-A +A

Schulddelegatie veroorzaakt geen novatie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 06/05/2010
A.R.: 
C.09.0423.N

Waar een schulddelegatie niet leidt tot de bevrijding van de oorspronkelijke schuldenaar en integendeel de delegant (oorspronkelijke schuldenaar) en gedelegeerde in solidum gehouden zijn ten aanzien van de schuldeiser-delegataris, leidt een schuldvernieuwing of novatie wel tot bevrijding van de oorspronkelijke schuldenaar.

Overeenkomstig artikel 1273 B.W. wordt schuldvernieuwing niet vermoed. De wil om ze tot stand te brengen, de zgn. animus novandi, moet duidelijk blijken uit de handeling.

Het bewijs van de animus novandi vereist geen uitdrukkelijke wilsuiting nu een schuldvernieuwing ook stilzwijgend kan tot stand komen op voorwaarde dat vaststaat dat partijen schuldvernieuwing beoogden.

Dit houdt in dat de rechter de bedoeling van partijen niet uit vage veronderstellingen mag afleiden, maar dat de partij die de schuldvernieuwing inroept, het bestaan van de animus novandi moet kunnen bewijzen, minstens met ernstige, gewichtige vermoedens.

Artikel 1275 B.W. bepaalt dat een delegatie waarbij een schuldenaar aan de schuldeiser een andere schuldenaar geeft die zich tegenover de schuldenaar verbindt, geen schuldvernieuwing teweeg brengt indien de schuldeiser niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij zijn schuldenaar die de delegatie gedaan heeft, van zijn verbintenis wil ontslaan. Waar mevrouw V.M., zowel in eigen naam als qualitate qua, zich nog steeds op de schuldvernieuwing beroept, rust op haar de last om het bewijs van de animus novandi te leveren, daarbij rekening houdend met de vaststelling dat de vrijstelling van de overdrager, net zoals elke afstand van een recht, alleen kan worden afgeleid uit omstandigheden die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.
 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018
Pagina: 
219
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 

CREVE DRINKS N.V. in vereffening, [ ... ]

appellante,

[ ... ]

tegen

1. V.M.,

in eigen naam en als gedinghervattende partij als erfgenaam van wijlen T.E., haar overleden echtgenoot, [ ... ]

eerste geïntimeerde,

[ ... ]

2. LEAERTS Jeroen,

advocaat te 9052 ZWIJNAARDE, Hutsepotstraat 16, handelend in zijn hoedanigheid van

curator over het faillissement KATER B.V.B.A., met handelsbenaming Capriccio,[ ... ]

tweede geïntimeerde qq,

[ ... ]

ll. FEITEN - PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

2. Op 26 december 2005 werd tussen NV CREVE DRINKS, thans in vereffening, en de heer T.E. en mevrouw V.M. een "overeenkomst van financiering en exclusieve drankafname" afgesloten

De overeenkomst werd afgesloten voor vijf jaar, ingaande op 1 januari 2006 (artikel 5).

In het kader van voormelde overeenkomst heeft NV CREVE DRINKS de volgende verbintenissen ten aanzien van de heer en mevrouw T.E.-V.M. opgenomen:

het verstrekken van een financiële tussenkomst van 1.240,00 EUR voor de zaak gelegen te [ ... ], genaamd

''[ ... ]",

de terbeschikkingstelling (in bruikleen) van een 3-deurs flessenfrigo, waarvan de eigendom bij NV CREVE DRINKS bleef en alle herstel-

Als tegenprestatie hebben de heer en mevrouw T.E.-V.M. zich er onder meer toe verbonden om:

alle in de bijlagen aan de overeenkomst vermelde bieren en frisdranken exclusief aan te kopen bij NV CREVE DRINKS of haar aangestelde,

per vaststelling van vreemde producten een schadevergoeding te betalen van 307,39 EUR,

de handelszaak enlof uitbating niet stop te zetten of af te staan, zonder schriftelijke en voorafgaandelijke toestemming van de NV CREVE DRINKS,

gedurende de ganse periode van de overeenkomst, hetzij vanaf 01.01.2006 t.e.m. 31.12.2010, een afname te doen van 19.200,00 EUR (excl. BTW, acc. en ecotaks), waarbij - indien de beschreven hoeveelheid niet wordt behaald - de heer en mevrouw T.E.-V.M. gehouden zullen zijn tot betaling van een schadevergoeding van 10% op het minder afgenomen gedeelte.

