-A +A

Sharia4Belgium een terroristische organisatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Correctionele Rechtbank
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 11/02/2015

De verspreiding op de openbare weg en aan handelszaken van (veronderstelde) moslims van de boodschappen:

'stop islamisering', 'stop islamisi' en 'stop ritueel slachten halal = 100% barbaars'

is strafbaar op grond van artikel 22 van de Antidiscriminatiewet wegens het aanzetten tot discriminatie.

Deze uitspraken worden niet "beschermd" door het recht op vrije meningsuiting, doordat zij aanzetten tot daden van discriminatie, waarbij de rechtbank onderlijnt dat het recht op vrije meningsuiting geen absoluut recht is, maar begrrensd door:

- de vrijheden van anderen
- de grondwet
- de strafwet

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2015/320
Pagina: 
280
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

[ ... ]

in zake van het openbaar ministerie:

bij wie zich hebben aangesloten als burgerlijke partijen:

1. De Politie zone nr. 5340 BrusselWest, [ ... ]

[e.a.]

tegen

B.F. [e.a.], [ ... ]

[ ... ]

OP STRAFGEBIED

[ ... ]

3. Ten gronde

Beklaagden staan terecht voor deelname aan een terroristische groep (al dan niet als leidend figuur) (tenlasteleggingen A en D in zaak I, tenlastelegging A in zaak II en tenlastelegging A in zaak III), vernieling van roerende goederen met verzwarende omstandigheden (tenlastelegging B in zaak I), wederrechtelijke vrijheidsberoving in het kader van een terroristische groep (tenlastelegging C in zaak I), verspreiden van boodschap tot het aanzetten van een terroristisch misdrijf (tenlastelegging E in zaak I en tenlastelegging B in zaak II en B in zaak III), bedreigingen met aanslagen (tenlastelegging F in zaak I en tenlastelegging C in zaak II en tenlastelegging C in zaak III), weerspannigheid met meerdere personen en wapens (tenlastelegging G in zaak I), valsheid in geschriften en gebruik (tenlastelegging H in zaak I).

Het strafonderzoek draait rond de Belgische groepering Sharia4Belgium, waarbij vastgesteld werd dat alle leidende figuren, met uitzondering van eerste beklaagde en alle leden van de harde kern van deze organisatie vertrokken zijn naar Syrië en aansluiting vonden bij respectievelijk Jabhat Al-Nusra en Majlis Shura Al-Mujahidin, die een gewapende strijd voeren in Syrië

3.1. Wat betreft de terroristische groep (tenlasteleggingen A en D in zaak I, tenlastelegging A in zaak II en tenlastelegging A in zaak III)

3.1.1 Wat betreft de bevoegdheid van de rechtbank

Door beklaagden werd opgeworpen dat ze niet veroordeeld kunnen worden voor terroristische misdrijven, omdat er toepassing dient gemaakt te worden van de uitsluitingsgrond van art. l4lbis Sw. Art. l4lbis Sw. bepaalt: "Deze titel is niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch op handelingen van de strijdkrachten van een Staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voor zover die handelingen onderworpen zijn aan andere bepalingen van het internationaal recht".

Het internationaal humanitair recht omvat verschillende internationale verdragen, maar in deze context zijn de vier Conventies van Genève van 1949 van toepassing en de aanvullende protocollen van 1977. Het Eerste Aanvullende Protocol is van toepassing op internationaal gewapende conflicten en het Tweede Aanvullend Protocol is van toepassing op intern gewapende conflicten. Sommige beklaagden werpen op dat de handelingen die gesteld werden in België onlosmakelijk verbonden zijn met de handelingen die gesteld werden in Syrië. Daarnaast werd door beklaagden gesteld dat het conflict in Syrië een intern gewapend conflict is, waarop het internationaal humanitair recht van toepassing is, zodat toepassing dient gemaakt te worden van de uitsluitingsgrond van art. l4lbis Sw. Beklaagden argumenteerden bovendien dat het Tweede Aanvullend Protocol niet van toepassing is, aangezien Syrië geen partij was bij dit Protocol.

Dit heeft tot gevolg dat mogelijke schendingen van het internationaal humanitair recht (bvb aanvallen op burgers)

groeperingen tegen elkaar strijden. Het Gemeenschappelijk artikel 3 definieert 'gewapende conflicten' niet, maar heeft wel enkele criteria vooropgesteld:

De partijen bij het conflict moeten zich onderscheiden van de burgerbevolking en moeten minimaal een zekere organisatie- en commandostructuur hebben.

De gewapende conflicten moeten een minimumintensiteit hebben.

De duur van het conflict is een belangrijk element.

Het Gemeenschappelijk artikel 3 is dus niet van toepassing bij interne onrust, zoals bij opstanden en sporadische gewelddadige handelingen, maar zo kan het Syrisch conflict moeilijk omschreven worden.

Art. I4Ibis Sw. spreekt uitdrukkelijk over "strijdkrachten" .... zoals gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht".

Op basis van het internationaal humanitair recht dienen strijdkrachten beschreven te worden als georganiseerde strijdkrachten, groepen en éénheden die onder een soort "militair" bevel staan, dat verantwoordelijk is voor het gedrag van zijn ondergeschikten. Er dient een krijgstuchtrechtelijk systeem te bestaan dat ervoor kan instaan dat deze "strijdkrachten" het internationaal humanitair recht kunnen naleven.

Ze moeten over een verantwoordelijk bevel beschikken, herkenbaar zijn van op afstand, openlijk de wapens dragen en de wetten en de gebruiken van oorlog respecteren.

De belangrijkste vraag die in casu dient opgelost te worden is: "Dienen beklaagden die zich hebben aangesloten in Syrië bij groepen die vallen onder de organisaties Jahbat Al-Nusra en Majlis Shura Al Mujahadin beschouwd te worden als strijdkrachten overeenkomstig het internationaal humanitair recht?"

De zekere organisatie- en commandostructuur met een verantwoordelijk bevel zijn cruciaal in het internationaal humanitair recht. Zo dient deze commandostructuur en duidelijk bevel ervoor te zorgen dat haar leden in staat zijn om het humanitair recht na te leven. Daarnaast dient er een duidelijk bevel te zijn, zodat er ook daadwerkelijk verantwoordelijken kunnen aangeduid worden wanneer er oorlogsmisdaden worden gepleegd. Er moet zelfs een identificeerbare leiding zijn, die ter verantwoording kan geroepen worden. De rechtbank komt tot het besluit dat de uitsluitingsgrond van art. I4Ibis Sw niet van toepassing is op beklaagden en dit om de volgende twee redenen:

Ten eerste vindt de rechtbank bij de concrete groepen waartoe beklaagden behoorden geen zekere organisatie- en commandostructuur met een duidelijk bevel en identificeerbare en verantwoordelijke leiding terug.

Ten tweede stelt de rechtbank vast dat de organisaties Jahbat Al- Nusra en Majlis Shura Al Mujahidin en hun leden niet in staat zijn om het internationaal humanitair recht na te leven.

