-A +A

Schuldbekentenis en bewijs via e-mail

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 28/10/2013
A.R.: 
2009/AR/1830

Art. 1326, eerste lid BW bepaalt dat een onderhands biljet of een onderhandse belofte waarbij een enkele partij zich tegenover de andere verbindt om haar een geldsom of een waardeerbare zaak te betalen, geheel moet geschreven zijn met de hand van de ondertekenaar, of ten minste dat deze, benevens zijn handtekening, met de hand een “goed voor” of een “goedgekeurd voor” geschreven moet hebben, waarbij de som of de hoeveelheid van de zaak voluit in letters is uitgedrukt.

Quid met een schuldbekentenis middels een e-mailbericht?

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen een elektronische handtekening en een elektronisch bericht. Een elektronische handtekening is volgens artikel 1322, tweede lid, B.W. "een geheel van elektronische gegevens (is) dat aan een bepaalde persoon kan worden toegerekend en het behoud van de integriteit van de inhoud van de akte aantoont" en volgens artikel 2, 1 ° Wet certificatiediensten "gegevens in elektronische vorm, vastgehecht aan of logisch geassocieerd met andere elektronische gegevens, die worden gebruikt als middel voor authentificatie."

Om van een elektronische handtekening te kunnen spreken moet, nog afgezien van het onderscheid tussen een gewone elektronische handtekening, een geavanceerde elektronische handtekening en een gekwalificeerde elektronische handtekening, minstens gebruik worden gemaakt van een verzameling elektronische gegevens, met de bedoeling een handtekening te plaatsen en dus de instemming met de ondertekenende gegevens uit te drukken. Voorbeelden van een gewone elektronische handtekening zijn gescande handtekeningen, pincode en biometrische identificatie door technieken van symmetrische en asymmetrische encryptie (vgl. F. Bruloot, "E-commerce en E-handtekening" in Contractenrecht in beweging, Kluwer 2004, p. 170-171).



Het plaatsen van een elektronische handtekening gebeurt technisch door aan een elektronisch bericht een bestand toe te voegen, waardoor het verzonden bericht in werkelijkheid bestaat uit twee bestanden: het bericht zelf, aangevuld met het bestand.

Dit laatste bestand geldt dan als elektronische handtekening. Beide componenten of bestanden vormen één document dat via het internet verzonden wordt.

Dit bijkomend bestand kan in zekere zin beschouwd worden als het equivalent van het creatief aspect dat eigen is aan de handtekening in het algemeen, Een gewone handtekening is immers meer dan het schrijven van de naam alleen. Een handtekening moet een persoonlijke uitdrukking zijn. Een handtekening onderscheidt zich van de gewone verwijzing naar de naam in een geschrift door zijn karakteristieke grafische trekken (vgl. P. Van Eecke, "De elektronische handtekening in het recht", B.R.H. 2009/4, p. 322 e.v., p. 328, randnummer 6).

Indien het bericht niet voorzien is van dergelijk bijkomend bestand betreft het een eenvoudig elektronisch bericht van de afzender aan de bestemmeling zonder dat er zekerheid is dat de afzender het bericht heeft verstuurd en zonder dat kan worden nagegaan of, wanneer het bericht effectief van de afzender komt, dit niet werd gewijzigd door onbevoegden (vgl. R. De Corte, "Elektronische handtekening & identificatie in de virtuele wereld" in "Privaatrecht in de reële en virtuele wereld", XXVIlste postuniversitaire cyclus Willy Delva 2000-2001 nrs. 888-889, p. 498-499).

Ter zake bewijst M.D. in gene mate, noch maakt zij zelfs maar waarschijnlijk, dat de e-mail van 13/1/2006 een bijkomend bestand bevat met de elektronische handtekening van R.V. Het door M.D. overgelegde stuk 3 doet het bestaan van een bijkomend bestand met de handtekening van de afzender evenmin vermoeden. M.D. bewijst bijgevolg niet dat de e-mail van 13/1/2006 voorzien is van een elektronische handtekening. Het betreft daarom een gewoon elektronisch bericht, zonder meer. Het intikken van een naam onder een bericht kan een elektronische handtekening uitmaken doch enkel wanneer hieraan een bijkomend bestand gekoppeld is. Is dit niet het geval, zoals in casu, dan is er geen elektronische handtekening maar een eenvoudig elektronisch bericht.

