-A +A

Soortgelijke handel in de handelshuurwet begrip

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Vredegerecht
Plaats van uitspraak: Roeselare
Datum van de uitspraak: 
don, 17/10/2002

De wetgever heeft het begrip van «soortgelijke» handel aan de appreciatie van de rechter overgelaten.

• Soortgelijke handel in het pand drijven betekent een noemenswaardig gedeelte van de cliëntèle moet aanspreken, waarbij het cliëntèle van de huurder van aard moet zijn een belangrijke bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de handelszaak van de verhuurder (vgl. ook Rb. Gent, 20 februari 1995, T.Not. 1996, 213, met noot).

• Er is zelfs van soorgelijke handel sprake indien de concurrentie zich beperkt tot enkele goederen, omdat de verhuurder kan profiteren van de cliëntèle van de vroegere uitbater.

Maar de invulling van het begrip blijft dansen op een slappe koord zoals blijkt uit het navolgend vonnis.

Voor de wetgeving waarin het begrip soortgelijke handel aan bod komt klikt u hier.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
149
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA B.D.S. R. t/ NV P.V.I.

a. Hoofdeis

Bij proces-verbaal van vrijwillige verschijning overweegt aanlegster dat zij het onroerend goed gelegen te (...) in handelshuur heeft genomen van (...), ingevolge huurovereenkomst van 31 juli 1997, ingaande op 1 augustus 1997, en dit onroerend goed door verweerster werd aangekocht bij akte verleden op 1 oktober 2001.

Verweerster heeft bij aangetekende brief van 11 oktober 2001 de handelshuurovereenkomst opgezegd tegen 31 oktober 2002 met toepassing van art. (12 juncto) 16, I, 1, Handelshuurwet.

Aanlegster voert aan dat verweerster in het bewuste pand een soortgelijke activiteit zal ontplooien als zijzelf en vordert veroordeling van verweerster tot betaling van een uitzettingsvergoeding begroot op twee jaar, zijnde 28.100,40 euro, vermeerderd met de verwijlrente vanaf de ingebrekestelling van 12 februari 2002.

...

c. Beoordeling van de hoofdeis

c.1. Feitelijke gegevens

1. Bij brief van 22 november 2001 deelde verweerster mede in het pand een «kunstgalerij» uit te baten met activiteiten die daarop aansluiten.

In de brief van haar raadsman van 20 februari 2002 wordt beklemtoond dat het gaat om «uitsluitend originele schilderijen en beeldhouwwerken». Aldus richt verweerster zich tot de «kunstliefhebber die zich vanzelfsprekend geen reproductie of wat dan ook zal aanschaffen, maar enkel geïnteresseerd is in een origineel kunstwerk» (ibidem).

Haar eigen inschrijving in het handelsregister legt verweerster niet voor, maar zij illustreert haar stelling met correspondentie en aankopen van tekeningen, doeken en sculpturen.

2. Aanlegster heeft in haar «totale verkoop» enkel voorraden vermeld zoals «kasten en rekken, zetels, bedden, tafels en stoelen, serviezen, bestekken, glazen, badlinnen, bedlinnen, huishoudlinnen, tafelkleden, plaids, kussens, lampen, manden, kaders (stoffen op rol) ... gordijnen, tafellakens, stoelhoezen (...) meubels, serviezen». Dit sluit volledig aan bij de bestemming aangegeven in de litigieuze huurovereenkomst als «uitbating en verkoop van decoratieartikelen, kleinmeubelen, stoffen, en accessoires» (art. 2).

3. Weliswaar werd op 14 februari 1996 door aanlegster bij de diensten van het handelsregister onder haar nummer 134.333 bijgevoegd «kleinhandel in meubelen, meubileringsstoffen en schilderijen».

De verkoop van kunstvoorwerpen illustreert aanlegster uitsluitend door de bevestiging van een aantal kunstenaars, met dien verstande dat aanlegster enkel een commissie ontving (zie de verklaring van de vorige zaakvoerder).