3.1.1.1 Wat betreft het ontbreken van een organisatie- en commandostructuur met een duidelijk bevel

Beklaagden, afkomstig van de groepering Sharia4Belgium sloten zich aan bij twee groepen, die gelinkt kunnen worden aan Jahbat Al-Nusra en Majlis Shura Al Mujahidin,

Deze groepen moeten een duidelijke organisatie- en commandostructuur hebben met een duidelijk identificeerbaar bevel om als strijdkrachten beschouwd te worden. Een duidelijke organisatiestructuur betekent dat er een zekere vorm van hiërarchie moet zijn, dat men in staat moet zijn om een zekere militaire strategie op te zetten en het commando moet gekend en identificeerbaar zijn.

Wat betreft de groep gelinkt aan Majlis Shura Al Mujahidin

Verschillende beklaagden kwamen terecht bij een groep die toebehoort aan Majlis Shura Al Mujahidin, Hun groep bestond uit enerzijds de "Mujahireen (zijnde de Europese groep bestaande uit voornamelijk Belgen en Nederlanders) en anderzijds de "Ansars" zijnde mensen van Arabische origine. De Europese groep bestond slechts uit een 35-40-tal jongeren. De Arabische groep uit een 15 tot 20-tal personen.

Uit het strafdossier, de afgeluisterde telefoongesprekken en de verklaringen van teruggekeerde Syriërsstrijders blijkt dat er weinig structuur was en dat ze zich voornamelijk bezighielden met hun strijd tegen de ongelovigen. Zo werden voornamelijk hinderlagen gelegd, waarbij burgers werden overvallen en ontvoerd werden voor losgeld en zelfs verkracht werden. Wanneer het losgeld niet betaald werd, werden sommige gijzelaars gedood met een kogel of door onthoofding. Bovendien blijkt uit het strafdossier dat leden van Majlis Shura Al Mujahidin hun wapen niet altijd openlijk dragen, zoals verplicht is conform het internationaal humanitair recht, want verschillende leden zetten zich in als zelfmoordterrorist. Hun leider is niet identificeerbaar. Hij noemt zichzelf A.A., maar niemand weet wat zijn echte identiteit is. Het is duidelijk dat beklaagden behoorden tot een groep van personen, die onvoldoende georganiseerd waren, om zware militaire acties op te zetten en zich voornamelijk bezig hielden met plunderingen, banditisme, willekeurige vrijheidsberovingen en willekeurige executies en waarvan de niet-identificeerbare leider bovendien niet in staat is zijn leden aan te zetten tot het naleven van het internationaal humanitair recht.

Er is een onvoldoende commandostructuur aanwezig met hoofdkwartier, een generale staf of een hoog commando, identificeerbare graden en functies.

Het bestaan van een intern disciplinair systeem om het internationaal humanitair recht na te leven ontbrak volledig. Zij kunnen onmogelijk beschouwd worden als "strijdkrachten" in de zin van art. I4Ibis Sw.

Wat betreft de groep gelinkt aan Jahbat Al-Nusra

Dit is een grote groep van gewapende rebellen die een wereldwijde islamitische staat nastreven en het Syrisch intern conflict ver willen overstijgen.

Ze zijn verantwoordelijk voor bijna 600 aanslagen, waarvan meer dan 30 zelfmoordaanslagen. Zelfmoordaanslagen zijn aanslagen waarbij de wapens niet openlijk gedragen worden en de leden niet kunnen herkend worden, wat echter een voorwaarde is binnen het internationaal humanitair recht om te spreken over "strijdkrachten".

Zij houden zich niet bezig met militaire acties in de zin van het internationaal humanitair recht maar met (internationale) terroristische daden: zoals zelfmoordaanslagen, plunderingen, banditisme, willekeurige executies, moord en doodslag. Dit zijn duidelijk terroristische misdrijven in de zin van art. 137 Sw. Ze hebben geen identificeerbare leider. Hun zogenaamde leider is iemand die alleen gekend is onder zijn oorlogsnaam: "A. M. A.J., geboren tussen 1975 en 1979" en die mogelijk van Syrische afkomst zou zijn. Er is duidelijk geen verantwoord commando actief en de leden van Jahbat Al Nusra krijgen via hun hiërarchie of "militaire structuur" geen discipline opgelegd om de noodzakelijke en fundamentele verplichtingen van het internationaal humanitair recht na te leven.

Er is een onvoldoende commandostructuur aanwezig met hoofdkwartier, een generale staf of een hoog commando, identificeerbare graden en functies.

Ook hier kan er geen sprake zijn van "strijdkrachten" conform art. 141bis Sw.

3.1.1.2 Wat betreft het niet in staat zijn van het naleven van het internationaal humanitair recht

De rechtbank stelt vast dat de leden van Sharia4Belgium (zoals hierna nog zal blijken), alsook de groeperingen Jahbat Al-Nusra en Majlis Shura Al Mujahadin niet in staat zijn het internationaal humanitair recht na te leven.

Zij zijn allemaal aanhangers van de gewelddadige salafistische jihadistische beweging. Zij streven met geweld naar de (volgens hun) "zuivere leer van de Islam". Zij binden de gewelddadige strijd aan met alle ongelovigen (kuffar). Hieronder vallen eveneens de Sjiietische moslims. Zij strijden voor het wereldwijd invoeren van de sharia en strijden voor een totalitaire islamitische staat (het kalifaat genaamd). Zij zijn van oordeel dat democratie, rechtstaat, mensenrechten niet verzoenbaar zijn met de sharia, dat volgens hun gebaseerd is op de enige goddelijke leer. In dat opzicht verwerpen zij elk internationaal verdrag inzake mensenrechten of internationaal humanitair recht. J ahbat Al-Nusra en Majlis Shura Al Mujahidin behoren tot het internationaal terroristisch netwerk van Al Qaeda.

Uit het strafdossier en specifiek de verklaringen hierin afgelegd, alsook de analyse van de inhoud van de afgeluisterde gesprekken blijkt ondubbelzinnig dat deze organisaties ontvoeringen voor losgeld, onthoofdingen, slavernij van de zogenaamde "kuffars" volledig gerechtvaardigd vinden en dat dit hoort tot hun dagelijkse praktijk.

Hun strijd tegen het Syrische regime is een strijd die gevoerd wordt tegen alle ongelovigen (inclusief de sjiietische moslims), tegen democratie, mensenrechten en humanitair recht.

In dat opzicht blijkt ondubbelzinnig dat de leden van deze groepen niet in staat zijn en ook niet willen in staat zijn om het internationaal humanitair recht, dat ze zelfs verwerpen, na te leven.

3.1.2. Terroristische groep

Art. 139, eerste lid Sw: "Een terroristische groep is iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die sinds enige tijd bestaat en die in onderling overleg optreedt om terroristische misdrijven te plegen".

De terroristische misdrijven worden omschreven in art. 137 Sw.: ''Als terroristisch misdrijf wordt aangemerkt het misdrijf bepaald §§ 2 en 3 dat door zijn aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden en opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te jagen of om de overheid of een internationale organisatie op een onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling, of om politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen".

In art. 137 § 2 en 3 Sw. wordt een opsomming gemaakt van de ernstige misdrijven die in de context van art. 137 § 1 Sw. als terroristische misdrijven worden beschouwd. Art. 140 § 1 Sw. bepaalt dat iedereen die deelneemt aan enige activiteit van een terroristische groep, zij het door het verstrekken van gegevens of materiële middelen aan een terroristische groep of door het in enigerlei vorm financieren van enige activiteit van een terroristische groep, lid is van een terroristische groep. Naast de leden zijn er ook de leidinggevende personen in de terroristische groep die zich strafbaar stellen.

