-A +A

Schriftelijk getuigenbewijs op verzoek van de rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 13/01/2014

Bij artikel 961/1 Ger.W. wordt voorgeschreven:

“Zo het getuigenbewijs toelaatbaar is, mag de rechter van derden verklaringen in schriftelijke vorm aannemen die hem inzicht kunnen verschaffen in de betwiste feiten waarvan zij persoonlijk weet hebben.”

Alvorens nader te oordelen kan de rechter bij toepassing van deze wetsbepaling, een partij verzoeken over te gaan tot overlegging van een schriftelijke verklaring conform de voorschriften van artikel 961/2 Ger.W. omtrent door de rechtbank bepaalde feitelijke concreet gestelde vragen in een tussenvonnis.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/17-18
Pagina: 
1292
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(NV F.Z. / o.a. NV E.I.S. - Rolnr.: 2012/AR/383)

1. De feiten
De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- op 14 januari 1998 worden twee overeenkomsten afgesloten tussen de NV NMBS (de derde geïntimeerde), de NV E.I.S. (de eerste geïntimeerde) en de NV F.Z. in oprichting, daarbij vertegenwoordigd door F. F.-G ., meer bepaald:

een verkoop- en aankoopbelofte met betrekking tot de percelen C en D, bouwgrond voor appartementen, gelegen te Antwerpen, aan de (…);
en een optiecontract met betrekking tot de percelen E en F, eveneens bouwgrond voor appartementen, gelegen te Antwerpen, aan de (…);
beide overeenkomsten bevatten “voorafgaande verklaringen” waarvan de (nagenoeg identieke) inhoud luidt als volgt:

“De NMBS is eigenaar van een aantal terreinen te Antwerpen, samen genoemd 'ANTWERPEN NIEUW ZUID' of in het kort ANZ, gelegen te 2000 Antwerpen, aan de (…) achter de (…)straat. E.I.S. is eigenaar van een perceel grond van ± 320 m2 ingesloten in de gronden van ANZ. E.I.S. bezit de intellectuele rechten op de volledige ontwikkeling van de gronden van ANZ en alle ontwikkelingsplannen die voor deze terreinen bestaan. E.I.S. zal een structuurplan bij de stad Antwerpen voor goedkeuring indienen.

F.Z. is bereid erzich toe te verbinden om aan de geplande ontwikkeling deels uitvoering te geven en zich financieel te verbinden”;

aan beide overeenkomsten is een uittreksel van een plan gehecht (afkomstig uit een structuurplan uitgewerkt door architect V.) waarop de in de overeenkomsten genoemde percelen C, D, E en F te indicatieven titel zijn aangeduid;

vooraleer nader in te gaan op de inhoud van beide overeenkomsten, moet, voor een goed begrip, worden toegelicht welke rol de NV FIF-FSI (de tweede geïntimeerde) en de NV S. (de vierde geïntimeerde) in deze zaak spelen;

bij KB van 14 juni 2004 tot hervorming van de beheersstructuren van de spoorweg­infrastructuur wordt het Fonds voor Spoorweginfrastructuur, later omgevormd tot de NV FIF-FSI opgericht, dat de rechten en de verplichtingen van de NV NMBS uit (onder meer) de overeenkomsten van 14 januari 1998 overneemt; bij toepassing van dat zelfde KB wordt het beheer en het ten gelde maken van de betrokken gronden toevertrouwd aan de NV S.;

bij KB van 10 november 2006 wordt een einde gesteld aan de opdracht van de NV S. en komt het beheer en het ten gelde maken van de overgedragen gronden dientengevolge opnieuw toe aan de NV FIF-FSI;

