-A +A

Schuldvergelijking en overdracht schuldvordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
vri, 16/09/2016
A.R.: 
C.15.0227.N

Krachtens art. 1289 BW heeft, wanneer twee personen elkaars schuldenaar zijn, tussen hen schuldvergelijking plaats, waardoor de twee schulden tenietgaan.

Art. 1295, eerste lid BW, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 6 juli 1994, bepaalt dat de schuldenaar die zuiver en eenvoudig heeft toegestemd in de overdracht van zijn rechten, door een schuldeiser aan een derde gedaan, zich tegen de overnemer niet meer kan beroepen op de schuldvergelijking die hij, vóór deze toestemming, aan de overdrager had kunnen tegenwerpen.

Krachtens het tweede lid van deze bepaling verhindert de overdracht waarin de schuldenaar niet heeft toegestemd, maar die hem is betekend, de schuldvergelijking slechts wat de schuldvorderingen betreft die na deze betekening tot stand zijn gekomen.

Schuldvergelijking blijft in elk geval mogelijk voor samenhangende schuldvorderingen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1136
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

AR nr. C.15.0227.N

Vlaams Gewest en NV Waterwegen en Zeekanaal t/ NV A.B.E.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het Hof van Beroep te Gent van 20 september 2013 en 5 september 2014.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste middel

1. Krachtens art. 1289 BW heeft, wanneer twee personen elkaars schuldenaar zijn, tussen hen schuldvergelijking plaats, waardoor de twee schulden tenietgaan.

Art. 1295, eerste lid BW, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 6 juli 1994, bepaalt dat de schuldenaar die zuiver en eenvoudig heeft toegestemd in de overdracht van zijn rechten, door een schuldeiser aan een derde gedaan, zich tegen de overnemer niet meer kan beroepen op de schuldvergelijking die hij, vóór deze toestemming, aan de overdrager had kunnen tegenwerpen.

Krachtens het tweede lid van deze bepaling verhindert de overdracht waarin de schuldenaar niet heeft toegestemd, maar die hem is betekend, de schuldvergelijking slechts wat de schuldvorderingen betreft die na deze betekening tot stand zijn gekomen.

Schuldvergelijking blijft in elk geval mogelijk voor samenhangende schuldvorderingen.

2. Bij wederkerige overeenkomsten zijn het ontbindingsrecht in geval van wanprestatie krachtens art. 1184 BW en de daarop gebaseerde vordering tot schadevergoeding inherent aan de rechtsverhouding en worden zij geacht van bij de aanvang te bestaan, ongeacht het tijdstip waarop de contractpartij er een beroep op doet.

In geval van overdracht van rechten voortspruitend uit een wederkerige overeenkomst hangt de hierop gebaseerde schuldvordering samen met de schuldvordering wegens wanprestatie, ongeacht of de wanprestatie zich heeft voorgedaan vóór dan wel na de overdracht.

Hieruit vloeit voort dat schuldvergelijking plaatsvindt tussen een schuldvordering gebaseerd op overgedragen rechten voortvloeiend uit een wederkerige overeenkomst en een schuldvordering ingevolge een wanprestatie bij de uitvoering van deze overeenkomst die dateert van vóór de overdracht.

3. De appelrechters stellen vast dat:

– de Belgische Staat en het toenmalige Wegenfonds, in wiens rechten en verplichtingen de eisers zijn getreden, aan NV G.B. in verschillende overeenkomsten drie overheidsopdrachten hebben gegund;

– NV G.B. van de rechtsvoorganger van de verweerster voorschotten kreeg op de werken en in dat kader haar schuldvorderingen tot betaling van de vergunde werken heeft overgedragen aan deze laatste;

– de overdracht op 27 februari 1978 werd betekend aan de Belgische Staat;

– NV G.B. op 29 augustus 1978 failliet werd verklaard;

– de curatoren na het faillissement aan de Belgische Staat hebben meegedeeld dat zij de openbare werken niet zouden voortzetten;