Met betrekking tot tenlastelegging A en D in zaak I en tenlasteleggingen A in zaak II en tenlastelegging A in zaak III, dient de rechtbank zich de vraag te stellen of Sharia4Belgium en/of de groeperingen in Syrië: Jabhat Al- Nusra en Majlis Shura Al-Mujahidin kunnen beschouwd worden als een terroristische groep overeenkomstig art. 139, eerste lid Sw.

Met betrekking tot de feiten die gepleegd werden in Syrië stelt zich geen probleem aangaande de territoriale bevoegdheid, gelet op art. 6,1 °,1 ter VTSv aangezien de Belgische rechtbanken bevoegd zijn ten aanzien van: "Iedere Belg of ieder persoon die in België een hoofdverblijfplaats heeft, wanneer hij zich buiten het grondgebied van het Rijk schuldig maakt aan een terroristisch misdrijf". Over de territoriale bevoegdheid werd geen betwisting gevoerd door beklaagden.

3.1.2.1 Is Sharia4Belgium een terroristische groep overeenkomstig art. 139, eerste lidSw.?

Door een aantal beklaagden werd een discussie ontwikkeld omtrent de wetswijzigingen die voorzien werden in het strafwetboek, naar aanleiding van gewijzigde Europese wetgeving, en die pas op 14 maart 2013 in werking traden. Er wordt opgeworpen dat het legaliteitsbeginsel werd geschonden.

De rechtbank stelt vast dat beklaagden niet vervolgd worden op basis van de nieuwe wetgeving, maar op de toen bestaande wetgeving, die tot op heden ook nog steeds de strafbaarstelling voorzien. Bepaalde feitelijke gedragingen worden in de nieuwe wetgeving uitdrukkelijk strafbaar gesteld. Dit betekent echter niet dat deze feitelijke gedragingen die samen bekeken worden met andere feitelijke gedragingen, geen aanleiding kunnen zijn om de misdrijven die voorzien werden onder tenlasteleggingen A en D bewezen te verklaren.

En zelfs indien deze feitelijkheden (zoals het werven voor terrorisme) voor één van de in art. 137 en 140 bedoelde misdrijven, in casu weerhouden wordt, betekent dit niet dat deze feiten voor de inwerkingtreding van de wet niet strafbaar waren. Het gegeven dat bij voormelde wet een aantal nieuwe strafbare feiten expliciet worden ingevoerd leidt niet automatisch tot het besluit dat deze gedragingen voordien niet strafbaar konden worden gesteld onder de toen bestaande Belgische strafwetgeving.

Ontstaan van Sharia4Belgium

Eerste beklaagde ging in 2010 (jaar van de oprichting) samen met dertiende beklaagde en drieënveertigste beklaagde voor enkele dagen naar een moskee in Londen.

In Groot-Brittannië was een moslim prediker A.C. actief als feitelijke leider van een jihadistische salafistische beweging ISLAM4UK.

In januari 2010 kondigde hij in de media aan dat hij van plan was om in België een afdeling op te bouwen van zijn beweging.

Nauwelijks twee maanden later, richtte eerste beklaagde samen met negende beklaagde Sharia4Belgium op.

De vereniging had een vaste ontmoetingsplaats te Antwerpen, Dambruggestraat 117 (voorheen was dat te Antwerpen Somméstraat 9).

Sharia4Belgium werd opgeheven op 7 oktober 2012.

Is Sharia4Belgium een gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die sinds enige tijd bestaat?

Hierover kan op basis van het strafdossier geen discussie bestaan.

Alleszins is Sharia4Belgium een gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die sinds enige tijd bestaat. Dit blijkt duidelijk uit het strafonderzoek, onder meer de afgeluisterde gesprekken, de onderschepte groepssms'en, de observaties op het pand in de Dambruggestraat, de interventie van de lokale politie op 29 januari 2012 (waarbij een activiteitenschema werd teruggevonden) en diverse verklaringen van leden van Sharia4Belgium.

Uit deze onderzoeksdaden blijkt dat Sharia4Belgium een hiërarchische structuur heeft, waarbij een "bevelhebber" of "amir" aan het hoofd staat van een adviesraad. De rechtbank verwijst in het bijzonder naar het afgeluisterd gesprek van 10 mei 2012 tussen eerste beklaagde en elfde beklaagde.

Daarnaast zijn er een aantal leidinggevende figuren en een harde kern van personen die op zeer regelmatige basis en op gestructureerde wijze de lessen, lezingen en trainingen van de organisatie volgden en actief deelnamen aan private en publieke bijeenkomsten van de organisatie. Verschillende onder hen waren ontvanger van groeps-sms'en, waarbij specifieke boodschappen, mededelingen of aansporingen werden verstuurd. Opvallend blijkt uit de verschillende groeps-sms'en dat de leden verplicht werden tot het volgen van lessen en lezingen, waarbij aanwezigheidslijsten werden bijgehouden en bij veelvuldige afwezigheden werden er sancties opgelegd.

Op het ogenblik dat eerste beklaagde werd aangehouden, blijkt duidelijk dat verschillende personen zoals negende beklaagde, tiende beklaagde en elfde beklaagde specifieke leidinggevende taken op zich namen binnen de organisatie van Sharia4Belgium.

Trad men in Sharia4Belgium in onderling overleg om terroristische misdrijven te plegen?

Art. 139, eerste lid Sw. bepaalt niet dat de terroristische misdrijven, overeenkomstig art. 137 Sw., reeds gepleegd moeten zijn. Het is voldoende dat de groep de intentie heeft om ooit terroristische misdrijven te plegen in België of het buitenland. Het moet het doel zijn van de groep.

Uit de analyse van de website van Sharia4Belgium en de audio-visuele bestanden die gepost werden, alsook uit de afgeluisterde gesprekken, de verklaringen afgelegd door diverse leden van deze organisatie en de figuren waardoor zij zich lieten inspireren, blijkt dat Sharia4Belgium als doel had om vanuit de ideologie van het gewelddadig jihadistische salafisme bestaande politieke regimes met geweld omver te werpen en te vervangen door een kalifaat of totalitaire islamitische staat, waarbij alleen de islamitische wetgeving of de sharia telt. Zij komen uit de Soenitische tak van de islam.

Zij voeren een zogenaamde heilige oorlog tegen de vijanden van de islam.

Ze gaan uit van de goddelijke almacht en van een eenzijdig vijandbeeld. Zo zijn niet alleen de ongelovigen (de kuffar) vijanden, maar ook andere moslims bvb de Sjiieten. Ook hier kan duidelijk verwezen worden naar de inhoud van diverse lezingen, audio-visuele bestanden en de inhoud van afgeluisterde gesprekken.

De gewapende strijd, zijnde de gewapende jihad, is volgens hun een religieuze verplichting voor elke moslim. Deze gewapende strijd heeft als doel de invoering van een totalitaire islamitische staat, waar geen plaats is voor democratie, aangezien een democratisch systeem strijdig is met de sharia.

