-A +A

Smaad drager openbaar gezag

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
woe, 12/10/2016
A.R.: 
P.16.0627.F

De rechter beoordeelt in feite of de personen tegen wie de beledigingen werden gericht voldoende werden aangewezen; de beledigde persoon hoeft niet noodzakelijk bij naam te zijn aangewezen door de persoon die de belediging heeft geuit: het volstaat dat de beledigde persoon of personen, in de geuite beledigingen genoegzaam worden aangewezen opdat zijzelf en derden zich niet kunnen vergissen omtrent hun identiteit.

Uittreksel uit het strafwetboek

HOOFDSTUK V. - AANRANDING VAN DE EER OF DE GOEDE NAAM VAN PERSONEN.

Art. 443. Hij die in de hierna aangeduide gevallen aan een persoon kwaadwillig een bepaald feit ten laste legt, dat zijn eer kan krenken of hem aan de openbare verachting kan blootstellen, en waarvan het wettelijk bewijs niet wordt geleverd, is schuldig aan laster, wanneer de wet het bewijs van het ten laste gelegde feit toelaat, en aan eerroof, wanneer de wet dit bewijs niet toelaat.

Wanneer het ten laste gelegde feit hierin bestaat dat gedurende vijandelijkheden is geheuld met de vijand, hetzij door hem te helpen door het verschaffen van soldaten, manschappen, geld, levensmiddelen, wapens, munitie of materialen, hetzij door hem het betreden van het grondgebied, het zich handhaven of het verblijven aldaar door enig middel mogelijk of gemakkelijk te maken, zonder daartoe gedwongen of gevorderd te zijn, is het bewijs daarvan altijd ontvankelijk en kan het door alle middelen geleverd worden.

Wordt een genoegzaam bewijs geleverd, dan geeft de tenlastelegging geen aanleiding tot enige strafvervolging.

Art. 444. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro, wanneer de tenlasteleggingen geschieden : 

Hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen;

Hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken;

Hetzij om het even welke plaats, in tegenwoordigheid van de beledigde en voor getuigen;

Hetzij door geschriften, al dan niet gedrukt, door prenten of zinnebeelden, die aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld worden;

Hetzij ten slotte door geschriften, die niet openbaar gemaakt, maar aan verscheidene personen toegestuurd of meegedeeld worden.

Art. 445. Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en met geldboete van vijftig euro tot duizend euro wordt gestraft : 

Hij die schriftelijk bij de overheid een lasterlijke aangifte indient;

Hij die schriftelijk aan een persoon lasterlijke aantijgingen tegen zijn ondergeschikte toestuurt.

Art. 446. Laster en eerroof jegens een gesteld lichaam worden op dezelfde wijze gestraft als laster en eerroof jegens individuele personen.

Art. 447. Hij die van laster beticht wordt wegens tenlasteleggingen, gericht, hetzij tegen dragers of agenten van het gezag of tegen enig persoon met een openbare hoedanigheid bekleed, hetzij tegen enig gesteld lichaam, naar aanleiding van feiten in verband met hun bediening, wordt toegelaten om door alle gewone middelen het bewijs van de ten laste gelegde feiten te leveren, behoudens het tegenbewijs door dezelfde middelen.

Indien het een feit betreft dat tot het private leven behoort, mag de dader van de tenlastelegging geen ander bewijs tot zijn verdediging aanvoeren dan het bewijs dat volgt uit een vonnis of uit enige andere authentieke akte.

Indien het ten laste gelegde feit het voorwerp is van een strafvervolging of een aangifte waarover nog geen uitspraak is gedaan, wordt de vordering wegens laster geschorst tot het definitief vonnis of tot de eindbeslissing van de bevoegde overheid.

Zo de strafvordering of de tuchtvordering met betrekking tot het ten laste gelegde feit vervallen is, wordt het betrokken dossier bij het dossier van het geding wegens laster gevoegd en wordt de vordering wegens laster hervat.