- bij de verkoop- aankoopbelofte van 14 januari 1998:

belooft de NV NMBS als kandidaat-verkoper te zullen verkopen aan de NV F.Z. in oprichting als kandidaat-koper die belooft te zullen kopen onder de voorwaarden en tegen de overeengekomen prijs: de percelen C en D, bouwgrond voor appartementen aan de (…) met elk een benaderende oppervlakte van respectievelijk ± 2.200 m2;
verbindt de NV E.I.S. zich ertoe vóór einde januari 1998 bij de stad Antwerpen een structuurplan in te dienen dat de mogelijkheid voorziet op de betrokken percelen appartementsgebouwen van 6 bovengrondse bouwlagen op te richten, zodat in totaal op elk perceel 48 appartementen van ± 150 m2 kunnen gebouwd worden met bijhorende ondergrondse parkingplaatsen;
wordt overeengekomen dat het verkoopcompromis zal worden ondertekend binnen de 30 dagen nadat partijen het voorwerp van de verkoop definitief op plan zullen hebben aangeduid (dat laatste moet gebeuren binnen de 15 dagen nadat het structuurplan van de NV E.I.S. door de stad Antwerpen goedgekeurd werd);
wordt als opschortende voorwaarde (waaraan de koper mag verzaken) bedongen dat de koper vóór 5 januari 2001 een bouwvergunning bekomt voor het project;
wordt de verkoopprijs vastgesteld op 72.000.000 (oude) BEF of 1.784.833,38 EUR per bouwperceel;
en wordt in een aanhangsel van dezelfde datum bepaald dat de NV F.Z. in oprichting zich ertoe verbindt de bepalingen van artikel 13bis Venn.W. (thans art. 60 Venn.W.) na te leven;
- bij het optiecontract, insgelijks van 14 januari 1998:

verklaren de NV NMBS en de NV E.I.S. optie tot aankoop te verlenen aan de NV F.Z. in oprichting (optiehouder), die aanvaardt zonder dat die aanvaarding een verplichting inhoudt om van de optie gebruik te maken, van twee percelen (E en F) bouwgrond voor appartementen aan de (…), met elk een benaderende oppervlakte van 2.200 m2, waarin begrepen is het terrein van ± 320 m2 van de NV E.I.S.;
verbindt de NV E.I.S. zich ertoe vóór einde januari 1998 bij de stad Antwerpen een structuurplan in te dienen dat de mogelijkheid voorziet op de betrokken percelen appartementsgebouwen van 6 bovengrondse bouwlagen op te richten, zodat in totaal op elk perceel 48 appartementen van ± 150 m2 kunnen gebouwd worden met bijhorende ondergrondse parkingplaatsen;
wordt overeengekomen dat de exacte ligging van de percelen tussen partijen zal bepaald worden binnen 15 dagen nadat het structuurplan van de NV E.I.S., door de stad Antwerpen principieel goedgekeurd werd;
wordt verder bedongen dat van deze optie slechts gebruik kan worden gemaakt “vanaf heden” tot op de tweede verjaardag, om 17.30 uur, van de notariële aankoopakte van de twee naastliggende percelen (C en D), zij het uiterlijk op 31 december 2003;
en wordt in een aanhangsel van dezelfde datum bepaald dat de NV F.Z. in oprichting zich ertoe verbindt de bepalingen van artikel 13bis Venn.W. (thans art. 60 Venn.W.) na te leven;
- bij aangetekende brief, verzonden op 29 december 2003, uitgaande van de NV F.Z. (de appellante) en gericht aan de NV NMBS laat eerstgenoemde weten dat zij als optiehouder in het raam van de optieovereenkomst van 14 januari 1998 haar optie wenste uit te oefenen;

- bij aangetekende brief van 16 februari 2006 stelt de NV S. (lasthebber van de NV FIF-FSI) de NV F.Z. in gebreke om, gelet op het lichten van de optie door laatstgenoemde bij aangetekende brief van 29 december 2003, binnen de 90 dagen over te gaan tot de aankoop van de percelen E en F overeenkomstig de voorwaarden van het optiecontract, met het verzoek over te gaan tot het doen opstellen van de ontwerp­akte;

- verkoopovereenkomsten komen tussen de partijen nooit tot stand;

- bij notariële akte van 29 oktober 2010, verleden voor notaris J.B. te Antwerpen, verkoopt de NV FIF-FSI de betrokken gronden aan de NV O.N.Z. (de vijfde geïntimeerde).

