-A +A

Sociale inspectie misdrijf verhinderen toezicht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 21/04/2015
A.R.: 
P.13.1258.N

Het bewust niet bezorgen van informatiedragers die sociale gegevens of overeenkomstig de wet op te maken, bij te houden of te bewaren gegevens bevatten, aan een sociaal inspecteur die daarom heeft verzocht, kan het misdrijf van het verhinderen van toezicht opleveren; het is daarbij zonder belang of de sociaal inspecteur gebruik heeft gemaakt van de hem door artikel 4, § 1, 2°, c) Arbeidsinspectiewet, thans artikel 28, § 3, Sociaal Strafwetboek toegekende opsporingsbevoegdheden en deze strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting houdt geen miskenning in van het in artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR vervatte vermoeden van onschuld (1). (1) Zie M. GRATIA en G. VAN DE MOSSCHELAER, “La loi concernant l’inspection du travail: après 2006, avant un code de droit pénal social (Partie I)”, Ors. 2009, nr. 8, (17) 25; W. van EECKHOUTTE en S. BOUZOUMITA, “Opsporing van sociaalrechtelijke misdrijven”, NJW 2009, (698) 709; A. DE NAUW, “Het misdrijf van verhindering van toezicht, de wettelijke verplichting bepaalde documenten op te maken, bij te houden en te bewaren in het sociaal strafrecht en het gebruik ervan in een strafvervolging” in X. Liber Amicorum Henri-D. Bosly, Loyauté, justice et vérité, Bruxelles, La Charte, 2009, 123-140; K. SALOMEZ, “Sociaal Strafrecht”, Brussel, Die Keure, 2010, 94.

 

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/3
Pagina: 
177
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(GMV - Rolnr.: P.13.1258.N)

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 mei 2013.

(…)

II. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
1. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de telastleggingen B en C.

In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang onontvankelijk.

Eerste middel
2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer gesteund op het overleg en het contact dat de eiser had met de sociale inspectie, de redenen waarom de eiser op bepaalde afspraken niet aanwezig kon zijn, de antwoorden van de eiser aan de sociaal inspecteur, zijn wens om een en ander te bespreken met zijn raadsman en andere omstandigheden waardoor de bedoelde stukken niet konden worden overgemaakt; het arrest beantwoordt evenmin eisers verweer waarbij hij het moreel element van het misdrijf betwist.

3. Het arrest (p. 19) oordeelt: “Dat de houding die door [de eiser] te dezen ten overstaan van de sociale inspectie gedurende een ruime tijdsperiode, systematisch werd aangenomen, zoals hierboven uiteengezet, de facto neerkomt op een manifest verzet tegen de opsporing en/of het onderzoek van de in casu aan de orde zijnde informatiedragers zoals bedoeld in artikel 4, § 1, 2° , c) van de wet van 16 november 1972 en in artikel 28, § 1 van het Sociaal Strafwetboek, waardoor elke opvolgende controle onmogelijk werd gemaakt.

Geen der elementen van het dossier laat toe vast te stellen of aannemelijk te maken dat [de eiser] te dezen het slachtoffer werd van een onoverwinnelijke dwaling of dat de feiten in zijnen hoofde overmacht uitmaken die zijn schuld uitsluit.

Ook de overige desbetreffend in beroepsconclusies aangevoerde argumenten doen geen afbreuk aan de voormelde besluitvorming.”

4. Met deze redenen beantwoordt het arrest het geheel van het in het middel vermeld verweer, zowel wat het materieel als het moreel bestanddeel van het misdrijf betreft, zonder dat het elk argument afzonderlijk moet beantwoorden dat enkel tot staving van dit verweer werd aangevoerd, zonder een afzonderlijk middel te vormen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel
5. Het middel voert schending aan van artikel 6, 2. EVRM, artikel 14, 2. IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: de schuld aan het misdrijf van het verhinderen van toezicht noch enig opzet worden bewezen; in geval van twijfel dient de beklaagde te worden vrijgesproken; het opzet werd door de vervolgende partij niet onderzocht; het arrest motiveert onvoldoende de schuld van de eiser en schendt de wettelijke bepalingen waarop de vervolging steunt; het arrest vermag uit de vermelde elementen niet af te leiden dat de eiser het toezicht opzettelijk heeft verhinderd.

6. In zoverre het middel gericht is tegen het onderzoek door het Openbaar Ministerie en dus niet tegen het arrest, is het niet ontvankelijk.

7. In zoverre het middel aanvoert dat de schuld aan het misdrijf van het verhinderen van toezicht noch enig opzet wordt bewezen, is het gericht tegen het onaantastbaar oordeel van de rechter over de schuld van de eiser of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk.

8. Met de redenen die het arrest (p. 15 tot 20) bevat, oordeelt het dat er geen twijfel over eisers schuld bestaat en verantwoordt het die beslissing naar recht, met inbegrip van het voorhanden zijn van het vereiste moreel bestanddeel, zonder aan de eiser de verplichting op te leggen van het bewijs van de onjuistheid van een bestanddeel van het misdrijf en is het afdoende met redenen omkleed.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel
9. Het middel voert schending aan van artikel 6, 2. EVRM, artikel 14, 2. IVBPR en de artikelen 28 en 209 Sociaal Strafwetboek, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest verklaart de eiser schuldig aan het misdrijf verhinderen van toezicht, zonder dat de inspectiediensten de gevraagde documenten hebben gezocht en zonder dat de eiser zich heeft verzet tegen de opsporing of opvraging bij de autoriteiten te Polen van de bedoelde stukken.

10. Het bewust niet bezorgen van informatiedragers die sociale gegevens of overeenkomstig de wet op te maken, bij te houden of te bewaren gegevens bevatten, aan een sociaal inspecteur die daarom heeft verzocht, kan het misdrijf van het verhinderen van toezicht opleveren. Het is daarbij zonder belang of de sociaal inspecteur gebruik heeft gemaakt van de hem door artikel 4, § 1, 2°, c) arbeidsinspectiewet, thans artikel 28, § 3 Sociaal Strafwetboek toegekende opsporingsbevoegdheden.

11. Deze strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting houdt geen miskenning in van het in artikel 6, 2. EVRM en artikel 14, 2. IVBPR vervatte vermoeden van onschuld.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering
12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 127,11 EUR.
 

Noot: 

Dooms, V., « Het vermoeden van onschuld versus de plicht tot medewerking bij controle van sociale documenten », R.A.B.G., 2016/3, p. 180-184

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/07/2017 - 10:31
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 10:31

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.