De voormelde overeenkomst bepaalde tevens dat, in geval van vroegtijdige beëindiginglverbreking van de overeenkomst door of lastens de heer en mevrouw T.E.-V.M., NV CREVE DRINKS de onmiddellijke teruggave kon eisen van de gedane investering.

In voorkomend geval kon NV CREVE DRINKS bovendien - cumulatief - bij wijze van schadevergoeding wegens contractbreuk, betaling eisen van een schadevergoeding van 85% van het totaal geïnvesteerde kapitaal.

3. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent van 20 september 2006 werd het faillissement uitgesproken van de BVBA KATER, uitbating van fastfoodzaak, snackbar, frituur en dergelijke, met handelsbenaming Cappriccio. Mtr. Jeroen LEAERTS werd aangesteld als curator.

Op 27 oktober 2006 diende de NV CREVE DRINKS een aangifte van schuldvordering iin het passief van het faillissement van de BVBA KATER voor een bedrag van € 1.053,97 en de in bruikleen gegeven flessenfrigo. (stukkendossier T.E.-V.M.: stuk 1 ; stukkendossier curator: stuk 2)

Bij schrijven van 17 november 2006 deelde de curator aan de NV CREVE DRINKS mee dat de ingediende schuldvordering werd aangehouden vermits de curator van oordeel was dat uit de bij de aangifte van schuldvordering gevoegde overeenkomst bleek dat er niet werd gecontracteerd met de gefailleerde BVBA KATER maar met de heer en mevrouw T.E.-V.M.

De curator verzocht de NV CREVE DRINKS om terzake standpunt in te nemen en kondigde aan dat, indien de vordering zou worden gehandhaafd, deze zou worden betwist en ter beoordeling aan de rechtbank zou worden voorgelegd.

4. Daaropvolgend is de NV CREVE DRINKS op 28 november 2006 overgegaan tot dagvaarding van de heer en mevrouw T.E.-V.M. en vorderde zij de solidaire veroordeling van laatstgenoemden tot:

• het betalen van een schadevergoeding wegens contractbreuk gelijk aan 1.054,00 EUR, een conventionele schadevergoeding wegens drankafnametekorten gelijk aan 1.830,59 EUR en een gemeenrechtelijke schadevergoeding voor administratiekosten, achternageloop en tijdverlies gelijk aan 850,00 EUR, de teruggave van een driedeurs flessenfrigo in een goede staat, dit binnen de 48 uur na de betekening van het tussen te komen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag vertraging,

• betaling van de gedingkosten.

De heer en mevrouw T.E.-V.M. vorderden de afwijzing van de voormelde vorderingen als onontvankelijk, minstens ongegrond.

Ondergeschikt vroegen zij het verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis af te wijzen en hen toe te laten het verschuldigde af te betalen à rato van € 100,00 per maand.

5. In conclusies breidde NV CREVE DRINKS haar oorspronkelijke vordering uit en vroeg zij de heer en mevrouw T.E.-V.M. tevens solidair te veroordelen tot het terugbetalen van de investering t.b.v. 1.240,00 EUR, een conventionele schadevergoeding (artikel 4) gelijk aan 307,39 EUR alsook tot het betalen van de vergoedende interesten op het totaal gevorderde bedrag van 5.281,98 EUR vanaf 1 oktober 2006, de gerechtelijke intresten en de gedingkosten.

De heer en mevrouw T.E.-V.M. die hun standpunt tot afwijzing van de uitgebreide vordering aanhielden, vorderden tevens dat de behandeling van de zaak zou worden geschorst in afwachting van de uitkomst van de tussen de curator en de NV CREVE DRINKS bestaande betwisting met betrekking tot de ingediende schuldvordering.

6. Bij tussenvonnis van 18 februari 2008 stelde de eerste rechter de samenhang vast tussen de door NV CREVE DRINKS lastens de heer en mevrouw T.E.-V.M. ingestelde vordering en de door de NV CREVE DRINKS ingediende en door de curator betwiste schuldvordering in het faillissement van de BVBA KATER en werden de debatten heropend.

7. In zijn hoedanigheid van curator van de BVBA KATER kwam Mr. Jeroen LEAERTS op 13 april 2012 vrijwillig tussen in de procedure.