Aldus dient besloten dat de bewuste e-mail dd. 13/1/2006 niet voorzien is van een elektronische handtekening van de afzender zodat deze niet als een (onderhandse) akte kan aangezien worden.

Een bekentenis is een eenzijdige daad waaruit een bewijs kan gehaald worden, doch als eenzijdige wilsuiting is de schuldbekentenis ook een zelfstandige bron van verbintenissen.

Als rechtshandeling en in acht genomen het feit dat het geschil zich afspeelt tussen niet-handelaars, moet de schuldbekentenis voldoen aan de gemeenrechtelijke bewijsregels van de artikelen 1341 e.v. B.W. Aangezien geen notariële akte werd opgemaakt, moet de schuldbekentenis als eenzijdige rechtshandeling voldoen aan de voorwaarden van artikel 1326 B.W. dat de verplichting oplegt met de hand van de ondertekenaar te zijn geschreven, minstens dat de ondertekenaar benevens zijn handtekening, met de hand een "goed voor" of een "goedgekeurd voor" geschreven heeft waarbij de som of de hoeveelheid van de zaak in letters is uitgedrukt. Voldoet het document hieraan niet, dan is het te aanzien als een begin van schriftelijk bewijs, dat moet aangevuld worden met getuigen en/of vermoedens, wil het een volwaardig bewijsinstrument vormen.

Nog afgezien van de vraag in hoeverre de vormvereisten van artikel 1326 B.W. materieel mogelijk zijn en/of vereist blijven voor een elektronisch document- te meer door artikel 1322, tweede lid, B.W. niet wordt geraakt aan de verplichting van artikel 1326 B.W. (vgl. D. COUNYE, "De totstandkoming en het bewijs van de overeenkomst in de virtuele omgeving: overeenkomsten op afstand en de elektronische handtekening" in "Privaatrecht in de reële en virtuele wereld", XXVIIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva, p. 80) - dient, zoals reeds onder punt 2.1. uiteengezet, vastgesteld te worden dat door het gebrek aan een (bewezen) elektronische handtekening, de e-mail hierdoor reeds niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1326 B.W.

De e-mail van 13/1/2006 is bijgevolg desgevallend te aanzien als een begin van schriftelijk bewijs in de zin van artikel 1347, tweede lid, B.W., aangezien deze - althans in deze veronderstelling - zou uitgaan van wijlen R.V., zijnde de persoon tegen wie het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt. Weliswaar is dit geen volwaardig bewijs op zich, maar moet dit aangevuld worden met vermoedens en/of getuigen.

 

 

Publicatie
tijdschrift: 
TBBR
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017-1
Pagina: 
67
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Gent 5 september 2012

AR: 2009/ AR/1830

Zet.: J. Dammekens (voorzitter), L. Billet en V. Matthys (raadsheren) Pleit.: Mrs. S. Sablon, J. Verdonck

Inzake van: M.V., V.V., L.V/M.D.

Bewijsrecht - Schuldbekentenis - Toepassing van artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek - Toepassing van artikel 1326 van het Burgerlijk Wetboek - E-mail - Begin

van bewijs door geschrift - Artikel 1347, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek - Getuigen en vermoedens

Droit de la preuve - Reconnaissance de dette - Application de l'article 1341 du Code civil - Application de l'article 1326 du Code civil - Courrier électronique - Commencement de preuve par écrit - Article 1347, alinéa 2, du Code civil - Témoignages et présomptions

De schuldbekentenis is een eenzijdige rechtshandeling onderworpen aan de algemene bewijsregels zoals bepaald in artikel 1341 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Wanneer geen notariële akte is opgesteld, moet de schuldbekentenis beantwoorden aan het vereiste opgelegd door artikel 1326 van het Burgerlijk Wetboek.