– de Belgische Staat, ten gevolge van deze niet-uitvoering, een ambtshalve maatregel heeft genomen voor de werken met toepassing van art. 48.D, 3o van het MB van 14 oktober 1964 «aangaande de administratieve en technische contractuele bepalingen die het algemeen lastenkohier van de overeenkomsten van de Staat uitmaken», en met name een overeenkomst voor rekening van een derde heeft gesloten met andere aannemers, op kosten en risico en ten laste van de in gebreke gestelde aannemer;

– de eisers op grond van art. 48.G van voormeld MB een schuldvordering hebben jegens NV G.B., de overdrager, tot vergoeding van de kosten voor schadeloosstelling die voortvloeien uit de toepassing van de maatregel van ambtswege en die krachtens deze bepaling kunnen worden ingehouden van de aan de aannemer te betalen sommen;

– de eisers jegens de verweerster, de overnemer, aanspraak maken op de schuldvergelijking van dit bedrag met haar schuld tot betaling van de vergunde werken, die zij ingevolge de overdracht van schuldvordering aan de overnemer diende te voldoen.

De appelrechters oordelen vervolgens dat «aangezien de vorderingen [van de eisers] spruitend uit de ambtshalve maatregel pas dateren van na de overeenkomsten van overdracht van schuldvordering en hun betekening, de schuldvergelijking wordt verhinderd.»

4. Door op die grond de vordering van de eisers af te wijzen om tot schuldvergelijking te mogen overgaan tussen hun schuldvordering tot vergoeding van de kosten wegens niet-uitvoering jegens de overdrager en hun schuld tot betaling van de vergunde werken aan de overnemer, zonder de onderlinge afhankelijkheid van deze wederzijdse verbintenissen in aanmerking te nemen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Nr. C.15.0227.N

Conclusie van advocaat-generaal Van Ingelgem:

I. SITUERING

1. Het geschil heeft betrekking op de afrekening tussen partijen i.v.m. drie eerder gegunde overheidsopdrachten, waarbij eisers aanspraak maakten op vergoeding van de kosten die de ambtshalve maatregelen (noodzakelijk geworden ingevolge het in gebreke blijven van de aannemer) met zich gebracht hadden.

2. De in dat kader door eisers aangevoerde compensatie tussen hun schuldvordering tot schadevergoeding uit hoofde van de niet-uitvoering van de overeenkomst (in deze de kosten volgend uit de maatregelen van ambtshalve uitvoering) en de schuld voortvloeiend uit de aan verweerster overgedragen schuldvorderingen uit hoofde van de reeds gedeeltelijk uitgevoerde werken, werd door het bestreden tussenarrest verworpen, omdat de vorderingen van eisers van na de kennisgeving van de overdracht dagtekenden en derhalve niet meer aan verweerster konden worden tegengeworpen.

II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.

1. Wanneer twee personen elkaars schuldenaar zijn, heeft tussen hen schuldvergelijking plaats, waardoor de twee schulden tenietgaan (Art. 1289 BW).

2. Een schuldenaar kan evenwel zijn schuldvordering aan een derde overdragen. Deze overdracht mag echter de toestand van de gecedeerde schuldenaar niet wijzigen. Door de cessie komt de overnemer derhalve in dezelfde positie te staan als de overdragende schuldeiser en wordt de relatie overdrager-schuldenaar aldus omgezet in een verhouding overnemer-schuldenaar. In zoverre daardoor de gebreken uit de eerste verhouding tevens de tweede zullen aantasten, zal de schuldenaar dan ook alle excepties en verweermiddelen aan de overnemer mogen tegenwerpen die hij aan de overdragende schuldeiser mocht tegenwerpen(1). De overnemer treedt immers in de plaats van de overdragende schuldeiser(2).

3. Artikel 1295, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 6 van de Wet van 6 juli 1994 (BS 15 juli 1994), en zoals dit gold op het ogenblik van de feiten van het geschil, bepaalt in dat kader dat de schuldenaar die zuiver en eenvoudig heeft toegestemd in de overdracht van zijn rechten, door een schuldeiser aan een derde gedaan, zich tegen de overnemer niet meer kan beroepen op de schuldvergelijking die hij, voor deze toestemming, aan de overdrager had kunnen tegenwerpen.