8. Na het tussenvonnis vorderde NV CREVE DRINKS de solidaire veroordeling van T.E. en V.M. tot het betalen van een schadevergoeding wegens contractbreuk gelijk aan 1.054,00 EUR, het terugbetalen van de investering t.b.v. 1.240,00 EUR, een conventionele schadevergoeding wegens drankafnametekorten gelijk aan 1.830,59 EUR alsook tot een conventionele schadevergoeding (artikel 4) gelijk aan 307,39 EUR, alle bedragen te vermeerderen met vergoedende interesten vanaf 1 oktober 2006, de gerechtelijke interesten en de gedingkosten.

NV CREVE DRINKS vorderde om haar schuldvordering in het faillissement van de BVBA KATER vast te stellen op € 5.385,91 (= € 1.054,00 + € 1.240,00 + € 1.830,59 + € 307,39 + € 953,93 kosten dagvaarding en rechtsplegingsvergoeding) en daarbij te zeggen dat NV CREVE DRINKS verder diende te handelen overeenkomstig artikel 72, derde en vierde lid F.W.

Mtr. LEAERTS qualitate qua besloot in hoofdorde tot de ongegrondheid van de vordering van NV CREVE DRINKS. Ondergeschikt was hij van oordeel dat de schuldvordering slechts in het gewoon passief kon worden opgenomen. De heer en mevrouw T.E.-V.M. vorderden in hoofdorde de afwijzing van de vordering van de NV CREVE DRINKS als onontvankelijk, minstens ongegrond.

In ondergeschikte orde vorderden zij om de interesten te schorsen gedurende de periode vanaf 18 februari 2006 tot 23 april 2012 of minstens gedurende drie jaar, het verzoek tot voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis af te wijzen en hen toe te laten het verschuldigde af te betalen à rato van € 100,00 per maand.

9. Het hier bestreden eindvonnis: verklaarde de vordering van NV CREVE DRINKS zoals gericht tegen T.E. en V.M. ontvankelijk maar niet gegrond, en verwees NV CREVE DRINKS in de gedingkosten ten bedrage van 715,00 EUR als rechtsplegingsvergoeding, verklaarde de vordering van de NV CREVE DRINKS ten aanzien van Mtr. LEAERTS qualitate qua ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en beval de opname van de schuldvordering van de NV CREVE DRINKS in het gewoon passief van het faillissement van de BVBA KATER voor een bedrag van 4.124,59 EUR, meer de gedingkosten ten bedrage van 715,00 EUR als rechtsplegingsvergoeding,

III. GRIEVEN/VOORWERP VAN HET HOGER BEROEP

10. Voor een omstandige uiteenzetting van de grieven en de argumentatie van partijen verwijst het hof naar de beroepsakte en de conclusies voor partijen.

Mtr. LEAERTS qualitate qua vordert tenslotte de gedingkosten ten laste van de NV CREVE DRINKS te leggen.

10.1.

NV CREVE DRINKS vordert de inwilliging van haar hoger beroep en dienvolgens:

• te zeggen voor recht dat de met E.T. en M.V. op 26 december 2005 afgesloten overeenkomst van financiering en exclusieve drankafname vroegtijdig werd beëindigd wegens de stopzetting van de drankafname door T.E. en V.M. sedert september 2006, minstens per 20 september 2006 wegens de stopzetting van de uitbating van de handelszaak"[ ... ]" ingevolge de faling van BVBA KATER,

• haar gewijzigde vordering ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren en de heer en mevrouw T.E.V.M. én Mtr. LEAERTS qualitate qua, solidair, de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot het betalen van:

- een bedrag van 1.830,59 EUR ten titel van conventionele schadevergoeding wegens tekorten aan verplichte bierafname,
-
- een bedrag van 1.240,00 EUR ten titel van terugbetaling van de investering,
-
- een bedrag van 1.054,00 EUR ten titel van schadevergoeding wegens contractbreuk,
-
- alle voormelde bedragen te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 01.10.2006 en de gerechtelijke intresten vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van de volledige betaling,
-
• de schuldvordering die zij op het faillissement van de BVBA KATER heeft, en die door de eerste rechter op een bedrag van 4.839,59 EUR (4.124,59 EUR + 715,00 EUR) werd begroot, te bevestigen. Evenwel te zeggen voor recht dat, wat betreft de opname in het (gewoon of bevoorrecht) passief van het faillissement, partijen dienen te handelen overeenkomstig artikel 72, 3de en 4de lid Faill.W.,

• de heer en mevrouw T.E.-V.M. én Mtr. LEAERTS qualitate qua solidair, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling van de gedingkosten

NV CREVE DRINKS vordert tevens:

• het door de heer en mevrouw T.E.V.M. ingesteld incidenteel hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren,

• het door Mtr. LEAERTS qualitate qua ingesteld incidenteel hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond te verklaren, behoudens voor wat betreft de door de eerste rechter bevolen opname in het passief van het faillissement van de BVBA KATER.