Een e-mail kan worden beschouwd als een begin van bewijs door geschrift, in de zin van artikel 1347, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, indien bewezen wordt dat de e-mail uitgaat van de persoon tegen wie hij wordt ingeroepen en dat hij het beweerde feit waarschijnlijk maakt.

( ... )

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 3 juli 2009 tekenden M.V., Y.V. en M.A., handelend in haar hoedanigheid van ouder en wettige beheerder over de persoon en de goederen van haar minderjarige zoon L.V., allen optredende als erfgenamen en rechtsopvolgers van wijlen R.V., overleden op 22 oktober 2006 (verder "de consoorten V." genoemd), hoger beroep aan tegen het vonnis op tegenspraak gewezen op 30 januari 2009 door de zevende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde in de zaak met A.R. nr. 07/2575/A tussen M.D. als oorspronkelijke eiseres en de consoorten V. als oorspronkelijke verweerders.

Bij akte neergelegd ter griffie van het hof op 25 juli 2011 werd het geding hervat door de inmiddels op 16 december 2009 meerderjarig geworden L.V. en vorderde hij hem akte te willen verlenen van het feit dat hij al de eerder door zijn moeder M.A. qualitate qua gestelde proceshandelingen en de in conclusies ontwikkelde middelen en argumenten bevestigt. Hiervan wordt hem akte verleend.

De partijen werden ter openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies en het hof nam kennis van de door M.D. overgelegde stukkenbundel.

Op de openbare terechtzitting van 6 mei 2012 werd de zaak hernomen met de huidige samenstelling van de zetel.

1. Antecedenten

1. Met dagvaardingsexploot betekend op 31 oktober 2007 vordert M.D. de veroordeling van de consoorten V. tot betaling van de som van € 6.880,00, vermeerderd met de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 13/1/2006, minstens vanaf 15/11/2006, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

Zij spreekt de consoorten V. in rechte aan in hun hoedanigheid van kinderen en rechtsopvolgers van R.V., overleden op 22/10/2006, met wie zij in de periode juni 2004 tot september 2005 heeft samengewoond en aan wie zij, naar zij beweert, diverse bedragen heeft voorgeschoten ten titel van lening voor een totale som van € 6.880,00. Ter staving van haar vordering beroept zij zich op een e-mail die R.V. nà de beëindiging van de samenwoning, vanop zijn werk aan haar zou hebben verstuurd, waarin hij bevestigde een totaal bedrag van € 6.800,00 aan haar verschuldigd te zijn. De beruchte mail dateert van 13/1/2006.

Zij aanziet dit mailbericht als een volwaardige onderhandse akte in de zin van artikel 1322, tweede lid, B.W., aangezien het intikken van de naam op een elektronisch document geldt als een eenvoudige elektronische handtekening, die krachtens artikel 4, § 5 van de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen, de elektronische aangetekende zending en certificatiediensten ("Wet certificatiediensten"). niet kan verworpen worden omdat ze elektronisch is of vermeend niet veilig. Deze e-mail is volgens haar te aanzien als een buitengerechtelijke bekentenis, minstens als een begin van bewijs door geschrift, aanvulbaar met vermoedens zoals de rekeningsuittreksels en de door haar verrichte betalingen die corresponderen met de bevestiging van de schuld door wijlen R.V.

2. De consoorten V. besluiten tot de ongegrondheid van de oorspronkelijke vordering argumenterende dat het bewijs van een betalingsverbintenis in hoofde van hun vader R.V. niet geleverd werd. Het door M.D. voorgelegde stuk aanzien zij als een afschrift van een ongetekende e-mail, aangezien hierop geen elektronische handtekening voorkomt. Hooguit zou de e-mail kunnen aangezien worden als een begin van schriftelijk bewijs, dat evenwel niet wordt aangevuld met de nodige vermoedens, zodat ook om die reden deze mail geen enkele bewijswaarde heeft. Volgens hen wordt evenmin aangetoond dat de mail verstuurd werd vanuit de computer die R.V. gebruikte op zijn werk als gemeentesecretaris van de gemeente Buggenhout en dient de geloofwaardigheid ervan sterk betwijfeld te worden gelet op het tijdstip waarop deze werd verstuurd en het gebrek aan antwoord vanwege M.D. zelf. De voorliggende stukken tonen volgens hen ook geen afgifte van de kwestige gelden aan R.V. aan.