Eerste beklaagde wijst er op dat er verschillende vormen van jihad zijn (in totaal een achttal). Ten onrechte houdt eerste beklaagde voor dat hij en/ofSharia4Belgium zich uitsluitend bezig hielden met de jihad van het woord.

In het bijzonder kan hier verwezen worden naar de video: "Tot welke groep behoor je?", waarin de eerste 7 groepen van Jihad afdoet als moslims die niet de juiste ideologie aanhangen en dat hij hoopt dat hij en Sharia4Belgium tot de achtste groep behoren, zijnde de "Salafiyya Jihadiyya". Hij zet duidelijk aan tot toetreding tot het gewelddadig jihadisalafisme en dus tot de gewapende strijd. Bovendien blijkt hetzelfde uit wat hieronder wordt bepaald. De rechtbank zal hieronder een opsomming geven van die elementen, waaruit blijkt dat Sharia4Belgium tot doel had een gewapende strijd te voeren, dus het plegen van terroristische misdrijven overeenkomstig art. 137 Sw. Het "optreden in onderling overleg" betekent dat er een zekere vorm van coördinatie en coherentie moet zijn in de handelingen. Hiervoor verwijst de rechtbank eveneens naar wat hieronder wordt bepaald, onder meer met betrekking tot specifiek de gewelddadige acties die werden gepleegd in België, de diverse lezingen en bijeenkomsten, waar duidelijk over deze gewapende strijd (terroristische misdrijven) werd gesproken (zoals dit onder meer blijkt uit de verklaring van vierde beklaagde) en de georganiseerde wijze waarop beklaagden naar Syrië vertrokken.

Het is alleszins zo dat de invoering van de sharia via geweld en het afschaffen van de democratie een ernstige ontwrichting of vernietiging inhoudt van onze open samenleving.

Dat Sharia4Belgium als doel had het voeren van een gewelddadige gewapende strijd in België en/ofhet buitenland, waarbij de democratieën omvergeworpen worden (plegen van terroristische misdrijven) blijkt uit de hiernavolgende elementen:

[a.] de via de website van Sharia4Belgium of aanverwante Youtubekanaal, verspreide ideologische basisteksten en video's.

Zo kan er verwezen worden naar de introductietekst "Wie zijn wij?" en onder meer de video's: "Tot welke groep behoor je?", "Wees een mujahid", "Mohammed IBN Abdullah Strijder en Mujahid", "Laat Ahlu Sunna in Syrië niet in de steek"

Uit deze teksten en audio-visuele bestanden blijkt duidelijk dat eerste beklaagde en zijn organisatie de gewapende jihad nastreven. Ze vereren O.B.L. (beschouwd als de "Grote Hervormer") en Al Qaeda. Eerste beklaagde en Sharia4Belgium verheerlijken het martelaarschap ten gevolge van de gewapende strijd. De gewapende strijd en het gebruik van geweld is goed voor de oprichting van een islamitische staat en wordt gerechtvaardigd vanuit de verering van Allah.

[b.] de internationale contacten van Sharia4Belgium.

~ S.A.M.A.M. Tijdens het strafonderzoek werd een "letter of support" teruggevonden van A.M. Deze laatste is een zeer invloedrijke theoreticus van de gewapende strijd. Hij gold als ideologische mentor van A.Z., een vroegere leider van Al Qaeda in Irak.

In deze "letter of support" wordt voorgesteld om niet te snel over te gaan tot gewelddadige acties in hun land van verblijf omdat de organisatie nog te zwak is en niet in staat is om het conflict te winnen. Hij raadt wel aan om strijders in gewapende conflicten, de zogenaamde mujahideen te ondersteunen. De steun van Sharia4Belgium aan de mujahideen kan gebeuren via gebed, via financiële steun of via het uitsturen van strijders. Dit laatste is uiteindelijk ook gebeurd.

~ O.B. Leden van Sharia4Belgium stonden in verbinding met de Jihadistische salafistische ideoloog O.B. Uit het strafdossier blijkt dat O.B. door een militaire rechtbank in Libanon veroordeeld was tot een levenslange gevangenisstraf wegens terroristische activiteiten en dat dit later werd omgezet in een huisarrest.

Zo blijkt uit de reisbewegingen van dertiende beklaagde, (die één van de eerste (leidende) figuren was binnen Sharia- 4Belgium) en zijn Facebook-account dat hij reeds in 2010 afreisde naar Libanon en aldaar verschillende maanden verbleef en contacten had met O.B. Volgens een nota van de Veiligheid van de Staat zou hij in Libanon niet enkel een theoretische opleiding, maar ook een fysieke training hebben ondergaan.

Uit het telefonie-onderzoek blijkt dat dertiende beklaagde ook in 2012 tweemaal afreisde naar Libanon, waarna hij in augustus 2012 (als de eerste van Sharia4Belgium) afreisde naar Syrië om deel te nemen aan de gewapende strijd.

~ A.C. Cis een jihadi salafistische-ideoloog en bezieler van ISLAM4UK. Via Paltalk werden er wekelijks lezingen en lessen gegeven door C aan de leden van Sharia4Belgium. Opvallend is dat hij en zijn organisatie actiever werden op het ogenblik dat eerste beklaagde aangehouden werd.

~ A-A.A. Hij was een jihadistische salafistische ideoloog en inspirator van de terroristische organisatie AQAP in Jemen. Hij werd op 30 september 2011 gedood bij een drone-aanval door de Amerikanen.

Hij kan in verband gebracht worden met verschillende terroristische aanslagen:

De twee terroristen die het vliegtuig kaapten dat op het Pentagon vloog, volgden de preken van A-A in de moskee San Diego.

Er was email-contact tussen A-A en majoor M.M.H. Deze laatste doodde in 2009 13 mensen en maakte verschillende gewonden bij een aanslag in een Amerikaanse militaire basis.

Ook de Underwearbomber, Time Square bombing en de terreurdaders van de aanslagen in Londen waren aanhangers van deze prediker.

Uit de verklaring van vierde beklaagde blijkt dat er regelmatig geluisterd werd naar de lezingen van A.A-A Deze lezingen waren de meest populaire lezingen en hij gaf toe dat A.A opriep tot de gewapende strijd.

De terroristische organisatie AQAP in Jemen (Al Qaeda in the Arabian Peninsula).

Op 6 maart 2012 vertrokken veertiende beklaagde, dertiende beklaagde, twintigste beklaagde en zesentwintigste beklaagde naar Egypte.

Op 13 april 2012 werden veertiende beklaagde en twintigste beklaagde gearresteerd in Jemen op verdenking van terrorisme. Uit een nota van de FBI en een nota van de Veiligheid van de Staat blijkt dat zij zich wilden aansluiten bij AQAP in Jemen. AQAP is een tak van Al Qaeda, die actief is in Jemen en Saoedi-Arabië. Eerste beklaagde beweerde dat veertiende en twintigste niets te maken hebben met Sharia4Belgium. Het is echter opvallend dat bij hun arrestatie in Jemen eerste beklaagde contact opnam met zesentwintigste beklaagde en dat hij contact opnam met een zekere "A.I.". Zij spraken erover, om naar aanleiding van de arrestaties in Jemen, alles weg te doen en heel het appartement nog eens te doorzoeken.

