-A +A

schuldige ontlening als voorwaarde inbreuk auteuirsrecht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 03/09/2009
A.R.: 
C080337N1
Publicatie
Uitgever: 
Juridat

Cassatie 3 september 2009

Er is sprake van inbreuk op een auteursrecht in de zin van de artikelen 1, §1 en 87, §1, Auteurswet, wanneer originele elementen van het auteursrechtelijk, krachtens genoemd artikel 1, §1, Auteurswet, beschermd werk zijn "overgenomen" of gereproduceerd door een derde zonder de toestemming van de auteur. Er dient geen schuld bewezen te worden in hoofde van de pleger van het plagiaat. Zelfs een in geval van "onschuldige ontlening" van beschermde, originele, elementen van zijn werk kan de auteur zich verzetten tegen het werk van een derde dat dan als "namaak" of "plagiaat" kan worden beschouwd.

Indien een werk opvallende gelijkenissen vertoont met een eerder bestaand werk, behoort het aan de feitenrechter na te gaan of deze gelijkenissen met het oudere werk toevallig zijn, dan wel voorkomen uit bewuste of onbewuste ontlening aan dat werk en aldus inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht.

Integrale tekst van het arrest van Het Hof van Cassatie van 3 september 2009:

Nr. C.08.0337.N
1. UNIVERSAL MUSIC HOLDINGS Z.B.V., vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 3743 BP Baarn (Nederland), Nieuwe Baarnstraat 99,
2. K. R.,
eisers,
vertegenwoordigd door mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eisers woonplaats kiezen,
tegen
1. V. P. E.,
2. V. P. D.,
verweerders,
vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont en mr. Paul Alain Foriers, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerders woonplaats kiezen.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 4 september 2007 gewezen door het hof van beroep te Brussel.
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.
II. FEITEN
Het geschil tussen partijen betreft een door de verweerders aan de eisers ten laste gelegde inbreuk op het auteursrecht dat de verweerders beweren te bezitten op het muziekwerk "If we can start all over" (vertaling: "Indien we helemaal opnieuw kunnen beginnen") dat door de eisers zou geplagieerd zijn in hun werk "You are not alone" (vertaling "Je bent niet alleen").
Na de opeenvolgende aanstelling van twee colleges van deskundigen, oordeelde de eerste rechter, zetelend zoals in kort geding, bij vonnis van 20 januari 2003, dat de "gelijkenis" tussen beide werken in de zin van de auteurswetgeving "onvoldoende" was "aangetoond". De eerste rechter verklaarde de stakingsvordering van verweerders wegens inbreuk op hun auteursrecht ongegrond.
III. CASSATIEMIDDEL
De eisers voeren in hun verzoekschrift drie middelen aan.
Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet.
Aangevochten beslissingen
1. Het bestreden arrest verklaart het hoofdberoep gegrond en de vordering van de verweersters eveneens gegrond zoals bepaald in het beschikkend gedeelte (p. 20).
Het stelt vast dat de eisers inbreuk plegen op de auteursrechten van de verweerders door de mededeling, reproductie en commercialisering van het lied "You are not alone" (vertaling "Je bent niet alleen"). Het beveelt de staking van ieder van de vastgestelde inbreuken onder verbeurte van een dwangsom en legt ook een publicatiemaatregel op lastens de eisers.
2. Deze veroordeling van eisers wegens inbreuk op de auteursrechten van de verweerders steunt vooreerst op de vaststelling door het hof van beroep dat het muziekwerk van laatstgenoemden -waarop, volgens het arrest de inbreuk werd gepleegd-, nl. het lied "If we can start all over" (vertaling: "Indien we helemaal opnieuw kunnen beginnen"), "origineel en beschermbaar is als auteurswerk" (arrest, p.11, lid 2 nr. 21).
3. Het arrest (p.10, nrs. 20-21; p.11, nrs. 21-22) komt tot dit besluit op grond van volgende overwegingen:
"Voor een muzikaal werk, ligt de toetssteen ten aanzien van de beschermbaarheid ervan onder het auteursrecht niet anders dan voor andere werken.
Om beschermbaar te zijn, is vereist en volstaat dat het werk doet blijken van originaliteit, aldus begrepen dat het moet doen blijken van een intellectuele inspanning die de persoonlijkheid van de auteur herkenbaar maakt doordat het zijn stempel draagt.