10.2.

Op incidenteel hoger beroep vorderen de heer en mevrouw T.E.-V.M. de afwijzing van de vordering van de NV CREVE DRINKS als onontvankelijk. Minstens besluiten zij tot de afwijzing van deze vordering als ongegrond.

Zij vorderen in ondergeschikte orde om de interesten te schorsen gedurende de periode vanaf 18 februari 2006 tot 23 april 2012 of minstens gedurende drie jaar, en hen gemak van betaling toe te staan a rato van € 100,00 per maand. Zij vorderen tenslotte de gedingkosten ten laste van NV CREVE DRINKS te leggen.

10.3.

Op incidenteel hoger beroep vordert Mtr. LEAERTS qualitate qua in hoofdorde de ongegrondverklaring van de vordering van NV CREVE DRINKS t.a.v. het faillissement van de BVBA KATER. Eveneens op incidenteel hoger beroep laat Mtr. LEAERTS qualitate qua gelden dat de eerste rechter hoogstens de omvang van de eventuele vordering van de NV CREVE DRINKS op de BVBA KATER kon vaststellen, maar geenszins de opname in het gewoon passief vermocht te bevelen nu daartoe enkel de rechtbank van koophandel bevoegd is. Ondergeschikt besluit Mtr. LEAERTS tot de ongegrondheid van het door de NV CREVE DRINKS gevorderde bedrag van 1.054,00 EUR ten titel van conventionele schadevergoeding wegens contractbreuk en is hij tevens van oordeel dat in elk geval rekening dient te worden gehouden met de periode van stilzitten van NV CREVE DRINKS, meer bepaald van 18.02.2006 (datum tussenvonnis) tot 23.04.2012 (datum vraag tot in staatstelling).

IV. BEOORDELING

11. Terecht besloot de eerste rechter tot de ontvankelijkheid van de door de NV CREVE DRINKS lastens de heer en mevrouw T.E.-V.M. oorspronkelijk ingestelde vordering.

Ten onrechte blijft mevrouw V.M. zowel in eigen naam als qualitate qua aansturen op de onontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van de NV CREVE DRINKS.

Waar NV CREVE DRINKS met haar oorspronkelijke vordering de veroordeling nastreefde van de heer en mevrouw T.E.-V.M. tot de betaling van een bepaalde som, beschikte NV CREVE DRINKS over het vereiste wettelijke belang. Anderzijds houdt NV CREVE DRNKS voor dat zij de concrete veroordeling nastreeft op grond van een overeenkomst waarbij zijzelf en de heer en mevrouw T.E.-V.M. partij waren.

Er is aldus een band tussen NV CREVE DRINKS en het voorwerp van haar vordering. Aldus beschikt zij over de wettelijke hoedanigheid.

Wat overblijft aan overwegingen aan de zijde van mevrouw V.M., inclusief de vaststelling dat door NV CREVE DRINKS een schuldvordering in het faillissement van de BVBA KATER werd ingediend, betreft de grond van de zaak en niet de ontvankelijkheid van de vordering.

Het incidenteel hoger beroep van mevrouw V. waarmee zij de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van de NV CREVE DRINKS als onontvankelijk beoogt, komt dan ook ongegrond voor.

12. De essentiële betwisting tussen NV CREVE DRINKS en mevrouw V.M. betreft de vraag of er hier sprake is van een loutere schulddelegatie (stelling van NV CREVE DRINKS), dan wel van een voltooide overdracht van de overeenkomst / schuldvernieuwing (standpunt van mevrouw V.M. daarin bijgetreden door de eerste rechter).

Waar een schulddelegatie niet leidt tot de bevrijding van de oorspronkelijke schuldenaar en integendeel de delegant (oorspronkelijke schuldenaar) en gedelegeerde in solidum gehouden zijn ten aanzien van de schuldeiser-delegataris, leidt een schuldvernieuwing of novatie wel tot bevrijding van de oorspronkelijke schuldenaar.