Volgens het tweede lid van deze bepaling verhindert de overdracht waarin de schuldenaar niet heeft toegestemd, maar die hem is betekend, de schuldvergelijking slechts wat betreft de schuldvorderingen die na deze betekening tot stand zijn gekomen(3).

4. In principe is schuldvergelijking dus niet mogelijk met een tegenvordering die na de betekening is ontstaan of die slechts na dat tijdstip vaststaand en opeisbaar is geworden(4). Verweermiddelen die de schuldenaar na de betekening van de overdracht verworven heeft, kan hij niet aan de overnemer tegenwerpen(5).

5. Van bepaalde verweermiddelen - zoals de exceptie van niet-uitvoering of het recht op ontbinding wegens wanprestatie (cf. art. 1184 BW) - wordt echter aanvaard dat zij inherent zijn aan de wederkerige rechtsverhouding waaruit de overgedragen schuldvordering ontstaan is. Deze excepties worden geacht ab initio aanwezig te zijn, dus vanaf het ontstaan van de overeenkomst en niet slechts op het ogenblik van de wanprestatie. Bijgevolg is de uitoefening van deze verweermiddelen steeds mogelijk en zijn deze excepties ook na de betekening (of thans na de kennisgeving of erkenning) van de overdracht van schuldvordering tegenwerpelijk aan de overnemer(6).

6. Dit is vaststaande rechtspraak van het Hof dat oordeelt dat het recht op ontbinding en de exceptie van niet-uitvoering, die overeenkomstig artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek gegrond zijn op de onderlinge afhankelijkheid van de wederzijdse verbintenissen van de partijen, tot het wezen van de wederkerige overeenkomst behoren, zodat zij bestaan vóór de wanprestatie zelf en vóór de overdracht van de rechten van de schuldeiser en ongeacht het tijdstip waarop de wanprestatie kan worden aangevoerd(7).

7. In de voorliggende zaak rijst de vraag of het verbod van schuldvergelijking tussen de schuldenaar en de overdrager na de betekening (of thans na de kennisgeving of erkenning) van de overdracht ook geldt wanneer de vordering van de schuldenaar is voortgekomen uit een wederkerige rechtsverhouding die reeds vóór de overdracht tussen de schuldenaar en de overdrager bestond, d.i. wanneer de gecedeerde vordering en de vordering van de schuldenaar op de overdrager een nauwe samenhang vertonen.

8. In het cassatiearrest van 26 juni 2003(8) heeft het Hof geen uitzondering aanvaard op het verbod van schuldvergelijking na betekening van de overdracht voor samenhangende vorderingen. Het Hof heeft geoordeeld dat de vaststelling dat er een samenhang bestaat tussen de wederzijdse verplichtingen zodat er schuldvergelijking tot stand kan komen tussen de schuldenaars, ook al is een van hen failliet, geen weerslag heeft op de voorwaarden waaronder de andere, in geval van overdracht van de schuldvordering van de gefailleerde, de op de schuldvergelijking gegronde exceptie kan tegenwerpen aan de overnemer. Het oordeelt met name dat de schuldvergelijking, waarvan het mechanisme niet impliceert dat er een onderlinge afhankelijkheid is tussen de wederzijdse verbintenissen, niet inherent is aan de aard van de wederkerige overeenkomst, en dat de onderlinge verbintenissen, door de overdracht van schuldvordering, niet langer wederzijdse verbintenissen zijn.

9. Een minderheid in de rechtsleer heeft zich aangesloten bij deze rechtspraak.

9.1. In navolging van dit arrest brengen de voorstanders in essentie twee argumenten aan. Zij menen vooreerst dat de (eveneens reeds hoger vermelde) rechtspraak van het Hof m.b.t. de exceptie van niet-uitvoering niet naar analogie kan worden toegepast op de schuldvergelijking tussen samenhangende vorderingen. Het mechanisme van de schuldvergelijking is volgens die auteurs immers niet inherent aan de wederkerige rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de overdrager. Anders dan de exceptie van niet-uitvoering of de ontbinding is de schuldvergelijking geen sanctie voor het in gebreke blijven van een wederpartij bij een wederkerige rechtsverhouding, maar is zij daarentegen een wijze van uitdoving van verbintenissen die plaatsvindt zodra de wettelijke voorwaarden vervuld zijn, ongeacht de oorsprong van de wederzijdse schulden, en die tot doel heeft dubbele betalingen uit te schakelen(9).