2. De voorafgaande rechtspleging
2.1. Bij het bestreden vonnis op 8 september 2011 op tegenspraak verleend door de 1steB kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen:

wordt de hoofdvordering van de appellante, voor zover gericht tegen de vierde geïntimeerde, zonder voorwerp verklaard;
wordt de hoofdvordering en de vordering tot gedwongen tussenkomst van de appellante, alsook de tegenvordering van de derde geïntimeerde ontvankelijk, maar ongegrond verklaard;
wordt de tegenvordering van de tweede geïntimeerde ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard: wordt voor recht gezegd dat de twee overeenkomsten van 14 januari 1998 zonder voorwerp zijn geworden;
wordt de appellante veroordeeld tot de gedingkosten;
en wordt het meer gevorderde als ongegrond afgewezen.
2.2. Bij haar op 3 februari 2012 ter griffie neergelegd “verzoekschrift hoger beroep” tekent de appellante hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 8 september 2011.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, § 2, derde lid Ger.W. en behandeld op de terechtzitting van 3 december 2013.

3. De standpunten in hoger beroep
(…)

4.2.2. Aangaande de vraag naar de uitwerking die aan de overeenkomsten van 14 januari 1998 moet worden gegeven
4.2.2.1. De appellante laat onder meer gelden dat, anders dan in beide overeenkomsten van 14 januari 1998 uitdrukkelijk bedongen, de eerste geïntimeerde geen structuurplan bij de stad Antwerpen heeft ingediend, minstens niet vóór einde januari 1998, en dat door de stad Antwerpen dienaangaande geen beslissing werd genomen. Zij vordert om die reden (weliswaar ondergeschikt) dat voor recht zou worden gezegd dat “de eerste geïntimeerde zich schuldig heeft gemaakt aan een contractuele wanprestatie door niet en/of minstens niet tijdig een structuurplan op te maken en in te dienen bij de stad Antwerpen hetwelk haar en FSI in de mogelijkheid zou stellen om de contractuele afspraken t.o.v. concluante verder uit te voeren”.

De geïntimeerden betwisten deze beweringen van de appellante. Zij houden voor dat wel degelijk het bij de overeenkomsten van 14 januari 1998 bedoelde structuurplan werd ingediend (het zogenaamde plan V.), maar dat dit plan door de stad Antwerpen niet werd goedgekeurd en ook nooit nog zal worden goedgekeurd (dit ingevolge de grondige wijziging van het project Antwerpen Nieuw Zuid doorgevoerd wegens de oprichting ter plaatse van het nieuwe justitiepaleis). Aangezien daardoor het voorwerp van de betrokken overeenkomsten (de verkochte percelen) niet meer bepaalbaar zou zijn, zijn die overeenkomsten sindsdien vervallen.

4.2.2.2. Dat de appellante “noch voor de eerste rechter noch in de procedures in kort geding ooit betwist heeft dat (de eerste geïntimeerde) het plan Voncke wel degelijk heeft besproken met de overheden die bevoegd zijn in het kader van de gewenste bestemming van het gebied ter plaatse gekend als 'Antwerpen Nieuw Zuid'”, doet niets ter zake. Het niet-betwisten van een door een procespartij aangevoerd feit impliceert in principe geen erkenning of bekentenis daarvan en kan dan ook steeds worden herroepen (o.a. Cass. 27 februari 1998, Arr.Cass. 1998, 248). Dat geldt ook hier. Het andersluidende standpunt van de geïntimeerden wordt niet bijgetreden.