3. De eerste rechter verklaart de vordering ontvankelijk en (grotendeels) gegrond en hij veroordeelt de consoorten V. tot betaling aan M.D. van de som van€ 6.880,00, méér de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 31 oktober 2007 tot de dag der algehele betaling. Hij veroordeelt de consoorten V. eveneens tot de gedingkosten, maar ziet geen bijzondere omstandigheden die een voorlopige tenuitvoerlegging rechtvaardigen.

4. De consoorten V. voelen zich gegriefd en tekenen hoger beroep aan. Zij vorderen het bestreden vonnis te vernietigen en de vordering van M.D. als ongegrond af te wijzen, met veroordeling van deze laatste tot de kosten van de beide aanleggen. Ondergeschikt vragen zij een schriftonderzoek te bevelen in de zin van de artikelen 883 e.v. B.W. naar de authenticiteit van de e-mail van 13 januari 2006.

S. M.D. van haar kant besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis met verwijzing van de consoorten V. in de kosten van het hoger beroep.

ll. Beoordeling

1. Partijen hebben hun middelen en argumenten, zoals uiteengezet in hun besluiten voor de eerste rechter, in hoger beroep herhaald en verder uitgewerkt. Deze zullen, in de mate deze dienstig zijn voor de beoordeling van het geschil, hierna ontmoet worden.

Er ligt geen betekeningsexploot voor en partijen maken geen gewag van de betekening van het bestreden vonnis. Het hoger beroep is tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. Het hoger beroep is eveneens ontvankelijk, nu geen middelen van onontvankelijkheid worden opgeworpen en het hof evenmin redenen vaststelt om zulks ambtshalve te doen.

2. Het hof stelt vast dat M.D. zich, evenals voor de eerste rechter, beroept op de e-mail van 13/1/2006 waarvan zij beweert dat deze haar door wijlen R.V. werd verstuurd van zijn computer op het gemeentehuis te Buggenhout, waar hij als gemeentesecretaris werkzaam was, en meer bepaald vanuit zijn e-mailaccount( ... ).

Zij legt als haar stuk 3 inderdaad een afprint voor van een e-mail door "R.V." verzonden aan "M.D." op "vrijdag 13 januari 2006 11.13" met als onderwerp "IOY DD 13/01/2006". Deze e-mail is gericht aan "Liefste M.D." en ondertekend met "Liefs x" en daaronder "R.V.".

2.1. Evenals voor de eerste rechter beweert M.D. dat deze e- mail een regelmatige elektronische handtekening draagt, waardoor deze mail als een rechtsgeldige onderhandse akte te aanzien is bevattende een buitengerechtelijke bekentenis. Ongeacht de vraag of de kwestige e-mail een onderhandse akte houdende een eenzijdige betalingsverbintenis dan wel een buitengerechtelijke bekentenis betreft, dient vooraf onderzocht te worden of deze e-mail voorzien is van een elektronische handtekening. Een handtekening, elektronisch of niet, maakt immers een essentieel onderdeel van de akte uit en maakt het geschrift tot een akte.

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen een elektronische handtekening en een elektronisch bericht. Een elektronische handtekening is volgens artikel 1322, tweede lid, B.W. "een geheel van elektronische gegevens (is) dat aan een bepaalde persoon kan worden toegerekend en het behoud van de integriteit van de inhoud van de akte aantoont" en volgens artikel 2, 1 ° Wet certificatiediensten "gegevens in elektronische vorm, vastgehecht aan of logisch geassocieerd met andere elektronische gegevens, die worden gebruikt als middel voor authentificatie."

