-A +A

SMS geen begin van bewijs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 29/04/2013

Een SMS bevat noch een geschreven, noch een elektronische handtekening. In theorie kan iedereen van om het even welke gsm een sms-bericht sturen in naam van iemand anders. Bovendien bestaan er mogelijkheden om in te breken in andermans gsm om te doen alsof deze laatste een sms-bericht heeft verstuurd. Aldus kan in theorie de naam van de afzender van een sms-bericht gemanipuleerd worden.



Het is niet aan de partij tegen wie een SMS als 'bewijs' wordt ingeroepen,. om te bewijzen dat iemand anders in zijn naam een SMS-bericht heeft gestuurd. Het volstaat dat de mogelijkheid hiertoe bestaat. Een SMS-bericht kan vergeleken worden met een niet-ondertekend document opgesteld op papier met het briefhoofd van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon. Een dergelijk document heeft geen bewijswaarde.

Een SMS-bericht is dan ook geen akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld en kan niet als begin van bewijs gelden. Art. 1347 B.W. kan dan ook niet worden ingeroepen.

contra: Gent 26/09/2013.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2014/300
Pagina: 
322
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. J.S., [ ... ] appellante, [ ... ]

tegen

1. V.T., [ ... ] geïntimeerde,[ ... ]

1. De feiten

Partijen hebben gedurende een bepaalde tijd een relatie met elkaar gehad. Het is niet duidelijk wat de juiste aard van die relatie is geweest.

J.S. stelt dat zij aan V.T. een bedrag van 27.000 EUR heeft voorgeschoten, 15.000 EUR via een bankoverschrijving en 12.000 EUR in cash.

Volgens J.S. diende V.T. dit bedrag terug te betalen door een maandelijkse overschrijving van 625 EUR en een maandelijkse cash betaling van 500 EUR, en dit gedurende 2 jaar te rekenen vanaf 9 juli 2009.

V.T. heeft blijkbaar tweemaal 650 EUR betaald. J.S. heeft deze bedragen terugbetaald.

J.S. meent aanspraak te kunnen maken op terugbetaling van 27.000 EUR.

V.T. betwist iets verschuldigd te zijn. Daar geen regeling werd bereikt, is J.S. overgegaan tot dagvaarding.

[ ... ]

4. Beoordeling

[ ... ]

4.2.1.

J.S. steunt haar vordering op het bestaan van een lening.

J.S. draagt als eisende partij overeenkomstig art. 1315,l B.W. de bewijslast. Art. 1315,l B.W. luidt immers:

"Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen."

Het standpunt van J.S., dat de eerste rechter zich vergist waar hij overweegt dat V.T. geen bewijs moet leveren, is niet juist. V.T. is niet verplicht het negatief bewijs te leveren van het feit dat er geen lening tot stand is gekomen. Evenmin moet hij een verklaring geven voor het feit dat een bedrag op zijn rekening werd overgeschreven.

Opdat van een lening sprake zou zijn, dient door degene die zich beroept op het bestaan van een lening, hier J.S., te worden aangetoond dat de geleende gelden ter beschikking werden gesteld van een partij, die er zich toe verbonden heeft deze terug te betalen.

Het ter beschikking stellen van de gelden is een feit dat met alle middelen van recht kan worden bewezen.

J.S. heeft een bedrag van 15.000 EUR ter beschikking gesteld door middel van een overschrijving op 21 april 2009 (haar stuk 1). Hiermee is het bewijs geleverd van het ter beschikking stellen van dat bedrag. Volgens J.S. werd dit bedrag ter beschikking gesteld voor de aanleg van een tuin en een zwembad. Volgens V.T. werd het bedrag besteed aan reizen. Het heeft echter geen belang waarvoor het geld moest dienen. Het volstaat dat het ter beschikking werd gesteld. Voor het bewijs van het bestaan van een lening, is enkel vereist dat aangetoond wordt dat het geleende bedrag werd overgemaakt. De reden van het overmaken van het geleende bedrag is juridisch niet relevant. J.S. stelt eveneens een bedrag van 12.000 EUR te hebben gegeven aan V.T. Het bewijs van de overhandiging van 12.000 EUR wordt niet geleverd. Volgens J.S. wordt dit bewijs geleverd door een sms-bericht van V.T.

Over de bewijswaarde van sms-berichten oordeelt het hof verder.

Bovendien moet J.S. ook bewijzen dat V.T. er zich toe heeft verbonden de hem ter beschikking gestelde bedragen terug te betalen.

De verbintenis terug te betalen is een rechtshandeling waarbij volgens art. 1341 B.W., wanneer het gaat om een zaak die de som of de waarde van 375 EUR te boven gaat, een authentieke akte of een onderhandse akte moet worden opgemaakt.

Het bewijs van de rechtsgeldigheid van onderhandse akten, waaruit de overeenkomst tussen partijen moet blijken, wordt geregeld in art. 1325 B.W. (als zij wederkerige overeenkomsten bevatten) en in art. 1326 B.W. (als een enkele partij zich verbonden heeft). Een lening is een eenzijdige overeenkomst waarbij de uitlener geen verbintenis op zich neemt. Immers ontstaat deze overeenkomst pas nadat de geleende zaak ter beschikking wordt gesteld en is er dan nog enkel de verbintenis tot terugbetaling.

Om die reden is art. 1325 B.W. niet van toepassing en moet voor de rechtsgeldigheid van een onderhandse akte die een lening zou bevatten, nagegaan worden of aan de vereisten van art. 1326 B.W. is voldaan.