Bij zijn terugkeer, na zijn vrijlating, heeft veertiende beklaagde diverse telefonische contacten met verschillende leden van de harde kern van Sharia4Belgium.

c. de georganiseerde indoctrinatie van jongeren

Uit diverse verklaringen afgelegd in het strafdossier, de analyse van teksten, briefwisseling en audio-visuele bestanden, blijkt duidelijk dat eerste beklaagde samen met andere leidinggevende figuren, Belgische jongeren indoctrineren met de gewelddadige jihadistische en salafistische doctrine.

Door de verplichte lezingen, lessen en fysieke trainingen, waarbij afwezigheden werden genoteerd en zelfs examens werden afgenomen, werden jongeren mentaal en fysiek volledig voorbereid voor de gewapende strijd.

De wekelijkse terugkerende Paltalk lessen van C, de lezingen en lessen van de charismatische leider B, de lezingen en preken over de gewelddadige strijd van A.A-A, het verheerlijken van het martelaarschap, de video's over de gewelddadige jihad en zelfs video's waar iemand onthoofd werd (zie verklaring van vijfde beklaagde) indoctrineren deze jongeren volledig.

Bovendien werden ze geleidelijk aan geisoleerd uit hun vertrouwde omgeving. Uit de verschillende verklaringen van familieleden en inlichtingen die men ingewonnen heeft over de verschillende beklaagden, blijkt dat deze jongeren, na kennismaking met Sharia4Belgium, volledig veranderen met betrekking tot hun mentaliteit en hun kleding. Ze werden verplicht meermaals te bidden, sim-kaarten werden doorgeknipt, ze dienden te functioneren binnen een strakke hiërarchische structuur, ze stopten met school of werk, ze lieten hun baard groeien en dienden specifieke kleding te dragen, ze kregen een nieuwe naam (Abu ... ), men moeide zich met de keuze van de huwelijkspartner of het huwelijksfeest, ze dienden gelden af te geven, ...

Het ging zelfs zo ver dat eerste beklaagde vijfde beklaagde begeleidde als vertrouwenspersoon bij een procedure voor de jeugdrechtbank.

Uit een verklaring van vierde beklaagde blijkt dat ten gevolge van deze verschillende lezingen, lessen en indoctrinatie verschillende jongeren bij Sharia4Belgium voorstander waren geworden van zelfmoordaanslagen.

Vijfde beklaagde verklaarde: "Onder invloed van Sharia4Belgium en vooral Belkacem word je meegezogen in de ideeën die hij naar voorbrengt.

Ik heb eerder gezegd dat het lijkt alsof ze een spuit in je arm steken en je volledig opgezogen wordt door de organisatie en hun ideeën ... "

Hij verklaarde verder over de gekozen filmpjes met betrekking tot de gewelddadige jihad: ''Achteraf bekeken zou je kunnen zeggen dat Sharia4Belgium de mentale voorbereiding was op de jihad in Syrië ... " Derde beklaagde voelt zich eveneens psychologisch misbruikt door Sharia- 4Belgium.

De rechtbank verwijst tenslotte nog naar:

De audio-visuele bestanden en de verklaringen van vierde beklaagde waaruit het constant verheerlijken blijkt van het martelaarschap door eerste beklaagde, waardoor ze hun eeuwig leven kunnen waarborgen in het paradijs voorzien van de nodige maagden. Eerste beklaagde wees zijn volgelingen erop "als martelaar sterven tijdens de jihad" een individuele verplichting was voor elke moslim. Ook na de arrestatie van werd dit martelaarschap via audiovisuele bestanden aangeprezen.

De rechtbank verwijst verder naar de verklaringen van vierde beklaagde en vijfde beklaagde over de invloed van Sharia4Belgium en eerste beklaagde hierin.

De rechtbank verwijst ook naar de diverse brieven die door zijn "volgelingen" werden geschreven en die tijdens de huiszoeking werden teruggevonden. Uit de inhoud van deze brieven aan eerste beklaagde blijkt dat verschillende leden daadwerkelijk geloven in het stichten van een islamitische staat en de invoering van de sharia in België.

De rechtbank verwijst tenslotte naar een toespraak die eerste beklaagde en anderen van Sharia4Belgium gaven aan jongeren rond de 15 jaar, waarbij hun ouders en het onderwijssysteem op de korrel werden genomen.

Uit de verschillende filmpjes blijkt inderdaad dat eerste beklaagde een éénzijdig vijandbeeld probeerde te creëren ten opzichte van niet-moslims en moslims die onvoldoende zijn leer volgden, hij meed geen oorlogszuchtige taal en hij pleitte voor de gewapende gewelddadige jihad en de gewelddadige implementatie van het kalifaat en de sharia met een duidelijk anti-democratische taal. Hij is voorstander van een totalitaire religieus regime. De sharia spoort aan tot de zuivere islam en de zuivere islam nodigt, volgens hem, uit tot de gewelddadige jihad.

d. recrutering van jongeren voor de gewapende strijd.

Op basis van het strafdossier kan men niet voorhouden dat Sharia4Belgium niets te maken heeft met het vertrek van de vele jongeren naar Syrië.

Gelet op de chronologie van de vertrekkers, zoals vastgesteld in het strafdossier, waarbij de leidinggevenden eerst vertrekken, gevolgd door de rest van de actieve leden kan niet anders dan afgeleid worden dat dit een georganiseerd vertrek was van de verschillende leden van Sharia4Belgium.

Gelet op de verklaringen afgelegd in het strafdossier en de afgeluisterde telefonische gesprekken blijkt overduidelijk dat zowel hun vertrek als hun aankomst in Syrië duidelijk georganiseerd en gestructureerd waren. Ze werden opgevangen in Syrië en kwamen zonder al te veel problemen en omwegen terecht bij Jabhat Al-Nusra en Majlis Shura Al-Mujahdin, waarbij ze onmiddellijk verder voorbereid en ingeschakeld werden in de gewelddadige strijd. Hieruit blijkt dat Sharia4Belgium zich effectief inschakelde in de gewapende strijd.

Dertiende beklaagde was de eerste die vertrok naar Syrië. Hij was degene die de voorbereidende reizen deed naar Libanon en contacten onderhield met O.B. Het was duidelijk dat Sharia4Belgium de gewapende strijd tot doel had. Dit moest niet Syrië zijn. Dit blijkt uit de reis van veertiende beklaagde en twintigste beklaagde naar Jemen, waarbij men aansluiting trachtte te vinden bij de Al Qaeda terreurgroep AQAP.

Uiteindelijk blijkt uit de chronologie dat men het advies van A.M. duidelijk opvolgt met betrekking tot het uitsturen van strijders.

Opvallend is ook een filmpje dat gepost werd op 7 juni 2012 op de website van Sharia4Belgium met als titel: "Nasiesha (goed bedoeld advies) van onze Abu Imran vanuit de gevangenis". In het filmpje leest tiende beklaagde een brief voor die eerste beklaagde had geschreven vanuit de gevangenis aan zijn broeders. Het filmpje sluit af met een screenshot "Support our troops", geflankeerd door een kalashnikov en gekruiste zwaarden.

Op 20 augustus 2012 vertrok dertiende beklaagde, gevolgd door de vele jongeren, afkomstig van Sharia4Belgium.

De rechtbank verwijst tenslotte naar de opvallende verklaring van vierde beklaagde dat er niet openlijk mocht gepraat worden over de jihad omdat ze bang waren voor verraders.