9.2. Vervolgens voeren zij aan dat de schuldvorderingen ten gevolge van de overdracht niet meer voldoen aan de wederkerigheidsvoorwaarde. Indien een schuldvordering uit een wederkerige rechtsverhouding (tussen de schuldenaar en de overdrager) wordt overgedragen, heeft dit volgens hen immers tot gevolg dat de overdrager geen schuldeiser meer is van de schuldenaar, zodat één van de toepassingsvoorwaarden van de schuldvergelijking niet meer vervuld is, nl. het bestaan van wederzijdse schulden tussen twee dezelfde rechtssubjecten waartussen de schuldvergelijking moet plaatsvinden(10).

10. Een overwegende meerderheid in de rechtsleer heeft het arrest van 26 juni 2003 evenwel bekritiseerd. Deze auteurs verdedigen de opvatting dat het verbod op schuldvergelijking na betekening (of thans na kennisgeving of erkenning) van de overdracht in geval van samenhangende vorderingen niet van toepassing is.

10.1. In dat kader dient volgens deze doctrine rekening te worden gehouden met de eigen juridische aard van schuldvergelijking voor samenhangende vorderingen. Deze vorm van schuldvergelijking staat immers in het teken van de wederkerigheid van de rechtsverhoudingen: zij staat in dezelfde "sleutel" als de exceptie van niet-uitvoering en het retentierecht en heeft een eigen bestaansrecht(11). Net zoals de exceptie van niet-uitvoering zelf is deze vorm van schuldvergelijking dus wel inherent aan de wederkerige rechtsverhouding(12). Schuldvergelijking met een vordering tot schadevergoeding die voortvloeit uit de niet-uitvoering van de overeenkomst behoort dus, net zoals de exceptie van niet-uitvoering zelf, tot het wezen van de wederkerige overeenkomst.

10.2. Tevens moet in dit verband ook de zekerheidsrechtelijke functie van deze vorm van schuldvergelijking worden benadrukt. Van zodra samenhangende vorderingen tegelijk bestaan, ontstaan op die vorderingen bepaalde zekerheidsrechten die inherent zijn aan de wederkerige rechtsverhouding(13). Tot deze zekerheidsrechten behoren de exceptie van niet-uitvoering, maar ook de schuldvergelijking(14). Deze zekerheidsrechten bezwaren de vorderingen van bij hun ontstaan, zodat zij noodzakelijk anterieur zijn aan een overdracht van één van die vorderingen (d.i. het zekerheidsrechtelijk anterioriteitsbeginsel). Dat het zekerheidsrecht maar wordt uitgeoefend na de overdracht - bv. omdat de eigen vordering voordien niet vaststaand of opeisbaar was - is niet van belang. Bijgevolg kan bij samenhangende vorderingen ook schuldvergelijking plaatsvinden nadat de schuldeiser van de gecedeerde vordering zijn bevoegdheid heeft verloren om zijn vordering te innen of om betaling te ontvangen(15).

10.3. Uit het bovenstaande vloeit voort dat de overdracht van schuldvordering de wederkerigheid van de verbintenissen tussen de schuldenaar en de overdrager niet kan doorbreken(16). Aangezien het recht op schuldvergelijking met een schuldvordering wegens de niet-nakoming van de verbintenis door de overdrager inherent is aan de wederkerige overeenkomst tussen de schuldenaar en de overdrager, wordt het principe van de schuldvergelijking immers - net zoals de exceptie van niet-uitvoering zelf - geacht ab initio te bestaan vanaf het ontstaan van die overeenkomst, en dus vóór de wanprestatie zelf of vóór de overdracht van de schuldvordering(17). Indien de schuldvordering wordt overgedragen, is zij aldus bezwaard met een exceptie van schuldvergelijking, die de gecedeerde schuldenaar kan inroepen tussen zijn schuld en een schuldvordering die uit dezelfde wederkerige rechtsverhouding is ontstaan. Omdat de schuldenaar de exceptie van schuldvergelijking jegens de overdrager kon inroepen, moet hij deze exceptie ook jegens de overnemer kunnen tegenwerpen. Anders zou de positie van de schuldenaar namelijk op een ernstige manier verzwaard worden(18). Op basis van de nemo plus juris-regel kan de overdrager aan de overnemer immers niet meer rechten overdragen dan hij zelf ten opzichte van de schuldenaar bezit(19). Dat de voorwaarden voor de uitoefening van de exceptie (vaststaand en opeisbaar karakter van de schuldvordering) slechts na de overdracht vervuld zijn, is hierbij niet van belang(20).