Volgens art. 1326 B.W. moet de partij die zich tegenover een andere partij verbindt minstens, naast de handtekening, ook met de hand ''goed voor"' of "goedgekeurd voor"' schrijven, waarbij de som voluit in letters is uitgedrukt.

Een dergelijke akte wordt niet bijgebracht.

Het B.W. kent uitzonderingen die het mogelijk maken het bewijs te leveren van een verbintenis tot terugbetaling van een lening, ook wanneer geen geschrift dat voldoet aan de vereisten van art. 1326 B.W. wordt bijgebracht.

Zo kan op de regel van art. 1326 B.W. een uitzondering gemaakt worden, wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is, hetwelk kan worden aangevuld met getuigen of vermoedens (art. 1347 B.W.).

Een begin van bewijs door geschrift is elke geschreven akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt.

J.S. stelt dat de sms-berichten, die afkomstig zouden zijn van V.T., een dergelijk begin van bewijs door geschrift vormen.

Het hof volgt dit standpunt niet.

Van een sms-bericht kan niet met absolute zekerheid bewezen worden dat het is uitgegaan van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld.

Een sms bevat noch een geschreven, noch een elektronische handtekening. In theorie kan iedereen van om het even welke gsm een sms-bericht sturen in naam van iemand anders. Bovendien bestaan er mogelijkheden om in te breken in andermans gsm om te doen alsof deze laatste een sms-bericht heeft verstuurd. Aldus kan in theorie de naam van de afzender van een sms-bericht gemanipuleerd worden.

Het is niet aan V.T. om te bewijzen dat iemand anders in zijn naam een sms-bericht heeft gestuurd. Het volstaat dat de mogelijkheid hiertoe bestaat. Een smsbericht kan vergeleken worden met een niet-ondertekend document opgesteld op papier met het briefhoofd van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon. Een dergelijk document heeft geen bewijswaarde. Een sms-bericht is dan ook geen akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld en kan niet als begin van bewijs gelden. Art. 1347 B.W. kan dan ook niet worden ingeroepen.

Ten overvloede en teneinde te antwoorden op de argumenten van J.S., oordeelt het hof dat zelfs indien een sms-bericht wel zou kunnen gelden als begin van bewijs, er hier geen aanvullende vermoedens en getuigen zijn die samen met het begin van bewijs het volledig bewijs kunnen leveren van de verbintenis tot terugbetaling.

Het getuigenbewijs wordt niet aangeboden. Uit de voorgelegde stukken blijkt ook niet dat er op enig tijdstip getuigen aanwezig waren.

Er zijn ook geen vermoedens van het bestaan van een lening, die als aanvulling van het begin van bewijs door geschrift, het volledig bewijs ervan zouden kunnen leveren.

J.S. verwijst naar twee stortingen die V.T. verricht heeft. Deze stortingen zijn geen vermoedens van een verbintenis tot terugbetaling, vermits J.S. op 24 augustus 2009 het bedrag van 1.300 EUR heeft teruggestort. De redenen die J.S. aanhaalt voor de terugbetaling worden niet bewezen. De mogelijke, maar niet bewezen, bedoelingen die J.S. zou gehad hebben om gelden over te maken, vormen geen vermoedens van het bestaan van een lening.

J.S. kan dan ook niet steunen op de uitzondering van art. 1347 B.W.

J.S. stelt verder dat zij in de morele onmogelijkheid verkeerde zich een geschrift te verschaffen (art. 1348 B.W.). De regel van art. 1326 B.W. kent eveneens een uitzondering wanneer het de schuldeiser niet mogelijk is geweest zich een schriftelijk bewijs te verschaffen van de verbintenis die jegens hem is aangegaan, (art. 1348 B.W.).

J.S. ziet in het feit dat partijen een relatie hadden een morele onmogelijkheid om van V.T. een geschrift te vragen.

Het hof volgt dit standpunt niet.

Het enkel feit dat partijen een relatie met elkaar hadden ~ ongeacht de juiste aard van deze relatie ~ betekent niet dat zij niet in de mogelijkheid zijn van elkaar een geschrift te eisen wanneer dit door de wet gevraagd wordt. J.S. stond niet in een afhankelijke positie ten aanzien van V.T., waardoor het voor haar moreel onmogelijk werd een geschrift te eisen dat aan de wettelijke voorwaarden voldoet. De uitzonderingen op het vereiste van een geschrift, zijn dus niet van toepassing.

Het bewijs van het bestaan van een verbintenis tot terugbetaling, is volgens de regels bepaald in het Burgerlijk Wetboek, dan ook niet geleverd.

4.2.2.

J.S. steunt haar vordering verder op de vermogensverschuiving zonder oorzaak.

De vordering, voor zover gesteund op de rechtsfiguur van de vermogensverschuiving zonder oorzaak, dient eveneens ongegrond te worden verklaard.

Dat J.S. er niet in slaagt een lening te bewijzen, betekent niet dat de vermogensverschuiving, zijnde de overhandiging van bepaalde geldbedragen, geen oorzaak zou hebben.

De overhandiging van de gelden, zijnde de vermogensverschuiving, is niet vanzelf gebeurd en moet in elk geval een oorzaak gehad hebben, ook al is er betwisting over wat die oorzaak wel geweest is.

