-A +A

Schuldvernieuwing van de leningsovereenkomst door verandering van schuldenaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg Burgerlijke rechtbank
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
vri, 20/01/2017
A.R.: 
14/773/ A

Het is mogelijk een schuldvernieuwing van de leningsovereenkomst door te voeren door verandering van schuldenaar.

De echtgenoot kan de nietigheid vragen van de schuldvernieuwingsovereenkomst waarbij de andere echtgenoot aanvaard heeft persoonlijk een schuld van zijn vennootschap te dragen (art. 1422 BW). De nietigheid van de schuldvernieuwingsovereenkomst leidt tot een terugkeer naar de oorspronkelijke toestand.

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017/8
Pagina: 
477
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Rb. Oost-Vlaanderen (afd. Dendermonde) 20 januari 2017

In zake van: T.V.D.L., A.L., K.C.

AR: 14/773/ A

( ... )

IV.2. Gegrondheid van de vorderingen

IV.2.A. Aard en numerieke omvang van de oorspronkelijke relaties tussen partijen T.V. en A.L.

4.10. T.V. stelt geen vordering in tegen K.C.

Hij stelt dus niet dat hij welke rechtsband ook met K.C. zou hebben.

Enkel met A.L. zou hij een rechtsband hebben. Hij kwalificeert deze rechtsband als een "lening" en beroept zich te dien einde op het document dat A.L. heeft ondertekend en dat gedateerd is op 31 december 2012.

4.11. Een (geld)leningsovereenkomst is een reële overeenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, een bepaalde geldsom daadwerkelijk ter beschikking stelt van de andere partij, de ontlener, op voorwaarde van terugbetaling en in beginsel tegen intrest.1

Zij moet strikt onderscheiden worden van de een kredietovereenkomst, een consensuele overeenkomst waarbij de ene partij, de kredietgever, belooft aan de andere partij, de kredietnemer, een bepaalde waarde ter beschikking te stellen onder een welbepaalde vorm.2

Stellen dat een geldlening een consensuele overeenkomst uitmaakt, houdt in dat het geleende geld in eigendom overgedragen wordt nog voordat het ter beschikking gesteld werd. Dit is immers het algemene gevolg van het consensualisme dat ook gekend is uit het kooprecht en dit staat ook bevestigd in art. 1893 BW. Dit zou dan inhouden dat de remuneratoire3 intrest moet beginnen lopen nog voordat de ontlener beschikking gekregen heeft over het geleende geld ... 4

Ten onrechte laat T.V. gelden dat de lening een consensuele overeenkomst is. De door hem aangehaalde auteur DU LAING beweert dit uitdrukkelijk niet maar stelt juist dat zijn proefschrift het resultaat is van wat hij zelf omschrijft als "consequent dogmatisch doordenken ".s TILLEMAN - de promotor van het proefschrift - stelt vast dat DU LAING zijn eigen opvatting beschouwt als voor de praktijk niet terzake doend6 en VERBEKE beschouwt haar als een pleidooi voor een wijziging van het wettelijk kader", Zij kan immers slechts gelden binnen het door DU LAING ontwikkelde systeem - geïnspireerd door Duitse en Nederlandse opvattingen" - waarbinnen het begrip "lening" wordt opgeheven en vervangen door het begrip "onmiddellijke thesauriekredietovereenkomst". 9

4.12. Indien van een geldlening sprake is, komt zij dus tot stand tussen de terbeschikkingsteller en de ontvanger van de gelden.

Wanneer de ontvanger van de gelden niet dezelfde persoon is als de begunstigde van de "onmiddellijke thesauriekredietovereenkomst", is tussen de terbeschikkingsteller en de begunstigde van de financiering een onbenoemde overeenkomst gesloten, alleszins geen "lening".

Dit heeft in deze zaak tot gevolg dat als er al sprake is van een lening, deze enkel tot stand gekomen is tussen T.V. en de ontvanger van de gelden, BVBA SANDER WEVERIJ dan wel A.L., dit voor zover T.V. op de hoogte is van dit onderscheid. intresten en omschrijft moratoire en vergoedende intresten als "secundair" (STORME, M E, "Vragen rond rente': TVred, 1997, 196).

4.13. T.V. was op de hoogte van dit onderscheid.

Zo werden hem op 31 juli 2012 duidelijk de bankcoördinaten van de BVBA SANDER WEVERIJ meegedeeld.'?

Dat T.V. op 11 november 2012 hier andere intenties over heeft11 doet op het ogenblik van de verrichtingen van 8 augustus en 3 september 2012 niet terzake en maakt de verrichting van 5 december 2012 - op rekening van SANDER WEVERIJ - om zo opvallender.

