-A +A

Schorsing verjaring strafzaken - persoonlijke verschijning

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 24/11/2015
A.R.: 
P.14.0722.N

De verjaring van de strafvordering loopt niet enkel in het belang van de beklaagde, maar bestaat in het algemeen belang.

Onderzoekshandelingen in de zin van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zijn alle door een bevoegd persoon gestelde daden van onderzoek die ertoe strekken gegevens te verzamelen of het dossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen en de zaak in staat van wijzen te brengen; de rechter oordeelt onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van bijkomende onderzoekshandelingen zoals het persoonlijk horen van de beklaagde en daartoe kan hij krachtens de artikelen 152, § 2 en § 3, en 185, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering diens persoonlijke verschijning bevelen of in voorkomend geval een bevel tot medebrenging uitvaardigen; zulke bevelen uitgaande van de rechtbank die oordeelt over een lastens een beklaagde ingestelde strafvordering zijn bijkomende onderzoekshandelingen in de zin van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering zodat het uitstel van behandeling van de zaak door het vonnisgerecht met het oog op de uitvoering daarvan de verjaring van de strafvordering schorst (1). (1) Zie concl. OM.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
Uitgever: 
Juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.14.0722.N
B V,
beklaagde,
eiser,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Dendermonde van 26 maart 2014.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Ti-tel Wetboek van Strafvordering en artikel 68 Wegverkeerswet.

Eerste onderdeel

2. Het bestreden vonnis oordeelt dat de verjaring van de strafvordering wordt geschorst door het in artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering bedoelde bevel tot persoonlijke verschijning of bevel tot medebrenging uitgaande van het vonnis-gerecht, terwijl de strafvordering slechts wordt geschorst wanneer het vonnisge-recht de zaak uitstelt voor het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen en vernoemde maatregelen deze hoedanigheid niet hebben; de verjaring van de strafvordering loopt ten gunste van de beklaagde en alleen het uitstel waarbij daadwerkelijk concrete onderzoekshandelingen worden uitgevoerd, schorsen het verloop van de verjaring; door het aannemen van schorsing ten gevolge van het bevel tot persoonlijke verschijning en van het bevel tot medebrenging verlengt het bestreden vonnis ten onrechte de verjaringstermijn met 50 dagen, zijnde het aantal dagen dat verliep tussen 24 december 2013, dag waarop het uitstel werd verleend, en 11 februari 2014, dag vóór de hervatting van de behandeling van de zaak; het bestreden vonnis had moeten vaststellen dat de strafvordering op 7 februari 2014 verjaard was.

3. De verjaring van de strafvordering loopt niet enkel in het belang van de be-klaagde, maar bestaat in het algemeen belang.
In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt uitgesteld met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. In dat geval is de verjaring geschorst vanaf de dag waarop het vonnisgerecht beslist om de zaak uit te stellen tot op de dag voor de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing van de verjaring evenwel langer dan een jaar mag duren."

5. Onderzoekshandelingen in de zin van die bepaling zijn alle door een bevoegd persoon gestelde daden van onderzoek die ertoe strekken gegevens te verzamelen of het dossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen en de zaak in staat van wijzen te brengen.

6. De rechter oordeelt onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van bijkomende onderzoekshandelingen zoals het persoonlijk horen van de beklaagde. Daartoe kan hij krachtens de artikelen 152, § 2 en § 3, en 185, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering diens persoonlijke verschijning bevelen of in voorkomend geval een bevel tot medebrenging uitvaardigen.

