDERE LEGATEN.

Art. 1014. Ieder zuiver en onvoorwaardelijk legaat verleent aan de legataris, van de dag van het overlijden van de erflater, een recht op de vermaakte zaak, welk recht op zijn erfgenaam of rechtverkrijgenden overgaat.
Nochtans kan de bijzondere legataris geen bezit nemen van de vermaakte zaak, noch aanspraak maken op de vruchten of interesten daarvan, dan van de dag waarop hij de vordering tot afgifte heeft gedaan, overeenkomstig de in artikel 1011 bepaalde volgorde, of van de dag waarop de afgifte hem vrijwillig is toegestaan.

Art. 1015. De interesten of vruchten van de vermaakte zaak lopen ten voordele van de legataris, te rekenen van de dag van het overlijden, en zonder dat hij een rechtsvordering heeft ingesteld :
1° Wanneer de erflater zijn wil daartoe in het testament uitdrukkelijk heeft te kennen gegeven;
2° Wanneer een lijfrente of een pensioen is vermaakt als levensonderhoud.

Art. 1016. De kosten van de vordering tot afgifte komen ten laste van de nalatenschap, doch zonder dat daaruit een vermindering van het wettelijk voorbehouden erfdeel kan volgen.
De registratierechten zijn door de legataris verschuldigd.
Een en ander, indien het testament daaromtrent niet anders heeft beschikt.
(Lid 4 opgeheven) <W 15-12-1949, art. 28>

Art. 1017. De erfgenamen van de erflater of andere schuldenaars van een legaat, zijn persoonlijk gehouden tot het uitkeren daarvan, ieder naar evenredigheid van het aandeel dat hij uit de nalatenschap geniet.
Zij zijn hypothecair voor het geheel gehouden, ten belope van de waarde der onroerende goederen van de nalatenschap waarvan zij houder zijn.

Art. 1018. De vermaakte zaak wordt geleverd met het noodzakelijk toebehoren, en in de staat waarin zij zich op de dag van het overlijden van de schenker bevindt.

Art. 1019. Wanneer hij die de eigendom van een onroerend goed vermaakt heeft, dit goed naderhand door enige verkrijging vergroot, wordt het verkregene, ook al paalt het aan het goed, niet geacht, zonder een nieuwe beschikking, van het legaat deel uit te maken.
Het voorafgaande vindt geen toepassing op verfraaiingen, of op nieuwe bouwwerken die op het vermaakte erf worden aangebracht, of op een omheind erf waarvan de erflater de omheining vergroot.

Art. 1020. Indien, voor het testament of daarna, op het vermaakte goed een hypotheek is gevestigd voor een schuld van de nalatenschap, of zelfs voor de schuld van een derde, of indien het goed met een vruchtgebruik is bezwaard, is hij die het legaat moet uitkeren, niet verplicht het goed vrij te maken, tenzij hij door een uitdrukkelijke beschikking van de erflater hiermee belast is.

Art. 1021. Wanneer de erflater eens anders zaak vermaakt heeft, is het legaat nietig, onverschillig of de erflater al dan niet geweten heeft dat de zaak hem niet toebehoorde.

Art. 1022. Wanneer het legaat in een niet bepaalde zaak bestaat, is de erfgenaam niet verplicht de beste soort te geven, doch hij mag evenmin de slechtste aanbieden.

Art. 1023. Een legaat aan een schuldeiser wordt niet geacht gemaakt te zijn tot voldoening van zijn schuldvordering, noch een legaat aan een dienstbode tot betaling van zijn loon.

Art. 1024. De legataris onder bijzondere titel is niet gehouden tot betaling van de schulden der nalatenschap, behoudens de inkorting van het legaat, zoals hiervoren bepaald is, en behoudens de vordering van de hypothecaire schuldeisers.

AFDELING VII. - UITVOERDERS VAN UITERSTE WILSBESCHIKKINGEN.

Art. 1025. De erflater kan één of meer uitvoerders van zijn uiterste wilsbeschikkingen aanstellen.