4.14. BVBA SANDER WEVERIJ is geen partij bij huidige procedure.

De rechtbank heeft dus geen enkele rechtsmacht te oordelen over de aard van de betalingen die T.V. ten gunste van BVBA SANDER WEVERIJ heeft verricht.

De rechtbank kan enkel vaststellen dat in de mate deze betalingen niet A.L. als begunstigde hadden, zij geen leningen ten gunste van A.L. kunnen uitmaken.

4.15. De betaling van 12 november 2012 is door de betrokkenen steeds als terug te betalen begrepen geweest.

Op 11 november 2012 heeft T.V. nog veel misbaar gemaakt omtrent de afwezigheid van waarborg op terugbetaling.12 Het is in het licht van deze overweging dat T.V. betaalde aan A.L., waarbij A.L. de gelden zou "doorsluizen".

Dat de verrichting tussen T.V. en A.L. als doel had fondsen in handen van de BVBA SANDER WEVERIJ te doen inboeken, doet geen afbreuk aan het feit dat partijen deze injectie van fondsen hebben geconstrueerd als een lening aan A.L. met de "last" de ter beschikking gestelde fondsen te injecteren.

L. heeft zelf gesteld dat het ging om een "lening". Hij stelde hierbij dat dit een lening lastens BVBA SANDER WEVERIJ ging zijn13 maar BVBA SANDER WEVERIJ heeft nooit een dergelijke lening ingeboekt14• Integendeel: BVBA SANDER WEVERIJ heeft de injectie door A.L. als een lening gekwalificeerd." Dit doet geen afbreuk aan het uitdrukkelijke akkoord van A.L. dat deze terbeschikkingstelling terugbetaald moest worden.

Art. 1325 BW is niet van toepassing omdat de leningsovereenkomst niet wederkerig is. Art. 1326 BW is kennelijk geschonden, maar de e-mail van A.L. van 11 november 2012, gecombineerd met de eraan gegeven uitvoering door zowel partijen zelf als BVBA SANDER WEVERIJ - formeel derde ten aanzien van de lening - maken tezamen een begin van bewijs door geschrift, bevestigd door feitelijke vermoedens, uit."

IV.2.8 De overeenkomst van 31 december 2012

4.16. Op 31 december 2012 hebben partijen T.V. en A.L. een onderhandse overeenkomst gesloten waarin partijen alle (openstaande) financieringen van T.V. aan BVBA SANDER WEVERIJ als "lening" ten laste van A.L. werden kwalificeren.

4.17. In de mate de overeenkomst afwijkt van de feitelijke terbeschikkingstelling, brengt zij noodzakelijk een schuldvernieuwing met zich mee, waarbij A.L. zich in de plaats van de vennootschap BVBA SANDER WEVERIJ heeft gesteld;"

4.18. Dit houdt evenwel evenzeer in dat de rechtbank de verbintenissen van A.L. per 31 december 2012 - het document van die datum werkt constitutief - als lening moet aanzien.

IV.2.C Geldigheid van de overeenkomst van 31 december 2012

4.19. De vraag rijst vervolgens wat de waarde is van het document van 31 december 2012, als document (het instrumentum) en als verbintenisscheppend document (het negotium).

In de mate het uitdrukkelijk bevestigt dat T.V. en A.L. een lening zijn aangegaan, valt de kwestie binnen het toepassingsgebied van art. 1418.2.d) BW.

A.L. bevestigt het argument dat K.C. hieruit trekt en voegt eraan toe dat het stuk nietig moet zijn - als instrumentum én als negotium - omdat het tot stand gekomen is door uitoefening van geweld.18

4.20. De rechtbank begrijpt het door A.L. ingeroepen middel van nietigheid van een bewijsstuk (instrumentum) niet. Dergelijk middel is in geen enkele regel van (burgerlijk) bewijsrecht voorzien.

Mogelijk is de volgens het bewijsstuk opgenomen verbintenis (negotium) "nietig", maar die vaststelling tast het bestaan van het bewijsstuk niet aan.

4.21. De rechtbank verwerpt het beroep van A.L. op geweld als grond tot nietigverklaring van de in het document van 31 december 2012 bevestigde verbintenis.

