-A +A

Schuldeisers van de verzekerde schuldenaar Pauliaanse vordering

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 28/01/2016

Bij de uitbetaling van een levensverzekering dient teneinde de rchten van de schuldeisers te bepalen een onderscheid gemaakt tussen een iure proprio en een «iure haereditario. Een iure prorio is een verzekeringsprestatie die persoonlijk aan de begunstigde van de polis toekomt lost van de nalatenschap. De lasten van de nalatenschap en dus de schulden van de overledene kunnen niet niet verhaald worden op de titularis van een iure proprio. Maar in vele polissen wordt de verzekerde prestatie toegekend aan de erfgenamen waarbij en waardoor de verzekeringsprestaie een iure haereditoria is en derhlve de erfgenamen-begunstiugden alsdan tot de schulden va de nalatenschap en die van de overleden gehouden zijn.

art. 110/1 WLVO (thans: art. 174 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen:  Art. 174. Wanneer de wettelijke erfgenamen als begunstigden worden aangewezen zonder bij name te zijn vermeld, is, onder voorbehoud van tegenbewijs of andersluidend beding, de verzekeringsprestatie verschuldigd aan de nalatenschap van de verzekeringnemer.
 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1467
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

A. t/ Onbeheerde nalatenschap M.D. en D.L.L.

...

I. Beroepen vonnis

1. Bij vonnis van 5 november 2013 (...) gaat de (...) de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk in op de hoofdvordering van de curator over de onbeheerde nalatenschap van M.D. om zodoende de D.L.L. te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag van

165.836,20 euro, te vermeerderen met de interesten (...).

De rechtbank wijst de curator af in zoverre hij zijn hoofdvordering bij wijze van tussenvordering (later) bij conclusie (op een andere rechtsgrond) ook richt tegen A. om zodoende een solidaire veroordeling van D.L.L. en A. na te streven.

De rechtbank gaat verder in op de (subsidiaire) tussenvordering van D.L.L. om zodoende A. te veroordelen om

aan D.L.L. te betalen een bedrag van 165.836,20 euro, te

vermeerderen met de interesten (...).
...

II. Hogere beroepen

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 26 november 2013 stelt A. hoger beroep in.

Met haar hoger beroep beoogt A. met hervorming van het beroepen vonnis, de afwijzing van (1) de oorspronkelijke hoofdvordering van de curator en (2) de oorspronkelijke tussenvordering van D.L.L. telkens als ongegrond, (...).

2. De curator neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis.

Bij wijze van incidenteel hoger beroep wil de curator zijn oorspronkelijke hoofdvordering in de lijn van zijn oorspronkelijke tussenvordering (die op een andere rechtsgrond steunt) ook doen inwilligen tegen A. om haar zodoende evenals D.L.L. te doen veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag van 165.836,20 euro, vermeerderd met de interesten (...).

3. D.L.L. neemt conclusie tot afwijzing van het hoger beroep en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis met inwilliging van haar oorspronkelijke (subsidiaire) tussenvordering tegen A. althans in zoverre de oorspronkelijke hoofdvordering van de curator tegen D.L.L. blijft slagen.

Bij wijze van incidenteel hoger beroep beoogt D.L.L., met hervorming van het beroepen vonnis, de afwijzing van de oorspronkelijke hoofdvordering van de curator als hetzij niet-ontvankelijk hetzij ongegrond, (...).

In zoverre de oorspronkelijke hoofdvordering van de curator tegen haar niet slaagt, wil zij doen vaststellen dat haar oorspronkelijke tussenvordering tegen A. een voorwerp ontbeert.

...

III. Beoordeling

...

2. Ten gronde slaagt noch het hoofdberoep van A. noch het incidenteel hoger beroep van D.L.L.

Het incidenteel hoger beroep van de curator slaagt daarentegen (grotendeels) wel.

3. Centraal rijst discussie over de draagwijdte en de gevolgen van de begunstigingsclausule in de door wijlen M.D. op 23 november 2006 bij D.L.L. afgesloten levensverzekeringsovereenkomst.

4. Mireille D. (o14 maart 1956) was MS-patiënte en overleed op 31 december 2009.

Zij was jarenlang betrokken in een echtscheidingsprocedure met Alain A., die mede in het raam van de BVBA ABM in faillissement een aanzienlijke schuldenlast had opgebouwd. In die optiek waren in het najaar van 2006 nog steeds schulden te vereffenen, waarbij (door middel van executie) ook vermogensbestanddelen van Mireille D. werden aangesproken.