Art. 1026. Hij kan hun het bezit verlenen van al zijn roerende goederen of slechts van een gedeelte daarvan; dit bezit kan echter niet langer duren dan jaar en dag te rekenen van zijn overlijden.
Indien hij hun dit bezit niet verleend heeft, kunnen zij het niet eisen.

Art. 1027. De erfgenaam kan het bezit doen ophouden, mits hij aanbiedt aan de uitvoerders der uiterste wilsbeschikkingen een som ter hand te stellen die voldoende is om de roerende legaten uit te keren, of mits hij doet blijken dat deze legaten reeds zijn uitgekeerd.

Art. 1028. Hij die geen verbintenis kan aangaan, mag geen uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen zijn.

Art. 1029. (Opgeheven) <W 30-04-1958, art. 7>

Art. 1030. Een minderjarige mag, zelfs met machtiging van zijn voogd of curator, geen uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen zijn.

Art. 1031. De uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen doen de nalatenschap verzegelen, indien onder de erfgenamen minderjarigen, onbekwaamverklaarden of (vermoedelijk afwezigen) zijn. <W 2007-05-09/44, art. 36, 11°, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
Zij doen, in tegenwoordigheid van de vermoedelijke erfgenaam, of deze behoorlijk opgeroepen zijnde, een boedelbeschrijving van de goederen der nalatenschap opmaken.
Zij doen de roerende goederen verkopen, indien het vereiste geld om de legaten uit te keren niet voorhanden is.
Zij dragen zorg dat het testament wordt uitgevoerd; en zij kunnen, in geval van geschil omtrent de uitvoering van het testament, tussenkomen om de geldigheid ervan staande te houden.
Zij moeten, na verloop van een jaar sinds het overlijden van de erflater, rekening en verantwoording afleggen van hun beheer.

Art. 1032. De bevoegdheden van de uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen gaan niet over op zijn erfgenamen.

Art. 1033. Indien verscheidene personen de uitvoering van uiterste wilsbeschikkingen op zich hebben genomen, kan een van hen, bij gebreke van de anderen, alleen handelen; en zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de roerende goederen die hun zijn toevertrouwd, tenzij de erflater hun werkzaamheden heeft verdeeld en ieder van hen zich tot de hem opgedragen taak heeft beperkt.

Art. 1034. De kosten door de uitvoerder van uiterste wilsbeschikkingen gemaakt voor de verzegeling, de boedelbeschrijving, de rekening en verantwoording, alsook de verdere uitgaven in verband met zijn werkzaamheden, komen ten laste van de nalatenschap.

AFDELING VIII. - HERROEPING EN VERVAL VAN TESTAMENTEN.

Art. 1035. Testamenten kunnen noch in hun geheel noch ten dele herroepen worden dan door een later testament of door een akte voor notaris verleden, waarin de verandering van de wil wordt te kennen gegeven.

Art. 1036. Latere testamenten die de vroegere niet uitdrukkelijk herroepen, vernietigen in deze testamenten alleen de beschikkingen die met de nieuwe onverenigbaar of strijdig zijn.

Art. 1037. De in een later testament gedane herroeping behoudt al haar kracht, al blijft die nieuwe akte onuitgevoerd wegens de onbekwaamheid van de benoemde erfgenaam of van de legataris, of wegens hun weigering om te aanvaarden.

Art. 1038. Wanneer de erflater de vermaakte zaak geheel of ten dele vervreemdt, zelfs door verkoop met beding van wederinkoop, of door ruil, heeft zulks altijd herroeping van het legaat ten gevolge, ten aanzien van alles wat vervreemd is, zelfs indien de latere vervreemding nietig is en de zaak in handen van de erflater is teruggekeerd.

Art. 1039. Iedere uiterste wilsbeschikking vervalt, indien degene ten voordele van wie zij gemaakt is, de erflater niet overleeft.