Wanneer een schriftelijk bewijs voorligt, kan de betrokkene hiertegen niet bewijzen door een beroep op zaken die voor, tijdens of na het opmaken van dit bewijsstuk zouden zijn gezegd.19

De door A.L. ingeroepen argumenten lijken erop te wijzen dat courante figuren als schuldvernieuwing, (voltooide) schuldoverdracht en indeplaatsstelling onwettig zouden zijn omdat zij vermoed zouden moeten worden uit (moreel) geweld voort te komen. De rechtbank verwerpt dergelijke redenering - hoe gestoffeerd met uittreksels uit rechtspraak zij ook lijkt - en oordeelt dat A.L. faalt de dwang zélf aan te tonen.

4.22. Anderzijds geldt de regeling van art. 1422 BW zonder voorbehoud.

Wanneer aan de voorwaarden van dit artikel voldaan is, moet de rechtbank de bestreden handeling - negotium - nietig verklaren.

4.22.a. Het is niet correct te stellen dat de lening werd aangegaan voor "beroepsdoeleinden" in de zin van art. 1417 al. 1 BW.

Deze beroepsdoeleinden gaan het persoonlijke beroep van de echtgenoot aan, niet het beroep van de vennootschap van de echtgenoot.

Deze vennootschap is immers een derde ten aanzien van het huwelijksvermogensstelsel.

Art. 1417 al. 1 BW is van beperkende interpretatie."

4.22.b. De schuld is aangegaan voor het gemeenschappelijk vermogen en treft dan ook het gemeenschappelijk vermogen."

Dit houdt in dat de schuld de vermogenspositie van K.C. aantast, minstens indirect door de aantasting van het gemeenschappelijk vermogen. K.C. is dus door de handeling benadeeld.

4.22.c. T.V. toont niet aan dat hij te goeder trouw in de zin van art. 1422 BW is.

Zoals K.C. opmerkt is het aan T.V. om het bewijs van goede trouw aan te brengen en dus niet aan om het bewijs van kwade trouw aan te brengen22, dit omdat hij vermoed wordt te kwader trouw te zijn.23

T.V. dient aan te tonen dat hij alle redelijke voorzorgsmaatregelen had genomen om te weten dat de andere echtgenoot bij de betwiste handeling moest worden betrokken.24 T.V. wist immers dat partijen gehuwd waren, alleszins in een tweerelatie verbonden waren, en stelt in besluiten zichzelf vrij van iedere nadere onderzoeksverplichting door te stellen dat hij als niet ingezetene niet kon weten dat het wettelijk kader in het Rijk anders was dan in Nederland.

Dit laatste is nochtans precies wat hij als waakzaam belegger/investeerder had moeten onderzoeken.

4.22.d. Nu art. 1422 BW voorziet in een relatieve nietigheid, kan T.V. trachten aan te tonen dat de gezegde nietigheid gedekt is door het gedrag van K.C. op het ogenblik dat zij bewijsbaar op de hoogte was van de problematiek.

T.V. wijst erop dat hij dagvaarding heeft uitgebracht op 3 februari 2014 en K.C. die zelfde dag nog geschreven heeft dat de echtgenoten A.L.-K.C. ("wij"25) zouden terugbetalen. Deze rechtbank oordeelt dat de correspondentie van K.C. van 3 februari 2014 niet kan aanzien worden als een vorm van schulderkenning harerzijds die de nietigheid van deleningsovereenkomst van 31 december 2012 zou dekken. Waar T.V. erop wijst dat K.C. in al haar correspondentie aantoont dat zij duidelijk het onderscheid maakt tussen haarzelf, haar echtgenoot A.L. en de vennootschap SANDER WEVERIJ, toont hij niet aan dat dit daadwerkelijk zo was. Evenmin toont T.V. aan dat K.C. op het ogenblik dat zij haar e-mail opstelde wist dat de dagvaarding die was uitgebracht gericht was aan A.L. persoonlijk en niet aan (onder meer) de BVBA SANDER WEVERIJ. De dagvaarding werd aan A.L. persoonlijk overhandigd, niet aan K.C. en zij werd evenmin achtergelaten op het adres.

4.22.e. T.V. beweert dat K.C. haar vordering te kwader trouw instelt maar leidt deze kwade trouw af uit de omstandigheid dat K.C. het klaarblijkelijke lef heeft de vordering - en de overeenkomst - in haar geldigheid te betwisten26, hiervoor zelfs argumenten durft aan te brengen27 en geen vordering lastens A.L. instelt, vordering die op heden niet aan de orde is bij gebrek aan vereffening-verdeling tussen A.L. en K.C.28

4.23. De leningsovereenkomst zoals gesloten op 31 december 2012 is nietig.

IV.2.D Gevolg

4.24. De nietigheid van de overeenkomst van 31 december 2012 werkt terug tot op de datum van de overeenkomst. Partijen dienen dan ook teruggebracht te worden in hun oorspronkelijke toestand.29

Deze "oorspronkelijke toestand" is deze van 30 december 2012, dit wil zeggen

• terbeschikkingstelling - te welken titel ook - van 63.000,00 EUR30 in handen van BVBA SANDER WEVERIJ

• terbeschikkingstelling - ten titel van lening - van 36.000,00 EUR in handen van A.L.