A. (...) is de enige dochter van Alain A. en Mireille D. Blijkbaar had zij sinds jaren geen contact meer met haar moeder.

Zoals aangegeven, heeft Mireille D. op 23 november 2006 (zij het met ingang op 1 november 2006) bij D.L.L. een (gemengde) levensverzekeringsovereenkomst (tak 21) afgesloten, en dit door middel van een eenmalige storting ten bedrage van 150.000 euro. Mireille D. fungeert als verzekeringnemer, verzekerde en begunstigde bij leven. Bij overlijden fungeren als begunstigden: «de wettelijke erfgenamen van de verzekerde voor gelijke delen».

De gewaarborgde basisrente en de jaarlijkse winstdeelname maken dat de beschikbare eindwaarde ten tijde van het overlijden van Mireille D. 165.836,20 euro bedraagt.

Het nalatenschapsactief van Mireille D. is beperkt tot enkele tegoeden op een zicht- en een spaarrekening (ten bedrage van respectievelijk 1.296,97 euro en 459,06 euro) en een effectendossier ten bedrage van 3.358,20 euro.

A. verwerpt de nalatenschap van haar moeder.

Bij gebrek aan andere (aanvaardende) erfgenamen, stelt de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk bij vonnis van 26 oktober 2010 een curator aan over de onbeheerde nalatenschap van Mireille D.

5. Bij brieven van 17 oktober 2011 en 6 april 2012 richt de curator zich tot D.L.L. teneinde de bedoelde verzekeringsprestatie op te eisen als een deel van de onbeheerde nalatenschap. De begunstigingsclausule maakt volgens de curator niet dat «de wettelijke erfgenamen» een eigen recht genieten.

D.L.L. repliceert evenwel bij brieven van 23 december 2011 en 20 april 2012 dat de verzekeringsprestatie niet tot de onbeheerde nalatenschap van Mireille D. behoort, omdat zij rechtstreeks toekomt aan de begunstigde en met name A. A. zou dienaangaande (inzonderheid) krachtens art. 121 van de toepasselijke wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (hierna: «WLVO») een eigen recht genieten. Krachtens deze bepaling «heeft de begunstigde door het enkele feit van zijn aanwijzing recht op de verzekeringsprestatie(s)». D.L.L. ziet in de begunstiging (ondanks de bewoordingen «wettelijke erfgenamen») een concreet beding ten behoeve van een derde en met name A.

D.L.L. beklemtoont dat het bij wet van 13 januari 2012 ingevoerde art. 110/1 WLVO in casu niet kan gelden voor de vóór de inwerkingtreding van deze bepaling (op 5 maart 2012) gesloten levensverzekeringsovereenkomst. Dit artikel betreft het klassieke geval van «de aanwijzing van de wettelijke erfgenamen als begunstigden» en bepaalt dat «wanneer de wettelijke erfgenamen als begunstigden worden aangewezen zonder bij name te zijn vermeld, onder voorbehoud van tegenbewijs of andersluidend beding, de verzekeringsprestatie is verschuldigd aan de nalatenschap van de verzekeringsnemer».

D.L.L. gaat dan ook in op de brief van 4 juli 2012 van A. tot rechtstreekse betaling van de bedoelde verzekeringsprestatie. De betaling heeft plaats op 31 juli 2012.

6. Met de curator en de eerste rechter is het hof van oordeel dat de draagwijdte van de litigieuze begunstigingsclausule meebrengt dat de verzekeringsprestatie tot de onbeheerde nalatenschap van Mireille D. behoort en geenszins rechtstreeks aan A. toekomt. D.L.L. is dan ook verkeerdelijk overgegaan tot rechtstreekse betaling aan A. Zij had in de lijn van voormelde brief van 6 april 2012 dienen uit te betalen aan de curator.