In het voorliggende geval wordt de melodie in haar geheel ontwikkeld over zestien maten waarvan de eerste vier een strofethema bevatten dat wordt herhaald in de vijfde tot en met de achtste maat, terwijl de negende tot en met de twaalfde maat het refreinthema bevatten, dat wordt herhaald in de vier laatste maten.
Wanneer die melodie in haar geheel wordt beluisterd zoals ze is geschreven op de originele partituur - zonder de harmonische toevoegingen of ritmische variaties die de appellanten er nadien hebben aan toegevoegd - kan alleen maar worden besloten dat het om een meezingend deuntje gaat dat helemaal niet als banaal of gekend gemeengoed kan worden beschouwd.
Het heeft van de componisten zonder twijfel intellectuele muzikale inspiratie gevergd om het geheel te creëren. Hun inspiratie levert op dat hun stempel erin kan worden herkend.
Het muziekwerk is dus origineel en beschermbaar als auteurswerk.
Deze auditieve perceptie inzake originaliteit van de gehele compositie wordt niet ondergraven door het vergelijkend rapport-Verdin dat in 1996 door (de eisers) werd besteld.
De bevindingen in dat rapport betreffen hetgeen door de auteur ervan wordt bestempeld als "basismateriaal" en dit houdt in dat de doorgevoerde vergelijking beperkt wordt tot de eerste vijf noten uit de eerste maat van het refrein.
Die vijf noten kunnen op zich ook wel als melodie worden herkend, maar in het werk van de appellanten vormen ze slechts een klein onderdeel van het refrein en dus een nog kleiner onderdeel van de compositie.
Uit het feit dat doorheen de eeuwen bij tal van componisten die vijf opeenvolgende tonen inspirerend hebben gewerkt, valt niet af te leiden dat de melodie van het refrein dat vijftig noten omvat tot het publiek behoort en om die reden niet origineel zou kunnen zijn".
Grieven
Motiveringsgebrek
1. In hun beroepsconclusie (aanvullende en samenvattende conclusie, p. 17-18, nr. 13) hadden eisers de originaliteit van het werk "IF" van verweerders betwist in de eerste plaats op grond van het verslag van de deskundige David Baltuch die besloot tot de "afwezigheid aan originaliteit van het werk van (de verweerders)" omdat het een melodie (betreft) die reeds tientallen jaren, ja zelfs eeuwen, in de geesten tegenwoordig is, en die dus, ongeveer zoals populaire verhalen of moppen die de ronde doen, tot een soort "gemeenschappelijk erfgoed" van inspiratie behoort, maar waarvan het vaderschap, enkel wat betreft de noten, in elk geval niet kan worden toegeschreven aan één of ander artiest" (stuk 4, p. 2 laatste lid)" (beroepsconclusie, p. 17 laatste lid).
In dezelfde beroepsconclusie (p. 18, lid 1) onderstreepten de eisers "dat de heer Baltuch, ter staving van zijn commentaar" ... "zelf anterioriteiten citeert waarin de melodie van het werk van (de verweerders) terug te vinden is".
2. Het arrest, dat wel ingaat op het tweede door eisers geciteerde rapport, nl. dit van de heer Verdin (zie arrest, p. 11, nr. 22) rept met geen woord over dit, in de eerste plaats ingeroepen, rapport van de heer David Baltuch en de daarop gesteunde betwisting van de originaliteit.
3. Bij gebrek aan antwoord op dit verweermiddel, gesteund op het rapport Baltuch, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het aldus artikel 149 van de Grondwet krachtens hetwelk de rechter bij het motiveren van zijn beslissing dient te antwoorden op de regelmatig door partijen aangevoerde middelen.

Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet.
Aangevochten beslissingen
1. De veroordeling van de eisers wegens inbreuk op het auteursrecht van de verweerders steunt het arrest, afgezien van het erkend origineel en beschermbaar karakter van het muziekwerk van laatstgenoemden (zie eerste middel tot cassatie) op de door het arrest "vastgestelde overeenstemming, afgeleid uit het zuiver melodisch verloop, (...) bevestigd door auditieve proeven, die geen verschil van betekenis opleveren": "dit laatste gegeven komt", volgens het arrest, "doorslaggevend voor aangezien de partituur niet wezenlijk bestemd is om te worden geanalyseerd door musicologen, maar om verklaring mogelijk te maken en dus te worden gehoord" (arrest, p. 14, nr. 28).