Art. 1040. Iedere uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder een voorwaarde die van een onzekere gebeurtenis afhangt, en van zodanige aard dat, volgens de bedoeling van de erflater, de beschikking slechts moet worden uitgevoerd indien de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft, vervalt, indien de benoemde erfgenaam of de legataris voor de vervulling van de voorwaarde overlijdt.

Art. 1041. De voorwaarde die, volgens de bedoeling van de erflater, alleen de uitvoering van de beschikking opschort, belet niet dat de benoemde erfgenaam of de legataris een verkregen recht bezit, dat op zijn erfgenaam overgaat.

Art. 1042. Het legaat vervalt, indien de vermaakte zaak bij het leven van de erflater geheel teniet gaat.
Hetzelfde heeft plaats, indien de vermaakte zaak teniet gaat na de dood van de erflater, buiten toedoen en schuld van de erfgenaam, hoewel de erfgenaam in gebreke was gesteld om de zaak te leveren, ingeval deze zou zijn teniet gegaan ook in handen van de legataris.

Art. 1043. De uiterste wilsbeschikking vervalt, wanneer de benoemde erfgenaam of de legataris de beschikking verwerpt of onbekwaam is om deze te verkrijgen.

Art. 1044. Aanwas heeft plaats ten voordele van de legatarissen, ingeval een legaat aan verscheidene personen gezamenlijk gemaakt is.
Een legaat wordt geacht gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer het gemaakt is bij een en dezelfde beschikking, en de erflater het aandeel van ieder der medelegatarissen in de vermaakte zaak niet heeft bepaald.

Art. 1045. Een legaat wordt eveneens geacht gezamenlijk gemaakt te zijn, wanneer een zaak die niet verdeeld kan worden zonder schade te lijden, bij dezelfde akte aan verscheidene personen, zelfs afzonderlijk, gegeven is.

Art. 1046.De gronden waarop, volgens artikel 954 en de eerste twee bepalingen van artikel 955, herroeping van een schenking onder de levenden kan worden gevorderd, gelden ook voor de eis tot herroeping van uiterste wilsbeschikkingen.
[1 De erfgenamen kunnen de herroeping wegens ondankbaarheid enkel vorderen indien :
1° de erflater overleden is binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het misdrijf, hetzij van de dag waarop het misdrijf de erflater bekend kon zijn; de erfgenamen moeten de eis dan instellen binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het misdrijf, hetzij van de dag waarop het misdrijf de erflater bekend kon zijn;
2° de erflater overleden is zonder dat het misdrijf hem bekend kon zijn; de erfgenamen moeten de eis dan instellen binnen een jaar, te rekenen hetzij van de dag van het overlijden, hetzij van de dag waarop het misdrijf hen bekend kon zijn, hetzij van de dag waarop het legaat hen bekend kon zijn.]1
----------
(1)<W 2012-12-10/14, art. 34, 017; Inwerkingtreding : 21-01-2013>

Art. 1047.Indien deze eis steunt op een grove belediging de nagedachtenis van de erflater aangedaan, moet hij worden ingesteld binnen een jaar, te rekenen van de dag van het misdrijf [1 of van de dag waarop het misdrijf de erfgenamen bekend kon zijn.]1.
----------
(1)<W 2012-12-10/14, art. 35, 017; Inwerkingtreding : 21-01-2013>

HOOFDSTUK VI. - GEOORLOOFDE BESCHIKKINGEN TEN VOORDELE VAN DE KLEINKINDEREN VAN DE SCHENKER OF ERFLATER, OF TEN VOORDELE VAN DE KINDEREN VAN ZIJN BROEDERS EN ZUSTERS.

Art. 1048. Ouders kunnen de goederen waarover zij het recht van beschikking hebben, geheel of ten dele, bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil, aan een of meer van hun kinderen geven, met last om deze goederen uit te keren aan de van deze begiftigden afstammende kinderen die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, doch niet verder dan in de eerste graad.

