-A +A

Schuldvergelijking enkel voor zekere en opeisbare vorderingen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
din, 28/09/2010

Naar luid van art. 1291 BW heeft schuldvergelijking alleen plaats tussen twee schulden die beide tot voorwerp hebben een geldsom of een zekere hoeveelheid vervangbare zaken van dezelfde soort en die beide vaststaand en opeisbaar zijn.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2011-2012
Pagina: 
1725
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Naar luid van art. 1291 BW heeft schuldvergelijking alleen plaats tussen twee schulden die beide tot voorwerp hebben een geldsom of een zekere hoeveelheid vervangbare zaken van dezelfde soort en die beide vaststaand en opeisbaar zijn.

De verbintenissen moeten aldus effen zijn. Daarmee wordt bedoeld dat het bedrag van het voorwerp van de verbintenissen moet vaststaan, althans niet het voorwerp van ernstige betwisting mag zijn. De omvang van de verbintenissen moet m.a.w. op grond van een eenvoudige toepassing van rechtsregels en/of berekening kunnen worden vastgesteld (L. Cornelis, Algemene theorie van de verbintenis, Antwerpen, Intersentia, 2000, p. 871-872, nr. 672). Wanneer daartoe een tussenkomst van deskundigen nodig is (Cass. 11 april 1986, Arr.Cass. 1985-86, 1093) of de rechter op juridische betwistingen moet ingaan, zijn de verbintenissen niet effen (L. Cornelis, ibid.).

In casu blijkt noch uit de brief van geïntimeerde aan de rekenplichtige der geschillen van 12 februari 2003 noch uit enig ander door partijen overgelegd stuk noch uit de conclusies van geïntimeerde op welke rechtsregels (bv. art. 418 WIB ‘92) of enige andere rechtsgrond) hij zich baseert om interesten, aan welke rentevoet en vanaf welke vervaldata te vorderen.

Bij gebrek aan voorlegging van enig stuk (en o.a. de aanslagen voor de aanslagjaren 1996 en 1997, de beslissing tot teruggave, het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen van 26 juni 2000 waarnaar in de (wel overgelegde) beschikking van de beslagrechter te Brussel van 15 november 2001 wordt verwezen verkeert het hof in de onmogelijkheid om zelf een rechtsgrond te bepalen op grond waarvan geïntimeerde recht zou kunnen hebben gehad op interesten wegens te late betaling van de teruggave van belastingen.

Uit de bovenstaande motieven volgt dat de door geïntimeerde opgeworpen betwisting niet voldoende ernstig is om het zeker karakter van de schuldvordering van appellant aan te tasten.
 

Noot: 
TPR 1989:
1657 Compensatie en concursus creditorum - klik hier - 
Dirix E. en Kortmann S.C.J.J.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 20/05/2012 - 10:41
Laatst aangepast op: za, 10/03/2018 - 16:29

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.