4.2.2.3. In beide overeenkomsten van 14 januari 1998 wordt uitdrukkelijk bedongen dat de exacte ligging van de verkochte percelen tussen de partijen zal worden bepaald binnen de 15 dagen nadat het door de eerste geïntimeerde vóór einde januari 1998 ingediende structuurplan (dat de mogelijkheid voorziet op de betrokken percelen appartementsgebouwen van 6 bovengrondse bouwlagen op te richten, zodat in totaal op elk perceel 48 appartementen van ± 150 m2 kunnen gebouwd worden met bijhorende ondergrondse parkingplaatsen) door de stad Antwerpen goedgekeurd werd. Het antwoord op de vraag of door de eerste geïntimeerde al dan niet (tijdig) een structuurplan met de voormelde inhoud werd ingediend en, in bevestigend geval, welke beslissing van de stad Antwerpen daarop is gevolgd, is bijgevolg cruciaal bij de beoordeling van de vraag welke uitwerking aan de overeenkomsten van 14 januari 1998 moet worden gegeven.

4.2.2.4. Het hof stelt vast dat geen van de partijen vooralsnog enig stuk voorlegt, afkomstig van de stad Antwerpen, waaruit blijkt dat de stad Antwerpen indertijd enige beslissing zou hebben genomen omtrent een door de eerste geïntimeerde ingediend structuurplan dat beantwoordt aan de contractuele omschrijving daarvan.

4.2.2.5. Bij artikel 961/1 Ger.W. wordt voorgeschreven:

“Zo het getuigenbewijs toelaatbaar is, mag de rechter van derden verklaringen in schriftelijke vorm aannemen die hem inzicht kunnen verschaffen in de betwiste feiten waarvan zij persoonlijk weet hebben.”

Alvorens nader te oordelen, verzoekt het hof, bij toepassing van deze wetsbepaling, de stad Antwerpen over te gaan tot overlegging van een schriftelijke verklaring conform de voorschriften van artikel 961/2 Ger.W. omtrent de hiernavolgende betwiste feiten:

heeft de NV E.I.S. bij de stad Antwerpen met betrekking tot de percelen, voorwerp van de overeenkomsten van 14 januari 1998, een structuurplan ingediend dat de mogelijkheid voorziet op de betrokken percelen appartementsgebouwen van 6 bovengrondse bouwlagen op te richten, zodat in totaal op elk perceel 48 appartementen van ± 150 m2 kunnen gebouwd worden met bijhorende ondergrondse parkingplaatsen?
in bevestigend geval, om welk structuurplan gaat het precies?
steeds in bevestigend geval, heeft die indiening plaatsgehad vóór eind januari 1998? Zo niet, wanneer dan wel?
nog altijd ingeval een dergelijk structuurplan werd ingediend, welke beslissing heeft de stad Antwerpen daarover genomen?
5. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

verklaart het hoger beroep van de appellante en de incidentele beroepen van de eerste, de tweede, de derde en de vijfde geïntimeerden ontvankelijk;
wijst de incidentele beroepen van de eerste, de tweede, de derde en de vijfde geïntimeerden af als ongegrond;

verzoekt, alvorens nader te oordelen, conform de artikelen 877 et seq. Ger.W. de stad Antwerpen, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, waarvan de kantoren gevestigd zijn op het stadhuis te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1, de overlegging door voeging bij het dossier van de rechtspleging, van haar schriftelijke verklaring in de zin van de artikelen 961/1-3 Ger.W, omtrent de feiten hierboven in nr. 4.2.2.5. nader omschreven;

bepaalt dat deze overlegging dient te geschieden door toezending bij aangetekende brief aan de griffie van dit hof en binnen een termijn van 3 maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van dit arrest;

zegt voor recht dat de stad Antwerpen binnen deze 3 maanden desgevallend, hetzij haar schriftelijke opmerkingen, hetzij haar verzoek om in raadkamer te worden gehoord, kan doen toekomen op de griffie van dit hof;

beveelt aan de griffier de kennisgeving van dit arrest door gerechtsbrief aan de stad Antwerpen;

heropent de debatten en stelt de zaak in voortzetting op de zitting van 2 juni 2014 om 12.00 uur (voorziene pleitduur: 30 minuten), dit evenwel enkel ter controle van de naleving door de stad Antwerpen van dit bevel en met het oog op de vaststelling van een eventuele aanvullende conclusiekalender en een nieuwe pleitdatum;

houdt de beslissing omtrent de gedingkosten aan.
 