De clausule met als begunstigden bij overlijden: «de wettelijke erfgenamen van de verzekerde voor gelijke delen» blijkt in de gegeven context niet afdoende concreet te doelen op A. (zie dienaangaande: N. Carette, Derdenbeding, Antwerpen, Intersentia, 2011, p. 395-398, nr. 478; B. Weyts, «Verzekeringsrechtelijke aspecten van begunstiging bij levensverzekering» in N. Carette (ed.), Begunstiging bij levensverzekering, Antwerpen, Intersentia, 2013, p. 41-44, nrs. 13-14). Anders dan A. wil voordoen, blijkt niet dat haar moeder (enkel) haar bedoelde als begunstigde bij overlijden. Noch de libellering «wettelijke erfgenamen» (meervoud) noch de toevoeging «voor gelijke delen» (die in de zienswijze van A. een nodeloos karakter vertoont) wijzen in die richting. Zoals aangegeven, kampten de (uit de echt gescheiden) ouders van A. met een aanzienlijke schuldenlast en had A. sinds jaren geen contact meer met haar moeder. A. is door de begunstigingsclausule onvoldoende concreet aangewezen om als derde-begunstigde met een rechtstreeks recht te kunnen worden beschouwd. Dat het de bedoeling was van Mireille D. om (enkel) haar dochter te begunstigden, blijkt niet afdoende. Een zogeheten «iure proprio» aan de zijde van A. (in de zin van art. 121 WLVO en art. 1121 BW) is derhalve niet bewezen. Een zogeheten «iure haereditario» is wel aan de orde, zodat de verzekeringsprestatie behoort tot de nalatenschap van de verzekeringnemer en zodoende toekomt aan de rechthebbenden in deze nalatenschap. Zoals aangegeven, heeft A. de nalatenschap evenwel verworpen.

7. Voormeld art. 110/1 WLVO (thans: art. 174 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen) kan in casu niet gelden voor de vóór de inwerkingtreding van deze bepaling (op 5 maart 2012) gesloten levensverzekeringsovereenkomst. Het specifieke overgangsrecht speelt niet, aangezien de litigieuze levensverzekeringsovereenkomst niet meer liep op 5 maart 2012 (K. Boone, «De aanduiding van de «wettelijke erfgenamen» als de begunstigden van een levensverzekering: concrete gevolgen van de wet van 13 januari 2012 tot invoeging van artikel 110/1 in de Landverzekeringswet», Not.Fisc.M. 2012, p. 48-49, nrs. 20-21).

Dit betekent echter niet, zoals D.L.L. en A. willen voordoen, dat voordien een a contrario-redenering gold. Zoals aangegeven, betreft voormeld art. 110/1 WLVO het klassieke geval van «de aanwijzing van de wettelijke erfgenamen als begunstigden». Het bepaalt dat «wanneer de wettelijke erfgenamen als begunstigden worden aangewezen zonder bij name te zijn vermeld, onder voorbehoud van tegenbewijs of andersluidend beding, de verzekeringsprestatie is verschuldigd aan de nalatenschap van de verzekeringsnemer». Het stelt zodoende een weerlegbaar vermoeden van begunstiging «iure haereditario» in (B. Weyts, «Verzekeringsrechtelijke aspecten van begunstiging bij levensverzekering» in N. Carette (ed.), Begunstiging bij levensverzekering, Antwerpen, Intersentia, 2013, p. 44, nr. 15). De onderliggende teneur van dit artikel is (ofschoon het artikel in casu niet als zodanig geldt) dezelfde als die van het onderhavige geval. A. is onvoldoende concreet aangewezen, zodat de verzekeringsprestatie is verschuldigd aan de (onbeheerde) nalatenschap van Mireille D. Aangezien A. ingevolge de verwerping van de nalatenschap van haar moeder vreemd is aan het nalatenschapvermogen, kan zij geen aanspraak maken op bestanddelen van dit vermogen, inzonderheid de verzekeringsprestatie. Als erfgerechtigde in de nalatenschap van haar moeder is zij, ingevolge de verwerping, nooit erfgenaam geworden (art.785 BW). Bij gebrek aan een eigen recht, kan zij geen aanspraak maken op de verzekeringsprestatie.

8. Een en ander brengt mee dat D.L.L. de verkeerdelijk rechtstreeks aan A. betaalde verzekeringsprestatie moet terugbetalen aan de curator, vermeerderd met de verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van voormelde ingebrekestelling van 6 april 2012 (vanaf de datum van de dagvaarding, zijnde 3 september 2012 als gerechtelijke interesten) tot de datum van de algehele betaling.

De eerste rechter is dan ook terecht ingegaan op de oorspronkelijke hoofdvordering van de curator om zodoende D.L.L. te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag van 165.836,20 euro, vermeerderd met interesten vanaf 6 april 2012 tot de datum van de algehele betaling.

