-A +A

Sekwester over de opengevallen nalatenschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 03/03/2016

De vordering tot aanwijzing van een sekwester over een nalatenschap wordt ingewilligd.

Een en ander gemotiveerd door de hoogdringendheid en een hangende afstammingsbetwisting die invloed heeft op de erfopvolging

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/15
Pagina: 
1112
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

MET

Mr. L. Volcke

advocaat met kantoor (…) in zijn hoedanigheid van sekwester zoals aangewezen bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde van 19 augustus 2015.

VERLEENT HET HOF HET VOLGENDE ARREST.

[…]

I. Beroepen vonnis
Bij vonnis van 10 december 2015 (…) gaat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, in op het door V.D. bij dagvaardingsexploot van 28 oktober 2015 ingestelde derdenverzet.

Op die manier maakt de voorzitter zijn eerdere beschikking van 19 augustus 2015 ongedaan. In die beschikking was de voorzitter ingegaan op het eenzijdige verzoekschrift van C.K. (van 18 augustus 2015) tot aanwijzing van een sekwester over het nalatenschapsvermogen van A.V.

C.K. beweert de zoon te zijn van A.V., mede in de lijn van een hangende procedure tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, die is onderbroken gelet op het tussengekomen overlijden van A.V. op 10 augustus 2014. Tot nader order is de nalatenschap van A.V. toegevallen aan zijn zus V.D.

De voorzitter motiveert de ongedaanmaking van de beschikking van 19 augustus 2015 in die zin dat er volgens hem geen reden was om hem als kortgedingrechter op eenzijdig verzoekschrift aan te spreken. De voorzitter ziet geen reden om in dezen ab initia een procedure op tegenspraak uit de weg te gaan.

De voorzitter verklaart de oorspronkelijke vordering van C.K. onontvankelijk.

De voorzitter veroordeelt C.K. tot de gedingkosten, met inbegrip van de reeds blootgestelde kosten van de sekwester.

(…)

II. Hoger beroep
1. (…)

Met zijn hoger beroep beoogt C.K., met hervorming van het beroepen vonnis, de afwijzing van het derdenverzet van V.D. en zodoende de bevestiging van de beschikking van 19 augustus 2015.

Minstens wil C.K., gelet op de sinds het derdenverzet op tegenspraak verlopende procedure, hoe dan ook een sekwester doen aanwijzen over het nalatenschapsvermogen van A.V., (…).

2. V.D. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis met ongedaanmaking van de beschikking van 19 augustus 2015.

V.D. wil minstens de actuele vordering tot aanwijzing van een sekwester doen afwijzen, (…).

(…)

Beoordeling
1. Het tijdig en regelmatig ingestelde hoger beroep van C.K. is ontvankelijk (art. 1051, 1056, 2° en 1057 Ger.W.).

(…)

2. Ten gronde slaagt het in die zin dat het hof, gelet op de thans verlopende procedure op tegenspraak, ingaat op de vordering tot aanwijzing van een sekwester.

3. Gelet op het derdenverzet van V.D. verloopt de procedure verder op tegenspraak (S. Raes, “Art. 1025 Ger.W.”, Comm.Ger. 1988, 3, nr. 3; S. Raes, “Art. 1034 Ger.W.”, Comm.Ger. 1988, 2, nr. 5).

Daar waar het hof de eerste rechter volgt in zijn beoordeling dat er in casu geen afdoende reden was om hem als kortgedingrechter op eenzijdig verzoekschrift aan te spreken en het veeleer was aangewezen om hem als kortgedingrechter bij dagvaarding op tegenspraak aan te spreken (art. 584 Ger.W.), leidt die beoordeling inderdaad tot de ongedaanmaking van de beschikking van 19 augustus 2015.

Anders dan de eerste rechter, gaat het hof evenwel, gelet op de thans verlopende procedure op tegenspraak, in op de vordering tot aanwijzing van een sekwester.

C.K. stelt (zoals hierna blijkt: terecht) urgentie voorop (met het oog op een procedure voor de kortgedingrechter bij dagvaarding op tegenspraak).

C.K. beoogt (zoals hierna blijkt: eveneens terecht) de aanwijzing van een gerechtelijke sekwester.

4. C.K. (°14 oktober 1987) is de zoon van M.C., die destijds was gehuwd met M.B.

M.C. en M.B. zijn korte tijd vóór de geboorte van C.K. definitief uit de echt gescheiden.

Het gewezen echtpaar C.-B. heeft vier gemeenschappelijke kinderen binnen het huwelijk, waarvan het laatste is geboren in 1982.

Het juridische vaderschap van M.B. (als ex-echtgenoot van de moeder) ten aanzien van C.K. (die na het huwelijk/de echtscheiding is geboren) is succesvol betwist gelet op een definitief vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde van 26 februari 1991.

Sindsdien heeft C.K. geen juridische vader.