Het arrest besluit (p. 15 nr. 30) dat er tussen de beschouwde dragende melodieën nauwelijks verschillen bestaan en dat de ermee verschillen geen draagwijdte van betekenis hebben.
2. Het hof van beroep wijst erop dat noch de conclusies van de twee colleges van deskundigen noch de door partijen ingewonnen meningen van ervaren musici - de heren Verdin, Groslot, Smets, d'Hooghe en Brouwer -, eensluidend zijn en dat het "al deze deskundige meningen in aanmerking neemt, maar daarenboven aangescherpte aandacht heeft voor de auditieve ervaringen die beluistering van de overgelegde geluidsdragers oplevert" (arrest, p. 9, nr. 17).
Grieven
Schending van artikel 149 van de Grondwet.
1. Eerste onderdeel
1.1. In hun beroepsconclusie ("aanvullende en samenvattende conclusie, p. 20, nr. 16) hadden de eisers kritiek geformuleerd op de door de verweerders overgelegde stukken 20, 21, 22 en 23 die volgens de eisers "geen werkelijkheidsgetrouwe weergave bieden van de twee muziekwerken ‘IF' en ‘YOU'".
Met betrekking tot het werk "IF" stelden de eisers meer bepaald dat de overgelegde weergave (stukken 22 en 23 van verweerders) "geheel uitgaat van a priori premissen zodat het niet kan dienen als grondslag van een ernstige vergelijkende analyse van beide werken" (zelfde beroepsconclusie, p. 20, nr. 16, lid 3).
Met betrekking tot het werk "YOU" stelden de eisers dat de door de verweerders overgelegde stukken (nrs. 20 en 21) "ringtone" bewerkingen bevatten en ontdaan zijn van iedere relevantie daar zij geen werkelijkheidsgetrouwe weergave vormen van het werk "YOU" doch slechts, hetgeen door verweerders uitdrukkelijk wordt "erkend", "vereenvoudigde versies" zijn van bestaande nummers of "bewerkingen" van het werk "YOU".
1.2. Het arrest laat in het middel of het deze stukken met de gekritiseerde weergave van de twee werken dan wel stukken met een andere weergave als grondslag voor vergelijking heeft genomen.
Deze onduidelijkheid omtrent de in aanmerking genomen stukken met de weergave van de twee muziekwerken, maakt het voor het Hof onmogelijk zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. Om die reden is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet dat een voldoende duidelijke motivering van de rechterlijke beslissingen vereist.
1.3. Indien het hof van beroep zijn vergelijking van de twee muziekwerken gesteund heeft op de weergave ervan in de door de verweerders overgelegde stukken 20, 21, 22 en 23 is het arrest eveneens niet regelmatig gemotiveerd. In dit geval immers heeft het nagelaten te antwoorden op bovenvermelde kritiek die door de eiseres op deze stukken met de daarin vervatte weergave was geformuleerd. Bij gebrek aan antwoord op dit verweer is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet dat de rechter de verplichting oplegt om de regelmatig aangevoerde middelen van partijen te beantwoorden.
2. Tweede onderdeel
2.1. Bij zijn beoordeling betrekt het arrest blijkbaar ook de "mening" van "een bevoegd intern comité van SABAM" "dat er sterke gelijkenis is tussen de melodieën" (arrest, p. 8, nr. 17, lid 5).
2.2. In hun beroepsconclusie ("Aanvullende en samenvattende conclusie", p. 21-22, nr. 18) hadden de eisers op uitvoerig gemotiveerde wijze aangevoerd dat en waarom de -eenzijdige- mening van de commissie Aanvaarding en Aangifte van SABAM terzake niet relevant was voor de vraag van het door verweerders beweerde plagiaat.
De eisers lieten o.m. gelden dat "slechts kan worden vermoed dat de conclusie van (deze commissie) is gebaseerd op de misleidende cassette van (de verweerders)". (conclusie, p. 21, nr. 18 lid 6).
2.3. In zover het arrest o.m. verwijst naar de "mening" van het intern comité van Sabam zonder te antwoorden op de desbetreffende kritiek die door eisers in hun conclusie was geformuleerd, is het niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet dat de rechter ertoe verplicht te antwoorden op alle regelmatig voorgebrachte middelen van de partijen.
3. Derde onderdeel
3.1. Het arrest vermeldt de meningen van diverse deskundigen nl. de heren Verdin, Groslot, Smets, d'Hooghe en Brouwers die het bij de beoordeling "in aanmerking" neemt.