Art. 1049. Indien de overledene geen kinderen achterlaat, is de beschikking geldig die de overledene bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil ten voordele van een of meer van zijn broeders of zusters gemaakt heeft voor het geheel of een gedeelte van de goederen van de nalatenschap die door de wet niet zijn voorbehouden, met last om die goederen uit te keren aan de van deze begiftigde broeders of zusters afstammende kinderen die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, doch niet verder dan in de eerste graad.

Art. 1050. De bij de twee vorige artikelen geoorloofde beschikkingen zullen slechts gelden voor zover de last van uitkering bedongen is ten voordele van alle kinderen van de bezwaarde, die reeds geboren zijn en die nog zullen worden geboren, zonder uitzondering en zonder voorrang van leeftijd of geslacht.

Art. 1051. Indien, in de hierboven vermelde gevallen, hij die met de last van uitkering ten voordele van zijn kinderen bezwaard is, overlijdt met achterlating van kinderen in de eerste graad en van afstammelingen van een vooroverleden kind, verkrijgen deze laatsten, bij plaatsvervulling, het aandeel van het vooroverleden kind.

Art. 1052. Indien het kind, de broeder of de zuster aan wie, bij akte onder de levenden, goederen zonder de last van uitkering geschonken zijn, een nieuwe, bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil gedane gift aanneemt, die gemaakt is onder voorwaarde dat de vroeger geschonken goederen zullen bezwaard zijn met die last, dan is het hun niet meer geoorloofd de twee te hunnen voordele gemaakte beschikkingen van elkaar te scheiden en de tweede te verwerpen om zich aan de eerste te houden, ook al bieden zij aan, de in de tweede beschikking begrepen goederen terug te geven.

Art. 1053. De rechten van de verwachters nemen aanvang op het tijdstip waarop het genot van het kind, van de broeder of van de zuster die met de uitkering bezwaard zijn, uit welke oorzaak ook ophoudt; de vervroegde afstand van het genot ten voordele van de verwachters kan geen nadeel toebrengen aan de schuldeisers van de bezwaarde, wier schuldvorderingen dagtekenen van voor de afstand.

Art. 1054. De vrouwen van de bezwaarden kunnen, ingeval de vrije goederen ontoereikend zijn, zich niet subsidiair verhalen op de uit te keren goederen, behalve voor de hoofdsom van het als huwelijksgoed aangebrachte geld, en alleen ingeval de erflater zulks uitdrukkelijk mocht hebben bevolen.

Art. 1055. <W 2001-04-29/39, art. 36, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Hij die beschikkingen maakt welke volgens de vorige artikelen zijn geoorloofd, mag bij dezelfde akte of bij een latere authentieke akte een voogd benoemen die met de uitvoering van die beschikkingen wordt belast.

Art. 1056. <W 2001-04-29/39, art. 37, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001> Wanneer geen voogd is benoemd overeenkomstig artikel 1055 of wanneer deze zijn opdracht niet aanvaardt, wordt op verzoek van de bezwaarde of indien deze onbekwaam is, op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, een voogd benoemd binnen een maand te rekenen van de dag van overlijden van de schenker of van de erflater of van de dag waarop, na dit overlijden, de akte die de beschikking inhoudt, bekend is geworden. Deze benoeming geschiedt door de vrederechter van het kanton van de woonplaats van de bezwaarde, overeenkomstig artikel 393 en volgens de procedure vastgesteld in boek IV, hoofdstuk IX, van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 1057. De bezwaarde die aan de voorschriften van het vorige artikel niet heeft voldaan, verliest het voordeel van de beschikking; en in dit geval kan het recht verklaard worden open te staan ten voordele van de verwachters en zulks op verzoek, hetzij van die verwachters, indien zij meerderjarig zijn, (hetzij van hun curator of wettelijke vertegenwoordiger), indien zij minderjarig of onbekwaam verklaard zijn, hetzij van iedere bloedverwant van de meerderjarige, minderjarige of onbekwaamverklaarde verwachters, of zelfs ambtshalve, op vordering van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de erfenis is opengevallen. <W 2001-04-29/39, art. 38, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>

Art. 1058. Na het overlijden van hem die een beschikking met last van uitkering gemaakt heeft, wordt in de gewone vorm een boedelbeschrijving opgemaakt van alle goederen die de nalatenschap uitmaken, tenzij het slechts een bijzonder legaat betreft. Die boedelbeschrijving bevat een juiste schatting van de waarde van de roerende goederen.