10.4. Tot slot wordt, vanuit een rechtsvergelijkend perspectief, in andere Europese rechtssystemen erkend dat bij samenhangende schuldvorderingen schuldvergelijking mogelijk blijft na de betekening (of de kennisgeving of erkenning) van de overdracht van schuldvordering, ongeacht het tijdstip waarop de vordering en de tegenvordering vaststaand en opeisbaar zijn geworden.

Het Franse Hof van Cassatie heeft zich principieel in die zin uitgesproken(21).

In het Nederlandse recht bepaalt artikel 6: 130(1) NBW op een gelijkaardige wijze dat wanneer een vordering onder bijzondere titel is overgegaan, de schuldenaar bevoegd is ondanks de overgang ook een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang aan hem is opgekomen en opeisbaar geworden.

In het Duitse recht is schuldvergelijking krachtens artikel 406 BGB tussen de gecedeerde vordering en een vordering van de schuldenaar op de overdrager principieel mogelijk, zonder dat die vorderingen moeten samenhangen. Hierop wordt wel een uitzondering gemaakt, indien de schuldenaar op het ogenblik van het verwerven van de vordering op de overdrager kennis had van de cessie of indien zijn vordering maar na de kennisname van de cessie en later dan de overgedragen vordering opeisbaar is geworden(22).

11. In het licht van de bovenstaande argumenten heeft het Hof van Cassatie in een arrest van 5 oktober 2012(23) geoordeeld dat artikel 1295 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de schuldenaar van de overgedragen schuldvordering na de kennisgeving of de erkenning van de overdracht, zich niet meer op de schuldvergelijking kan beroepen die daarna tot stand komt. Schuldvergelijking blijft volgens het Hof echter mogelijk voor samenhangende vorderingen. Hiermee komt het Hof dus terug op zijn eerder arrest van 26 juni 2003(24).

12. Ook in het kader van het faillissement heeft het Hof een uitzondering aanvaard op het verbod van schuldvergelijking tussen schulden en schuldvorderingen die vóór het faillissement zijn ontstaan en schulden en schuldvorderingen die na het faillissement zijn ontstaan, in geval van samenhang. Het hof oordeelt in zijn arrest van 24 juni 2010(25) dat het erkennen van de schuldvergelijking in de gevallen waar er een nauwe samenhang bestaat tussen de schuldvorderingen, de regel van de gelijkheid van de schuldeisers bij het faillissement niet aantast. Aldus is in die omstandigheden de schuldvergelijking mogelijk, ook al zijn de voorwaarden voor schuldvergelijking eerst na het faillissement in vervulling gegaan.

13. In zijn arrest van 4 februari 2011(26) heeft het Hof deze rechtspraak verduidelijkt. In deze zaak werd een aannemer failliet verklaard en besliste de curator om de lopende aannemingsovereenkomst niet verder uit te voeren. De bouwheer had dus een vordering tot schadevergoeding jegens de gefailleerde aannemer wegens gedeeltelijke niet-uitvoering van de werken. De bouwheer had echter nog een aantal openstaande facturen voor reeds geleverde werken te betalen aan de gefailleerde aannemer. De bouwheer wilde zijn schulden compenseren met zijn vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie. Hij vorderde dus een schuldvergelijking tussen schulden die dateerden van vóór het faillissement (de facturen) en een schuldvordering van na het faillissement (schadevergoeding wegens niet-nakoming). Het Hof oordeelt dat bij wederkerige overeenkomsten de exceptie van niet-uitvoering, het ontbindingsrecht in geval van wanprestatie krachtens artikel 1184 Burgerlijk Wetboek en de daarop gesteunde vordering tot schadevergoeding inherent zijn aan de rechtsverhouding en zij geacht worden van bij de aanvang te bestaan ongeacht het tijdstip waarop de contractspartij er een beroep op doet.