7. Een bevel tot persoonlijke verschijning en een bevel tot medebrenging uit-gaande van de rechtbank die oordeelt over een lastens een beklaagde ingestelde strafvordering zijn bijkomende onderzoekshandelingen in de zin van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

Het uitstel van be-handeling van de zaak door het vonnisgerecht met het oog op de uitvoering daar-van schorst dan ook de verjaring van de strafvordering.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Tweede onderdeel

8. Het bestreden vonnis oordeelt dat de verjaring van de strafvordering onder meer geschorst werd van 24 december 2013 tot 15 januari 2014 en van die dag tot 29 januari 2014, zijnde de tijdspanne binnen dewelke de behandeling van de zaak werd uitgesteld met het oog op de persoonlijke verschijning van de eiser; op de rechtszitting van 15 januari 2014 stelde de rechtbank evenwel vast dat het bevel van 24 december 2013 niet regelmatig ter kennis van de eiser was gebracht, zodat een nieuw bevel tot persoonlijke verschijning werd uitgevaardigd en de zaak opnieuw werd uitgesteld naar 29 januari 2014; het bevel tot persoonlijke verschijning van 24 december 2013 dat niet rechtsgeldig ter kennis werd gebracht en derhalve niet regelmatig werd uitgevoerd, kan evenwel geen gevolgen hebben; het bestreden vonnis dat ervan uitgaat dat de verjaring door het uitstel op grond van het bevel van 24 december 2013 geschorst werd tot 15 januari 2014, verlengt ten onrechte de verjaringstermijn en laat na het verval van de strafvordering vast te stellen, die in die omstandigheden plaatsvond op 7 maart 2014.

9. De verjaring van de strafvordering wordt geschorst door het uitstellen van de zaak met het oog op de uitvoering van een bevel tot persoonlijke verschijning, zelfs indien dit bevel niet rechtsgeldig ter kennis werd gebracht van de betrokkene.

10. De omstandigheid dat het bevel tot persoonlijke verschijning niet rechtsgeldig werd betekend en dat de zaak op die grond op 15 januari 2014 werd uitgesteld met het oog op een rechtsgeldige betekening, belette de appelrechters niet aan te nemen dat de verjaring van de strafvordering krachtens artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering geschorst was vanaf 24 december 2013.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

11. Het bestreden vonnis oordeelt dat de verjaring van de strafvordering geschorst werd door het uitstel met het oog op de uitvoering van het bevel tot persoonlijke verschijning van 24 december 2013; ten onrechte wordt ook aangenomen dat ook het tweede uitstel voor de uitvoering van het bevel tot persoonlijke verschijning van 15 januari 2014 de verjaring schorst; de behandeling van de zaak werd dan immers niet uitgesteld voor bijkomende onderzoekshandelingen, maar wel voor het remediëren van de onregelmatige uitvoering van een reeds bevolen bijkomende onderzoekshandeling; het bestreden vonnis dat ervan uitgaat dat de verjaring ook door het uitstel van 15 januari 2014 geschorst werd, verlengt ten onrechte de verjaringstermijn en laat na het verval van de strafvordering vast te stel-len, dat in die omstandigheden plaatsvond op 15 maart 2014.

12. Artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verjaring van de strafvordering wordt geschorst telkens als de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt uitgesteld met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. De schorsing van de verjaring mag evenwel niet langer dan één jaar duren.

13. De artikelen 152, § 2, en 185, § 2, Wetboek van Strafvordering bepalen dat de rechtbank in elke stand van het geding de persoonlijke verschijning kan beve-len.

14. Noch deze bepalingen, noch enige andere bepaling beletten de rechtbank om meermaals een bevel tot persoonlijke verschijning te geven met betrekking tot dezelfde persoon. Uitstel van de behandeling van de zaak met het oog op de uitvoering van elk van die daden van onderzoek schorst de verjaring van de strafvordering, zonder dat de schorsing langer mag zijn dan één jaar.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering.
 
15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten op 117,21 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer


 

Conclusie van plaatsvervangend advocaat-generaal De Swaef:

1. De eiser werd vervolgd voor verscheidene verkeersinbreuken. Hij werd door de politierechtbank bij verstek veroordeeld; op verzet werd hij vrijgesproken op grond van twijfel. Het Openbaar Ministerie stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. 

De rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde veroordeelde in hoger beroep de eiser, bij eenparigheid, voor alle telastleggingen tot één geldboete van 500 euro, verhoogd met 45 opdeciemen tot 2750 euro (met een boetevervangend rijverbod van 30 dagen) en verklaarde hem vervallen van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een periode van zes maanden. 

De rechtbank oordeelde dat de strafvordering niet verjaard was, onder meer omdat met toepassing van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering (zoals gewijzigd door artikel 7 van de Wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie) de verjaringstermijn werd geschorst. Meer bepaald stelde de rechtbank van eerste aanleg vast dat de verjaringstermijn was geschorst ten gevolge van de beslissing van de politierechtbank op de terechtzitting van 22 februari 2013 om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op een bijkomende onderzoekshandeling, nl. dat een getuige werd opgeroepen teneinde hem onder eed te horen op de terechtzitting van 29 maart 2013.

Hetzelfde gold volgens de appelrechters voor de beslissing van de politierechtbank op de terechtzitting van 29 maart 2013 om de behandeling van de zaak uit te stellen met het oog op een onderzoek door een deskundige-geneesheer en de oproeping van de opstellers van het aanvankelijk proces-verbaal om hen als getuigen onder eed te horen op de terechtzitting van 24 mei 2013. Verder werd de verjaring van de strafvordering volgens de appelrechters geschorst ten gevolge van het bevel van de rechtbank zetelend in hoger beroep van 24 december 2013 waarbij met toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering(1) de persoonlijke verschijning van de eiser werd bevolen met het oog op de terechtzitting van 15 januari 2014, een bevel dat op die datum werd herhaald met het oog op de terechtzitting van 29 januari 2014 gelet op het niet-rechtsgeldig ter kennis brengen van het bevel van 24 december 2013 aan de eiser, en dat op 29 januari 2014, gelet op het niet-verschijnen van de eiser ondanks het feit dat het bevel hem rechtsgeldig werd betekend, werd gevolgd door een bevel tot medebrenging van de eiser voor de terechtzitting van 12 februari 2014. De rechters in beroep besloten op deze basis dat de verjaringstermijn was geschorst van 22 februari 2013 tot en met 23 mei 2013 en van 24 december 2013 tot en met 11 februari 2014 en dat bijgevolg de verjaring van de strafvordering nog niet was ingetreden.

Tegen deze beslissing stelde de eiser cassatieberoep in op 10 april 2014.

2. Tot staving van zijn voorziening ontwikkelt de eiser één middel, bestaande uit drie onderdelen. In het middel wordt de schending aangevoerd van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 68 Wegverkeerswet.

Artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering luidt: "De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt uitgesteld met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. In dat geval is de verjaring geschorst vanaf de dag waarop het vonnisgerecht beslist om de zaak uit te stellen tot op de dag voor de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing van de verjaring evenwel langer dan een jaar mag duren."

Artikel 68 Wegverkeerswet bepaalt: "De strafvordering die het gevolg is van een overtreding van deze wet alsmede van de ter uitvoering ervan vastgestelde besluiten, verjaart door verloop van een jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan; deze termijn bedraagt evenwel drie jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan voor overtredingen van artikel 30, §1 en §3, 33, 34, §2, 35 en 37bis, §1, 1° en 4° tot 6°."

3. In het eerste onderdeel voert de eiser aan dat aangezien de verjaring loopt in het voordeel van de beklaagde, deze schorsingsgrond strikt moet worden geïnterpreteerd, in de zin dat het moet gaan om een uitstel met het oog op het daadwerkelijk uitvoeren van een of meer concrete onderzoekshandelingen. Het bevel tot persoonlijke verschijning en het bevel tot medebrenging met toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering zijn volgens de eiser geen bijkomende onderzoekshandeling in de zin van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en aan het uitstel dat met het oog daarop werd verleend kan volgens de eiser dan ook geen schorsende werking worden toegekend. Deze maatregelen strekken er enkel toe om de aanwezigheid van de beklaagde op de terechtzitting te bewerkstelligen en dragen op zich geen bijkomende onderzoekshandeling in zich. In het bestreden vonnis wordt, aldus de eiser, dan ook ten onrechte besloten dat de strafvordering opzichtens de eiser op het ogenblik van de uitspraak nog niet door verjaring was vervallen.