Art. 1059. De boedelbeschrijving wordt opgemaakt op verzoek van de bezwaarde en binnen de in de titel Erfenissen gestelde termijn, in tegenwoordigheid van de voor de uitvoering benoemde voogd. De kosten komen ten laste van de in de beschikking begrepen goederen.

Art. 1060. Indien binnen de hierboven vermelde termijn geen boedelbeschrijving is opgemaakt op verzoek van de bezwaarde, wordt zij in de loop van de volgende maand opgemaakt, op verzoek van de voor de uitvoering benoemde voogd en in tegenwoordigheid van de bezwaarde of van zijn voogd.

Art. 1061. Indien aan de voorschriften van de twee vorige artikelen niet voldaan is, wordt de boedelbeschrijving opgemaakt op verzoek van de in artikel 1057 genoemde personen; de bezwaarde of zijn voogd, en de voor de uitvoering benoemde voogd worden daartoe opgeroepen.

Art. 1062. De bezwaarde is verplicht alle in de beschikking begrepen roerende goederen na aanplakking en bij opbod te doen verkopen, met uitzondering nochtans van die welke in de twee volgende artikelen vermeld zijn.

Art. 1063. Het huisraad en de andere roerende goederen die in de beschikking begrepen mochten zijn onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat zij in natura bewaard blijven, zullen worden teruggegeven in de staat waarin zij zich ten tijde van de uitkering bevinden.

Art. 1064. Het vee en het gereedschap, dienende tot het bebouwen van de landerijen, worden geacht begrepen te zijn in de schenkingen onder de levenden of bij uiterste wil van die landerijen; en de bezwaarde is alleen verplicht die te doen schatten en waarderen om daarvan, ten tijde van de uitkering, voor een gelijke waarde terug te geven.

Art. 1065. Binnen zes maanden te rekenen van de dag waarop de boedelbeschrijving is gesloten, moet de bezwaarde het gereed geld beleggen, alsook het geld komende van de prijs van de roerende goederen die verkocht zijn, en hetgeen op de schuldvorderingen ontvangen is.
Deze termijn kan worden verlengd, indien daartoe redenen zijn.

Art. 1066. De bezwaarde is eveneens verplicht het geld te beleggen, dat door inning van schuldvorderingen en door aflossing van renten wordt verkregen, en zulks binnen drie maanden nadat hij het geld ontvangen heeft.

Art. 1067. De belegging geschiedt overeenkomstig hetgeen door de beschikker bevolen is, indien hij de aard heeft bepaald van de goederen waarin de belegging moet worden gedaan; bij gebreke daarvan, kan slechts belegd worden in onroerende goederen of met voorrecht op onroerende goederen.

Art. 1068. De bij de vorige artikelen voorgeschreven belegging geschiedt in tegenwoordigheid en op verzoek van de voor de uitvoering benoemde voogd.

Art. 1069. De beschikkingen met last van uitkering, gemaakt bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil, worden openbaar gemaakt op verzoek hetzij van de bezwaarde, hetzij van de voor de uitvoering benoemde voogd; te weten, wat de onroerende goederen betreft, door overschrijving van de akten in de registers van het hypotheekkantoor van de plaats waar de goederen gelegen zijn, en, wat de geldsommen met voorrecht op onroerende goederen betreft, door inschrijving op de voor het voorrecht verbonden goederen.

Art. 1070. Het ontbreken van de overschrijving van de akte die de beschikking bevat, kan door de schuldeisers en de derden-verkrijgers worden ingeroepen, zelfs tegen minderjarigen of onbekwaamverklaarden; behoudens het verhaal op de bezwaarde, en op de voor de uitvoering benoemde voogd, en zonder dat de minderjarigen of onbekwaamverklaarden tegen het ontbreken van de overschrijving in hun recht kunnen worden hersteld, zelfs wanneer de bezwaarde en de voogd onvermogend mochten zijn.