De rechtbank verwijst ook naar de diverse opvallende afgeluisterde telefoongesprekken:

In een afgeluisterd telefoongesprek zegt negende beklaagde tegen twaalfde beklaagde dat ze liever niet te veel zeggen aan de telefoon, waarbij er verder over Jemen werd gesproken,

Een afgeluisterd gesprek tussen negende beklaagde en vijfenveertigste beklaagde dat ze best niet in groep mogen gezien worden.

Een afgeluisterd gesprek tussen negende beklaagde en twaalfde beklaagde dat ze zich koest moeten houden, geen zijgevechten houden, maar zich dienen bezig houden met "de zaak".

Uit telefoongesprekken blijkt dat de leden zelf initiatief willen nemen.

e. de georganiseerde gewelddadige acties in België.

Hiervoor verwijst de rechtbank naar het niqabincident dat gevolgd werd door het theehuisincident, waarbij een politiecontrole leidde tot aanzienlijke en langdurige rellen. Een politiekantoor werd zelfs bestormd (zie tenlastelegging Bin zaak I). Op 15 december 2012 ontaardde een manifestatie gericht tegen de film "Innocence of Muslims" onder leiding van tiende beklaagde tot een strijdtoneel, waarbij 230 personen bestuurlijk werden aangehouden. Tiende beklaagde werd naar aanleiding van deze feiten veroordeeld.

Deze feiten zijn op zich onvoldoende om ze als terroristische misdrijven, overeenkomstig art 137 Sw., te omschrijven, maar ze zijn een duidelijke uiting van de terroristische doelstellingen van Sharia- 4Belgium, dat zich niet beperkte tot de zogenaamde "jihad van het woord".

3.1.2.2 Zijn de organisaties Majlis Shura Al Mujahidin en Jahbat Al-Nusra terroristische groepen?

Zoals hierboven reeds aangehaald behoren de groepen Majlis Shura Al Mujahidin en Jahbat Al-Nusra, binnen de incriminatieperiode, tot het wereldvertakte terroristisch netwerk van Al Qaeda.

Zij voeren beiden een sektarische gewelddadige strijd tegen de Sjiieten en alle ongelovigen.

Zij houden zich bezig naast gewapende missies tegen het regeringsleger van de Syrische president B.A.A., met terroristische activiteiten, zoals het destabiliseren van de gebieden waar ze actief zijn en onrust zaaien onder de burgers. Zij houden zich bezig met banditisme, verkrachtingen, willekeurige executies, zelfmoordaanslagen, plunderingen, ontvoeringen voor losgeld, ...

Uit het strafdossier, meer bepaald de afgeluisterde gesprekken en verklaringen van teruggekeerde Syriëstrijders, blijkt duidelijk dat de verschillende beklaagden actief deelnemen aan terroristische misdrijven, zoals voorzien in art. 137 Sw. in Syrië. Jahbat Al-Nusra heeft zich aangesloten bij ISIS, het huidige IS. Op 30 mei 2013 plaatste de Verenigde Naties ISIS en Jahbat Al-Nusra op de lijst van terroristische groeperingen. Dit valt op het einde van de incriminatieperiode, maar is uiteraard gebaseerd op de gedragingen van de leden van deze organisaties in het verleden.

3.1.2.3 De band tussen Sharia4Belgium en de groepen Majlis Shura Al Mujahidin en Jahbar Al-Nusra.

Uit het strafdossier, de afgeluisterde telefoongesprekken en de diverse verklaringen van teruggekeerde Syriersstrijders, blijkt duidelijk dat alle leidinggevenden (met uitzondering van eerste beklaagde) en bijna alle actieve leden van Sharia- 4Belgium vertrokken zijn naar Syrië en zich hebben aangesloten bij één van de twee terroristische groepen actief in Syrië en dit onder invloed van de leer die verkondigd werd bij Sharia4Belgium in het algemeen en door eerste beklaagde in het bijzonder.

Ondanks dat Sharia4Belgium opgeheven werd, blijft deze organisatie feitelijk actief via haar verschillende leidinggevenden en actieve leden die zich in Syrië bevinden en zich openlijk bezig houden met terreurdaden. Uit verschillende verklaringen in het strafdossier en uit de afgeluisterde gesprekken blijkt dat het ronselen van Belgische jongeren voort gaat vanuit Syrië.

 

Men mag ook niet vergeten dat men niet zomaar belandt bij terroristische groepen met een duidelijk Al Qaeda-profiel zoals Jabhat Al-Nusra en Majlis Shura Al-Mujahidin, zonder dat er duidelijke contacten bestaan tussen Sharia4Belgium en deze organisaties.

Uit het feit dat de leidinggevenden en de actieve leden van Sharia4Belgium zich zo gemakkelijk inpassen in de gewelddadige en terroristische activiteiten van Majlis Shura Al-Mujahidin en Jabhat Al-Nusra, blijkt duidelijk hun eigen ingesteldheid met betrekking tot deze gewelddadige jihadistische sektarische strijd.

Het kan niet anders dan dat Sharia4Belgium wel degelijk logistieke steun heeft verleend (door onder meer de contacten via O.B. en de contacten ter plaatse en de voorbereidende handelingen van dertiende beklaagde om het de leden van Sharia4Belgium mogelijk te maken om naar Syrië te vertrekken en om ter plaatse zich onmiddellijk en zonder omwegen te laten aansluiten bij twee terroristische groepen. Het argument dat men Syrië wou bevrijden van president A. is slechts een klein stuk van het verhaal. Uit het strafdossier blijkt dat men een gewelddadige jihadistische salafistische strijd wilde voeren overal in de wereld, in éénder welk oorlogsgebied. De Syrische oorlog was een uitgelezen kans voor Sharia4Belgium om deze strijd in de praktijk te brengen.

3.1.3 De rol van de verschillende beklaagden met betrekking tot tenlasteleggingen A en D (in zaak I), tenlastelegging A in zaak II en tenlastelegging A in zaak III.

Voorafgaandelijk

Het louter lidmaatschap van een terroristische organisatie is niet strafbaar. Wanneer men echter enige activiteit uitvoerde voor de terroristische groep, al was het maar koken of chauffeur spelen in Syrië en wetende dat dit voor een terroristische groep was, maakt men zich strafbaar. Gelet op het feit dat beklaagden regelmatige de mentale en fysieke trainingen volgden in de Dambruggestraat, gelet op de actieve deelname aan de gewelddadige acties in België en gelet op de actieve deelname aan de gewelddadige strijd in Syrië, kan er geen twijfel over bestaan dat zij ervan op de hoogte waren dat zij deelnamen aan een terroristische organisatie, ook al beschouwden zij dit als een gerechtvaardigde strijd.

[ ... ]

3.2 Wat betreft tenlasteleggingen B en G (in zaakl)

Op 31 mei 2012 werd het commissariaat te Sint-Jans Molenbeek aangevallen door een dertigtal personen, waarbij vernielingen werden aangericht en men weerspannig was naar de politiediensten toe.

De feiten van tenlasteleggingen B en G zijn voldoende bewezen lastens eerste beklaagde, tiende beklaagde, twaalfde beklaagde, vijftiende beklaagde, achttiende beklaagde, negentiende beklaagde, vierendertigste beklaagde en vijfenveertigste beklaagde, gelet op de vaststellingen van de verbalisanten, de afgeluisterde telefoongesprekken en de analyse van de bewakingsbeelden.

