-A +A

Sociale zekerheid journalist en personen die auteursrechten genieten

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
maa, 26/05/2003

De journalisten, perscorrespondenten en personen die auteursrechten genieten zijn niet aan het sociaal statuut der zelfstandigen onderworpen, indien ze reeds, in welke hoedanigheid ook, genieten van een sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is; onder een sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is aan het sociaal statuut der zelfstandigen moet worden verstaan een sociaal statuut waarvan de toepassing onderworpen is aan de uitoefening van een persoonlijke beroepsbezigheid (1). (1) Zie Cass., 2 okt. 1989, AR 8560, nr 68; verslag aan de Koning, voorafgaand aan de Sociale-Zekerheidswet Zelfstandigen, Pasin. 1967, p.1002.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. S.01.0194.F.-
RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN,

tegen
P. J.-Ch.,

I. Bestreden beslissing
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, 8 december 2000 gewezen door het Arbeidshof te Brussel.

II. Rechtspleging voor het Hof

III. Cassatiemiddel

Eiser voert een middel aan :

Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet ;
- de artikelen 1 (zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 18 november 1996), 2, 3, ,§ 1, eerste lid, 5 en 12, ,§ 2 (laatstgenoemd artikel zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 18 november 1996) van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ;
- de artikelen 4, eerste lid, en 37, ,§ 1, eerste lid (zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 12 december 1991 en zoals het van toepassing was na die wijziging), van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 ;
- de artikelen 2 en 3, 1°, b en c, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen ;
- artikel 15, ,§ 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen ;
- artikel 13, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen.

Aangevochten beslissingen en redenen

Na de volgende feiten te hebben vastgesteld : "tot 1984 werkt (verweerder) als operator telecommunicatie in de Amerikaanse banksector ;

hij huwt op 23 mei 1984 en zegt die betrekking op ;

gedurende de jaren 1986 en 1987 verricht hij enkele prestaties van allerlei aard ;

vanaf 1988 werkt (verweerder) als freelance journalist, gespecialiseerd in filmkritiek ;

het betreft hier een beroepsbezigheid",

verwerpt het bestreden arrest de rechtsvordering van eiser die ertoe strekte verweerder te doen veroordelen tot betaling van de sociale zekerheidsbijdragen voor zelfstandigen vanaf het eerste kwartaal 1986 tot het vierde kwartaal 1993, en zulks hoofdzakelijk op de volgende gronden :

verweerder is journalist sedert 1 januari 1986 en hij heeft auteursrechten genoten ;

krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 38 bestaat de mogelijkheid dat verweerder niet onderworpen is aan het sociaal statuut der zelfstandigen, als hij bewijst dat hij een sociaal statuut geniet dat minstens gelijkwaardig is aan datgene dat door dit koninklijk besluit wordt ingericht ; "de wet vereist niet dat de gelijkwaardigheid volgt uit een andere bezigheid van de betrokken persoon ; h

et kan gaan om een afgeleid statuut ; de echtgenote (van verweerder) is een Europees ambtenaar en wegens die hoedanigheid geniet (verweerder) de voordelen van alle stelsels van sociale zekerheid (...), met uitzondering van het recht op vergoeding in geval van arbeidsongeschiktheid ;

daarnaast heeft hij recht op een overlevingspensioen, maar niet op een rustpensioen" ; wegens het sociaal statuut van zijn echtgenote voldoet verweerder aan de voorwaarden om onder toepassing te vallen van artikel 37, ,§ 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 ;

"genoemd artikel 37 verwijst naar artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 38, en hier naar ,§ 2 van dat artikel ; een zelfstandige die 'bijkomende' bijdragen betaalt krijgt geen pensioen en komt niet in aanmerking voor vergoedingen in geval van arbeidsongeschiktheid ;

gelet hierop en gelet op de bescherming die (verweerder) geniet wegens de bezigheid van zijn echtgenote moet worden beslist dat (verweerder) een statuut geniet dat gelijkwaardig is in de zin van de betrokken reglementering ; zijn sociale bescherming reikt trouwens veel verder dan die waarin het koninklijk besluit nr. 38 voorziet ; voor zoveel nodig wil het (arbeids)hof preciseren dat de door (verweerder) in 1986 en 1987 verrichte bezigheid geen beroepsbezigheid is, ondanks de fiscale maatstaf die slechts een eenvoudig vermoeden schept ; het (arbeids)hof is immers van oordeel dat (verweerder) in rechte afdoende bewijst slechts occasionele prestaties te hebben verricht, wat niet als een beroepsbezigheid kan worden aangemerkt".

Grieven

1. Eerste onderdeel
Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 38 zijn de zelfstandigen onderworpen aan dit besluit.
In voornoemd besluit wordt onder zelfstandige verstaan : "ieder natuurlijk persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is" (koninklijk besluit nr. 38, artikel 3, eerste lid).