Op die basis oordeelt het Hof dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden door de schuldvergelijking te verwerpen, op de grond dat de schuldvorderingen niet beide dateren van vóór het tijdstip van de samenloop. Met het oordeel van het Hof wordt de vordering tot schadevergoeding aldus gesitueerd vóór het tijdstip van het faillissement, zodat schuldvergelijking wel mogelijk is(27).

14. De overdracht van schuldvordering en de samenloop zijn vergelijkbaar in die zin dat zij beide het recht van een derde (of van derden) in het gedrang brengen, nl. de overnemer of de boedel van de schuldeisers, aan wie de schuldvergelijking tussen samenhangende vorderingen uitzonderlijk kan worden tegengeworpen. Bijgevolg is het logisch dat bovenstaande rechtspraak wordt doorgetrokken naar een situatie van overdracht van schuldvordering(28).

15. In een recent arrest van 15 mei 2014(29) heeft het Hof overigens een gelijkaardige beslissing genomen in het kader van een rechtstreekse vordering die een onderaannemer heeft tegen de bouwheer ten belope van hetgeen deze aan de aannemer verschuldigd is (artikel 1798, eerste lid, BW). Het Hof oordeelt dat de bouwheer tegen wie een rechtstreekse vordering wordt ingesteld, aan de onderaannemer in de regel de excepties kan tegenwerpen waarover hij t.a.v. de aannemer beschikt op het ogenblik van het instellen van de rechtstreekse vordering. Het recht op schuldvergelijking met een schuldvordering die gegrond is op de onderlinge afhankelijkheid van de wederzijdse verbintenissen van de partijen behoort tot het wezen van de wederkerige overeenkomst, zodat zij bestaat vóór de wanprestatie zelf en vóór de uitoefening van de rechtstreekse vordering. Omdat het recht op schuldvergelijking met een samenhangende schuldvordering geacht wordt van bij aanvang te bestaan, dus vóór het instellen van de rechtstreekse vordering, kan deze exceptie dus ook worden tegengeworpen aan de onderaannemer, die een derde is t.o.v. de overeenkomst tussen de bouwheer en de aannemer.

16. Nu uit de vaststellingen van het bestreden (tussen)arrest blijkt dat er een onderlinge afhankelijkheid bestaat tussen de schuld van de eisers tot betaling van de vergunde werken aan de overnemer (verweerster) en hun schuldvordering jegens de overdrager (de NV Gentse Bouwwerken) tot vergoeding van de kosten wegens de niet-uitvoering van de overeenkomsten na faillissement, en de appelrechters (p. 16), met louter verwijzing naar het cassatiearrest van 26 juni 2003, een strikte toepassing maken van artikel 1295, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 6 juli 1994, en zij op die grond de vordering van eisers om tot schuldvergelijking te mogen overgaan, afwijzen, zonder de onderlinge afhankelijkheid tussen de wederzijdse verbintenissen in aanmerking te nemen (en dus zonder rekening te houden met de recente ontwikkelingen in de cassatierechtspraak), komt het mij dan ook voor dat de appelrechters hun beslissing niet naar recht verantwoorden, en dat het (eerste) middel derhalve gegrond is.

17. Doordat deze beslissing moet worden vernietigd, heeft ook het eindarrest, dat op het tussenarrest voortbouwde en er het gevolg van is, geen zelfstandige bestaansreden meer. Het eindarrest stelt immers de definitieve bedragen vast die eisers ten gevolge van de overdracht van schuldvordering, zonder schuldcompensatie, dienden te betalen aan verweerster. Aangezien de appelrechters niet naar recht beslisten dat er geen aanleiding tot schuldvergelijking was, vervalt ook deze eindbeslissing.