9. Met de curator en anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat de oorspronkelijke tussenvordering van de curator tegen A. eveneens slaagt. Punt is immers dat D.L.L. met haar rechtstreekse betaling aan A. op 31 juli 2012 deze laatste (weliswaar verkeerdelijk) als begunstigde heeft beschouwd om zodoende de curator voor een voldongen feit te plaatsen.

Punt is voorts dat D.L.L. en A. op die manier (met kennis van zaken) de schuldeisers van de onbeheerde nalatenschap van Mireille D. buitenspel hebben gezet. Zij miskennen op bedrieglijke wijze de rechten van deze schuldeisers, terwijl Mireille D. bij het sluiten van de levensverzekeringovereenkomst wars van de (toenmalige) schuldenlast en derhalve buiten proportie handelde. Krachtens het toepasselijke art. 126, eerste lid WLVO (thans: art. 190 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen) kunnen de schuldeisers van de verzekeringnemer ten laste van de begunstigde om niet de terugbetaling vorderen van de premies, voor zover ze kennelijk buiten verhouding staan tot de vermogenstoestand van de verzekeringnemer en voor zover ze zijn betaald met bedrieglijke benadeling van hun rechten in de zin van art. 1167 BW. Art. 126, tweede lid WLVO vervolgt dat de terugbetaling het bedrag van de aan de begunstigde verschuldigde verzekeringsprestaties niet mag overschrijden.

Voormelde premiebetaling ten bedrage van 150.000 euro staat in de gegeven context (ten tijde van de betaling) kennelijk buiten verhouding tot de vermogenstoestand van Mireille D., die op bedrieglijke wijze de zich (alsdan) aandienende schuldenlast wilde omzeilen. Die handelwijze weerspiegelt geenszins een normaal vermogensbeheer van een aanslepend zieke dame die enkel een ziekte-uitkering geniet. Hoewel zij een aanvullend inkomen ingevolge de belegging van een substantieel bedrag zou kunnen gebruiken, parkeert zij nagenoeg haar hele vermogen met miskenning van de gekende schuldeisers.

Een en ander brengt mee dat A. die in dezen als de door D.L.L. verkeerdelijk uitbetaalde begunstigde om niet moet worden beschouwd, de premie ten bedrage van 150.000 euro moet terugbetalen aan de curator, vermeerderd met de verwijlinteresten aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van voormelde storting van 23 november 2006 (vanaf de datum van de dagvaarding, zijnde 4 september 2012, als gerechtelijke interesten) tot de datum van de algehele betaling.

Anders dan de eerste rechter gaat het hof ook in op de oorspronkelijke tussenvordering van de curator om zodoende A. te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag van 150.000 euro, vermeerderd met de interesten vanaf 23 november 2006 tot de datum van de algehele betaling.

10. Het hof gaat derhalve:

– zoals de eerste rechter in op de oorspronkelijke hoofdvordering van de curator om zodoende D.L.L. te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag van 165.836,20 euro, te vermeerderen met de interesten vanaf 6 april 2012 tot de datum van de algehele betaling;

– anders dan de eerste rechter ook in op de oorspronkelijke tussenvordering van de curator om zodoende A. te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag van 150.000 euro, vermeerderd vanaf 23 november 2006 tot de datum van de algehele betaling.

In de lijn van wat de curator zelf aangeeft, kan hij slechts eenmaal tot recuperatie van het maximale bedrag overgaan, terwijl de grens van de geldelijke invordering en recuperatie ligt op 165.836,20 euro, vermeerderd met de interesten (art. 126, tweede lid WLVO).

Daar voormelde dubbele veroordeling meebrengt dat de curator ten laste van D.L.L. invordert en recupereert, gaat het hof, evenals de eerste rechter, in op de (subsidiaire) tussenvordering van D.L.L. om zodoende A. te veroordelen om aan D.L.L. te betalen een bedrag van 165.836,20 euro, te vermeerderen met de (gerechtelijke) interesten.

...

Noot: 

Verlooy, B., « De tenuitvoerlegging na een pauliaanse vordering, meer bepaald de executie in het kader van de onbeheerde nalatenschap van de schuldenaar », R.A.B.G., 2017/6, p. 488-495

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 05/05/2018 - 14:42
Laatst aangepast op: wo, 09/05/2018 - 21:37

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.