Volgens artikel 5 van genoemd koninklijk besluit "zijn de journalisten, de perscorrespondenten en de personen die auteursrechten genieten niet aan dit besluit onderworpen, indien ze reeds, in welke hoedanigheid ook, genieten van een sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is aan datgene dat door dit besluit wordt ingericht".

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 bepaalt : "de personen, bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 38 worden geacht verder te genieten van een sociaal statuut ten minste gelijkwaardig aan dat ingericht ten voordele van de zelfstandigen wanneer zij, alhoewel ze de beroepsbezigheid die aanleiding gaf tot toepassing van eerstgenoemd statuut niet meer uitoefenen, hun recht op sociale voordelen, door dit statuut gewaarborgd, behouden".

Volgens de bovenaangehaalde bepalingen moeten de journalisten, perscorrespondenten of personen die auteursrechten genieten en hun beroepsbezigheid niet onder arbeidsovereenkomst uitoefenen, om niet onderworpen te zijn aan het sociaal statuut der zelfstandigen, dus een sociaal statuut genieten wegens het feit dat zij in het heden een andere beroepsbezigheid dan die van zelfstandige uitoefenen of die in het verleden uitgeoefend hebben. Wie als gehuwde, wegens de beroepswerkzaamheid van zijn echtgenoot, recht heeft op sociale uitkeringen, geniet geen sociaal statuut in de zin van die bepalingen, maar alleen afgeleide rechten.

Door te beslissen dat verweerder een sociaal statuut geniet dat minstens gelijkwaardig is aan datgene dat door het sociaal statuut der zelfstandigen wordt ingericht, op grond dat hij rechten op sociale uitkeringen geniet wegens de beroepsbezigheid van zijn echtgenote, schendt het bestreden arrest de artikelen 2, 3, ,§ 1, eerste lid, en 5 van het koninklijk besluit nr. 38 en 4 van het koninklijk besluit van 19 december 1967.

2. Tweede onderdeel

Krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 38 vallen de in die bepaling bedoelde personen (journalisten, perscorrespondenten, personen die auteursrechten genieten), die geen beroepsbezigheid uitoefenen onder arbeidsovereenkomst, enkel buiten het toepassingsgebied van voormeld koninklijk besluit, indien zij werkelijk een sociaal statuut genieten dat minstens gelijkwaardig is aan het bij dat besluit ingerichte sociaal statuut, en zulks voor elk van de stelsels waaruit dat statuut bestaat.

De stelsels van het sociaal statuut der zelfstandigen zijn de volgende : kinderbijslag, rust- en overlevingspensioenen en uitkeringen in geval van ziekte en invaliditeit, sector gezondheidsverzorging en uitkeringen (koninklijk besluit nr. 38, artikel 1, koninklijk besluit van 20 juli 1971, artikel 2).

Te dezen stelt het bestreden arrest vast dat verweerder wegens de beroepsbezigheid van zijn echtgenote in aanmerking komt voor kinderbijslag, uitkeringen voor overlevingspensioen en uitkeringen voor gezondheidsverzorging, maar niet voor een rustpensioen en evenmin voor vergoedingen in geval van arbeidsongeschiktheid.

Derhalve kan het bestreden arrest niet wettig beslissen dat verweerder een statuut geniet dat minstens gelijkwaardig is aan datgene dat door het koninklijk besluit nr. 38 is ingericht (schending van de artikelen 1, 5 van het koninklijk besluit nr. 38 en 2 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971).

3. Derde onderdeel

Artikel 12, ,§ 1, van het koninklijk besluit nr. 38 vermeldt het bedrag van de bijdragen die verschuldigd zijn door degenen die onderworpen zijn aan de bij dit koninklijk besluit vervatte regeling. In afwijking van die bepaling bepaalt artikel 12, ,§ 2, dat de onderworpene die gewoonlijk en hoofdzakelijk een andere beroepsbezigheid uitoefent, geen bijdrage verschuldigd is indien zijn beroepsinkomsten als zelfstandige onder een bepaald bedrag blijven, of dat hij verminderde bijdragen verschuldigd is, indien die inkomsten onder een ander bedrag blijven.

Krachtens artikel 12, ,§ 2, laatste lid, kan de Koning de toepassing van deze bepaling uitbreiden tot bepaalde categorieën onderworpenen die niet voldoen aan de voorwaarde betreffende de uitoefening van een andere beroepsbezigheid.