Noch voor eerste beklaagde, noch voor vijftiende beklaagde is er sprake van non bis in idem, aangezien het om andere feiten gaat.

Tenslotte kan er ook geen sprake zijn van opslorping, aangezien de rechtbank niet kan vaststellen dat deze veroordelingen in kracht van gewijsde zijn getreden.

3.3 Wat betreft tenlastelegging C (in zaakl)

J.B. werd in Syrië van zijn vrijheid beroofd door de leden van een terroristische groep, waarbij hij geslagen werd en meermaals met de dood werd bedreigd. De feiten van de tenlastelegging C zijn voldoende bewezen lastens tiende beklaagde, elfde beklaagde, twaalfde beklaagde, vijftiende beklaagde, zeventiende beklaagde, tweeëntwintigste beklaagde, drieëntwintigste beklaagde, vierentwintigste beklaagde, zeventwintigste beklaagde, achtentwintigste beklaagde, éénendertigste beklaagde, tweeëndertigste beklaagde en de vierenveertigste beklaagde en dit gelet op de uitgebreide en geloofwaardige verklaring van J.B. en het medisch onderzoek door de gerechtsdeskundige J.

3.4 Wat betreft tenlasteleggingen Een F (zaak 1), Ben C (in zaak II) en Ben C (in zaak 111)

Op de verschillende data werden er audio-visuele bestanden gepost via facebookprofielen of Youtube-kanalen, waarbij aangezet werd om terroristische misdrijven te plegen, bedreigingen werden geuit naar specifieke personen en met terroristische aanslagen werd gedreigd in België. Deze feiten van de respectieve tenlasteleggingen zijn lastens de respectieve beklaagden bewezen, gelet op de vaststellingen van de verbalisanten, onder meer het onderzoek naar deze accounts, de verklaring van (zijn broer) R.K.B. en de verklaring van J.B.

3.5 Wat betreft tenlastelegging H

Deze tenlastelegging heeft betrekking op valsheid in geschriften, meer bepaald door het voorleggen van een attest en een lidkaart van Syran Arab Red Crescent om te doen geloven dat derde beklaagde niet deelnam aan de gewapende strijd maar aan humanitaire acties. Deze tenlastelegging is voldoende bewezen lastens derde beklaagde gelet op de vaststellingen van de verbalisanten, ondermeer met betrekking tot de echtheid van het document en de eigen verklaring van beklaagde, alsook de verklaringen van vierde beklaagde.

WAT BETREFT DE STRAFTOEMETING

De respectieve feiten vermengen zich in hoofde van de respectieve beklaagden als zijnde gepleegd zijnde met éénzelfde strafbaar opzet, zodat maar één straf dient opgelegd te worden.

De feiten zijn bijzonder ernstig. Beklaagden hebben zich tot doel gesteld om op een gewelddadige manier een totalitaire religieuze staat in te voeren waar ook ter wereld. Zij bestrijden de democratische verworvenheden en de mensenrechten en willen een einde stellen aan de rechtstaat en onze open samenleving. Ze hebben totaal geen respect voor andermans mening en het leven van de medemens. Een samenleving waarin verschillende bevolkingsgroepen met verschillende religieuze entiteiten moeten samenleven, kan niet opgebouwd worden of in stand worden gehouden door aan te zetten tot haat, bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten of door met geweld onrust en angst te zaaien onder de bevolking. Beklaagden willen zogenaamd het Syrisch dictatoriaal regime bestrijden, maar hun alternatief is minstens even verwerpelijk. In hun totalitaire islamitische staat is er geen enkele vrijheid, geen mensenrechten, geen plaats voor persoonlijke ontwikkeling, wetenschap of cultuur. Hun staat is gebaseerd op geweld en angst.

Ze komen zogezegd op voor de moslims wereldwijd, maar door hun daden brengen ze alleen maar nadeel toe aan de moslimgemeenschap.

Hun acties in Syrië zijn onmenselijk en totaal onaanvaardbaar en kunnen niet gerechtvaardigd worden als een strijd tegen een dictatoriaal regime. Zij brengen een onrust en angst onder de Syrische bevolking. Opvallend is dat men zo kritisch is over onze samenleving, maar wanneer er medische ingrepen dienden te gebeuren of om andere gezondheidsredenen, men vrij snel terugkeert voor een medische behandeling hier. De rechtbank zal bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin de feiten plaatsvonden, ieders aandeel, persoonlijkheid, leeftijd en strafrechtelijk verleden.

[ ... ]

BURGERLIJK

Wat betreft de burgerlijke partijstelling van de Politiezone 5340 Brussel-West

Deze burgerlijke partij leed schade ten gevolge van de feiten voorzien onder tenlastelegging B (in zaak I).

De vordering van de burgerlijke partij ten bedrage van 200.873,68 EUR is voldoende bewezen aan de hand van het strafdossier en de voorgelegde stukken en wordt dan ook toegekend.

Wat betreft de burgerlijke partijstelling van D.B.

Deze burgerlijke partij is de vader van vijfde beklaagde J.B.

Deze burgerlijke partij vordert een vergoeding van 1 EUR provisioneel materieel en moreel vermengd wegens de tenlasteleggingen A en C.

De rechtbank heeft begrip voor het verdriet dat een ouder heeft naar aanleiding van het vertrek van hun kinderen naar Syrië en het mogelijk gevaar dat zij daar lopen. Uit het strafdossier blijkt dat deze jongeren zwaar beïnvloed werden. Het blijft echter een bewuste keuze van deze jongeren om zich te scharen achter deze gewelddadige ideologie en het is ook hun eigen bewuste keuze geweest om te vertrekken naar Syrië. Door hun eigen betrokkenheid aan tenlastelegging, waarvoor ze ook veroordeeld werden, meent de rechtbank dat de morele schade en het oorzakelijk verband onvoldoende is bewezen.

De rechtbank wijst de vordering voor een materiële/morele schade op basis van tenlastelegging A af.

De burgerlijke partij leed wel schade tengevolge van de feiten van tenlastelegging C en de rechtbank zal hiervoor een onbenoemde provisie van 1 EUR toekennen.

Wat betreft de burgerlijke partijstelling van G.B.

Deze burgerlijke partij verklaart zich thans niet meer burgerlijk partij te stellen.

Wat betreft de burgerlijke partijstelling van O.R.V

Deze burgerlijke partij is de moeder van de achtendertigste beklaagde.

Zij vordert 7.000 EUR materiële schade en 3.000 EUR morele schade. De bedragen worden provisioneel gevorderd.

De rechtbank heeft begrip voor het verdriet dat een ouder heeft, naar aanleiding van het vertrek van hun kinderen naar Syrië en het mogelijk gevaar dat zij daar lopen. Uit het strafdossier blijkt dat deze jongeren zwaar beïnvloed werden. Het blijft echter een bewuste keuze van deze jongeren om zich te scharen achter deze gewelddadige ideologie en het is ook hun eigen bewuste keuze geweest om te vertrekken naar Syrië. Door hun eigen betrokkenheid aan de tenlastelegging, waarvoor ze ook veroordeeld werden, meent de rechtbank dat de morele

schade en het oorzakelijk verband onvoldoende is bewezen.