Overeenkomstig artikel 1273 B.W. wordt schuldvernieuwing niet vermoed. De wil om ze tot stand te brengen, de zgn. animus novandi, moet duidelijk blijken uit de handeling.

Het bewijs van de animus novandi vereist geen uitdrukkelijke wilsuiting nu een schuldvernieuwing ook stilzwijgend kan tot stand komen op voorwaarde dat vaststaat dat partijen schuldvernieuwing beoogden.

Dit houdt in dat de rechter de bedoeling van partijen niet uit vage veronderstellingen mag afleiden, maar dat de partij die de schuldvernieuwing inroept, het bestaan van de animus novandi moet kunnen bewijzen, minstens met ernstige, gewichtige vermoedens.

Artikel 1275 B.W. bepaalt dat een delegatie waarbij een schuldenaar aan de schuldeiser een andere schuldenaar geeft die zich tegenover de schuldenaar verbindt, geen schuldvernieuwing teweeg brengt indien de schuldeiser niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij zijn schuldenaar die de delegatie gedaan heeft, van zijn verbintenis wil ontslaan. Waar mevrouw V.M., zowel in eigen naam als qualitate qua, zich nog steeds op de schuldvernieuwing beroept, rust op haar de last om het bewijs van de animus novandi te leveren, daarbij rekening houdend met de vaststelling dat de vrijstelling van de overdrager, net zoals elke afstand van een recht, alleen kan worden afgeleid uit omstandigheden die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.

13. Het hof dient dan ook te onderzoeken of al dan niet schuldvernieuwing tot stand kwam, waarbij rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden teneinde na te gaan of NV CREVE DRINKS met de overdracht van de overeenkomst en met de vrijstelling van de heer en mevrouw T.E.-V.M. heeft ingestemd.

Zoals hiervoor al aangegeven houdt NV CREVE DRINKS staande dat er geen schuldvernieuwing tot stand kwam en blijft zij betwisten dat zij haar instemming zou hebben betuigd met een bevrijding van de heer en mevrouw T.E.-V.M.

14. Om de schuldvernieuwing te bewijzen, verwijst mevrouw V.M. terecht naar de volgende feiten en gedragingen die ook al in het bestreden vonnis in aanmerking werden genomen:

• NV CREVE DRINKS heeft steeds alle facturen voor de levering van dranken rechtstreeks gericht aan de BVBA KATER met tevens de vermelding dat deze leveringen betrekking hadden op het café [ ... ],

• de uitbating van de drankgelegenheid gebeurde door de BVBA KATER, zoals door NV CREVE DRINKS zelf op haar facturen aangeduid,

• NV CREVE DRINKS heeft een schuldvordering ingediend in het faillissement van de BVBA KATER,

• de financiële tussenkomst van NV CREVE DRINKS had betrekking op de handelszaak '[ ... ]" die toebehoorde aan de BVBA KATER, en dit bedrag van 1.240,00 EUR werd ook gestort op rekening van de BVBA KATER.

Aanvullend op de door voormelde feiten en gedragingen en gelet op de door partijen bijgebrachte stukken, dringt zich de bijkomende vaststelling op dat:

• uit niets blijkt dat aan de overeenkomst van 26 december 2005 ooit uitvoering werd gegeven door de heer en mevrouw T.E.-V.M., noch dat laatstgenoemden voor de dagvaarding van 28 november 2006 ooit werden aangesproken in uitvoering van deze overeenkomst,

• de door NV CREVE DRINKS uitgeschreven facturen voor de levering van dranken niet werden gericht aan de heer en mevrouw T.E.-V.M., maar rechtstreeks werden uitgeschreven aan de BVBA KATER, welke laatste NV CREVE DRINKS op haar facturen daarenboven uitdrukkelijk als haar klant aanduidt en aan wie de leveringen dan ook plaatsvonden, na het faillissement van de BVBA KATER op 20 september 2006, de

• NV CREVE DRINKS kennelijk niet het minste initiatief neemt ten aanzien van de heer en mevrouw T.E.-V.M., laat staan enige ingebrekestelling aan het adres van laatstgenoemden wordt uitgestuurd,

• NV CREVE DRINKS op 27 oktober 2006 enkel en alleen overgaat tot het indienen van een schuldvordering in het faillissement van de BVBA KATER en, tot bewijs van de gegrondheid van haar aanspraak ten aanzien van de BVBA KATER, in bijlage aan deze aangifte van schuldvordering precies de overeenkomst toevoegt die zij op 26 december 2005 met de heer en mevrouw T.E.-V.M. had afgesloten,