Noot: 

Clijmans, N., « De schriftelijke getuigenverklaring van artikel 961/1-3 Ger.W. creatief toegepast in combinatie met de artikelen 877 et seq. Ger.W. », R.A.B.G., 2016/17-18, p. 1298-1302

Rechtsleer:

•  A. Hoc, “Les attestations écrites dans le Code judiciaire”, JT 2013, 277-281;

• D. Mougenot en A. Hoc, “Les attestations écrites” in R. Rutten en B. Vanlerberghe (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces, Brugge, die Keure, 2015, 99-113;

• D. Mougenot, “L'administration de la preuve et les mesures d'instruction” in Actualités en droit judiciaire, CUP, vol. 145, Brussel, Larcier, 2013, (303) 322 et seq.;

• I. Samoy en W. Vandenbussche “Schriftelijk en getuigenbewijs. Wanneer niets is wat het lijkt. Over schriftelijk bewijs, bewijsovereenkomsten en de nieuwe wetgeving inzake de schriftelijke getuigenverklaring” in X, Bewijsrecht [Vormingsprogramma 2012-2013], Reeks Permanente Vorming Orde van Advocaten Kortrijk, Gent, Larcier, 2014, (195) 252-262;

• S. Sobrie, “Stand van zaken en recente ontwikkelingen inzake vrijwillige verschijning, getuigenverklaring, ingereedheidbrenging en andere hete hangijzers van het burgerlijk procesrecht” in P. Van Orshoven en B. Allemeersch (eds.), Themis 2013, Gerechtelijk recht, Brugge, die Keure, 1-38: O. Vanden Berghe, “Wet van 16 juli 2012 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op een vereenvoudiging van de regels van de burgerlijke rechtspleging”, TBH 2012, 935

• B. Samyn, “Schriftelijke verklaring van derden als nieuwe onderzoeksmaatregel”, Juristenkrant 2012, afl. 256, 17;

• D. Mougenot, “La loi du 16 juillet 2012 modifiant le Code civil et le Code judiciaire en vue de simplifier les règles qui gouvernent le procès civil”, JT 2012, afl. 6490, nr. 10.

• D. Mougenot en A. Hoc, “Les attestations écrites” in R. Rutten en B. Vanlerberghe (eds.), Het bewijs in het burgerlijk proces, Brugge, die Keure, 2015, 99-113.

Rechtspraak:

• Arbh. Brussel 18 november 2014, Soc.Kron. 2015, 6

• Antwerpen 14 februari 2005, TBBR 2007, 390.

• Cass.1 februari 1990, Arr.Cass. 1989-90, 718.

• Rb. Leuven 22 mei 2013, nr. 13/3656, waarnaar verwezen in E. Verjans, “Humo mag Van Den Driessche vergelijken met DSK”, Juristenkrant 2013, afl. 272, 16 (aanvaard);

• Brussel 30 november 2012, 2012/AR/2327, waarnaar verwezen in B. Allemeersch, I. Samoy en W. Vandenbussche, “Overzicht van rechtspraak. Het burgerlijk bewijsrecht”, TPR 2015, afl. 2, (597) 838.

• Rb. Antwerpen 17 juni 2013, RW 2014-15, 31, waarnaar verwezen in B. Allemeersch, I. Samoy en W. Vandenbussche, “Overzicht van rechtspraak. Het burgerlijk bewijsrecht”, TPR 2015, afl. 2, (597) 832.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 14/07/2017 - 09:13
Laatst aangepast op: vr, 14/07/2017 - 09:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.