Een juridische oorzaak is aanwezig en de rechtsfiguur van de vermogensverschuiving zonder oorzaak vindt derhalve geen toepassing wanneer de vermogensverschuiving haar oorzaak vindt in een contractuele, een wettelijke of een natuurlijke verbintenis of in de eigen wil van een contractuele tekortkoming of onrechtmatige daad van de verarmde. Hier vindt de vermogensverschuiving immers zijn oorzaak in de eigen wil van J.S. om een bedrag aan V.T. over te maken. De rechtsfiguur van de vermogensverschuiving zonder oorzaak kan dus niet worden ingeroepen.

4.2.3.

J.S. steunt haar vordering eveneens op wat zij de eenzijdige verbintenis van V.T. noemt om bepaalde bedragen terug te betalen.

Zoals hierboven uiteengezet, is een lening een eenzijdige overeenkomst waarbij de uitlener geen verbintenis op zich neemt. Immers ontstaat deze overeenkomst pas nadat de geleende zaak ter beschikking wordt gesteld en is er dan nog enkel de verbintenis tot terugbetaling. Het bewijs van eenzijdige verbintenissen moet geleverd worden volgens de regel van art. 1326 B.W.

Het hof heeft hierboven al geoordeeld dat aan de voorwaarden van art. 1326

B.W. niet is voldaan en dat de wettelijk voorziene uitzonderingen hier niet kunnen worden toegepast.

4.2.4.

J.S. stelt ook dat zij de gelden geschonken heeft. Door het verbreken van de relatie tussen partijen, is de determinerende beweegreden voor deze schenking weggevallen en moet die ongedaan worden gemaakt, aldus J.S.

Het hof volgt dit standpunt niet.

J.S. heeft een relatie met V.T. gehad en heeft bijgedragen in de kosten. Dit betekent echter nog niet dat er een schenking is geweest.

Bovendien wordt niet bewezen dat aan de beweerde schenking voorwaarden werden verbonden die niet werden nageleefd. Evenmin wordt bewezen dat de relatie tussen partijen de determinerende oorzaak van de beweerde schenking is geweest. De overgemaakte bedragen vinden hun oorzaak in de eigen wil van J.S.

J.S. kan dan ook niet steunen op het verval van de schenking om de gelden terug te vorderen.

[ ... ]

5. Beslissing

[ ... ]

Het hof:

verklaart het hoger beroep van J.S. ontvankelijk doch ongegrond. bevestigt het bestreden vonnis in zijn bestreden beschikkingen, [ ... ]

[ ... ]

Noot, C. Lebon, NJW 2014, 300, 321: SMS begin van bewijs door geschrift (art. 1347 BW)?

Eerdere rechtspraak van het Antwerpse Hof in zelfde zin:

• Antwerpen nr. 2010/AR/1190, 5 december 2011, TBBR, 2017-1, 70

( ... )



1. Defeiten

1. 1. De geïntimeerde stelt dat zij in opdracht van de appellante schilderwerken uitvoerde.

Haar factuur met nummer 2008/40 van 31.10.2008 waarin zij de werken factureerde bleef onbetaald.

1.2. Bij brieven van 1.12.2008 en 22.12.2008 maande de geintimeerde de appellante aan de factuur te betalen.

Bij brief van haar raadsman van 16.01.2009 betwistte de appellante de factuur en de algemene verkoopsvoorwaarden erop vermeld. De geïntimeerde zou voor haar geen werken hebben uitgevoerd.

1.3. De raadsman van de geïntimeerde stuurde op 19.01.2009 een ingebrekestelling, die de appellante beantwoordde bij brief van 21.02.2009. Opnieuw betwistte ze de aanspraken van de geïntimeerde. In de briefwisseling die daarop volgde, handhaafden de partijen hun standpunt.

( ... )

4. Beoordeling

4.1. De toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellante tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend bij haar op 12.04.2010 ter griffie neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep.

4.2. De grond van de betwisting

4.2.1. Bij artikel 1315 B.W. wordt het volgende voorgeschreven:

"Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen.

Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht".

4.2.2. Bij toepassing van het eerste lid van dit artikel dient de geïntimeerde te bewijzen dat de appellante er zich toe verbond voor welbepaalde prestaties van de geïntimeerde een vergoeding te betalen.

4.2.3. De appellante is geen handelaar zodat de geïntimeerde voor het bewijs van haar vordering is aangewezen op de bewijsregels in burgerlijke zaken vastgelegd in de artikelen 1341 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1341 B.W. luidt als volgt:

"Een akte voor een notaris of een onderhandse akte moet worden opgemaakt van alle zaken die de som of de waarde van 375 EUR te boven gaan, zelfs betreffende vrijwillige bewaargevingen; het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten tegen en boven de inhoud van de akten, en evenmin omtrent hetgeen men zou beweren vóór, tijdens of sinds het opmaken te zijn gezegd, al betreft het een som of een waarde van minder dan 375 EUR".

4.2.4. De geïntimeerde erkent dat zij niet over een geschreven bewijs in de zin van artikel 1341 B.W. beschikt.

Zij stelt evenwel dat ze toegelaten is het bewijs van de betalings-verbintenis in hoofde van de appellante te leveren door getuigen en vermoedens. Ze zou immers beschikken over een begin van bewijs door geschrift, met name een sms-bericht van de appellante en twee verzendnota's waarvan er één ondertekend werd door de appellante (stuk 5. 7 van de geïntimeerde) en één door haar moeder (stuk 5.8 van de geïntimeerde).

4.2.5. Bij artikel 1347 B.W. wordt inderdaad het volgende voorgeschreven:

"De hiervoor bepaalde regels lijden uitzondering, wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanwezig is. Men noemt begin van bewijs door geschrift elke geschreven akte die uitgegaan is van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld, of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt".