4. Het vierde lid van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering werd ingevoerd door de Wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie(2). De wetgever voerde deze bepaling in op aanbeveling van de parlementaire onderzoekscommissie naar de grote fiscale fraudedossiers(3) en wilde op die manier een antwoord bieden op potentiële misbruiken van de mogelijkheid om om bijkomende onderzoekshandelingen te verzoeken(4). De tekst van artikel 24, vierde lid Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is echter niet tot deze situatie beperkt en behelst ook de situatie waarin de vonnisrechter ambtshalve bijkomende onderzoekshandelingen beveelt(5).

5. In de rechtsleer wordt het bevel tot persoonlijke verschijning op basis van artikel 185, §2, eerste lid, (alsook artikel 152) Wetboek van Strafvordering gekwalificeerd als een onderzoeksmaatregel die door de vonnisrechter kan worden bevolen(6).

Daden van onderzoek zijn, volgens de rechtspraak van het Hof, alle daden die door een bevoegd persoon worden gesteld en die ertoe strekken gegevens te verzamelen om het dossier op de gebruikelijke wijze samen te stellen (of bewijzen te verzamelen)(7) en de zaak in staat van wijzen te brengen(8). De rechter oordeelt op onaantastbare wijze over de noodzakelijkheid, de raadzaamheid en de gepastheid van de bijkomende onderzoeksmaatregel(9). Hij gaat daarbij o.a. na welke maatregelen vereist zijn om de waarheid te achterhalen(10) en aldus een oordeel te kunnen vellen.

Het bevelen van de persoonlijke verschijning van een partij kan in dat opzicht als een bijkomende onderzoeksmaatregel worden beschouwd, aangezien deze bv. kan worden aangewend wanneer het vonnisgerecht van mening is dat het noodzakelijk is om uit de mond van de partijen zelf nadere toelichting te krijgen in functie van de waarheidsvinding of de straftoemeting(11).

Het bevel tot persoonlijke verschijning strekt er aldus toe de nodige gegevens te verzamelen om het dossier samen te stellen/bewijzen te verzamelen en de zaak in staat van wijzen te brengen. Hetzelfde geldt voor het bevel tot medebrenging, dat wordt uitgevaardigd ten aanzien van de beklaagde op basis van artikel 185, §2, tweede lid, of 152, §2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Bijgevolg schorst het uitstel van de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht met het oog op de uitvoering van een bevel tot persoonlijke verschijning of medebrenging de verjaring van de strafvordering op basis van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

6. In het tweede onderdeel voert de eiser aan dat de bijkomende onderzoekshandeling met het oog waarop de behandeling van de zaak voor het vonnisgerecht werd uitgesteld op basis van artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de verjaringstermijn niet schorst wanneer die door een onregelmatigheid of nietigheid is aangetast, aangezien een nietige of onregelmatige onderzoekshandeling geen enkel gevolg kan opleveren.