In geval van een beslissing van seponering of buitenvervolgingstelling betreffende de vordering met betrekking tot het ten laste gelegde feit, wordt de vordering wegens laster hervat, onverminderd een schorsing van deze vordering wanneer het onderzoek met betrekking tot het ten laste gelegde feit een nieuwe gerechtelijke ontwikkeling kent.

Art. 448. Hij die hetzij door daden, hetzij door geschriften, prenten of zinnebeelden iemand beledigt in een van de omstandigheden in artikel 444 bepaald, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van zesentwintig [euro] tot vijfhonderd [euro] of met een van die straffen alleen. 

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, in een van de omstandigheden in artikel 444 bepaald, iemand die drager is van het openbaar gezag of van de openbare macht of die met een openbare hoedanigheid is bekleed, door woorden beledigt in zijn hoedanigheid of wegens zijn bediening.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. P.16.0627.F

S.T.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Bergen, correctionele kamer, van 27 april 2016.

...

II. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

Het middel voert schending aan van de artt. 444 en 448, tweede lid Sw., van art. 6 EVRM en art. 149 Gw., alsook miskenning van het recht van verdediging en van het vermoeden van onschuld.

Eerste onderdeel

Het hof van beroep heeft de telastlegging bewezen verklaard van op een bepaalde datum, «in een van de omstandigheden die in art. 444 Sw. zijn bepaald, de magistraten van het parket van Charleroi, die drager zijn van het openbaar gezag of van de openbare macht of die met een openbare hoedanigheid zijn bekleed, door woorden te hebben beledigd in hun hoedanigheid of wegens hun bediening».

De eiser voert aan dat door hem ten laste te leggen «de magistraten van het parket van Charleroi» te hebben beledigd, hem wordt verweten het misdrijf belediging ten aanzien van niet-geïdentificeerde of niet-identificeerbare personen te hebben gepleegd. De eiser, die oordeelt dat hij onmogelijk kan aantonen dat hij niet de bedoeling heeft gehad die personen te beledigen en evenmin kan betwisten dat laatstgenoemden, op het ogenblik van de feiten, de hoedanigheid hadden die in het tweede lid van het voormelde art. 448 is vereist, voert aan dat hij zich niet eerlijk kan verdedigen en dat zijn vermoeden van onschuld wordt miskend.

De rechter beoordeelt in feite of de personen aan wier adres de beledigingen werden geuit, genoegzaam zijn aangewezen. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser, die geen conclusie voor het hof van beroep heeft neergelegd, voor dat hof heeft aangevoerd dat de woorden «de magistraten van het parket van Charleroi», zoals ze in de telastlegging worden vermeld, het niet mogelijk maakten de betrokken magistraten te identificeren en hij daaruit schending van de in het middel bedoelde wetsbepalingen of miskenning van de algemene rechtsbeginselen heeft afgeleid. Door dat middel voor het eerst voor het Hof van Cassatie aan te voeren, verplicht de eiser het Hof tot een onderzoek van de feiten van de zaak, waarvoor het niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Voor het overige hoeft de beledigde persoon niet noodzakelijk bij naam te zijn aangewezen door de persoon die de belediging heeft geuit. Het volstaat dat de beledigde persoon of personen in de geuite beledigingen genoegzaam zijn aangewezen opdat zijzelf en derden geen twijfel over hun identiteit kunnen koesteren.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Derde middel

Het middel dat schending aanvoert van artikel 195, eerste en tweede lid, de artikelen 619 en 620 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 3 en 5 Probatiewet, verwijt het arrest dat het de weigering om het voordeel van de gewone opschorting van de uitspraak toe te kennen alsook de keuze van de straf en van de strafmaat, op een uitgewiste gerechtelijke beslissing steunt.

Krachtens artikel 619, eerste lid, Wetboek van Strafvordering worden de veroor-delingen tot een politiestraf uitgewist na een termijn van drie jaar te rekenen van de dag van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij zij zijn uitgesproken.