4.2.6. De toepassing van voormelde wetsbepaling vereist onder meer dat het geschrift is uitgegaan van degene tegen wie men dat geschrift inroept.

Het hof oordeelt dat aan deze voorwaarde niet is voldaan, noch wat het sms-bericht, noch wat de verzendnota's betreft en dit om de hierna volgende redenen:

- Uit niets blijkt dat het sms-bericht effectief door de appellante werd verzonden. Eenieder kan op zijn gsm een dergelijk bericht doen toekomen en daarvan vervolgens een kopie maken.

- De geïntimeerde bewijst niet dat de handtekening op haar stuk 5.7 van de hand van de appellante is. Een vergelijking van de handtekening op dit stuk enerzijds en op de stukken 6.7 en 6.10 van de geïntimeerde anderzijds leveren dit bewijs niet.

- De geïntimeerde bevestigt zelf dat haar stuk 5.8 werd ondertekend door de moeder van de appellante. Uit niets blijkt dat de moeder van de appellante optrad als haar vertegenwoordiger, noch dat de appellante zich dit geschrift heeft toegeëigend. Dat de moeder van de appellante "redelijkerwijze kan beschouwd worden als de vertegenwoordiger van de appellante" zoals de geïntimeerde aanvoert, kan niet worden aanvaard. De vertegenwoordiging moet worden bewezen. Dit bewijs ligt niet voor.

Het hof besluit dat geen begin van bewijs door geschrift voorhanden is.

4.2.7. Verder voert de geïntimeerde aan dat ze zich in de morele onmogelijkheid bevond om zich een geschrift te verschaffen. Deze morele onmogelijkheid zou het gevolg zijn van het feit dat ze voor de appellante zelf of voor "haar vennootschap" in het verleden herhaaldelijk werken uitvoerde (waarvoor ze acht facturen uitschreef) zonder dat hiervoor tussen de partijen een geschrift werd opgemaakt of aan de appellante of "haar vennootschap" de betaling van een voorschot werd gevraagd.

In toepassing van artikel 1348 B.W. zou het haar in die omstandigheden toegelaten zijn het bewijs van de betalingsverbintenis in hoofde van de appellante te leveren door getuigen en vermoedens.

4.2.8. Bij artikel 1348 B.W wordt voorgeschreven:

"Die regels lijden eveneens uitzondering in alle gevallen waarin het de schuldeiser niet mogelijk geweest is zich een schriftelijk bewijs te verschaffen van de verbintenis die jegens hem is aangegaan.

( ... )."



4.2.9. Het hof oordeelt dat het loutere feit dat het niet gebruikelijk zou geweest zijn om in het verleden een geschrift op te stellen op zich niet tot gevolg heeft dat men zich in de morele "onmogelijkheid" bevindt die de wet bedoelt.

Er moeten bijkomende, specifieke omstandigheden voorhanden zijn die zonder enige twijfel van aard moeten zijn om iemand in de morele onmogelijkheid te brengen zich een geschrift te verschaffen.

Dergelijke omstandigheden worden door de geïntimeerde niet bewezen.

4.2.10. Uit het voorgaande volgt dat het de geïntimeerde niet toegelaten is het bewijs van de betalingsverbintenis in hoofde van de appellante door vermoedens of getuigen te leveren.

Het bestaan van de verbintenis in hoofde van de appellante tot betaling aan de geïntimeerde van het bedrag van 4.482,00 EUR is dus niet bewezen.

De vordering van de geïntimeerde tegen de appellante is ongegrond.

( ... )

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

( ... )

Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt:

Het hof hervormt het bestreden vonnis behalve in zoverre het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart.

Het hof doet ten gronde opnieuw recht als volgt:

Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde tegen de appellante ongegrond.

( ... )

 

Rechtsleer:

B.A. Samijn, SMS is maar begin van bewijs, Juristenkrant 2013, afl. 276

Noot: 

Edoch

Het Hof van Beroep te Gent oordeelde in een arrest van 26 september 2013 dat een SMS een begin van bewijs kon uitmaken.

Hof van Beroep te Gent, 1e Kamer – 26 september 2013, RW 2014-2015, 258 met noot S. Meys, Sms kan begin van bewijs door geschrift uitmaken.

samenvatting:

Een  sms-bericht kan beschouwd worden als een begin van schriftelijk bewijs wanneer de echtheid niet betwist wordt en uitgaat van degene tegen wie de vordering is ingesteld of van de persoon door hem vis ertegenwoordigd. 

Het hof vervolgt in haar arrest: "Ten slotte betreft het sms-bericht wel degelijk een “geschreven akte” in de zin van art. 1347, tweede lid BW. Art. 1347, tweede lid BW spreekt enkel van een “geschreven akte” en vereist niet dat er een papieren document voorligt.

De aard van de materiële drager speelt, zoals de eerste rechter terecht oordeelde, geen enkele rol. Elke materiële drager kan een begin van bewijs door geschrift bevatten, zo ook een gsm-toestel.

Dergelijke toestellen dienen immers (onder meer) om schriftelijke berichten te verzenden. Het bericht werd eigenhandig getypt (dus schriftelijk) verstuurd van het gsm-toestel van N.V. en heeft het gsm-toestel van T. De W., de bestemmeling van het bericht, bereikt. Het betreft dus een “geschreven akte” in de zin van art. 1347, tweede lid BW (zie ook: J. Vandendriessche, “De inpassing van nieuwe bewijstechnieken in het burgerlijk bewijsstelsel” in Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, 2010, 6)."

Tekst arrest

N.V. t/ T. De W., A.-S. M. en P.W.