Artikel 37, ,§ 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967, voor de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 12 december 1991, bepaalt dat, wanneer hun beroepsinkomsten als zelfstandige een bepaald bedrag niet overschrijden, "de aan het koninklijk besluit nr. 38 onderworpen gehuwde vrouwen, weduwen en studenten, voor bedoeld jaar kunnen vragen gelijkgesteld te worden met de personen bedoeld in artikel 12, ,§ 2, van genoemd besluit" (de gehuwde mannen en weduwnaars kunnen zich sedert 22 december 1984 op die bepaling beroepen krachtens de richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid). Sedert de wijziging bij het koninklijk besluit van 12 december 1991, bepaalt artikel 37, ,§ 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 dat, wanneer hun beroepsinkomsten onder een bepaald bedrag blijven, "volgende personen kunnen vragen voor het betrokken jaar gelijkgesteld te worden met de in artikel 12, ,§ 2, van het koninklijk besluit nr.38 bedoelde personen : a) de aan dit besluit onderworpen personen ten gunste waarvan, voor het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, rechten worden gewaarborgd op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioen en kinderbijslag-, en ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector geneeskundige verzorging, die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut der zelfstandigen".

De wijziging van de bovenaangehaalde bepaling bij het koninklijk besluit van 12 februari 1993 heeft de betekenis daarvan niet veranderd.

De personen, bedoeld in artikel 12, ,§ 2, van het koninklijk besluit nr. 38 en degenen die met hen worden gelijkgesteld bij artikel 37, ,§ 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 zijn uitgesloten van de verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen (koninklijk besluit van 20 juli 1971, artikel 3, 1°, b en c) en de jaren waarvoor zij geen bijdrage hebben gestort in het sociaal statuut der zelfstandigen of alleen verminderde bijdragen verschuldigd waren tellen niet mee voor de berekening van de loopbaan die recht geeft op het rust- of overlevingspensioen (koninklijk besluit nr. 72, artikel 15, ,§ 1, 3°, en koninklijk besluit van 22 december 1967, artikel 13, eerste lid).

De bovenaangehaalde bepalingen hebben betrekking op de voorwaarden waaraan degenen die onderworpen zijn aan het koninklijk besluit nr. 38 moeten voldoen om vrijgesteld te zijn van de in artikel 12, ,§ 1, vastgestelde volledige bijdragen, en op de verminderde rechten die voortvloeien uit de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van bijdragen.

De bovengenoemde bepalingen geven geen uitsluitsel over de vraag of het mogelijk is dat een zelfstandige niet onderworpen is aan het sociaal statuut der zelfstandigen krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 38 dat voorziet in de uitzondering dat journalisten, perscorrespondenten en personen die auteursrechten genieten, niet aan het statuut der zelfstandigen onderworpen zijn, wanneer zij reeds een sociaal statuut genieten dat minstens gelijkwaardig is aan het bij dat besluit geregelde statuut.

Teneinde uit te maken of de in dat artikel 5 bepaalde uitzondering op de onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen van toepassing is, dient dus geen rekening te worden gehouden noch met de voorwaarden waaronder de onderworpenen eventueel geen of slechts verminderde bijdragen betalen noch met de verminderde rechten die zij dan in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen genieten. Te dezen beslist het bestreden arrest dat verweerder krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 38 niet aan dat besluit onderworpen is als journalist en als persoon die auteursrechten geniet, op grond dat verweerder, indien hij krachtens artikel 37, ,§ 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 aan het sociaal statuut der zelfstandigen onderworpen was en "bijkomend" met een zelfstandige zou worden gelijkgesteld, geen recht zou hebben op een pensioen of op vergoedingen in geval van arbeidsongeschiktheid en dat hij derhalve, ook al heeft hij wegens de beroepswerkzaamheid van zijn echtgenote geen recht op uitkering in die twee stelsels, niettemin een sociaal statuut geniet dat minstens gelijkwaardig is aan datgene dat bij het koninklijk besluit nr. 38 is ingericht.

Door de verminderde rechten op sociale uitkeringen die de onderworpenen, als bedoeld in de artikelen 12, ,§ 2, van het koninklijk besluit nr. 38 en 37, ,§ 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967, genieten, gelijk te stellen met het sociaal statuut dat geregeld wordt bij het koninklijk besluit nr. 38, bedoeld in artikel 5 van dat besluit, schendt het bestreden arrest de artikelen 5 en 12, ,§ 2, van het koninklijk besluit nr. 38, 37, ,§ 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967, 3, 1°, b en c, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, 15, ,§ 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72 en 13, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 1967.