4.25. A.L. neemt enkel standpunt in aangaande de leningsovereenkomst van 31 december 2012, niet aangaande de oorspronkelijke leningsovereenkomst van 12 november 2012. In de mate A.L. dus niet betwist 36.000,00 EUR ontvangen te hebben ten titel van lening, is de vordering van T.V. tot terugbetaling van dit bedrag gegrond.

4.26. Anderzijds toont T.V. niet aan over enige titel te beschikken tegenover A.L. om de rechtstreeks aan BVBA SANDER WEVERIJ ter beschikking gestelde gelden terug te vorderen.

4.27.a. In de overeenkomst van 12 november 2012, die de rechtbank moet interpreteren aan de hand van de correspondentie van de voorgaande dag, is geen sprake van enige remuneratoire intrest.

Ook al is deze lening kennelijk een professionele verrichting en zelfs van commerciële aard - zij begeleidt een investeringsplan van T.V. en zijn achterman M.B. die geïnteresseerd zijn in de bijzondere know-how van BVBA SANDER WEVERIJ31 - de zaakvoerder van een BVBA is zelf geen handelaar en evenmin een onderneming. Het intrestvermoeden32 is dus niet van toepassing.

Aldus kan de schuldenaar enkel verwijlintresten verschuldigd zijn.

4.27.b. Het verwijl ontstaat pas na de ingebrekestelling zodat pas dan intresten lopen, dit aan de wettelijke intrestvoet." De ingebrekestelling dateert van 20 augustus 201334 maar de rechtbank kan niet vaststellen wanneer de brief werd aangeboden aan verweerder omdat de postdiensten deze sticker overplakt hebben met de terugzendsticker. Volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek is de datum van aanbieding 23 augustus 201335 zodat de intresten lopen sedert 24 augustus 2013, de dies a quo 36 niet inbegrepen zijnde in de termijnen.

4.27.c. Mocht deze wettelijke intrest méér dan 3 % bedragen, zou de rechtbank meer toekennen dan T.V. vordert. Aldus dient de rechtbank de intresten te plafonneren op de gevorderde 3 % .37

4.27.d. T.V. maakt een onderscheid tussen intresten voor en na de dagvaarding. Zij stelt dat de intresten tot aan de dagvaarding van moratoire aard zijn en vanaf de dagvaarding van gerechtelijke aard.

Eiser verwart een aantal begrippen.

In de mate hij een geldvordering heeft ingesteld, draagt het bedrag verwijlintresten.

Het begrip "gerechtelijke intrest" is op zich zinledig. Het verduidelijkt enkel de periode waarvoor de intresten gevorderd dan wel toegekend worden. De intresten sedert de dagvaarding zijn wel degelijk moratoir van aard wanneer zij het verwijl in de nakoming van een betalingsverplichting aangaande een geldsom sanctioneren en zij zijn van vergoedende aard wanneer het gaat om een waardevordering.

( ... )

VIII. Uitspraak De rechtbank

( ... )

• verklaart de tussenvordering van K.C. ontvankelijk en gegrond

• verklaart de overeenkomst tussen T.V. en A.L. van 31 december 2012 nietig

• veroordeelt A.L. tot betaling aan T.V. van 36.000,00 EUR (zesendertigduizend euro), te vermeerderen met verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet, doch beperkt tot maximaal 3 %, sedert 24 augustus 2013, hierbij verstaande dat de intresten sedert de dagvaarding tevens van gerechtelijke aard zijn

( ... )

1. Zie art. 1875 en 1882 BW: "afgeeft'; zie CLAVIE, M, "Le prêt" in "Les contrats spéciaux" in CUP, Vol. XXXIV, 1999, Luik, Commission Université-Palais, 74, RN 4 onder verwijzing naar Cass, 25 oktober 1973, Pas, 1974, 1,212 en Bergen, 21 november 1994, JLMB, 1995, 269; zie HERBOTS, J, Bijzondere overeenkomsten, ge uitg, 2e druk, 1994, Leuven, Acco, 226, punt B.