De rechtbank van eerste aanleg, zetelend in hoger beroep, stelde op de zitting van 24 december 2013 de behandeling van de zaak uit om een bevel tot persoonlijke verschijning conform artikel 152 Wetboek van Strafvordering aan de eiser te laten betekenen met dagvaarding om te verschijnen voor de zitting van 15 januari 2014. Op de zitting van 15 januari 2014 stelde de rechtbank evenwel vast dat dit bevel tot persoonlijke verschijning niet regelmatig ter kennis was gebracht aan de eiser, waarna de rechtbank een nieuw bevel tot persoonlijke verschijning verleende en de zaak andermaal uitstelde om dit nieuwe bevel te laten betekenen aan de eiser met dagvaarding om te verschijnen voor de zitting van 29 januari 2014. Er kan, volgens de eiser, aldus geen schorsende werking worden gehecht aan de het uitstel tussen de zitting van 24 december 2013 en de zitting van 15 januari 2014.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, meer bepaald het zittingsblad van 24 december 2013 (stuk 6), blijkt dat de zaak werd uitgesteld met het oog op de bijkomende onderzoekshandelingen die werden gelast, o.a. de persoonlijke verschijning van de beklaagde overeenkomstig artikel 152 Wetboek van Strafvordering. Op de zitting van 15 januari 2014 (stuk 7) stelde de rechtbank vast dat het bevel tot persoonlijke verschijning van de beklaagde niet rechtsgeldig ter kennis was gebracht aan de beklaagde, waarna de rechtbank opnieuw de persoonlijke verschijning bevolen heeft.

Het feit dat het bevel tot persoonlijke verschijning van de beklaagde de eerste maal niet rechtsgeldig ter kennis werd gebracht van de eiser doet geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid en de schorsende werking van het door de rechtbank uitgevaardigde bevel tot persoonlijke verschijning. Een onregelmatigheid bij de betekening kan immers niet leiden tot het ontzeggen van een schorsende werking aan het door de rechtbank uitgevaardigde bevel tot persoonlijke verschijning.

Dit kan worden vergeleken met het feit dat wordt aangenomen dat een nietige dagvaarding wegens betekening aan een verkeerde woonplaats niet zorgt voor een stuiting van de verjaring, maar de vordering tot dagvaarding van het Openbaar Ministerie aan de deurwaarder voorafgaand aan de nietige dagvaarding wel een regelmatige stuitingsdaad uitmaakt(12). Het Hof kwam tot dit besluit omdat die vordering uitgaat van de bevoegde overheid, tot doel heeft de zaak in staat van wijzen te brengen en op zichzelf een bijkomende onderzoekshandeling oplevert(13). In casu levert het bevel tot persoonlijke verschijning aldus op zichzelf een bijkomende onderzoekshandeling op, waarvan de schorsende werking op de verjaring niet teniet wordt gedaan door een gebrek in de manier waarop het ter kennis werd gebracht van de eiser.

Dat niet elke mogelijke onregelmatigheid zou leiden tot het ontzeggen aan de betrokken handeling van enige invloed op het verloop van de verjaringstermijn, blijkt overigens ook uit de beslissing van het Hof dat het feit dat een inverdenkingstelling met vertraging gebeurde, geen afbreuk doet aan het verjaring stuitende karakter van de inverdenkingstelling van een medeverdachte als daad van onderzoek(14). 

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

8. In het derde onderdeel voert de eiser aan dat het uitstel op de zitting van 15 januari 2014 werd verleend naar aanleiding van een bevel tot persoonlijke verschijning dat diende om te remediëren aan de onregelmatige uitvoering van het bevel tot persoonlijke verschijning van 24 december 2013. In die zin is, volgens de eiser, het uitstel op de zitting van 15 januari 2014 geen uitstel met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen, maar enkel een uitstel teneinde te remediëren aan een onregelmatige uitvoering van een eerder reeds bevolen bijkomende onderzoekshandeling.

9. Op grond van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wordt de verjaring van de strafvordering telkens geschorst als de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt uitgesteld met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen. Uit geen enkele bepaling volgt dat de vonnisrechter slechts één maal een bepaalde bijkomende onderzoekshandeling kan bevelen; niets stond er aldus aan in de weg dat de rechtbank tweemaal (waarbij de eerste maal het bevel niet correct werd uitgevoerd) ten aanzien van dezelfde persoon een bevel tot persoonlijke verschijning kon uitvaardigen.

Het onderdeel faalt naar recht.