De rechtbank wijst de vordering voor een materiële/morele schade op basis van tenlastelegging A af.

Wat betreft de burgerlijke partijstelling van J.B.

J.B. stelt zich ten opzichte van de eerste, derde, negende tot en met de negentiende, de zevenentwintigste en achtentwintigste en vijfendertigste voor tenlastelegging A

De burgerlijke partij is mededader aan de feiten van tenlastelegging, zodat de burgerlijke partijstelling ongegrond is. Voor de feiten van tenlastelegging D vordert de burgerlijke partij een provisionele schade van 20.000 EUR (materieel en moreel vermengd).

Deze burgerlijke partij leed alleszins schade ten gevolge van tenlastelegging C. Er wordt een onbenoemde provisie toegekend van 5.000 EUR.

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK, [. .. ] VEROORDEELT

eerste beklaagde voor de vermengde feiten van tenlasteleggingen A.I., B. en G (zaak I):

tot een hoofdgevangenisstraf van TWAALF JAAR en tot een geldboete van VIJFDUIZEND EUR

[ ... ]

Noot: Eef Vandebroek, Sharia4belgium is een terroristische organisatie, NJW 2015/320, 289
 

Noot: 

Noot, Eef Vandebroeck, Recht op vrijemeningsuiting, NjW 321, 326:

De auteur stelt zich de kritische vraag of deze uitspraken inderdaad buiten de vrije meningsuiting vallen. De uitspraken kunnen volgens haar schokkend, verontrustend en kwetsend zijn maar volgens de vaste rechtspraak van het EHRM zéijn schokkende, verontrustende en zelfs kwetsende meningen niet strafbaar (J. DE WITTE en S. D’HULSTER, “Leve de meningen die schokken, verontrusten en kwetsen”, Orde van de Dag 2013, (34) 38).

De auteur verwijst ook naar de voorbereidende werken bij de totstandkoming van de antidiscriminatiewet: "Parl.St. Senaat 2001-02 nr. 2-12/15, p. 125: “de rechter die garant staat voor de individuele vrijheden […] zich zeer voorzichtig [zal] tonen en zich onthouden van veroordeling als er twijfel is”.

Ten deze dient evenwel opgemerkt dat de uitingen op de openbare weg werden aangebracht en aan een pitazaak. Dit roept pijnlijke herinneringen op met de affiches en opschilideringen van "ACHTUNG JUDEN" in het Duitsland van de jaren 30, mede waardoor haat en een klimaat werd geschapen met de gekende gevolgen.

Het nastreven van de bouw van een moskee is zeker niet strafbaar, er zich tegen verzetten evenmin. Maar een spandoek voor een synagoge plaatsen of bekladdent met de slogan "Joden buiten" is een strafbare daad. Vrije meningsuiting versus discriminatie, het blijft dansen op een slappe koord.  Helt de balans te veel over naar de vrije meningsuiting dan krijgen we in Europa onaanvaardbare uitspattingen zoals deze in de VS mogelijk zijn door het first amendment. Laten we de balans meer overhellen naar de bescherming van de burger tegen de kwetsende uiting van de andere, dan dreigt een verval naar een maatschappij waar normen en waarden opgelegd worden, naar een statische kritiekloze maatschappij, waarin impliciete of expliciete censuur bestaat.  

Aanzetting tot discriminatie onderscheidt zich van het uiten van meningen, verspreiden van (juiste of correcte) informatie of feiten, informatie, ideeën of kritiek, doordat het aanzetten tot discriminatie een 'aansporen omvat om iets te doen, dan wel geloofsovertuigingen tegen mekaar opzet, aanzet tot rassenhaat, aanstookt waardoor (grond)wettelijk gewaarborgde rechten, zoals de vrijheid van eredienst en de gelijkheid van de burgers in vraag worden gesteld en deze rechten door deze acties in het gedrang komen. De vrijheid van meningsuiting is geen onbegrensd recht. Deze vrijheid wordt begrensd door de rechten en grondwettelijke vrijheden van andere burgers en door de strafwet, waaronder de antidiscrimininatiewet.

De grondwettelijk gewaarborgde gelijkheid is geen economisch, of filosofisch egalitarisme. Er bestaan verschillen in behandeling en verschillen tussen mensen.

Van discriminatie is sprake wanneer door opzettelijke daad, met het bijzonder opzet om te discrimineren, een verschil in behandeling wordt nagestreefd dat niet objectief of redelijk verantwoord kan worden. (GwH 12 juli 1996, nr. 96/45, GwH 7 februari 2001, nr. 2001/10)

Over de precieze draagwijdte van het bijzonder opzet kan verwezen worden naar E. CLOOTS, "Het verspreidingsverbod in de nieuwe Antiracismewet en de vrijheid van meningsuiting: heiligt het doel alle middelen?", RW 2007-08, (1098) 1100-1101).

Voorbeelden:

“Holebi’s zijn niet mijn ding” is een niet strafbare meningsuiting. “Homo’s niet welkom” of “Homo’s buiten” behelst een aanzetten tot een daad en is strafbare discriminatie.

'Ik geloof in Jezus Christus, als enige god' is een een niet strafbare meningsuiting.
'Alle ongelovigen in een varkensstal!' is een strafbare meningsuiting.
'Wie de profeet afbeeldt verdient de dood' is een strafbare meningsuiting.

Moeilijker wordt het met 'eigen volk eerst'

“Eigen volk eerst” in de lezing dat er zoiets bestaat als een eigen volk en dat zij die niet tot dat eigen volk behoren tweede rangs-burgers zijn en aldus behandeld dienen te worden, dan wel dat het zogeheten eigen volk (op basis van huidskleur, godsdienst, kledij) voorrang verdient bij benoeming, huisvesting, onderwijs, sociale rechten, . is strafbaar racisme en discriminatie.

“Eigen volk eerst”, In de lezing van de loutere liefde en respect voor aloude tradities en het “heimatgevoel”, los van elk streven naar voorkeursbehandeling is een uitspraak die behoort tot de vrije meningsuiting.

Rechtsleer:

• S. SOTTIAUX en J. VRIELINK, "Eén arrest, vijf mijlpalen", Juristenkrant 2004, afl. 96, (4) 4).

• Jogchum Vrielinck, Islamofobie en recht een beangstigende combinatie, De juristenkrant 24 april 2013, pagina 3

• M. VAN NOOTEN, “Niet elke racistische belediging valt onder racismewet”, Juristenkrant 2002, alf. 52, (13) 13;

• T. VANDROMME, “Hoe ver reikt de strabaarstelling van de ntiracismewet? Waar stopt het strabaar racisme en beginnen de beledigingen?”, noot onder Gent 3 februari 2009, RW 2009-10, (455)
457;

• J. DE WITTE en S. D’HULSTER, “Leve de meningen die schokken, verontrusten en kwetsen”, Orde van de Dag 2013, (34) 38).

Rechtspraak:

Corr. Neufchàteau 11 december 1995, RRD 1996, 116;

Corr. Dendermonde 3 april 2007, RW 2007-08, 1120;

 

 

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 12/07/2015 - 13:10
Laatst aangepast op: do, 30/11/2017 - 11:32

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.