Het hof van beroep heeft vastgesteld dat aan de eiser reeds bij arrest van 21 maart 2011 opschorting van de uitspraak van de veroordeling was toegekend voor ge-deeltelijk dezelfde feiten als die welke het bewezen heeft verklaard, namelijk het rijden in staat van alcoholintoxicatie.

Aangezien dat arrest niet tot een politiestraf veroordeelt, mist het middel feitelijke grondslag.

Het middel stelt voorts dat de beslissingen die de opschorting van de uitspraak bevelen ook worden uitgewist voor feiten die, zonder opschorting, aanleiding tot een politiestraf zouden hebben gegeven.

Aangezien artikel 629, eerste lid, Strafwetboek niet de regel bevat die de eiser daaruit afleidt, faalt het middel naar recht.

De eiser voert ook aan dat het hof van beroep, door te verwijzen naar het voor-melde arrest, in het uittreksel van zijn strafregister iets heeft gelezen dat er niet in staat en, bijgevolg, de bewijskracht van die akte heeft miskend.

De grief miskenning van de bewijskracht van een akte bestaat erin een stuk aan te wijzen waarnaar de bestreden beslissing verwijst en die beslissing te verwijten dat zij daarvan een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan.

Aangezien het arrest niet verwijst naar het voormelde uittreksel van het strafregis-ter, kan het de bewijskracht daarvan niet miskennen.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

Vierde middel

De eiser voert aan dat het hof van beroep, door bij het bepalen van de geldboete te verwijzen naar de omstandigheid dat zijn voertuig een ander voertuig heeft aangereden en door te vermelden dat de bestuurster van dat voertuig gewond geraakte en tijdelijk arbeidsongeschikt is geweest, feiten in aanmerking heeft genomen die niet bij dat hof aanhangig waren gemaakt en niet bewezen zijn verklaard, waardoor het art. 195, eerste en tweede lid Sv. schendt.

Om de keuze van de straf en van de strafmaat die hij wil opleggen met redenen te omkleden, kan de rechter elk feitelijk gegeven in aanmerking nemen waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren en dat de ernst van het misdrijf aantoont of hem duidelijkheid over de persoonlijkheid van de dader verschaft. De omstandigheid dat dit gegeven een afzonderlijk strafbaar feit kan opleveren dat niet bij de rechter aanhangig is gemaakt, staat daaraan niet in de weg, mits hij geen uitspraak doet over het strafbaar karakter ervan.

Het arrest bepaalt het bedrag van de geldboete, rekening houdend met de intrinsieke ernst van de feiten zoals ze zich hebben voorgedaan, gelet op het gevaar dat de eiser, die in staat van alcoholintoxicatie reed, de andere weggebruikers heeft doen lopen, en door desbetreffend te verwijzen naar de omstandigheid dat hij een ander voertuig heeft aangereden waarvan de bestuurster gewond geraakte waardoor ze tijdelijk arbeidsongeschikt is geweest.

Het hof van beroep dat die omstandigheid in aanmerking heeft genomen waardoor de ernst van het gedrag van de eiser wordt aangetoond, zonder uitspraak te hebben gedaan over het strafbaar karakter ervan, verantwoordt naar recht zijn beslissing om de eiser de geldboete op te leggen die in het dictum van het arrest is bepaald.

Het middel kan niet worden aangenomen.

...

Noot: 

• J. Leclercq, «Atteintes portées à l’honneur ou à la considération des persoonnes» in Les Novelles, Droit pénal, IV, Brussel, Larcier, 1989, p. 227, nr. 7561 juncto p. 223, nr. 7538.

• Cass. 3 oktober 2012, Pas. 2012, Pas. 2012, p. 1799, nr. 507, conclusie advocaat-generaal D. Vandermeersch.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/04/2018 - 10:42
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:35

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.