Om van een elektronische handtekening te kunnen spreken moet, nog afgezien van het onderscheid tussen een gewone elektronische handtekening, een geavanceerde elektronische handtekening en een gekwalificeerde elektronische handtekening, minstens gebruik worden gemaakt van een verzameling elektronische gegevens, met de bedoeling een handtekening te plaatsen en dus de instemming met de ondertekenende gegevens uit te drukken. Voorbeelden van een gewone elektronische handtekening zijn gescande handtekeningen, pincode en biometrische identificatie door technieken van symmetrische en asymmetrische encryptie (vgl. F. Bruloot, "E-commerce en E-handtekening" in Contractenrecht in beweging, Kluwer 2004, p. 170-171).

Het plaatsen van een elektronische handtekening gebeurt technisch door aan een elektronisch bericht een bestand toe te voegen, waardoor het verzonden bericht in werkelijkheid bestaat uit twee bestanden: het bericht zelf, aangevuld met het bestand.

Dit laatste bestand geldt dan als elektronische handtekening. Beide componenten of bestanden vormen één document dat via het internet verzonden wordt.

Dit bijkomend bestand kan in zekere zin beschouwd worden als het equivalent van het creatief aspect dat eigen is aan de handtekening in het algemeen, Een gewone handtekening is immers meer dan het schrijven van de naam alleen. Een handtekening moet een persoonlijke uitdrukking zijn. Een handtekening onderscheidt zich van de gewone verwijzing naar de naam in een geschrift door zijn karakteristieke grafische trekken (vgl. P. Van Eecke, "De elektronische handtekening in het recht", B.R.H. 2009/4, p. 322 e.v., p. 328, randnummer 6).

Indien het bericht niet voorzien is van dergelijk bijkomend bestand betreft het een eenvoudig elektronisch bericht van de afzender aan de bestemmeling zonder dat er zekerheid is dat de afzender het bericht heeft verstuurd en zonder dat kan worden nagegaan of, wanneer het bericht effectief van de afzender komt, dit niet werd gewijzigd door onbevoegden (vgl. R. De Corte, "Elektronische handtekening & identificatie in de virtuele wereld" in "Privaatrecht in de reële en virtuele wereld", XXVIlste postuniversitaire cyclus Willy Delva 2000-2001 nrs. 888-889, p. 498-499).

Ter zake bewijst M.D. in gene mate, noch maakt zij zelfs maar waarschijnlijk, dat de e-mail van 13/1/2006 een bijkomend bestand bevat met de elektronische handtekening van R.V. Het door M.D. overgelegde stuk 3 doet het bestaan van een bijkomend bestand met de handtekening van de afzender evenmin vermoeden. M.D. bewijst bijgevolg niet dat de e-mail van 13/1/2006 voorzien is van een elektronische handtekening. Het betreft daarom een gewoon elektronisch bericht, zonder meer. Het intikken van een naam onder een bericht kan een elektronische handtekening uitmaken doch enkel wanneer hieraan een bijkomend bestand gekoppeld is. Is dit niet het geval, zoals in casu, dan is er geen elektronische handtekening maar een eenvoudig elektronisch bericht.

Aldus dient besloten dat de bewuste e-mail dd. 13/1/2006 niet voorzien is van een elektronische handtekening van de afzender zodat deze niet als een (onderhandse) akte kan aangezien worden.

2.2. Nu vaststaat dat de e-mail geen (elektronische) handtekening afkomstig van R.V. bevat, stelt zich, gelet op de door de consoorten V. geuite twijfels hieromtrent, de vraag of de e-mail daadwerkelijk van R.V. zelf afkomstig is.

Het louter feit dat wijlen R.V. énkel op zijn werk over e-mail beschikt - wat hij overigens zelf schrijft in een e-mail van 27/12/2005 aan M.D. - laat niet toe zonder meer te besluiten dat de bewuste e-mail van 13/1/2006 door hem vanop zijn werk is verstuurd.