3.2. Het spreekt echter met geen woord over het door de eisers in conclusie ingeroepen advies van de heer Baltuch die vaststelde "dat de gelijkenissen die er zijn tussen het werk ‘IF' en ‘YOU' enkel niet originele elementen betreffen die als dusdanig tevens aanwezig zijn in tal van andere werken en volksliederen, m.n. (opgesomd in de conclusie) (aanvullende en samenvattende conclusie, p. 22, nr. 19).
3.3. Bij gebrek aan antwoord op dit middel uit de conclusie, gesteund op het advies van dhr. Baltuch, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet dat de rechter ertoe verplicht te antwoorden op de regelmatig aangevoerde middelen van partijen.

Derde middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde Grondwet;
- de artikelen 1, §1 en 87, §1, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (Auteurswet);
- de artikelen 1315, eerste lid, 1349, 1350 en 1353 Burgerlijk Wetboek;
- artikel 870 Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
1. Bij de beoordeling van de stakingsvordering die leidde tot de veroordeling van de eisers wegens inbreuk op het auteursrecht van de verweerders, neemt het aangevochten arrest aan (p. 15, nr. 32, lid 1) dat
"In beginsel (...) de vastgestelde overeenstemming (tussen beide muziekwerken) niet uit(sluit) dat de jongere compositie van K.(de tweede eiser) alsnog een zelfstandig werk zou zijn en dus niet zou berusten op een aantasting door kopie of reproductie van het werk van de appellanten (de verweerders).
2. Het arrest beslist echter (p. 17 nr. 37)
"dat partij K. (de tweede eiser) niet bewijst en zelfs niet aannemelijk maakt dat hij met de melodie ‘You are not alone' (vertaling: ‘Je bent niet alleen') een zelfstandig werk heeft geschreven".
3. Dit besluit leidt het arrest af uit volgende overwegingen (p.15-17, nrs. 32-36):
"De bewijslast van de incriminerende auteur moet op dit vlak evenwel binnen redelijke perken worden gehouden.
In het algemeen kan niet worden gevergd dat hij het sluitend bewijs levert dat de auteur van het geïncrimineerde werk de oudere compositie kende.
Vanaf dit gegeven dient laatstgenoemde aan te tonen dat zijn werk niettemin een zelfstandig werk vormt om aan het verwijt van inbreukmakende reproductie nog te kunnen ontkomen.
Omtrent de creatie van zijn werk levert partij K.(de tweede eiser) maar heel schaarse gegevens.
Enkel staat vast dat de partituur in augustus 1995 werd ingediend bij en in september 1995 werd geregistreerd door het Broadcast Music Inc. te New York.
Het formulier vermeldt dat de opname van het lied door Michael Jackson publiek werd verspreid in juni 1995.
In het Verenigd Koninkrijk gebeurde de registratie op 12 juni 1995.
K. (de tweede eiser) zelf stelt dat het werk werd gecomponeerd in juni 1995, maar verstrekt geen enkel gegeven over de wordingsgeschiedenis.
Er kan moeilijk worden aangenomen dat de partituur zoals ze werd geregistreerd vlekkeloos gaaf, met alle harmonische en ritmische gegevens en in één trek werd geschreven.
Normaal moet hij dus over "werkdocumenten" beschikken, het weze in geschriften of digitale bestanden.
Ondanks het feit dat hij reeds enkele maanden na de mededeling aan het publiek kennis had van het verwijt inzake namaak, heeft hij geen enkele poging ondernomen om dit verwijt met enige temporeel relevant bewijsstuk te ontzenuwen;
Verder verliepen zowat 21 maanden tussen de aangifte door de (verweerders) en de mededeling van de muziek aan het Amerikaanse publiek zodat temporeel beschouwd ook de mogelijkheid reëel is dat hij van het werk kennis heeft kunnen krijgen.
Er kan immers naar rede worden aangenomen dat (de verweerders) het nummer niet hebben geschreven en aangegeven bij Sabam om het vervolgens in een lade op te bergen en dat ze er dus minstens kennis hebben van gegeven aan derden.
Eén opname op een geluidsdrager volstond om verdere verspreiding mogelijk te maken".
Grieven
Eerste onderdeel
Schending van alle in het middel ingeroepen wetsbepalingen.