4. Vierde onderdeel
In zijn voor de appèlrechter genomen hoofdconclusie voerde eiser aan dat verweerder niet bewees dat de door hem in 1986 en 1987 uitgeoefende werkzaamheid geen beroepsbezigheid was, om de volgende redenen :

"terecht heeft de eerste rechter aangenomen dat de (in 1986 en 1987) uitgeoefende bezigheid een beroepsmatig karakter vertoonde, dat ze herhaaldelijk en doorlopend werd uitgeoefend en dat ze veel gelijkenis vertoonde met de bezigheid die in 1988 en nadien werd uitgeoefend en waarvan (verweerder) zelf toegeeft dat ze een nieuwe oriëntatie en beroepsloopbaan was ; hij geeft ook toe dat hij vanaf 1986 een passie opvatte voor de film ; (...) uit het fiscaal onderzoek blijkt overigens dat (verweerder) vanaf het jaar 1986 wel degelijk beroepsinkomsten heeft verkregen, en zulks vanaf 1 januari, en dat die inkomsten voor het jaar 1986 153.201 BEF, voor het jaar 1987 60.120 BEF, voor het jaar 1988 85.950 BEF, voor het jaar 1989 225.377 BEF bedroegen ; (...) uit die inkomsten blijkt dat het hier uiteraard niet kan gaan om een occasionele bezigheid, aangezien (verweerder) al die jaren zonder onderbreking het voornemen had zijn bezigheden te herhalen ; (...) er is een geheel van onderling verbonden en na elkaar verrichte werkzaamheden geweest". Teneinde te beslissen dat "de door (verweerder) in 1986 en 1987 uitgeoefende bezigheid geen beroepsbezigheid is", vermeldt het arrest enkel dat verweerder "in rechte afdoende bewijst slechts occasionele prestaties te hebben verricht".

Het arrest antwoordt aldus niet op het bovenstaande middel uit de conclusie van eiser en is derhalve niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

IV. Beslissing van het Hof

Eerste onderdeel

Overwegende dat het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, onder meer, het toepassingsgebied vaststelt van de sociale zekerheidsstelsels die dat statuut bevat alsook de verplichtingen van de personen die de voordelen ervan genieten ;

Dat artikel 3, ,§ 1, eerste lid, bepaalt dat onder zelfstandige moet worden verstaan ieder natuurlijk persoon die in België een beroepsbezigheid uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is ;

Dat artikel 5 die definitie nuanceert waar het bepaalt dat de journalisten, de perscorrespondenten en de personen die auteursrechten genieten aan het koninklijk besluit nr. 38 niet onderworpen zijn, indien ze reeds, in welke hoedanigheid ook, genieten van een sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is aan datgene dat door dit koninklijk besluit wordt ingericht ;

Overwegende dat uit het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 blijkt dat de tekst van artikel 5 het bepaalde in artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 september 1963 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen bevestigt waarbij de journalisten, de perscorrespondenten en de personen die auteursrechten genieten aan die pensioenregeling onttrokken zijn, indien ze reeds, uit om het even welke hoofde, hetzij gehouden zijn tot betaling der bijdragen, voorzien in de artikelen 7 of 9 van de wet van 31 augustus 1963 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, hetzij onderworpen zijn aan een andere rust- en overlevingspensioenregeling, wegens een gewone en hoofdzakelijke tewerkstelling, in de zin van artikel 30 van dit koninklijk besluit van 24 september 1963 ;

Dat die bevestiging blijkt uit artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 naar luid waarvan de personen bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 38 worden geacht verder te genieten van een sociaal statuut, ten minste gelijkwaardig aan dat ingericht ten voordele van de zelfstandigen, wanneer zij, alhoewel zij de beroepsbezigheid, die aanleiding gaf tot toepassing van eerstgenoemd statuut, niet meer uitoefenen, hun recht op sociale voordelen, door dit statuut gewaarborgd, behouden ;

Overwegende dat daaruit volgt dat onder sociaal statuut dat minstens gelijkwaardig is aan het statuut der zelfstandigen in de zin van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 moet worden verstaan een sociaal statuut waarvan de toepassing onderworpen is aan de uitoefening van een persoonlijke beroepsbezigheid ;

Overwegende dat het arrest de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen schendt door te beslissen dat verweerder wegens de beroepsbezigheid van zijn echtgenote een statuut geniet dat minstens gelijkwaardig is aan het statuut der zelfstandigen ;

Dat het onderdeel gegrond is ;

Vierde onderdeel

Overwegende dat het arrest niet antwoordt op het in het onderdeel weergegeven verweermiddel, derhalve de beslissing volgens welke de door verweerder tijdens de jaren 1986 en 1987 uitgeoefende bezigheid geen beroepsbezigheid is, niet regelmatig met redenen omkleedt ;

Dat het onderdeel gegrond is ;

En overwegende dat het tweede en het derde onderdeel van het middel niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ;

OM DIE REDENEN,
HET HOF
Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ontvankelijk verklaart ;
Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ;
Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent over aan de bodemrechter ;
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Arbeidshof te Bergen.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, 

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 21/04/2016 - 11:59
Laatst aangepast op: ma, 02/05/2016 - 11:27

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.