Art. 1071. Het ontbreken van de overschrijving kan niet worden goedgemaakt of als gedekt worden beschouwd doordat de schuldeisers of de derden-verkrijgers, op andere wijze dan door de overschrijving, van de beschikking hebben kennis gekregen.

Art. 1072. De begiftigden, de legatarissen en zelfs de wettige erfgenamen van hem die de beschikking gemaakt heeft, kunnen in geen geval, evenmin als hun begiftigden, legatarissen of erfgenamen, het ontbreken van de overschrijving of van de inschrijving aan de verwachters tegenwerpen.

Art. 1073. De voor de uitvoering benoemde voogd is persoonlijk aansprakelijk, indien hij zich niet in ieder opzicht gedragen heeft naar de regels die hierboven bepaald zijn voor het beschrijven van de goederen, de verkoop van de roerende goederen, het beleggen van het geld, de overschrijving en de inschrijving, en, in het algemeen, indien hij niet al het nodige heeft gedaan opdat de last van uitkering goed en getrouw wordt uitgevoerd.

Art. 1074. Indien de bezwaarde minderjarige is, kan hij niet in zijn recht hersteld worden tegen de niet-nakoming van de regels die bij de artikelen van dit hoofdstuk aan de voogd zijn voorgeschreven, zelfs niet in geval van onvermogen (van zijn wettelijke vertegenwoordiger). <W 2001-04-29/39, art. 39, 006; Inwerkingtreding : 01-08-2001>

HOOFDSTUK VII. - VERDELINGEN DOOR DE VADER, DE MOEDER OF ANDERE BLOEDVERWANTEN IN DE OPGAANDE LIJN, TUSSEN HUN AFSTAMMELINGEN GEMAAKT.

Art. 1075. De vader, de moeder en andere bloedverwanten in de opgaande lijn kunnen hun goederen tussen hun kinderen en afstammelingen verkavelen en verdelen.

Art. 1076. Zodanige verdelingen kunnen worden gemaakt bij akte onder de levenden of bij akte van uiterste wil, met inachtneming van de vormen, voorwaarden en regels die voorgeschreven zijn met betrekking tot de schenkingen onder de levenden en de testamenten.
Verdelingen bij akte onder de levenden mogen enkel de tegenwoordige goederen tot voorwerp hebben.

Art. 1077. Indien in de verdeling niet alle goederen begrepen zijn die de bloedverwant in de opgaande lijn op de dag van zijn overlijden nalaat, worden de daarin niet begrepen goederen verdeeld overeenkomstig de wet.

Art. 1078. Indien de verdeling niet gemaakt is tussen alle kinderen die ten tijde van het overlijden in leven zijn, en de afstammelingen van de vooroverleden kinderen, is de ganse verdeling nietig. Een nieuwe verdeling in de wettelijke vorm kan worden gevorderd door de kinderen of afstammelingen die daarbij niets gekregen hebben, of zelfs door degenen tussen wie de verdeling gemaakt is.

Art. 1079. De verdeling, door de bloedverwant in de opgaande lijn gemaakt, kan worden betwist uit hoofde van benadeling voor meer dan een vierde; zij kan eveneens worden betwist, wanneer een van de deelgenoten, ten gevolge van de verdeling en de beschikkingen bij vooruitmaking, een groter voordeel zou genieten dan de wet toelaat.

Art. 1080. Het kind dat, op een van de gronden in het vorige artikel vermeld, de door de bloedverwant in de opgaande lijn gemaakte verdeling betwist, moet de kosten van de schatting voorschieten; en deze blijven te zijnen laste, evenals de kosten van het geschil, indien de vordering ongegrond is.

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 13/06/2017 - 18:00
Laatst aangepast op: wo, 19/07/2017 - 13:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.