1. Er is slechts sprake van inbreuk op een auteursrecht in de zin van de artikelen 1, §1 en 87, §1, Auteurswet, wanneer originele elementen van het auteursrechtelijk, krachtens genoemd artikel 1, §1, Auteurswet, beschermd werk zijn "overgenomen" of gereproduceerd door een derde zonder de toestemming van de auteur. Alleen in geval van "schuldige ontlening" van beschermde, originele, elementen van zijn werk kan de auteur zich verzetten tegen het werk van een derde dat dan als "namaak" of "plagiaat" kan worden beschouwd. De aldus vereiste "schuldige ontlening" onderstelt effectieve "kennis" van het werk waaraan wordt ontleend.
2. Deze stelling werd door de eisers in hun beroepsconclusie ("aanvullende en samenvattende conclusie, p. 31 t/m 36, nrs. 25 t/m 28) op omstandige wijze ontwikkeld.
3. In tegenstelling tot het werk dat een "schuldige ontlening" inhoudt aan het origineel werk van een ander en dat een inbreuk kan uitmaken op het auteursrecht van die ander (de "auteur") die zich op grond van de artikelen 1, §1 en 87, §1, van de Auteurswet hiertegen kan verzetten, kan een "zelfstandig werk" of een "onafhankelijke creatie", tot stand gebracht zonder "ontlenen" of kopiëren, niet als een inbreuk op het auteursrecht van die ander worden beschouwd.
4. Aangezien de "schuldige ontlening" een voorwaarde is voor daden van inbreuk op het auteursrecht in de zin van bovenvermelde bepalingen uit de Auteurswet, rust de bewijslast m.b.t. dergelijke "schuldige ontlening" op diegene die aan een derde inbreuk op het auteursrecht verwijt, in onderhavig geval, de verweerders.
Dit volgt ook uit de toepassing van de gemeenrechtelijke regel van artikel 1315, lid 1, Burgerlijk Wetboek en 870 Gerechtelijk Wetboek krachtens dewelke diegene die een feit aanvoert, dit feit moet bewijzen.
5. Het bestaan van - zelfs belangrijke - overeenstemmingen tussen beide werken noch het in de tijd voorafbestaan van het werk waarop een beweerd auteursrechtelijke inbreuk zou zijn gepleegd, maken dergelijk bewijs uit en kunnen evenmin als afdoende "vermoeden" (in de zin van de artikelen 1349, 1350, 1353 Burgerlijk Wetboek) gelden.
6. De anterioriteit of prioriteit (in de tijd) van het ene werk tegenover het van inbreuk beschuldigde ander werk kan des te minder gelden als bewijs of vermoeden van het voor inbreuk vereiste "schuldig ontlenen" nu de "nieuwheid" geen wettelijke voorwaarde is voor het auteursrecht in de zin van artikel 1 van de Auteurswet.
7. In zoverre het arrest, na eerst de bewijslast van de "incriminerende auteur" m.b.t. het "reproduceren" of "kopiëren", m.a.w. de "schuldige ontlening" te hebben erkend (p. 15, nr. 32, lid 2), niettemin besluit dat partij K.(de tweede eiser) "niet bewijst en zelfs niet aannemelijk maakt dat hij met de melodie ‘You are not alone' (vert. ‘Je bent niet alleen') een zelfstandig werk heeft geschreven" heeft het op onwettige wijze eisers, nl. de van auteursrechtelijke inbreuk beschuldigde partijent gelast met het bewijs van afwezigheid van "schuldige ontlening".
Door deze omkering van bewijslast door te voeren heeft het arrest de boven ingeroepen artikelen 1, §1 en 87, §1, van de Auteurswet, 1315, 1349, 1350 en 1353 Burgerlijk Wetboek en artikel 870 Gerechtelijk Wetboek geschonden.
8. In zover het arrest (p. 15 nr. 33) de boven gekritiseerde omkering van bewijslast steunt op een beweerde "prioritaire bescherming" waarvan de verweerders, op grond van de "vaststaande oudere datum van een originele werk" zouden genieten hanteert het arrest een onwettige grond voor bescherming en een onwettig "vermoeden" daar bovenvermelde gebruikte bewoordingen uit het arrest verwijzen naar de voorwaarde van "nieuwheid" die geen voorwaarde is voor de auteursrechtelijke bescherming in de zin van artikel 1, §1, van de Auteurswet en derhalve niet als "vermoeden" in aanmerking kan worden genomen. Het arrest heeft aldus de hierboven onder nr. 7 vermelde wetsbepalingen geschonden.