2. Zie DIERYCK, A, Les ouvertures de crédit, 1945, Brussel, Bruylant, 23, nr 15.

3. Zie BIQUET-MATHIEU, Le sart des intérêts dans Ie droit du crédit: actua/ité ou désuétude du Code civil?, 1998, Luik, Collection Scientifique de la Faculté de Droit de Liège, RN 3 en 13 (tekst eveneens beschikbaar op http://orbi.ulg. ac.be/handle/2268/66733); PETIT, J verkiest in zijn monografie "Interest" (in APR, 1995, Antwerpen, KI uwer, Hfdst Il) de term "conventionele interesten'; maar dit begrip riskeert in het vaarwater van de conventioneel bepaalde (verwijl-) intrestvoet te komen zoals beschreven door MARCHAND, K, VEREECKEN, 5, in hun opstel "Gerechtelijke interesten: moratoir of compensatoir en aan welke rentevoet\ l" (in SERRUS, D (ed), Actualia gerechtelijk recht, 2008, Gent, Larcier, 28, titel H); STORME heeft het over "primaire"

4. Zie DIERYCK, oc, 23. VN 5 al. 2.

5. Zie DU LAING, B, "(Geld)lening en krediet(opening)" in Recht en onderneming, vol. 14, 2005, Brugge, Die Keu re, RN 10 al. 4.

6. Zie DU LAING, oc, p. VII, onderaan: "Hiermee wordt de kern van de persoonlijke visie weergegeven op het juridisch wetenschappelijk onderzoek. Het moet logisch zijn, mag desgevallend praktisch zijn, maar hoeft dit helemaal niet te zijn. Op dit punt heb ik persoonlijk een enigszins andere visie."

7. Zie VERBEKE, A, Bijzondere overeenkomsten in kort bestek, 2005, Antwerpen, lntersentia, 215: "Gepleit wordt voor een consensueel gedachte geldlening [..]".

8. VAN DER LINDEN verwijst in zijn besluiten eveneens naar de opvattingen van Nederlandse rechtspraktizijnen om zijn stelling te staven.

9. Zie DU LAING, oc, RN 475.

10. Stuk 1 bundel A.L.

11. Stuk 17 bundel T.V.

12. Stuk 15, p. 2 bundel T.V.

13. Stuk 17 bundel T.V.: e-mail A.L. aan T.V. van 11 november 2012.

14. Stuk 14 bundel K.C.

15. Stuk 15 bundel K.C.

16. Art. 1347 BW.

17. Art. 1271.2° BW; zie VAN GERVEN, W, COVEMAEKER, S, Verbintenissenrecht, 3' uitg, 2010, Leuven, Acco, 629, nr (iii).

18. Synthesebesluiten A.L., titel IV.2.3, al. 1 (''dwang'Î en al. 7 ("onrechtmatig en onwettig moreel geweld" (SIC)).

19. Art. 1341 BW.

20. Zie PINTENS, W, VANWINCKELEN, K, DU MONGH, J, Schets van het familiaal

vermogensrecht, 2007, Antwerpen, lntersentia, RN 257 al. 3.

21. Zie PINTENS, VANWINCKELEN, DU MONGH, oc, RN 218.

22. Art. 1422 al. 2 BW.

23. Zie Gent, 23 oktober 2002, NjW, 2003/33, 633, RN 5.3 al. 1.

24. Zie PINTENS, VANWINCKELEN,DU MONGH, oc, RN 297.

25. Stuk 16 bundel eiseres.

26. Synthesebesluiten T.V., RN 22.

27. Synthesebesluiten T.V., RN 22.2 al. 1.

28. Art. 1427 en volgende BW; zie PINTENS, VANWINCKELEN, DU MONGH, oc,

RN 328 en volgende, in het bijzonder 334 al. 3.

29. Zie PINTENS, VANWINCKELEN, DU MONGH, oc, RN 293.

30. 50.000 + 9.500 + 3.500.

31. Stuk 15 bundel T.V.

32. Zie CLAVIE, Ic, RN 25; zie HERBOTS, oc, 228.

33. Art. 1153 al. 1 BW.

34. Stuk4.

35. Art. 53bis.2° jo 55.1 ° GerW.

36. Vrij vertaald: "begindatum''.

37. Art 1138.2° GerW.

 

Noot: 

Dieter J. DE TROIJ, "Kredietopening, lening op interest en wederbeleggingsvergoeding. What's in a name?", NjW20I7, 718-724.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 13/06/2018 - 15:50
Laatst aangepast op: wo, 13/06/2018 - 15:50

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.