De betrokkenen bevestigen zulks inzake zeven kunstwerken in november 1998 tot en met januari 1999 en «van januari 2000 tot op heden» inzake een verklaring van 1 september 2002.

De term «op heden» dient blijkbaar genuanceerd te worden in de mate dat zij verenigd moet worden met de vaststellingen van de door verweerster gelaste gerechtsdeurwaarder, die op 12 april 2002 hoogstens «enkele kopieën in kader van het genre van de gekende Engelse jachttaferelen» verklaarde aan te treffen «zoals in nagenoeg elke interieurzaak».

Het «zittend naakt», vermeld in de verklaring van 1 september 2002, is de gerechtsdeurwaarder blijkbaar niet opgevallen of is door hem gerangschikt onder de rubriek «met een ander onderwerp» in fine van zijn opsomming aangetroffen, maar aldaar nog steeds refererend aan het blijkbaar slechts matig gesmaakt genre van de Anglo-Amerikaanse jachttaferelen.

c2. Principes en rechtspraak

De wetgever heeft het begrip van «soortgelijke» handel aan de appreciatie van de rechter overgelaten, wat weliswaar aanleiding heeft gegeven tot een «brede interpretatie», rekening houdende met «de geest van de tekst»: «er moet worden vermeden dat een verhuurder profijt zou kunnen trekken uit de cliëntèle gecreëerd of behouden door de vertrekkende huurder, zodat aan het begrip wordt tegemoetgekomen, telkens wanneer de aard van de handel van aard is om de cliëntèle van de voorganger aan te trekken» (Les Novelles, Tome V, Volume II, nr. 1926).

Het betreffende standaardwerk citeert aldaar weliswaar rechtspraak die als voorwaarde stelt dat de opvolger een noemenswaardig («appreciable») gedeelte van de cliëntèle moet aanspreken, en dat de cliëntèle van de huurder van aard moet zijn een belangrijke bijdrage te leveren («une contribution importante») aan de ontwikkeling van de handelszaak van de verhuurder (vgl. ook Rb. Gent, 20 februari 1995, T.Not. 1996, 213, met noot).

Eveneens aldaar vermelde rechtspraak stelt echter dat soortgelijkheid voorhanden is, zelfs indien de concurrentie zich beperkt tot enkele goederen, omdat de verhuurder kan profiteren van de cliëntèle van de vroegere uitbater, door de overname van bepaalde takken van diens activiteit of van de verkoop van vervangingsartikelen, zij het dan weer dat de soortgelijkheid niet altijd volgt uit de reële aanwezigheid van gemeenschappelijke goederen of van een concurrentie op aanvullende artikelen.

Affirmatief werd reeds beoordeeld dat een handel in antieke en gerestaureerde meubelen soortgelijk kan zijn aan een handel in meubilair in het algemeen, en decoratief schrijnwerk, indien er een aanmerkelijke overdracht van cliëntèle voorhanden is (Vred. Sint-Gillis, 13 april 1966, T.Vred. 1967, 243), maar de overlapping inzake de verkoop van bepaalde goederen wordt dan weer niet in aanmerking genomen indien de gelijksoortigheid beperkt is tot goederen waarvan de omzet miniem is in het geheel van het omzetcijfer (Les Novelles, Droit Civil, VI, Le louage de choses, Vol. 2, Les baux commerciaux, p. 318, nr. 1927).

c3. Toepassing

1. Indien bepaalde – meestal volumineuzere – kunstwerken weliswaar een outdoorfunctie hebben, is de hoofdzakelijke bedoeling van de modale kunstliefhebber (m.a.w. wie eerder sporadisch aankoopt dan planmatig in de opbouw van een verzameling investeert) zijn interieur te verfijnen, wat uiteraard kan aansluiten bij de interieurdecoratie, alvast zo goed als hoofdzakelijk, indien al niet uitsluitend met de handel van aanlegster bedoeld.

Kunst is echter méér dan wat het interieur verfraait of voor binnenhuisinrichting nuttig of zelfs esthetisch voorkomt.