5. C.K. voert aan dat A.V. zijn biologische vader is, gelet op seksueel contact met zijn (alsdan feitelijk gescheiden) moeder in de periode van de verwekking.

A.V. was blijkbaar gedurende heel zijn leven vrijgezel. Hij was een overbuur van M.C. Het zou (in de buurt) alom zijn geweten dat A.V. de biologische vader is van C.K., waaromtrent overigens diverse geschreven (getuigen)verklaringen (inz. van buurtbewoners) voorliggen. Er zouden (mede blijkens die verklaringen) ook fysieke gelijkenissen zijn tussen A.V. en C.K.

A.V. zou echter steeds hebben geweigerd om het beweerde biologische vaderschap te officialiseren middels een erkenning van vaderschap. Niettemin zou hij (op diverse wijzen en tijdstippen) erkentelijk zijn geweest ten aanzien van M.C. en C.K. (mede middels beperkte giften). Verder zouden A.V. en C.K. veel tijd samen hebben doorgebracht.

M.C. en C.K. zagen het blijkbaar lange tijd (mede omwille van financiële redenen) niet zitten om een procedure tot gerechtelijke vaststelling van het beweerde vaderschap van A.V. te voeren.

Pas bij dagvaarding van 4 november 2013 initieert C.K. dergelijke procedure, gericht tegen (1) A.V. en (2) M.C.

Na de inleidingszitting van 19 december 2013 volgt een conclusietermijnenagenda bij beschikking van 7 maart 2014 met bepaling van een rechtsdag op 9 september 2014.

Net voordien en meer precies op 10 augustus 2014 overlijdt A.V. testamentloos.

Zijn zus V.D. fungeert als zijn enige wettelijke (niet-reservataire) erfgenaam (art. 750 BW), met saisine (art. 724, eerste lid BW).

Reeds op 13 augustus 2014 wordt A.V. gecremeerd, met asverstrooiing.

6. C.K. stelt dat volgens hem de geplande behandeling van de afstammingszaak kon doorgaan, nu hij, na een vergeefse poging om V.D. vrijwillig het geding te doen hervatten, middels dagvaarding van 29 augustus 2014 tot gedwongen gedinghervatting is overgegaan. Volgens C.K. was de zaak in staat.

De bedoelde gedinghervatting en het verzoek van V.D. om toch nog nader conclusie te mogen nemen, hebben echter meegebracht dat de afstammingszaak tot op heden geen verdere behandeling heeft gevonden.

V.D. spreekt tegen dat de vertraging aan haar kan worden toegeschreven.

7. Hoewel V.D. voor een en ander (blijkbaar immer en steeds) een uitleg klaar heeft, kan bezwaarlijk worden tegengesproken dat zij en haar zoon I.M., hangende de (gebeurlijk nodeloos uitgestelde) afstammingszaak, zeer snel hebben gehandeld om (1) de crematie met asverstrooiing te doen/laten doorgaan en (2) zich in de navolgende periode het nalatenschapsvermogen toe te eigenen, met alle handelingen/verrichtingen van dien, ja zelfs uiteindelijk de (beoogde) verkoop van het enige/centrale vastgoed en meer precies een (boerderij)woning te Z.

Dat noch V.D. noch haar zoon I.M. te gepasten tijde op de hoogte waren van de hangende afstammingszaak komt zeer ongeloofwaardig over.

De nogal harde manier waarop zij menen in die context naar C.K. te kunnen uithalen, is ongepast.

Daar waar zij C.K. (en zijn moeder) uitstelgedrag verwijten, zouden zij beter hun eigen deloyale proceshouding evalueren.

Het recht (waarover zij tot nader order beschikken) derwijze in eigen handen nemen, kan niet zonder meer opgaan.

Daar waar M.C. en C.K. redelijkerwijze toelichten waarom zij niet eerder een procedure tot gerechtelijke vaststelling van het beweerde vaderschap van A.V. hebben gevoerd, tonen zij (in het licht van meerdere elementen, zoals een brief van de toenmalige advocaat van M.C. van 27 oktober 1988 en een brief van de toenmalige advocaat van C.K. van 3 januari 2005) aan dat de actuele afstammingszaak niet zomaar uit de lucht is komen vallen.

C.K. licht ook toe in welke context het (blijkbaar niet door zijn moeder maar wel door zijn beweerde vader) handgeschreven briefje van 24 maart 1988 moet worden gelezen/bekeken.

8. C.K. kan moeilijk nodeloos tijdverlies worden verweten, te meer nu V.D. recent door toedoen van haar zoon I.M. tot tekoopstelling/verkoop van de woning te Z. is overgegaan.

C.K. verantwoordt in zoverre de bedoelde urgentie voor zijn optreden in kort geding, zij het op tegenspraak (art. 584 Ger.W.). Er is vrees voor ernstig nadeel en ernstige schade die een rechterlijk optreden rechtvaardigt. Er is risico op waardeverlies en teloorgang.