9. In zover onduidelijk is wat het arrest bedoelt door het begrip "prioritaire bescherming" zodat het Hof zijn wettigheidstoezicht niet kan uitoefenen, is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 van de Grondwet dat de rechter ertoe verplicht zijn beslissingen met redenen te omkleden hetgeen impliceert dat de motivering "duidelijk" moet zijn.
Tweede onderdeel
Schending van artikel 149 van de Grondwet.
1. In hun beroepsconclusie ("Aanvullende en samenvattende conclusie", p. 33, eerste en tweede "Dat (...)", p. 35-36, nr. 28) lieten eisers op omstandige wijze gelden dat er in voorliggend geval geen sprake kon zijn van enige "schuldige ontlening" door hem bij afwezigheid van mogelijke kennis van het werk "If" van de verweerders.
Zij wezen o.m. op het feit dat tweede eiser in Amerika woonde en dat het door verweerders ingeroepen werk "If" nooit werd gepubliceerd, "onder om het even welke vorm (...) zodat het onmogelijk is voor een derde kennis te hebben genomen van het bestaan van dit lied". Daarbij verwezen zij uitdrukkelijk naar een fax van Sabam aan mevrouw E. S.  van 22 november 1995 (stuk 20)" (beroepsconclusie, p. 35 nr. 28-2).
De eisers onderstreepten ook (beroepsconclusie, p. 26, nr. 3) dat "een aansluiting of registratie van een werk bij Sabam niet noodzakelijk impliceert dat dit werk ook werd geëxploiteerd, of op enige wijze publiek werd gemaakt" en het "een vaststaand feit is, door Sabam zelf bevestigd, dat een muziekwerk dat wordt aangegeven bij Sabam op generlei wijze toegankelijk is voor derden (stuk 26)".
2. Het arrest (p. 17 nr. 36) gaat ervan uit dat de tweede eiser "kennis heeft kunnen krijgen" van het werk van de verweerders en steunt hierbij op de aangifte van het werk van laatstgenoemden bij Sabam zonder te antwoorden op het bovenvermeld omstandig verweer van de eisers ten betoge van het feit dat zij geen kennis konden hebben van het ingeroepen werk van de verweerders.
3. Bij gebrek aan antwoord op vermeld middel, is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed zoals voorgeschreven door artikel 149 van de Grondwet dat derhalve geschonden is.
IV. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. De appelrechters verwerpen en beantwoorden de betwisting van de originaliteit door het rapport Baltuch, gesteund op het feit dat de melodie tot het gemeenschappelijk erfgoed behoort, door te overwegen dat:
- uiteenlopende meningen van deskundigen en partijdeskundigen op musicologisch vlak voorliggen, die niet tot eensluidende conclusies komen;
- een intern bevoegd comité van Sabam tot de conclusie kwam dat er een sterke gelijkenis is tussen de melodieën;
- het hof van beroep deze meningen in aanmerking neemt, maar een aangescherpte aandacht voor de auditieve ervaringen die beluistering van de overgelegde geluidsdragers oplevert;
- een muzikaal werk in de omvangrijkste zin van het concept gevormd wordt door het geheel van een melodie, de harmonie, het ritme en het timbre van sonore klanken;
- niettemin zo'n werk zich kan beperken tot de melodische en ritmische gegevens van die klanken;
- wanneer de melodie wordt beluisterd in haar geheel zoals ze is geschreven op de partituur- zonder de harmonische toevoegingen of ritmische variaties die de (verweerders) er nadien hebben aan toegevoegd - enkel kan worden besloten dat het niet als (...) gemeengoed kan worden beschouwd.
2. Aldus geven de appelrechters te kennen dat, in het licht van de uiteenlopende meningen van de deskundigen en van het interne comité van Sabam, de beluistering van de melodie doorslaggevend is in de beslissing tot originaliteit.
Zij overwegen vervolgens dat dit besluit niet wordt ondergraven door het rapport Verdin dat door de eisers werd besteld en waarvan de eisers in hun aanvullende en samenvattende conclusie aanvoeren dat het, met verwijzing naar anterioriteiten, tot dezelfde conclusie kwam als het rapport Baltuch.
