-A +A

Sociale huur geen rechtsmacht van de Raad van State

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
din, 08/11/2016
A.R.: 
236.378

Een geschil betreffende de (sociale) verhuring van onroerende goederen behoort tyot de bevoegdheid van de Vrederechter (art. 591, 1° Ger.W). met uitsluiting van de Raad van State.

Te dezen betrof het een geschil over de naleving door de huurster van de huurvoorwaarden en de opzegging van de huur door de verhuurder, zijnde een sociale huurmaatschappij.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
902
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

P.D. t/ Vlaams Gewest

Arrest nr. 236.378

I. Voorwerp van het beroep

1. Het beroep, ingesteld op 13 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van «[h]et MB van 9 januari 2015 betreffende de beroepsprocedure met toepassing van art. 29bis, § 5 van de Vlaamse Wooncode betreffende de beslissing van de sociale huisvestingsmaatschappij Woonhaven Antwerpen m.b.t. de opzeg van de huurovereenkomst van mevr. D.P. na beoordeling van het beroep tegen de weigering van het bijwonen van de h. [K.H.].»

...

III. Feiten

3. Verzoekster huurt een sociale woning van de sociale huisvestingsmaatschappij Woonhaven Antwerpen.

Zij liet H.K. bij zich intrekken. Verzoekster en H.K. huwden in Tunesië, maar het huwelijk wordt door de ambtenaar van de burgerlijke stand niet erkend.

Met een brief van 14 augustus 2014 deelt Woonhaven Antwerpen verzoekster mee dat zij, in strijd met het huurcontract, niet liet weten dat er «iemand extra» bij haar was komen wonen, dat H.K. niet voldoet aan de voorwaarden om sociaal te wonen want hij verblijft illegaal in België, en dat hij moet verhuizen. Zo niet zal haar een opzegbrief worden bezorgd.

Verzoekster wendt zich met een brief van 12 september 2014 tot de toezichthouder.

Nog vooraleer deze uitspraak doet, schrijft Woonhaven Antwerpen op 29 september 2014 aan verzoekster dat de huurovereenkomst wordt opgezegd wegens ernstige tekortkomingen, omdat zij niet heeft bewezen dat H.K. niet meer bij haar woont.

Op 6 oktober 2014 verklaart de toezichthouder het beroep van 12 september 2014 m.b.t. de weigering van Woonhaven Antwerpen om H.K. op verzoeksters adres in te schrijven, gegrond. Dit betekent, aldus de toezichthouder, dat tijdelijk bijwonen door H.K. is toegestaan, in afwachting van een uitspraak over zijn verblijfsstatuut. Geoordeeld wordt dat de verhuurder binnen dertig dagen een nieuwe beslissing moet nemen en meedelen.

Die nieuwe beslissing wordt verzoekster met een brief van 5 november 2014 meegedeeld. Daarin blijft Woonhaven Antwerpen van mening dat het bijwonen van H.K. als een onrechtmatige toetreding tot de huurovereenkomst moet worden beschouwd. Derhalve wordt de opzeg gehandhaafd.

Bij beslissing van 10 november 2014 vernietigt de toezichthouder de beslissing van Woonhaven Antwerpen van 4 november 2014.

Met een brief van 2 december 2014 stelt Woonhaven Antwerpen tegen de vernietigingsbeslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding. Betoogd wordt dat de toezichthouder, door te oordelen dat H.K. toch in een sociale woning mag verblijven, een interpretatie van de sociale huurreglementering hanteert waar Woonhaven Antwerpen het niet mee eens is. Zij acht haar argumentatie «niet afdoende juridisch weerlegd» door de toezichthouder.

Met haar beslissing van 9 januari 2015 willigt de Vlaamse minister het beroep onder voorwaarden in. De minister is van mening dat H.K. niet aan de toetredingsvoorwaarden voldoet en de woning moet verlaten. Besloten wordt dat verzoekster gevolg dient te geven aan het verzoek van de sociale huisvestingsmaatschappij dat H.K. moet verhuizen en dat haar daartoe een termijn van drie maanden moet worden gegeven te rekenen vanaf de betekening van het ministerieel besluit: «Als de heer [K.] na deze termijn nog steeds inwoont bij mevr. D. en er is intussen geen gunstige beslissing genomen i.v.m. het verblijfsstatuut van de h. [K.], kan de sociale huisvestingsmaatschappij de huurovereenkomst van mevr. D. opzeggen.»

IV. Rechtsmacht

Standpunt van de partijen

4. In haar laatste memorie maakt de verwerende partij de, in het auditoraatsverslag ambtshalve opgeworpen, exceptie van gebrek aan rechtsmacht tot de hare.