9. Het beoogde gerechtelijke sekwester als (louter) bewarende maatregel (in de zin van art. 1961, 2° BW) is eveneens verantwoord. Het gaat om een louter bewarende maatregel, met alle bevoegdheidsbeperking van dien voor de gerechtelijke sekwester (zie dienaangaande “Extern beheer van nalatenschapsvermogen tijdens de vereffening-verdeling” in Vlaamse Conferentie van de Balie te Gent (ed.), Het (on)vermogen tot planning, Gent, Larcier, 2013, 64-72, nrs. 10-22; “Extern beheer van nalatenschapsvermogen tijdens de vereffeningverdeling”, NFM 2014, 22-27, nrs. 10-22; “Wanneer en hoe kan worden voorzien in extern beheer van nalatenschapsvermogen tijdens de vereffening-verdeling?” in W. Pintens en C. Declerck, Patrimonium 2013, Antwerpen, Intersentia, 2013, 214-223, nrs. 10-22; zie ook Cass. 24 november 1989, RW 1990-91, 493, noot; Cass. 28 april 1994, RW 1994-95, 812).

Er is een (voldoende ernstig) geschil/geding omtrent de devolutie van het nalatenschapsvermogen van A.V. (zie bv. ook Cass. 16 april 1984, RW 1984-85, 1986). De afstammingszaak hangt nog steeds (vgl. art. 828 BW).

C.K. maakt mede middels schriftelijke verklaringen van derden het beweerde vaderschap enigszins aannemelijk, terwijl de verklaringen van derden die V.D. daartegenover stelt niet zwart-wit botsen doch veeleer wijzen op het (niet als dusdanig betwiste) vrijgezellenleven van A.V. en diens gebrek aan een vaste heteroseksuele relatie.

Gelet op de beweerde vader-zoon-relatie maakt C.K. aanspraak op het nalatenschapsvermogen van A.V. (inz. de woning, met een emotionele waarde), dat tot nader order aan V.D. is toegevallen, met de gevolgen van dien, zoals de betaling van successiebelasting.

Daar waar V.D. zich als enige erfgenaam profileert, stuit C.K. op een gebrek aan informatie via notaris B.V., die door V.D. is aangesproken met het oog op afwikkeling van het nalatenschapsvermogen van A.V. In een faxbericht van 10 februari 2016 bevestigt notaris B.V. evenwel dat zij, zolang de afstammingszaak hangt, geen akte tot verkoop zal verlijden.

V.D. stelt vergeefs dat C.K. (gebeurlijk ab initio) belang ontbeert bij een sekwester, nu de nalatenschap van A.V. reeds zou zijn vereffend en verdeeld.

Het gegeven dat de nalatenschap van A.V. tot nader order aan V.D. is toegevallen, met de gevolgen van dien, zoals de betaling van successiebelasting, neemt het (nog steeds actuele) belang van C.K. niet weg. Daar waar V.D. als enige erfgenaam fungeert, is een daadwerkelijke vereffening-verdeling met een of meer andere deelgenoten niet aan de orde (geweest).

Het sekwester strekt tot vrijwaring van de beweerde rechten van C.K. (als erfgerechtigde). (Rechts)handelingen die verenigbaar zijn met de bewarende maatregel van het sekwester zijn/blijven mogelijk. Enkel nadelige rechts- of feitelijke handelingen moeten worden uitgesloten in afwachting van de beslechting van de afstammingszaak. De definitieve en concrete beslechting van het geschil/geding (dan wel een regeling) zal het sekwester beëindigen.

10. In die optiek gaat het hof in op de vordering tot aanwijzing van een sekwester.

Het hof wijst daartoe (opnieuw) aan: L.V.

De reeds eerder blootgestelde kosten, gelet op de beschikking van 19 augustus 2015 tot het beroepen vonnis, zijn/blijven (voorlopig) ten laste van het nalatenschapsvermogen.

[…]

 

Noot: 

Lambercy en Vergauwen, Het kind van de overleden biologische vader blijft niet in de kou staan, De bewijsregeling van artikel 324 BW en zijn achterpoortjes, R.A.B.G., 2016/15, p. 1118-1124.

UIttreksel uit het burgerlijk wetboek:

Art. 324   De afstamming wordt bewezen door het bezit van staat ten aanzien van de vermeende vader.

Bij gebreke van bezit van staat wordt de afstamming van vaderszijde door alle wettelijke middelen bewezen.

Behalve wanneer er twijfel over bestaat, wordt het vaderschap vermoed wanneer is komen vast te staan dat de verweerder gedurende het wettelijk tijdperk van de verwekking gemeenschap heeft gehad met de moeder.

In deze bijdrage duiden de auteurs hoe de afstamming kan bewezen worden ten aanzien van een overleden en gecremeerde vader.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 25/11/2016 - 16:59
Laatst aangepast op: vr, 25/11/2016 - 17:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.