3. Het arrest hoefde aldus, om te voldoen aan de motiveringsplicht, niet nader in te gaan op de diverse argumenten van de eisers betreffende de anterioriteiten waarin de melodie van het werk van de verweerders terug te vinden is.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede middel
Eerste onderdeel
4. Het arrest beantwoordt het bedoelde verweer, zonder de aangevoerde onduidelijkheid, met de reden dat het zuiver melodisch verloop bevestigd wordt door auditieve proeven. Het arrest oordeelt verder dat de overeenstemming verder "treffend blijkt uit de auditieve proeven waarbij een door (de verweerders) harmonisch gearrangeerde versie van hun werk wordt beluisterd na de compositie van K.".
5. Het arrest moest niet nader ingaan op het bedoelde verweer om aan de vereisten van de motiveringsplicht te voldoen.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
6. Het arrest vermeldt de mening van een intern comité van Sabam met andere meningen zonder hieraan een bijzondere bewijswaarde toe te kennen.
7. Het arrest moest in die omstandigheden om te voldoen aan de motiveringsplicht niet ingaan op het verweer van de eisers dat dit comité geoordeeld had op grond van misleidende gegevens.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Derde onderdeel
8. De appelrechters verwerpen en beantwoorden het bedoelde verweer door, met betrekking tot het rapport Verdin, waarvan de eisers in hun aanvullende en samenvattende conclusie aanvoeren dat het, met verwijzing naar anterioriteiten. tot dezelfde conclusie kwam als het rapport Baltuch, te overwegen dat  uit het feit dat doorheen de eeuwen bij tal van componisten die vijf opeenvolgende noten inspirerend hebben gewerkt, niet valt af te leiden dat de melodie van het refrein, dat vijftig noten omvat, tot het publiek domein behoort en om die reden niet origineel zou kunnen zijn.
9. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist aldus feitelijke grondslag.
Derde middel
Eerste onderdeel
10. Krachtens artikel 1 van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, heeft enkel de auteur het recht om een werk op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren.
11. Indien een werk opvallende gelijkenissen vertoont met een eerder bestaand werk, behoort het aan de feitenrechter na te gaan of deze gelijkenissen met het oudere werk toevallig zijn, dan wel voortkomen uit bewuste of onbewuste ontlening aan dat werk en aldus inbreuk wordt gemaakt op het auteursrecht. In geval van voldoende overeenstemming tussen originele elementen van beide werken, dient de auteur van het jongere werk het vermoeden van reproductie te weerleggen door aannemelijk te maken dat hij het eerdere werk niet kende of ervan redelijkerwijze geen kennis heeft kunnen krijgen.
12. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat, ondanks belangrijke overeenstemmingen tussen de beide werken en het vooraf bestaan in de tijd van het ene werk ten opzichte van het andere, het bewijs van schuldige ontlening moet worden geleverd door de auteur van het oudere werk, faalt het naar recht.
13. Door te oordelen dat het oudere werk de ‘prioritaire' bescherming geniet van het auteursrecht, geven de appelrechters te kennen dat, in het kader van de verdeling van de bewijslast, gegeven de oudere datum van dit werk, dit werk auteursrechtelijke bescherming geniet, wat inhoudt dat het niet kan worden gereproduceerd zonder toestemming, waarna zij overgaan tot een onderzoek van de mogelijke reproductie van dit oudere werk door het jongere werk door na te gaan of de door de auteur van het jongere werk geleverde bewijselementen het vermoeden van ontlening kunnen weerleggen.
14. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters door het gebruik van de bewoordingen ‘prioritaire bescherming' een voorwaarde van nieuwheid toevoegen aan de auteursrechtelijke bescherming, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het aldus feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel
15. De appelrechters verwerpen en beantwoorden het bedoelde verweer door te oordelen dat hoewel "publieke verspreiding van het werk niet heeft plaatsgegrepen", dit "er niet aan in de weg staat dat (de tweede verweerder) er kennis heeft van kunnen krijgen", daar "er naar rede kan worden aangenomen dat (de verweerders) het nummer niet hebben geschreven en aangegeven bij Sabam om het vervolgens in een lade op te bergen en dat ze er dus minstens kennis kunnen hebben van gegeven aan derden" en verder dat "één opname op een geluidsdrager volstond om verdere verspreiding mogelijk te maken".
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers in de kosten.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 12/10/2009 - 13:58
Laatst aangepast op: vr, 15/01/2010 - 18:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.