Uit de voorliggende afprint van de e-mail van 13/1/2006 kan - in tegenstelling tot wat M.D. voorhoudt en hierin gevolgd door de eerste rechter - niet afgeleid worden dat deze mail afkomstig is van het e-mailadres( ... ). Als afzender staat enkel vermeldt "R.V." zonder meer. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat wijlen R.V. tijdens zijn samenwoning met M.D. bij deze laatste over een aparte e-mailaccount beschikte en deze na de beëindiging van de relatie (nog) niet verwijderd werd.

Waar eventueel kan aangenomen worden dat het tijdstip van de e-mail kadert in de in december 2005 (elektronisch) gevoerde onderhandelingen over de verdeling van een aantal roerende goederen, roepen zowel de vorm als de inhoud van het mailbericht ernstige vragen op.

Als de e-mail, zoals M.D. beweert, afkomstig is van de computer van wijlen R.V. op het gemeentehuis te Buggenhout, dan stelt zich de vraag waarom deze e-mail op het vlak van zowel het gebruikte lettertype, de kleur als de layout, dermate afwijkt van het lettertype, de kleur en de lay-out van de e-mails die R.V. op 23 en 27/12/2005 aan M.D. heeft verstuurd, te meer niet wordt betwist dat deze e- mails afkomstig zijn van de computer die R.V. te zijner beschikking had op het gemeentehuis te Buggenhout. Er is gewoonweg geen enkel vergelijk mogelijk tussen de e-mail van 13/1/2006 en de e-mails van 23 en 27/12/2005. Ook de inhoud roept vragen op, vooral wat betreft de manier waarop M.D. aangesproken wordt en de wijze waarop de e-mail beëindigd wordt. Zo vat de mail dd. 13/1/2006 aan met "Liefste M.D." en wordt hij afgesloten met "Liefs x R.V." ("x" betekent kusje). Noch in de mail van 23/12/2005 noch in de mail van 27/12/2005 is er sprake van "Liefste M.D." en "Liefs x R.V.". Integendeel, deze mails zijn zakelijk, bevatten zelfs geen aanspreektitel en sluiten vrij neutraal af met "Groetjes R.V.". Het valt dan ook zeer moeilijk in te zien waarom R.V. M.D. in zijn mail van 13/1/2006 plots zou aanschrijven als "Liefste M.D." en haar veel "liefs" met een kusje zou toewensen, des te meer deze personen op dat ogenblik reeds zowat 4 maanden uit elkaar waren en in onderhandelingen waren omtrent de verdeling van de goederen.

Al even merkwaardig is de vaststelling dat M.D. deze e-mail nooit heeft beantwoord, al was het maar om haar akkoord met de inhoud ervan en met de hierin opgenomen posten te betuigen. Zij stelde wijlen R.V. nadien zelfs niet eens in gebreke en wachtte integendeel tot nà diens overlijden, om haar vordering bij brief van 15/11/2006 (haar stuk 4) voor het eerst kenbaar te maken aan notaris Christiaan Van Den Bossche die met de afwikkeling van de nalatenschap belast was.

Al deze vaststellingen, zowel afzonderlijk als in hun geheel genomen, roepen bij het hof, evenals bij de consoorten V., dusdanige ernstige twijfels op omtrent de afkomst en de geloofwaardigheid van deze e-mail van 13/01/2006 dat aan deze e-mail geen bewijswaarde kan gehecht worden.

2.3. Het voorgaande nog onverlet latende en ervan uitgaande dat de e-mail dd. 13/1/2006 toch afkomstig zou zijn van wijlen R.V., dan nog is dit nog steeds onvoldoende om de inhoud van deze e-mail als (een bewijs van) een buitengerechtelijke bekentenis van een betalingsverplichting van wijlen R.V. ten aanzien van M.D. te beschouwen.

Een bekentenis is een eenzijdige daad waaruit een bewijs kan gehaald worden, doch als eenzijdige wilsuiting is de schuldbekentenis ook een zelfstandige bron van verbintenissen.

