-A +A

Schorsingsarrest van Raad van State is aansporing voor bestuur om het administratief beroep voorwaardelijk te behandelen

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
maa, 04/12/2017
A.R.: 
240.068

De voorlopige maatregelen die de Raad van State mag bevelen, moeten «nodig» zijn om «de belangen [...] van de partijen» veilig te stellen. Dit houdt in dat de voorlopige maatregelen die een verzoekende partij vraagt aan de verwerende partij op te leggen, niet verder moeten strekken dan nodig om haar belangen veilig te stellen.

Met een voorlopig gezag van gewijsde is vastgesteld dat de beslissing van de beroepscommissie onwettig is.

Een dergelijke vaststelling, hoewel voorlopig van aard, moet als een aansporing worden opgevat aan het schoolbestuur om de zaak niet op haar beloop te laten in afwachting van de uitkomst van het annulatieberoep en om de onwettig lijkende beslissing van de beroepscommissie reeds onmiddellijk, zonder de verdere afwikkeling van de annulatieprocedure af te wachten, in het licht van het ernstig bevonden middel te doen heroverwegen en, mede ook gelet op het dreigende verlies van een schooljaar en op het recht van een leerling op een vaststaande uitslag, om ze in voorkomend geval in te trekken en door een nieuwe te vervangen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1345
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

M.T. t/ Vzw Schoolbestuur De P. en Sint-Amandscollege

Arrest nr. 240.068

I. Voorwerp van de vordering

1. De vordering, ingesteld op 29 november 2017, strekt tot het opleggen van voorlopige maatregelen, onder verbeurte van een dwangsom, aan de vzw Schoolbestuur De P. en Sint-Amandscollege te (...), namelijk door te bevelen «dat de interne beroepscommissie binnen [...] 24 uur na de kennisgeving van het te vellen arrest [haar] beslissing van 14 september 2017 intrekt en dat de beroepscommissie uiterlijk op 11 december 2017 een nieuwe beslissing neemt waarbij zij het ingestelde intern beroep ontvankelijk verklaart en vervolgens over de grond van de zaak oordeelt».

...

VI. Ernstig middel

8. [...]

Het gezag van gewijsde van een schorsingsarrest van de Raad van State houdt in dat de uitspraak voorlopig – in afwachting van een eindarrest – als vaststaand geldt en dat het door de administratieve rechter prima facie beslechte rechtspunt in het kader van een administratief kort geding niet opnieuw in vraag kan worden gesteld, behalve in geval van een verzoek tot intrekking of wijziging bedoeld in art. 17, § 3, tweede lid RvS-Wet.

9. Er is bijgevolg voldaan aan de voorwaarden om een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen bij uiterst dringende noodzakelijkheid toe te wijzen.

VII. Te bevelen voorlopige maatregelen

...

Beoordeling

12. De voorlopige maatregelen die de Raad van State mag bevelen, moeten «nodig» zijn om «de belangen [...] van de partijen» veilig te stellen. Dit houdt in dat de voorlopige maatregelen die een verzoekende partij vraagt aan de verwerende partij op te leggen, niet verder moeten strekken dan nodig om haar belangen veilig te stellen.

13. Met een voorlopig gezag van gewijsde is vastgesteld dat de beslissing van de beroepscommissie onwettig is.

Een dergelijke vaststelling, hoewel voorlopig van aard, moet als een aansporing worden opgevat aan het schoolbestuur om de zaak niet op haar beloop te laten in afwachting van de uitkomst van het annulatieberoep en om de onwettig lijkende beslissing van de beroepscommissie reeds onmiddellijk, zonder de verdere afwikkeling van de annulatieprocedure af te wachten, in het licht van het ernstig bevonden middel te doen heroverwegen en, mede ook gelet op het dreigende verlies van een schooljaar en op het recht van een leerling op een vaststaande uitslag, om ze in voorkomend geval in te trekken en door een nieuwe te vervangen.

14. In de voorliggende zaak zijn [...] de voorwaarden vervuld om de beroepscommissie niet enkel indirect aan te sporen, maar om haar uitdrukkelijk tot een heroverweging te verplichten. Dat verzoekster die beslissing van 14 september 2017 «voorlopig kan «negeren»», brengt haar immers geen stap dichter bij de vaststaande uitslag die zij eist.

In de mate dat verzoekster als voorlopige maatregel vraagt de beroepscommissie te bevelen om haar beslissing te heroverwegen in het licht van de motieven van het schorsingsarrest, kan zij worden bijgevallen.

15. Door, zoals verzoekster ook vraagt, de beroepscommissie daarenboven te bevelen om haar vroegere beslissing in te trekken en deze te vervangen door een nieuwe beslissing waarbij zij in ieder geval het beroep ontvankelijk verklaart, zou de Raad van State niet enkel, zoals de verwerende partij opwerpt, vooruitlopen op de behandeling ten gronde van de in deze zaak aan de orde gekomen rechtsvraag, maar zou hij zich ook in de plaats stellen van de beroepscommissie.