10. Zelfs indien men, zoals het onderdeel, er vanuit zou gaan dat het uitstel op de zitting van 15 januari 2014 geen uitstel was met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen maar enkel wilde remediëren aan een eerder reeds bevolen onderzoekshandeling, kan het onderdeel niet worden aangenomen. Artikel 24, vierde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt immers dat "de verjaring geschorst is vanaf de dag waarop het vonnisgerecht beslist om de zaak uit te stellen tot op de dag voor de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing van de verjaring evenwel langer dan een jaar mag duren".

Voor het hervatten van de verjaringstermijn is aldus (behoudens het geval een periode langer dan een jaar zou verstrijken) vereist dat de behandeling van de zaak door het vonnisgerecht wordt hervat. Het "hervatten" van de zaak veronderstelt dat het bijkomend onderzoek werd uitgevoerd en de zaak aldus daadwerkelijk opnieuw in behandeling kan worden genomen. Gebeurt dit niet, dan is er geen sprake van "hervatting". Daarbij wordt in de rechtsleer het voorbeeld aangehaald van een deskundigenonderzoek dat werd bevolen waarna de zaak op vaste datum werd uitgesteld en waarbij het verslag nog niet klaar is, zodat ze opnieuw moet worden vastgesteld(15). In dergelijke benadering zou aldus te dezen op de zitting van 15 januari 2014 slechts zijn vastgesteld dat de behandeling van de zaak nog niet kon worden hervat en zou de verjaringstermijn evenzeer geschorst zijn tijdens de in het onderdeel geviseerde periode van 15 tot 29 januari 2014.

11. Het arrest nr. 83/2015 van het Grondwettelijk Hof van 11 juni 2015 waarbij artikel 7 van de wet van 14 januari 2013 houdende fiscale en andere bepalingen betreffende justitie, zoals het is gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie (wat leidde tot de huidige tekst van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering) wordt vernietigd maar enkel in die mate dat het tot gevolg heeft de verjaring van de strafvordering te schorsen wanneer, in het kader van de regeling van de rechtspleging, de onderzoeksrechter of de kamer van inbeschuldigingstelling beslissen dat bijkomende onderzoekshandelingen moeten worden verricht, wanneer de raadkamer, in het kader van de regeling van de rechtspleging, de rechtspleging niet kan regelen ingevolge een door de burgerlijke partij overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, §3, van het Wetboek van Strafvordering ingediend verzoek en wanneer het vonnisgerecht de behandeling van de zaak uitstelt met het oog op het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen, is te dezen niet relevant, nu het Grondwettelijk Hof de gevolgen van de vernietigde bepaling tot de inwerkingtreding van een nieuwe wetsbepaling en uiterlijk tot 31 december 2016 handhaaft.

12. Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

13. Conclusie: verwerping.

____________________

(1) In de bestreden beslissing is door een verschrijving sprake van het "Strafwetboek".

(2) BS 31 januari 2013.

(3) Verslag namens de onderzoekscommissie naar de grote fiscale fraude-dossiers, Parl.St. Kamer 2008-09, nr. 52-0034/004, p. 240.

(4) MvT, Parl.St. Kamer 2011-12, nr. 53-2430/001, 6-7.

(5) F. KONING, "La loi du 14 janvier 2013: une nouvelle cause de la prescription en cas de devoirs d'enquête", JT 2013, (253) 258; R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, "Recente ontwikkelingen: de nieuwe strafprocesrechtelijke regels van de wetten houdende ‘diverse bepalingen betreffende Justitie' en de evolutie van de rechtspraak inzake Salduz, Antigoon en de motiveringsplicht", in F. VERBRUGGEN, B. SPRIET en R. VERSTRAETEN (eds.), Straf- en strafprocesrecht - Themis 2012-2013, Brugge, die Keure, 2013, (155) 175.

(6) G. MAES, "Onderzoeksdaden - Het verzoek bijkomende onderzoeksdaden te verrichten", Comm.Strafr., 37, nr. 100; M. ROZIE, "De onderzoeksbevoegdheden van het vonnisgerecht", in P. TRAEST en A. DE NAUW (eds.), Wie is er bang van het strafrecht?, Gent, Mys & Breesch, 1998, 248-249, nr. 617; A. VANDEPLAS, "Bevel tot persoonlijke verschijning", Comm.Strafr., 2, nr. 2.