Als rechtshandeling en in acht genomen het feit dat het geschil zich afspeelt tussen niet-handelaars, moet de schuldbekentenis voldoen aan de gemeenrechtelijke bewijsregels van de artikelen 1341 e.v. B.W. Aangezien geen notariële akte werd opgemaakt, moet de schuldbekentenis als eenzijdige rechtshandeling voldoen aan de voorwaarden van artikel 1326 B.W. dat de verplichting oplegt met de hand van de ondertekenaar te zijn geschreven, minstens dat de ondertekenaar benevens zijn handtekening, met de hand een "goed voor" of een "goedgekeurd voor" geschreven heeft waarbij de som of de hoeveelheid van de zaak in letters is uitgedrukt. Voldoet het document hieraan niet, dan is het te aanzien als een begin van schriftelijk bewijs, dat moet aangevuld worden met getuigen en/of vermoedens, wil het een volwaardig bewijsinstrument vormen.

Nog afgezien van de vraag in hoeverre de vormvereisten van artikel 1326 B.W. materieel mogelijk zijn en/of vereist blijven voor een elektronisch document- te meer door artikel 1322, tweede lid, B.W. niet wordt geraakt aan de verplichting van artikel 1326 B.W. (vgl. D. COUNYE, "De totstandkoming en het bewijs van de overeenkomst in de virtuele omgeving: overeenkomsten op afstand en de elektronische handtekening" in "Privaatrecht in de reële en virtuele wereld", XXVIIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva, p. 80) - dient, zoals reeds onder punt 2.1. uiteengezet, vastgesteld te worden dat door het gebrek aan een (bewezen) elektronische handtekening, de e-mail hierdoor reeds niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1326 B.W.

De e-mail van 13/1/2006 is bijgevolg desgevallend te aanzien als een begin van schriftelijk bewijs in de zin van artikel 1347, tweede lid, B.W., aangezien deze - althans in deze veronderstelling - zou uitgaan van wijlen R.V., zijnde de persoon tegen wie het beweerde feit waarschijnlijk wordt gemaakt. Weliswaar is dit geen volwaardig bewijs op zich, maar moet dit aangevuld worden met vermoedens en/of getuigen.

Een getuigenverhoor wordt niet aangeboden. Als vermoedens verwijst M.D. naar drie rekeninguittreksels van haar rekening bij ING en een factuur dd. 31/8/2005 van Cassimons Travel aan haar. Deze stukken maken geen vermoedens uit in de zin van artikel 1353 B.W. De eerste twee uittreksels van 13/10/2004 (€ 1.100,00) en 27/8/2004 (€ 2.000,00) tonen twee cash- afhalingen door haarzelf. Enkel het derde uittreksel dd. 22/8/2005 toont een overschrijving van een bedrag van € 300,00 door haar aan R.V. daar waar het vierde stuk een loutere factuur is gericht aan M.D. zonder enige verwijzing naar R.V. Deze stukken tonen overigens, het bedrag van € 300,00 uitgezonderd, niet aan dat de hierop voorkomende bedragen op de ene of andere wijze aan R.V. werden overgemaakt of hem ten goede kwamen.

2.4. Op grond van alle voorgaande overwegingen en vaststellingen besluit het hof dat de e-mail van 13/1/2006 waarop M.D. zich ter staving van haar vordering beroept, geen (volwaardig) bewijs vormt voor een (terug)betalingsverbintenis van wijlen R.V. aan M.D. voor een totaalbedrag van €6.880,00.

Waar de valsheidsvordering door de consoorten V. slechts in ondergeschikte orde wordt gesteld en het hoger beroep, op hun vordering in hoofdorde, wordt afgewezen als ongegrond, dient op deze valsheidsvordering niet te worden ingegaan.

3. Het hof besluit tot de gegrondheid van het hoger beroep, zodat het bestreden vonnis dient hervormd te worden en M.D. moet worden veroordeeld tot de gedingkosten van beide aanleggen.

OP DEZE GRONDEN HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juli 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,

Verleent L.V. akte van zijn gedinghervatting. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

( ... )

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 17/06/2018 - 20:14
Laatst aangepast op: zo, 17/06/2018 - 20:14

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.