III. CONCLUSIE: VERNIETIGING.

_______________________

(1) H. DE PAGE en A. MEINERTZHAGEN-LIMPENS, Traité élémentaire de droit civil belge, IV/1, Brussel, Bruylant, 1997, 634-635, nr. 577; E. DIRIX, Obligatoire verhoudingen tussen contractanten en derden, Antwerpen, Maarten Kluwer, 1984, 149, nr. 201; Y. MERCHIERS, "De tegenwerpelijkheid van de overdracht van de factuur bij factoring" in X., Liber Amicorum E. KRINGS, Brussel, Story-Scientia, 1991, 243; Y. MERCHIERS, "Les effets de la cession de créance vis-à-vis du débiteur cédé" (noot onder Cass. 27 september 1984), RCJB 1987, 523-524, nr. 17 en 526, nr. 20; P. VAN OMMESLAGHE, "La transmission des obligations en droit positif belge" in X., La transmission des obligations. Travaux des IXes Journées d'études juridiques Jean Dabin, Brussel, Bruylant, 1980, 100, nr. 20.

(2) E. DIRIX en G.L. BALLON, Factuur, in APR, Mechelen, Kluwer 2012, nr. 515; E. DIRIX, Obligatoire verhoudingen, 1984, nr. 201.

(3) In het huidig artikel 1295 BW is het eerste lid geschrapt, en is het tijdstip van de betekening van de overdracht van schuldvordering vervangen door de kennisgeving of de erkenning van de overdracht, d.i. het tijdstip waarop de overdracht volgens de nieuwe regeling aan de gecedeerde schuldenaar kan worden tegengeworpen.

(4) E. DIRIX en S.C.J.J. KORTMANN, Compensatie en concursus creditorum, TPR 1989, 1679, nr. 17.

(5) P. VAN OMMESLAGHE in La transmission des obligations, 1980, 101, nr. 21.

(6) E. DIRIX en G.L. BALLON, Factuur, in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, nr. 534; Y. MERCHIERS, "Les effets de la cession de créance vis-à-vis du débiteur cédé", RCJB 1987, 531-532, nr. 23; M.L. STENGERS, "La compensation après faillite et l'exception d'inexécution opposées par le débiteur d'une créance cédée" (noot onder Cass. 13 september 1973), RCJB 1974, 365-366, nr. 14.

(7) Cass. 13 september 1973, AC 1974, 36; Cass. 27 september 1984, AR nr. 7050, AC 1984-85, nr. 71; 28 januari 2005, AR C.04.0035.N, AC 2005, nr. 59.

(8) Cass. 26 juni 2003, AR C.01.0528.F, AC 2003, nr. 381, met andersluidende concl. van advocaat-generaal DE RIEMAECKER.

(9) R. FELTKAMP, De overdracht van schuldvorderingen, Antwerpen, Intersentia, 2005, nrs. 546 en 547; P. VAN OMMESLAGHe, Les obligations, II, Vol. 3 in De Page Traité de droit civil belge, Brussel, Bruylant, 2013, 1902, nr. 1304.

(10) R. FELTKAMP, De overdracht van schuldvorderingen, Antwerpen, Intersentia, 2005, nrs. 546 en 547; P. VAN OMMESLAGHE, Les obligations, II, Vol. 3 in De Page Traité de droit civil belge, Brussel, Bruylant, 2013, 1902, nr. 1304.

(11) E. DIRIX en S.C.J.J. KORTMANN, "Compensatie en concursus creditorum", TPR 1989, 1680, nr. 17; E. DIRIX, "Overzicht van rechtspraak. Zekerheden 1998-2003", TPR 2004, 1235, nr. 111.

(12) B. DE CONINCK, "Cession de créance et compensation légale entre dettes connexes", RCJB 2007, 604, nr. 31; E. DIRIX en G.L. BALLON, Factuur in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, nr. 536.

(13) M.E. STORME, "Paritas creditorum, voorrang en roerende zekerheden", TPR 2006, 1045, nr. 188; V. SAGAERT, "Actuele ontwikkelingen inzake schuldvergelijking" in V. SAGAERT en D. LAMBRECHT (eds.), Actuele ontwikkelingen inzake verbintenissenrecht, Antwerpen, Intersentia, 2009, 237, nr. 20.