Bijzondere gegevens

1. Op 9 september 2011 ging T. De W. over tot dagvaarding van P.W. en N.V. Hij zette in zijn dagvaarding uiteen dat er sedert juni 2011 tussen hen contacten geweest waren met betrekking tot de aankoop van hun woning gelegen te (...).

Op 10 juli 2011 had hij een sms gekregen, met als inhoud: “Beste, u deed onlangs een bod op onze woning (...). Graag laten we U hierbij weten dat onze laagste vraagprijs 570.000 euro bedraagt. Indien interesse geef gerust een seintje. Vriendelijke groeten, familie W.-V.”.

Dezelfde dag antwoordde T. De W. per sms: “Beste, het hoogste bod dat wij uitbrengen op uw woning bedraagt 550.000 euro, mvg familie De W.”.

Op 20 juli 2011 ontving hij dan een sms met als inhoud: “Beste, we gaan in op uw bod van 550.000 euro voor onze woning. U kan contact opnemen voor de praktische afhandeling met Peter op (...). Vriendelijke groeten”.

Op 25 juli 2011 nam T. De W. contact op met P.W., maar deze meldde met vakantie te zijn.

Op 17 augustus 2011 nam hij andermaal telefonisch contact op met P.W., maar deze deelde hem alsdan mee dat de woning inmiddels (sedert 13 augustus 2011) verkocht was.

Op 26 augustus 2011 werd een eerste ingebrekestelling verstuurd.

Op 30 augustus 2011 liet T. De W. door de gerechtsdeurwaarder proces-verbaal opmaken van de sms-berichten.

Uiteindelijk ging hij over tot dagvaarding. Hij vorderde P.W. en N.V. te veroordelen om hun medewerking te verlenen bij het verlijden van de notariële akte met betrekking tot de verkoop van hun onroerend goed, gelegen te (...), voor notaris (...), op plaats, dag en uur waarvan ze minstens 72 uur vooraf bij deurwaardersexploot in kennis zouden worden gesteld, onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per 24 uur vertraging. (...). Subsidiair vorderde hij (...) de ontbinding van de overeenkomst in hun nadeel en hun veroordeling tot een schadevergoeding van 10%, zijnde 55.000 euro, vermeerderd met de interest.

2. P.W. vroeg de afwijzing van de vordering als onontvankelijk, minstens ongegrond. (...). Minstens oordeelde hij dat er geen bewijs voorlag dat hij met de verkoop had ingestemd, dat een sms-bericht op zich geen wettelijk toegelaten bewijsmiddel vormt en dat er geen schriftelijk bewijs noch begin van bewijs van geschrift voorhanden is.

3. A.-S. M., echtgenote van T. De W., kwam schriftelijk tussen in de procedure. Ze sloot zich aan bij de vorderingen gesteld door T. De W.

In conclusie vorderden ze (samen), naast de gedwongen uitvoering van de overeenkomst, de dwangsom, de provisionele schadevergoeding en de kosten, alsook de veroordeling van P.W. en N.V. tot het betalen van een bezettingsvergoeding van 700 euro per begonnen maand vanaf 20 november 2011 tot de datum van vrijgave van het pand. Ze vorderden subsidiair een schadevergoeding van 10% van de koopsom, zijnde 55.000 euro. Daarnaast vorderden ze de veroordeling van P.W. en N.V. tot het betalen van een schadevergoeding uit hoofde van gederfde winst of het verlies van een kans om het goed opnieuw te verkopen, begroot op 100.000 euro, vermeerderd met de interest.

...

4. N.V. vroeg de afwijzing van de vordering als onontvankelijk, minstens ontoelaatbaar. Ze argumenteerde dat er geen rechtsband bestond tussen partijen en dat er geen verkoopovereenkomst was gesloten.

5. In het bestreden vonnis werd aan A.-S. M. akte verleend van haar vrijwillige tussenkomst, werden de hoofd- en tussenvordering van T. De W. en A.-S. M. gegrond verklaard en werden P.W. en N.V. veroordeeld hun medewerking te verlenen aan het verlijden van de notariële akte van koop-verkoop van het onroerend goed gelegen te (...), tegen de prijs van 550.000 euro, samen met T. De W. en A.-S. M., als kopers. Aan P.W. en N.V. werd het bevel opgelegd samen met T. De W. en A.-S. M. te verschijnen voor notaris (...), binnen een termijn van één maand na de betekening van het vonnis en nadat de notaris drie data zou hebben voorgesteld, in te gaan op één van de voorgestelde data, zodat uiterlijk binnen één maand na betekening van het vonnis de notariële akte van koop-verkoop verleden kon worden.

...

De eerste rechter oordeelde:

– dat T. De W. wel degelijk de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang had;

– dat een koop tussen partijen gesloten is zodra er overeenkomst is over de zaak en de prijs;

– dat het aan de kopers is om te bewijzen dat er wilsovereenstemming was over zaak en prijs en dit volgens de wettelijk voorgeschreven bewijsregels;

– dat het enige dat voorligt het sms-bericht van 20 juli 2011 om 15 u 36 is, met als inhoud: “Beste, we gaan in op uw bod van 550.000 euro voor onze woning. U kan contact opnemen voor de praktische afhandeling met Peter op (...). Vriendelijke groeten”;

– dat dit bericht een begin van schriftelijk bewijs is, uitgaande van degene tegen wie de vordering is gericht;

– dat de gerechtsdeurwaarder bij het opmaken van zijn proces-verbaal geenszins de privacy van de verkopers geschonden heeft;

– dat het bericht verstuurd werd van de gsm van N.V.;

– dat dit moet geacht worden mede te zijn uitgegaan van P.W., in de zin van art. 1347, tweede lid BW;

– dat uit de stukken (de voormelde sms-berichten) blijkt dat P.W. zijn echtgenote had opgedragen hun gezamenlijke eigendom (mede) in zijn naam en voor zijn rekening te verkopen;

– dat ook het vereiste aanvullend bewijs voorhanden is, onder meer de overige sms-berichten en het feit dat T. De W. naderhand nog tweemaal telefonisch contact had met P.W.