• pas nadat de ingediende schuldvordering door de curator van de BVBA KATER wordt betwist en deze er in een brief van 17 november 2006 op wijst dat de voorgelegde overeenkomst niet met de BVBA KATER werd afgesloten, de NV CREVE DRINKS dan voor het eerst het initiatief neemt ten aanzien van de heer en mevrouw T.E.-V.M. en op 28 november 2006 tot dagvaarding overgaat,

• alhoewel de NV CREVE DRINKS in voormelde dagvaarding van 28 november 2006 vordert om de heer en mevrouw T.-V. onder verbeurte van een dwangsom te horen veroordelen tot teruggave van de in bruikleen gegeven drie-deursfrigo, niets de NV CREVE DRINKS blijkbaar belet om op 7 december 2006 de frigo in kwestie uit de faillissementsboedel van de BVBA KATER te recupereren (cf. stuk 2 - mevr. V.)

Naar het oordeel van het hof maken al de voorgaande elementen samen ernstige, gewichtige en overeenstemmende vermoedens uit dat partijen wel degelijk een bevrijding in hoofde van de heer en mevrouw T.E.-V.M. beoogden en wordt de animus novandi hierdoor naar genoegen van recht aangetoond.

Anders dan NV CREVE DRINKS voorhoudt is er niet slechts sprake van een schulddelegatie, maar is er wel degelijk sprake van een schuldvernieuwing, wat tot gevolg heeft dat NV CREVE DRINKS niet gerechtigd is om mevrouw V., zo in eigen naam als qualitate qua, aan te spreken op grond van de 'overeenkomst van financiering en exclusieve drankafname" van 26 december 2005. De hiervoor onder randnr. 10.1. beschreven vordering van de NV CREVE DRINKS ten aanzien van de heer en mevrouw T.E.-V.M. - thans enkel nog mevrouw V.M. zo in eigen naam als qualitate qua - komt dan ook ongegrond voor.

Het principaal hoger beroep van NV CREVE DRINKS dat alsnog de inwilliging van voormelde vordering beoogt, komt ontvankelijk maar niet gegrond voor.

Het hof bevestigt dan ook het bestreden vonnis waar dit deze vordering als ontvankelijk maar ongegrond van de hand wees.

15. Waar hiervoor werd aangenomen dat er wel degelijk sprake is van schuldvernieuwing ontkracht dit meteen ook de door Mtr. LEAERTS qualitate qua op incidenteel beroep ontwikkelde argumentatie waarbij de schuldvernieuwing in vraag wordt gesteld.

Deze argumentatie is overigens gesteund op de bewering dat de gefailleerde BVBA KATER op geen enkele wijze te maken zou hebben gehad met de gesloten overeenkomst, welke bewering haaks staat op de onmiskenbare vaststelling dat door de NV CREVE DRINKS tal van facturen aan de gefailleerde BVBA KATER werden toegestuurd, welke facturen nooit het voorwerp hebben uitgemaakt van enig protest van de gefailleerde maar integendeel door deze laatste werden betaald en derhalve aanvaard. In toepassing van artikel 25 W.Kh. levert de aanvaarde factuur immers het bewijs op van de overeenkomst.

Mtr. LEAERTS qualitate qua kan dan ook bezwaarlijk ernstig voorhouden dat de gefailleerde nooit partij is geweest bij de overeenkomst van 26 december 2005 en zij daar niets mee te maken zou hebben gehad.

De in uitvoering van deze overeenkomst door NV CREVE DRINKS aan de gefailleerde BVBA KATER toegestuurde en door laatstgenoemde aanvaarde en betaalde facturen laten dit niet toe.

In de mate dat het incidenteel hoger beroep van Mtr LEAERTS qualitate qua ertoe strekt om de vordering van NV CREVE DRINKS ten aanzien van de failliete boedel van de BVBA KATER als ongegrond te horen afwijzen, komt dit dan ook ontvankelijk maar niet gegrond voor.

16. Gelet op het tussengekomen faillissement van de BVBA KATER kan niet worden ingegaan op de vordering van appellante om geïntimeerde qualitate qua persoonlijk te veroordelen tot betaling van de bedragen waarop de NV CREVE DRINKS ten aanzien van de gefailleerde BVBA KATER aanspraak meent te kunnen maken.