16. De beroepscommissie is door de decreetgever opgevat als een orgaan dat autonoom en op grond van een eigen beoordelingsbevoegdheid oordeelt over de ingestelde beroepen tegen evaluatiebeslissingen van klassenraden.

Zoals de verwerende partij correct opmerkt, «[...] te bepalen wat de inhoud van de eventuele nieuwe beslissing moet zijn [...] behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de [...] beroepscommissie».

De beroepscommissie beschikt daarbij over een eigen, onafhankelijke beslissingsmacht en zij mag ter appreciatie van de inhoudelijke of de procedurele aspecten van een concreet beroepschrift van het schoolbestuur geen bevelen ontvangen. Integendeel, het omgekeerde is het geval en, zo laat art. 123/15, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs duidelijk verstaan, het is het schoolbestuur dat de verantwoordelijkheid aanvaardt voor de beslissing van de beroepscommissie. Bovendien is de beroepscommissie, nog steeds naar eis van de decreetgever, geen «interne» beroepscommissie meer zoals de partijen het schrijven, maar een commissie die ook is samengesteld uit «externe», dat is van het schoolbestuur of van de betrokken school geheel onafhankelijke, leden. Bij stemming moet tussen de «interne» en de «externe» leden pariteit bestaan en bij staking van stemmen heeft de voorzitter, die extern lid moet zijn, doorslaggevende stem. Uit dit alles blijkt dat, welke ook de redenen zijn van het schoolbestuur om in de huidige procedure de zaak ten gronde gepleit te willen zien, de beroepscommissie zich over de rechtsvraag van de ontvankelijkheid van het beroep een eigen oordeel mag en moet vormen. Zij heeft in het verleden al één keer het beroep van verzoekster ontvankelijk verklaard en een andere keer onontvankelijk. Het ligt op de weg van de beroepscommissie om, met kennis thans van de overwegingen van het schorsingsarrest en de tegenargumenten van het schoolbestuur, haar beslissing te heroverwegen.

Indien de beroepscommissie zich bij de zienswijze van het schorsingsarrest aansluit en het beroep ontvankelijk verklaart – en haar vorige beslissing bijgevolg expliciet of impliciet intrekt – zal zij vervolgens ten gronde op het ingestelde beroep moeten antwoorden.

Indien de beroepscommissie zich evenwel niet kan vinden in het prima-facie-oordeel in arrest nr. 239.307 en bij de opvatting blijft dat het administratief beroep niet ontvankelijk kan worden ingesteld door slechts één ouder van verzoekster, dan zou zij ingaan tegen het gezag van gewijsde van het schorsingsarrest, mocht zij haar beslissing van 14 september 2017 zonder meer handhaven of in een nieuwe beslissing het beroep van verzoekster op diezelfde grond opnieuw verwerpen. Het gezag van gewijsde van het schorsingsarrest verplicht de beroepscommissie immers bij het heroverwegen van de zaak acht te slaan op de motieven die de Raad van State tot het schorsingsbesluit hebben geleid. Om de eigen, nog niet door een eindarrest tegengesproken beoordeling, dat het beroep niet ontvankelijk is, dan te verzoenen met het bevel om de zaak te heroverwegen en met de eis om in haar nieuwe beslissing het voorlopig gezag van gewijsde te respecteren, zou de beroepscommissie het beroep van verzoekster voorwaardelijk ontvankelijk kunnen verklaren, bijvoorbeeld onder de – ontbindende – voorwaarde dat het beroep in de zaak A. 223.407/IX-9146 wordt verworpen, en vervolgens eveneens voorwaardelijk aan een onderzoek ten gronde onderwerpen. Dit betekent ook dat verzoekster er rekening mee moet houden dat een voorwaardelijke heroverweging, die in voorkomend geval zou resulteren in een A-attest, precair is.

17. Verzoekster vraagt dat eerst en binnen 24 uur een formele intrekking van de geschorste beslissing van 14 september 2017 volgt en dat daarna, uiterlijk zowat een week later, een nieuwe beslissing wordt genomen.

De Raad van State ziet het nut niet in om de beroepscommissie te verplichten om haar heroverweging van de zaak in twee stappen te laten verlopen.

Indien de beroepscommissie ten gevolge van de hierna te bevelen heroverweging alsnog het beroep ontvankelijk verklaart, komt die nieuwe beslissing in de plaats van de vroegere beslissing, die minstens impliciet als ingetrokken beschouwd moet worden.

Indien de ten gevolge van de heroverweging te nemen beslissing om de hiervoor gegeven redenen slechts een voorwaardelijke beslissing is, dan mag van de beroepscommissie niet worden gevraagd dat zij haar vroegere beslissing formeel en definitief intrekt.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 13/04/2018 - 20:45
Laatst aangepast op: do, 10/05/2018 - 23:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.