6. N.V. kan zich niet verzoenen met de beslissing van de eerste rechter. Ze vraagt het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vorderingen van T. De W. en A.-S. M. af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond. Ze voelt zich gegriefd omdat de eerste rechter ten onrechte aannam dat zij een mandaat had om de woning in naam en voor rekening van P.W. te verkopen en omdat de eerste rechter aanvaardde dat er een rechtsgeldige verkoopovereenkomst tot stand gekomen was.

7. P.W. kan zich evenmin verzoenen met de beslissing van de eerste rechter. Hij vraagt eveneens het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vorderingen van T. De W. en A.-S. M. af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond. Hij voelt zich gegriefd omdat de eerste rechter oordeelde dat T. De W. en A.-S. M. over de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang beschikten om hun vordering te stellen. Hij meent ook dat ten onrechte aanvaard werd dat een verkoopovereenkomst met betrekking tot een onroerend goed tot stand kan komen en bewezen kan worden via elektronische berichten. Ten slotte meent hij dat de eerste rechter ten onrechte aanvaardde dat N.V. een mandaat genoot om op te treden in zijn naam en voor zijn rekening.

8. T. De W. en A.-S. M. vragen de afwijzing van de beide beroepen als ongegrond. Ze vragen thans evenwel primair de ontbinding van de verkoopovereenkomst ten laste van N.V. en P.W. en hun solidaire veroordeling tot het betalen van een provisionele schadevergoeding van 111.251 euro, vermeerderd met de interest. Ze vragen subsidiair de veroordeling van N.V. en P.W. tot het betalen van een buitencontractuele provisionele schadevergoeding van 111.251 euro, vermeerderd met de interest.

...

Beoordeling

...

2. Inmiddels werd de woning gekocht door een derde koper (de consorten B.). T. De W. en A.-S. M. hebben hun vordering aangepast en vragen de ontbinding van de koopovereenkomst in het nadeel van P.W. en N.V., alsook een schadevergoeding.

Om aanspraak te kunnen maken op schadevergoeding wegens eenzijdige en foutieve ontbinding van een overeenkomst moet het bestaan van die overeenkomst voorafgaandelijk aangetoond worden. De bewijslast desbetreffend rust bij T. De W. en A.-S. M. Zij dienen derhalve te bewijzen dat tussen partijen een koopovereenkomst was gesloten met betrekking tot de woning te (...) (het voorwerp van de koopovereenkomst), dit tegen de koopsom van 550.000 euro (de overeengekomen prijs) én overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven bewijsregels.

Gelet op de waarde van het geschil, dient een schriftelijk bewijs voor te liggen.

T. De W. en A.-S. M. ontkennen niet dat dit schriftelijk bewijs niet voorligt. Ze beweren allerminst, in tegenstelling tot wat P.W. en N.V. aanvoeren, dat het sms-bericht van 20 juli 2011 voormeld “schriftelijk bewijs” zou betreffen.

Het argument van P.W. en N.V. dat het sms-bericht van 20 juli 2011 niet voldoet aan de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij (BS 17 maart 2003) (omdat de overeenkomst in casu ingevolge art. 17 van voormelde wet niet onder art. 16 van voormelde wet valt) is dan ook niet ter zake dienend.

3. T. De W. en A.-S. M. beroepen zich wél op voormeld sms-bericht als begin van schriftelijk bewijs (overeenkomstig art. 1347 BW).

Een begin van bewijs door geschrift is elke geschreven akte die is uitgegaan van degene tegen wie de vordering wordt ingesteld of van de persoon door hem vertegenwoordigd, en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt (zie art. 1347, tweede lid BW). Wanneer een dergelijk begin van schriftelijk bewijs voorhanden is, is een aanvullend bewijs toegelaten, zelfs door middel van getuigen of vermoedens.

Met de eerste rechter kan worden aangenomen dat het sms-bericht van 20 juli 2011 beschouwd kan worden als een begin van schriftelijk bewijs. Dit sms-bericht werd op 20 juli 2011 omstreeks 15 u 36 verstuurd van het toestel met het nummer toegekend aan N.V. (dit wordt niet betwist) naar het toestel van T. De W. en luidde: “Beste, we gaan in op uw bod van 550.000 euro voor onze woning. U kan contact opnemen voor de praktische afhandeling met Peter op (...). Vriendelijke groeten”.

Dit bericht ging dus uit van N.V., wat, zoals gezegd, niet betwist wordt, dus van degene tegen wie de vordering is ingesteld of van de persoon door hem vertegenwoordigd. Uit de inhoud van het sms-bericht kan onmiskenbaar worden afgeleid dat het ook uitging van P.W. (“we gaan in op uw bod van 550.000 euro voor onze woning. U kan contact opnemen voor de praktische afhandeling met Peter op (...). Vriendelijke groeten”). Minstens handelde N.V. als mandataris van P.W.