Thans kan enkel nog de omvang van de schuldvordering van NV CREVE DRINKS worden vastgesteld tot beloop waarvan zij voor de bevoegde rechter de opname in het passief van het faillissement van de BVBA KATER kan benaarstigen.

Ten aanzien van de gefailleerde BVBA KATER begroot NV CREVE DRINKS haar schuldvordering op een bedrag van 4.839,59 EUR, samengesteld als volgt:

• schadevergoeding wegens contractbreuk: 1.054,00 EUR

• terugbetaling van de investering: 1.240,00 EUR

• schadevergoeding wegens tekort aan bierafname: 1.830,59 EUR

• rechtsplegingsvergoeding: 715,00 EUR

Anders dan voor de eerste rechter betwist Mtr. LEAERTS qualitate qua in hoger beroep wel de voormelde aanspraak van de NV CREVE DRINKS.

Hij argumenteert dat waar de NV CREVE DRINKS de teruggave van de investering vordert, zij daarbovenop niet bijkomend aanspraak kan maken op een schadevergoeding wegens contractbreuk.

Nog volgens Mtr. LEAERTS qualitate qua is dit bijkomend schadebeding van zo maar even 85% van het aanvankelijke bedrag buitensporig en ongeoorloofd zodat het dient te worden afgewezen. Tenslotte is Mtr. LEAERTS qualitate qua van oordeel dat gelet op het langdurig stilzitten van de NV CREVE DRINKS, namelijk tussen 18.02.2006 (datum tussenvonnis) en 23.04.2012 (datum vraag tot in staat stelling), de loop van de intresten over deze periode dient te worden geschorst.

Mtr LEAERTS qualitate qua kan niet worden bijgetreden waar hij voorhoudt dat het door NV CREVE DRINKS ingeroepen schadebeding dat in geval van verbreking van de overeenkomst voorziet in een schadevergoeding gelijk aan 85% van het totaal geïnvesteerde kapitaal, buitensporig en ongeoorloofd voorkomt en aldus dient te worden afgewezen.

Vooreerst kan nuttig worden verwezen naar het arrest van het Hof van Cassatie van 06.12.2002 (J.L.M.B. 2003, 1486-87): de rechter kan een strafbeding niet vernietigen omdat het bedrag ervan hoger is dan dat van de potentiële schade (zie Vanden Berghe 0. "bedingen en schadevergoeding" in Themis Cahier 23 verbintenissenrecht, blz. 44 e.v.), tenzij het over een zuiver punitief strafbeding zou gaan (zie J. Baeck in "contractenrecht in beweging" Kluwer 2004 vanaf nr. 23, blz. 18 en specifiek nr. 28 ), wat hier niet het geval is.

Overeenkomstig artikel 1231 par. 1 B.W. kan de rechter ambtshalve of op verzoek van de schuldenaar de straf die bestaat uit de betaling van een bepaalde geldsom verminderen, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat partijen konden vaststellen om de schade van de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden.

Om het door geïntimeerde ingeroepen buitensporig karakter van het strafbeding te beoordelen wordt beroep gedaan op het criterium van de potentiële schade, zoals die op het ogenblik van de contractsluiting door de partijen kon worden voorzien.

De elementen van reële schade mogen gebruikt worden in de beoordeling van de potentiële schade. (zie vaste rechtspraak door Cass. 29.02.1996, Arr.Cass. 1996, 208; Cass. 17 april 1970, Arr.Cass. 1970, 754).

Zoals reeds bleek uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie moet de rechter zich plaatsen op het ogenblik waarop de partijen over het strafbeding akkoord gingen om het afgesproken bedrag te vergelijken met de schade die op dat ogenblik als gevolg van een mogelijke niet-uitvoering voorzien kon worden door partijen.

Het toetsingsmoment blijkt het tijdstip van de contractsluiting te zijn. De omstandigheid dat de daadwerkelijke geleden schade veel hoger of lager is zal derhalve in principe geen rol spelen. Bovendien is de bevoegdheid tot herziening die de rechter aldus toekomt, verbonden aan de voorafgaande vaststelling van een kennelijke overschrijding en zulks bij middel van marginale toetsing.

Een precieze becijfering van de potentiele schade op het ogenblik van het afsluiten van het contract is immers praktisch onmogelijk.