In dat verslag wordt geoordeeld dat het beroep een geschil voor de Raad van State brengt «over het al dan niet naleven van de contractuele rechtsverhouding tussen [Woonhaven Antwerpen en verzoekster] en over de beëindiging van hun overeenkomst, welke onderliggende betwisting als het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep dient te worden aangemerkt». Er wordt ook in opgemerkt dat het overeenkomstig art. 591, 1o Ger.W. de vrederechter is die kennis neemt «van geschillen betreffende de verhuring van onroerende goederen en van de samenhangende vorderingen die ontstaan uit de verhuring van een handelszaak».

5. Verzoekster bestrijdt de exceptie. Zij wijst erop dat het beroep betrekking heeft op de beslissing van de minister die gemachtigd is om krachtens art. 29bis van de Vlaamse Wooncode eenzijdige bestuurshandelingen te stellen die, automatisch, onmiddellijke rechtsgevolgen creëren voor sociale woonorganisaties en die onrechtstreeks voor derden impact hebben. Het voorwerp van het beroep betreft de vraag of de minister met toepassing van de decretale en derhalve reglementaire beginselen – niet: contractuele verbintenissen – wettig heeft beslist om de beslissing van de toezichthouder tot vernietiging van de bestuurshandeling van de sociale huisvestingsmaatschappij, te vernietigen en de eigen ministeriële beslissing in de plaats te stellen.

Verzoekster zegt niet te betwisten dat een vordering tot een geldigverklaring van opzegging of ontbinding een bevoegdheid is van de burgerlijke rechtbank, maar wel te betwisten dat de vernietiging van het besluit dat de minister in het kader van haar bevoegdheid inzake bestuurlijk toezicht nam m.b.t. een besluit van de toezichthouder tot vernietiging van de bestuursbeslissing van een sociale huisvestingsmaatschappij, een bevoegdheid is van de burgerlijke rechtbanken.

Beoordeling

6. Op 5 november 2014 schrijft Woonhaven Antwerpen aan verzoekster dat zij van mening blijft dat het bijwonen van H.K. onregelmatig is en als een ernstige tekortkoming aan de huurdersverplichtingen te beschouwen is, en dat zij de opzeg van de huurovereenkomst handhaaft. Nadat de toezichthouder die beslissing op 10 november 2014 vernietigt, wordt deze vernietiging op 9 januari 2015 door de Vlaamse minister aldus hervormd dat Woonhaven Antwerpen, onder voorwaarden, wel degelijk de huurovereenkomst met verzoekster mag opzeggen om reden van een tekortkoming door verzoekster aan haar huurdersverplichtingen, wanneer zij er binnen drie maanden niet voor zorgt dat H.K. verhuist.

In die omstandigheden komt het besluit van de Vlaamse minister er dus in substantie op neer de beslissing van Woonhaven Antwerpen om de huur met verzoekster op te zeggen vanwege haar tekortkoming aan de huurdersverplichtingen, te beamen en bij te vallen.

7. De beslissing van Woonhaven Antwerpen mag in voorliggend beroep des te minder buiten beschouwing worden gelaten nu verzoekster in de middelen van haar beroep in wezen aanvoert dat zij stellig aan alle voorwaarden voldoet om de woning voort als huurster te mogen betrekken (eerste middel), dat de onmogelijkheid van H.K. om tot de huurovereenkomst toe te treden geen afdoende grond kan verschaffen om de huurovereenkomst met haar op te zeggen (tweede en derde middel) en dat in elk geval een opzeg om reden van die onmogelijkheid onevenredig zou zijn en in strijd met art. 8 EVRM (vierde en vijfde middel).

8. Het beroep betreft essentieel een geschil over de verhuring door Woonhaven Antwerpen van een sociale woning aan verzoekster, meer bepaald over de naleving door verzoekster van de huurvoorwaarden en de opzegging van de huur door Woonhaven Antwerpen.

Als zodanig gaat het om een geschil betreffende de verhuring van onroerende goederen waarvan de kennisneming door art. 591, 1o Ger.W. uitdrukkelijk aan de vrederechter is opgedragen, ter uitsluiting van de Raad van State.

9. De exceptie is gegrond. De vordering tot nietigverklaring is onontvankelijk.

...

Noot: 

Tom Vandromme, De bevoegdheid van de Raad van State met betrekking tot het sociaal huurstelsel, RW 2017-2018, 902

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 09/02/2018 - 14:10
Laatst aangepast op: vr, 30/03/2018 - 17:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.