De inhoud van het bericht maakt het beweerde feit ook waarschijnlijk. Gelet op de inhoud van de voorgaande berichten die tussen partijen werden uitgewisseld, kan er wat betreft het voorwerp van de koopovereenkomst geen enkele betwisting bestaan. Het sms-bericht zelf verwijst dan weer uitdrukkelijk naar de prijs (550.000 euro). Het bestaan van de koopovereenkomst met betrekking tot de woning in (...) tegen de prijs van 550.000 euro wordt, door voormeld sms-bericht van 20 juli 2011, zeker “waarschijnlijk” gemaakt. Dat een en ander nog praktisch diende te worden geregeld (waarvoor P.W. diende te worden gecontacteerd), doet hieraan uiteraard geen afbreuk.

Ten slotte betreft het sms-bericht wel degelijk een “geschreven akte” in de zin van art. 1347, tweede lid BW. Art. 1347, tweede lid BW spreekt enkel van een “geschreven akte” en vereist niet dat er een papieren document voorligt. De aard van de materiële drager speelt, zoals de eerste rechter terecht oordeelde, geen enkele rol. Elke materiële drager kan een begin van bewijs door geschrift bevatten, zo ook een gsm-toestel. Dergelijke toestellen dienen immers (onder meer) om schriftelijke berichten te verzenden. Het bericht werd eigenhandig getypt (dus schriftelijk) verstuurd van het gsm-toestel van N.V. en heeft het gsm-toestel van T. De W., de bestemmeling van het bericht, bereikt. Het betreft dus een “geschreven akte” in de zin van art. 1347, tweede lid BW (zie ook: J. Vandendriessche, “De inpassing van nieuwe bewijstechnieken in het burgerlijk bewijsstelsel” in Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, 2010, 6).

De verwijzing van P.W. en N.V. naar de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij (BS 17 maart 2003) is hier ook niet ter zake dienend. Art. 16 (hoofdstuk “Langs elektronische weg gesloten contracten”) van voormelde wet bepaalt dat aan elk wettelijk of reglementair vormvereiste voor de totstandkoming van contracten langs elektronische weg voldaan is wanneer de functionele kwaliteiten van dit vereiste gevrijwaard zijn. Paragraaf 2 van art. 16 bepaalt dat in overweging moet worden genomen dat:

– aan het vereiste van een geschrift voldaan is door een opeenvolging van verstaanbare tekens die toegankelijk zijn voor een latere raadpleging, welke ook de drager en de transmissiemodaliteiten ervan zijn;

– aan het uitdrukkelijke of stilzwijgende vereiste van de handtekening voldaan is wanneer deze laatste beantwoordt aan de voorwaarden van ofwel art. 1322, tweede lid BW ofwel art. 4, § 4 van de wet van 9 juli 2001 tot vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridische kader voor elektronische handtekeningen en certificatiediensten;

– aan het vereiste van een geschreven vermelding van degene die zich verbindt, kan worden voldaan door om het even welk procedé dat waarborgt dat de vermelding effectief uitgaat van deze laatste.

Art. 17 van voormelde wet bepaalt dat art. 16 niet van toepassing is op de contracten die rechten doen ontstaan of overdragen ten aanzien van onroerende zaken (met uitzondering van huurrechten).

Het lijdt geen twijfel dat het sms-bericht van 20 juli 2011 in het licht van voormelde art. 16 en 17 niet kan gelden als schriftelijke verkoopovereenkomst, wat door T. De W. en A.-S. M. evenwel ook niet wordt aangevoerd.

Art. 16 en 17 van de wet van 11 maart 2003 sluiten evenwel niet uit dat het sms-bericht wél kan gelden als begin van schriftelijk bewijs. Integendeel, het sms-bericht voldoet ter zake onmiskenbaar aan de bepalingen van voormeld art. 16. Het bericht betreft een opeenvolging van verstaanbare tekens die toegankelijk zijn voor een latere raadpleging. Het werd ook nooit betwist dat het bericht afkomstig is van N.V. Louter wegens de inhoud en de draagwijdte van de overeenkomst (de verkoop van een onroerend goed) volstaat het niet als “geschrift” dat een contract bewijst dat langs elektronische weg is gesloten. Dit belet echter niet dat het wél een begin van schriftelijk bewijs uitmaakt. De wet van 11 maart 2003 sluit de toepassing van art. 1347 BW geenszins uit (R. Bisciari, “Het bewijs in de elektronische context” in Elektronische Handel: juridische en praktische aspecten, Heule, UGA, 2004, 272-273: “Aldus kunnen elektronische berichten die niet voldoen aan de voorwaarden om erkend te worden als elektronische onderhandse akten (e-mail zonder perfecte elektronische handtekening, sms-jes, kopieën, ...) omdat zij geen enkele garantie bieden inzake de integriteit van het document en de identificatie van de auteur, toch de kwalificatie van “geschrift” toegekend krijgen indien de voorwaarden inzake leesbaarheid en stabiliteit vervuld zijn. Zij kunnen dan de waarde van een begin van bewijs door geschrift toegekend krijgen, op voorwaarde dat zij beantwoorden aan de definitie hiervan, of van een vermoeden. Zodoende kunnen zij dan, aangevuld met andere elementen, bewijskracht genieten”).

4. Aangezien een begin van schriftelijk bewijs voorligt, is het T. De W. en A.-S. M., in afwijking van art. 1341 BW, toegelaten gebruik te maken van aanvullend bewijs, zelfs getuigen en vermoedens.

Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat T. De W. en A.-S. M. in hun verdere bewijslast falen en er niet in slagen het bestaan van de koopovereenkomst aanvullend (eventueel met getuigen of vermoedens) te bewijzen.

Er liggen weliswaar twee sms-berichten van 10 juli 2011 voor.

Een eerste sms-bericht die dag ging uit van N.V. (omstreeks 11 u 12) en luidde: “Beste, u deed onlangs een bod op onze woning (...). Graag laten we U hierbij weten dat onze laagste vraagprijs 570.000 euro bedraagt. Indien interesse geef gerust een seintje. Vriendelijke groeten, familie W.-V.”.

Dezelfde dag (omstreeks 12 u 23) antwoordde T. De W. per sms, met als inhoud: “Beste, het hoogste bod dat wij uitbrengen op uw woning bedraagt 550.000 euro, mvg familie De W.”.

Hierop kwam dan het bewuste sms-bericht van 20 juli 2011, met als inhoud: “Beste, we gaan in op uw bod van 550.000 euro voor onze woning. U kan contact opnemen voor de praktische afhandeling met Peter op (...). Vriendelijke groeten”.

Voor het overige liggen geen dienstige bewijsstukken voor. Er liggen weliswaar telefoongegevens voor die bevestigen dat er telefonische contacten geweest zijn tussen T. De W. (als oproeper) en P.W. (als opgeroepene), maar de inhoud van deze telefoongesprekken is niet gekend.

Na het sms-bericht van 20 juli 2011 werd geen enkel sms-bericht meer verstuurd, noch door T. De W. of A.-S. M., noch door P.W. of N.V. Er werd geen briefwisseling (of e-mails) uitgewisseld, behalve dan de ingebrekestellingen, die evenwel onmiddellijk geprotesteerd werden.

Geen enkel navolgend stuk bevestigt met andere woorden dat partijen op 20 juli 2011 tot een overeenstemming waren gekomen over het voorwerp van de overeenkomst en de prijs.

...

T. De W. en A.-S. M. slagen er dus niet in aan te tonen dat ze op 20 juli 2011 een overeenkomst hadden gesloten met P.W. en N.V. met betrekking tot de aankoop van hun woning tegen de prijs van 550.000 euro.

Hun (gewijzigde) vordering tot ontbinding van de overeenkomst in het nadeel van P.W. en N.V. is ongegrond. Hun vordering tot het verkrijgen van schadevergoeding ingevolge deze ontbinding kan bijgevolg evenmin worden toegekend.

5. T. De W. en A.-S. M. vorderen subsidiair een schadevergoeding op grond van art. 1382 BW, meer bepaald de precontractuele aansprakelijkheid van P.W. en N.V.

Het hof is van oordeel dat de precontractuele aansprakelijkheid van de (kandidaat-)verkopers inderdaad in het geding is. T. De W. en A.-S. M. tonen, aan de hand van de sms-berichten (en hun telefoonfacturen) aan dat de onderhandelingen tussen partijen reeds zeer ver gevorderd waren, zodat ze er op mochten vertrouwen dat de koop, minstens tegen een voor hen aanvaardbare prijs, uiteindelijk wel zou doorgaan. Door de onderhandelingen in dat stadium abrupt te onderbreken en snel met een derde koper te contracteren hebben de kandidaat-verkopers onmiskenbaar een fout begaan waardoor T. De W. en A.-S. M. schade hebben geleden.

Niet alleen de precontractuele aansprakelijkheid van N.V., maar ook die van P.W. is in het geding. Het is duidelijk dat, niettegenstaande de sms-berichten afkomstig waren van het gsm-toestel van N.V., de berichten mede verstuurd werden namens P.W., die evenzeer als verkoper/kandidaat-verkoper te beschouwen is.

Eerst en vooral kan worden verwezen naar de inhoud van de verschillende sms-berichten (“Beste, u deed onlangs een bod op onze woning in de (...). Graag laten we U hierbij weten dat onze laagste vraagprijs 570.000 euro bedraagt. Indien interesse geef gerust een seintje. Vriendelijke groeten, familie W.-V.”. En “Beste, we gaan in op uw bod van 550.000 euro voor onze woning. U kan contact opnemen voor de praktische afhandeling met Peter op (...). Vriendelijke groeten”. Deze berichten tonen aan dat N.V. voormelde berichten niet alleen in eigen naam verstuurde, maar tevens in naam en voor rekening van P.W., in uitvoering van een uitdrukkelijk mandaat dat zij van hem had ontvangen.

Dat N.V. op eigen houtje, overmand door emoties én achter de rug van P.W. om, zou hebben beslist de woning te verkopen, is niet alleen compleet ongeloofwaardig, maar wordt vooral tegengesproken door de stukken zelf, die aantonen dat P.W. wel degelijk nauw betrokken was bij de onderhandelingen over de verkoop van de woning.

...

Kortom, uit de stukken blijkt afdoende dat niet alleen N.V. maar ook P.W. zich ten opzichte van T. De W. en A.-S. M. hebben gemanifesteerd als kandidaat-verkopers. Door de onderhandelingen die al zodanig ver gevorderd waren dat T. De W. en A.-S. M. erop mochten vertrouwen dat de compromis met betrekking tot de verkoop van de woning (tegen een voor hen aanvaardbare prijs) binnen afzienbare tijd een feit zou zijn, abrupt te onderbreken, hebben ze een fout begaan. Ze hebben afbreuk gedaan aan het bij T. De W. en A.-S. M. gewekte vertrouwen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 23/07/2017 - 10:58
Laatst aangepast op: zo, 17/06/2018 - 20:30

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.