(14) J. MAHAUX, "La compensation" in Les sûretés issues de la pratique, II, Brussel, Presses Universitaires, E. 16, nrs. 38 en 65 e.v.

(15) R. HOUBEN, "Schuldvergelijking bij cessie en posterieure samenloop", TBH 2008, 681, nr. 3; R. HOUBEN, Schuldvergelijking, Antwerpen, Intersentia, 2010, nr. 402.

(16) B. DE CONINCK, "Cession de créance et compensation légale entre dettes connexes" (noot onder Cass. 26 juni 2003), RCJB 2007, 599, nr. 25 e.v.

(17) M. DE THEIJE, "Compensatie na cessie" (noot onder Cass. 26 juni 2003), RW 2003-04, 1422; J. MAHAUX, "La compensation" in Les sûretés issues de la pratique, II, Brussel, Presses Universitaires, E. 15 e.v.

(18) B. DE CONINCK, "Cession de créance et compensation légale entre dettes connexes" RCJB 2007, 593, nr. 18 en 600-601, nrs. 26-28; E. DIRIX, "Overzicht van rechtspraak. Zekerheden 1998-2003", TPR 2004, 1235, nr. 111.

(19) E. DIRIX en G.L. BALLON, Factuur, in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, nr. 515.

(20) E. DIRIX: "Art. 1690-1691 BW" in Bijzondere Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer. Bijzondere overeenkomsten, Mechelen, Kluwer, 2013, 32, nr. 39.

(21) Cass. fr. com. 15 juni 1993, Bull.civ. 1993, IV, nr. 242; Cass. fr. Com. 8 februari 1994, Bull.civ. 1994, IV, nr. 55; Cass. fr. Civ. 12 juli 1995, Bull.civ. 1995, III, nr. 183; zie desbetreffend ook in het Franse Avant-projet de réforme du droit des obligations et de la prescription, m.b.t. de artikelen 1248 en 1248-1 Code civil.

(22) R. HOUBEN, Schuldvergelijking bij cessie en posterieure samenloop, Larcier, TBH 2008/8, (679), 681, nr. 3; zie na een rechtsvergelijkende analyse eveneens de in art. III-5: 116 geformuleerde rechtsregel in de Draft Common Frame of Reference (C. VON BAR en E. CLIVE (eds.), Principles, Definitions and Model Rules of European Private Law, Draft Common Frame of Reference (DCFR), Full Edition, München, Sellier, 2009, 1057 en 1060-1061).

(23) Cass. 5 oktober 2012, AR C.12.0073.N, AC 2012, nr. 517.

(24) Zie E. DIRIX en G.L. BALLON, Factuur, in APR, Mechelen, Kluwer, 2012, nr. 536.

(25) Cass. 24 juni 2010, AR C.09.0365.N, AC 2010, nr. 457, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS.

(26) Cass. 4 februari 2011, AR C.10.0443, AC 2011, nr. 106.

(27) Zie hierover M. VANMEENEN, "Actualia faillissementsrecht" in CBR Jaarboek 2012-2013, Antwerpen, Intersentia, 2013, 340, nr. 74.

(28) R. HOUBEN, Schuldvergelijking, Antwerpen, Intersentia, 2010, nr. 404; zie ook M. DE THEIJE, "Compensatie na cessie" (noot onder Cass. 26 juni 2003), RW 2003-04, 1422; C.-A. LEUNEN, "Compensatie en concursus creditorum. Recente evolutie van de zekerheidsfunctie van compensatie in het Belgisch recht", TPR 2004, 449, nrs. 13-14.

(29) Cass. 15 mei 2014, AR C.13.0552.N, AC 2014, nr. 348, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL.

Noot: 
TPR 1989:
1657 Compensatie en concursus creditorum - klik hier - 
Dirix E. en Kortmann S.C.J.J.

Overige rechtspraak:

• Cass. 24 juni 2010, Arr.Cass. 2010, 1932, conclusie advocaat-generaal D. Thijs;

• Cass. 4 februari 2011, RW 2011-12, 488, noot R. Houben.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 10/03/2018 - 16:36
Laatst aangepast op: za, 10/03/2018 - 16:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.