Indien een schilderij essentieel iets is wat «geschilderd is» (Vred. Roeselare, 15 april 1988, T.Vred. 1993, 293), betekent zulks niet dat ieder schilderij ook kunst is. Het kan nochtans wel decoratief voorkomen naar gelang van het interieur en de smaak van de bewoner, die het voor zijn interieur kiest.

...

2. Een kunstgalerij richt zich echter op objecten wegens het artistiek aspect op zichzelf en zelfs afgezien van het nut of het praktisch element dat daarbij zou kunnen horen in functie van de binnenhuisinrichting (en zelfs vaak afgezien van de onpraktische kanten ervan).

Het is niet omdat een handel in interieurartikelen enkele schilderijen (dit wil zeggen wat origineel geschilderd is op doek of op wat dan ook) verhandelt, dat zij de aspiraties van een kunstgalerij heeft: het behoort tot het «plerumque fit» dat dergelijke handelszaken het niveau van hun eigen presentatie opkrikken en wat klasse willen geven door in de marge van hun handel een aantal kunstwerken ten toon te stellen.

In een «kunstgalerij» als blijkbaar door verweerster in het vooruitzicht gesteld, valt het decoratieve element zo goed als volledig weg en gaat het om kunstvoorwerpen die (zelfs indien ze niet technisch origineel zouden zijn) op zichzelf een verzamelingswaarde hebben, buiten enig utilitair oogmerk om, inzake inrichting of verfraaiing van het interieur.

Interieurverfraaiing is dus een kwestie van (goede of slechte) smaak en het is op grond van de smaak van het door haar beoogde cliëntèle dat aanlegster haar assortiment en bijhorende aanbiedingen organiseerde.

Kunst is echter géén kwestie van smaak. Kunst mag zelfs weerzin opwekken en in die termen een mate van smakeloosheid inhouden, die dus voor een interieur slechts zelden dienstig zal blijken.

Verweerster zal blijkbaar in haar kunstgalerij diverse artistieke stromingen aan bod laten komen, wat haar uiteraard niet belet een handel te drijven in wat de bezoeker naar diens eigen inzichten als smaakvol zal appreciëren.

De handel van aanlegster beoogde producten in een interieurconcept te integreren; de kunsthandel van verweerster heeft als oogmerk de verhandeling van individuele kunstvoorwerpen als artistiek concept en waarde op zichzelf.

3. Dat de verkoop van «kunstvoorwerpen» in casu bij aanlegster «in consignatie» geschiedde, illustreert qua financiële techniek ook het marginale: aanlegster investeerde niet in enigerlei kunst, maar gaf een aantal «kunstenaars» de gelegenheid hun werken te verhandelen en verkreeg zelfs enerzijds een commissie en anderzijds een stylistisch effect in de eigen handelszaak (m.a.w. zij verzorgde op die manier haar eigen professioneel interieur...).

De «bandbreedte» van het doelpubliek van aanlegster is praktischerwijze commercieel zo ruim dat zij ook een kunstzinnig publiek kán aanspreken, maar dat publiek kwam op haar handelszaak eerder af ter voldoening aan het «primum vivere» (in een veraangenaamde omgeving) dan het «deinde philosophare» omwille van de kunst, dat in een artistieke galerij aan de orde is.

Aanlegster kan niet geloofwaardig voorhouden een voor verweerster nuttig publiek gerecruteerd te hebben, aangezien dit niet wegens dezelfde functionele criteria in de beide handelszaken geïnteresseerd was. Dit zou niet eens het geval zijn indien verweerster uiteindelijk toch eens een tentoonstelling zou houden van Engels antiquariaat met voorspelbare onderwerpen.

Wij kunnen dan ook niet vaststellen dat sprake is van een «soortgelijke handel» in de zin van art. 25, 2, Handelshuurwet.

Noot: 

K. Vanhove en S. Blommaert, “Handelshuur, eigen gebruik en vennootschappen: het einde zoek?”, RW 2006-07, 1222-1233.

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 23/04/2016 - 12:06
Laatst aangepast op: di, 06/02/2018 - 16:54

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.