Slechts indien het bedrag van het beding klaarblijkelijk buiten verhouding staat met het bedrag dat om het even welke in dezelfde omstandigheden geplaatste redelijke en billijke persoon zou voorop gesteld hebben, moet het strafbeding alsdan gereduceerd worden.

In deze werd de forfaitaire schadevergoeding vastgesteld op 85% van het totaal geïnvesteerde kapitaal.

Alle feitelijke en begeleidende omstandigheden in acht genomen en tevens rekening houdend met het voor NV CREVE DRINKS te verwachten voordeel in geval van uitvoering van de overeenkomst, is het hof van oordeel dat hier geen sprake is van een buitensporig of ongeoorloofd schadebeding dat kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden.

De door de NV CREVE DRINKS gevorderde en op een bedrag van 1.054,00 EUR begrote schadevergoeding wegens contractbreuk komt dan ook toewijsbaar voor.

16.2.

Zoals hiervoor al aangegeven stelt het hof vast dat NV CREVE DRINKS in haar syntheseconclusies enkel vordert dat de schuldvordering die zij op het faillissement van de BVBA KATER heeft, zou worden begroot op het voormelde bedrag van 4.839,59 EUR dat ook door de eerste rechter werd weerhouden. Voor wat haar schuldvordering ten aanzien van het faillissement van de BVBA KATER betreft, vordert NV CREVE DRINKS dan ook de bevestiging van het bestreden vonnis, met dien verstande evenwel dat voor wat betreft de opname in het gewoon of bevoorrecht passief partijen dienen te handelen overeenkomstig artikel 72, 3de en 4de lis Faill.W. (zie hierna randnr. 20)

Zoals uit deze syntheseconclusies blijkt, maakt de NV CREVE DRINKS ten aanzien van het faillissement van de BVA KATER geen aanspraak op de toekenning van welkdanige intresten.

Het hof gaat om die redenen dan ook niet verder in op de door Mtr. LEAERTS qualitate qua nog gevorderde schorsing van de loop van de intresten gedurende de periode van 18.02.2008 tot 23.04.2012.

16.3.

Gelet op wat voorafgaat kan de vordering die de NV CREVE DRINKS ten aanzien van het faillissement van de BVBA KATER kan laten gelden dan ook worden vastgesteld op het door de eerste rechter ook al weerhouden bedrag van 4.839,59 EUR.

17. Het door NV CREVE DRINKS en Mtr. LEAERTS qualitate qua respectievelijk ingesteld principaal en incidenteel hoger beroep komt daarentegen wel gegrond voor in de mate het opkomt tegen de bestreden beslissing in de mate daarin de opname van de vordering van NV CREVE DRINKS in het gewoon passief van het faillissement van de BVBA KATER werd bevolen.

Terecht merkt NV CREVE DRINKS terzake op dat de eerste rechter hoogstens geplaatst was om de hoegrootheid van de vordering van de NV CREVE DRINKS op de gefailleerde BVBA KATER vast te stellen, maar in elk geval niet kon bevelen dat deze vordering in het gewoon passief van het faillissement dient te worden opgenomen nu daartoe enkel de rechtbank van koophandel bevoegd is.

Het bestreden vonnis wordt in die zin hervormd.

[ ... ]

OP DEZE GRONDEN, HET HOF,

[ ... ]

Verklaart het principaal hoger beroep van NV CREVE DRINKS ontvankelijk maar enkel in de hiernabepaalde mate gegrond,

Verklaart het incidenteel hoger beroep M.V. zo in eigen naam als qualitate qua ontvankelijk, maar niet gegrond, Verklaart het incidenteel hoger beroep van mr. Jeroen Leaerts, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de BVBA KATER, ontvankelijk en enkel in de hiernabepaalde mate gegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis, behalve waar het de opname van de op een bedrag van 4.839,59 EUR begrote vordering van de NV CREVE DRINKS in het gewoon passief van het faillissement van de BVBA KATER beveelt,

Doet het bestreden vonnis enkel op dit punt teniet en, opnieuw rechtdoende, Zegt voor recht dat, voor wat de opname van de op een bedrag van 4.839,59 EUR begrote vordering van de NV CREVE DRINKS in het gewoon of bevoorrecht passief van het faillissement van de BVBA KATER betreft, partijen dienen te handelen overeenkomstig artikel 72, 3de en 4de lid Faill.W.

[ ... ]

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 01/04/2018 - 18:13
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.