(7) Cass. 10 december 2013, AR P.13.0691.N, AC 2013, nr. 669 met concl. van eerste advocaat-generaal DUINSLAEGER; Cass. 20 juli 1976, AC 1976, 1231.

(8) Cass. 10 december 2013, AR P.13.0691.N, AC 2013, nr. 669 met concl. van eerste advocaat-generaal DUINSLAEGER; Cass. 3 april 2007, AR P.06.1586.N, AC 2007, nr. 165; Cass. 28 maart 2006, AR P.05.1705.N, AC 2006, nr. 178. Cass. 20 juli 1976, AC 1976, 1231. Amendementen die stelden dat de verjaring enkel zal geschorst zijn in het geval de partijen om de aanvullende onderzoekshandelingen verzoeken werd verworpen (Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 53-2430/005, 7 en 10; Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-1887/3, 6 en 12).

(9) Cass. 17 december 2002, AR P.02.0027.N, AC 2002, nr. 675; Cass. 29 april 2003, AR P.02.1461.N, AC 2003, nr. 269.

(10) Noot proc.-gen. DUMON bij Cass. 11 april 1978, AC 1978, 919.

(11) M. ROZIE, "De onderzoeksbevoegdheden van het vonnisgerecht", in P. TRAEST en A. DE NAUW (eds.), Wie is er bang van het strafrecht?, Gent, Mys & Breesch, 1998, 249, nr. 617; P. TRAEST, Commentaar onder artikel 185 Sv., in M. DE BUSSCHER, J. MEESE, D. VAN DER KELEN en J. VERBIST (eds.), Wet en duiding Strafprocesrecht 2013, Brussel, Larcier, 2013, 333, nr. 7; A. VANDEPLAS, "Bevel tot persoonlijke verschijning", Comm.Strafr., 1-2, nr. 1.

(12) R. VERSTRAETEN, "Verjaring: algemene regeling", in F. VERBRUGGEN en R. VERSTRAETEN (eds.), De verjaring van de strafvordering voor rechtspractici, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2005, (19) 38, voetnoot 133.

(13) Cf. Cass. 26 april 1978, AC 1978, 995 en R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 133, nr. 250. Zie ook het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de opdracht van de onderzoeksrechter en de uitvoering ervan (Cass. 18 maart 1963, Pas. 1963, 784) en het kantschrift van het Openbaar Ministerie en het proces-verbaal dat opgesteld wordt ter uitvoering van de opdracht uit dit kantschrift (R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 130-131, nr. 247).

(14) Cass. 31 oktober 2006, AR P.06.0779.N, AC 2006, nr. 528 en NC 2007, 371.

(15) R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, "Recente ontwikkelingen: de nieuwe strafprocesrechtelijke regels van de wetten houdende ‘diverse bepalingen betreffende Justitie' en de evolutie van de rechtspraak inzake Salduz, Antigoon en de motiveringsplicht", in F. VERBRUGGEN, B. SPRIET en R. VERSTRAETEN (eds.), Straf- en strafprocesrecht - Themis 2012-2013, Brugge, die Keure, 2013, (155) 175 (m.b.t. de huidige versie van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; R. VERSTRAETEN, "Verjaring: algemene regeling", in F. VERBRUGGEN en R. VERSTRAETEN (eds.), De verjaring van de strafvordering voor rechtspractici, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2005, (19) 47, nr. 46 (m.b.t. hetzelfde begrip in een vroegere versie van artikel 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering). Zie ook F. KONING, "La loi du 14 janvier 2013: une nouvelle cause de la prescription en cas de devoirs d'enquête", JT 2013, (253) 258.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 11/07/2017 - 16:48
Laatst aangepast op: di, 11/07/2017 - 16:48

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.