-A +A

Schoolrekeningen verjaren na 1 jaar

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
maa, 25/01/2016

Omdat onbetaalde schoolrekeningen van jaar tot jaar aangroeien, vallen zij onder art. 2277 BW en verjaren na 5 jaar. Zie Vred. Genk, 03/11/2015, RW 2015-2016, p. 1197. Dit belet evenwel niet dat schoolrekeningen ook vallen onder de eenjarige verjaring van artikel 2272 lid 3 en 5 BW en dat de schoolfacturen onderworpen zijn aan de éénjarige verjaring.

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2017
Pagina: 
453
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Artikel 2272, lid drie en lid vijf Burgerlijk Wetboek, bepalen dat de rechtsvordering van kostschoolhouders tot betaling van het schoolgeld van hun leerlingen van andere meesters, tot betaling van het leergeld, verjaren door verloop van een jaar.

De één-jarige verjaringstermijn niet beperkt tot de vordering tegen kostscholen, maar is van toepassing op alle vorderingen van scholen voor de betaling aan schoolrekeningen. Die schoolrekeningen omvatten normaal de vergoeding voor maaltijden, administratiekosten, materiaal, uitstappen, boeken en soms ook schriften. Dit is zelfs met een beperkende uitlegging van artikel 2272, lid drie Burgerlijk Wetboek het geval.

De formulering van deze wetsbepaling dateren uit de napoleontische tijd. Dit neemt evenwel de duidelijke bedoeling van de wetgever niet weg om de betalingsvorderingen die gebaseerd zijn op het volgen van lessen, te laten verjaren door verloop van een jaar. De wetgever heeft ervoor gekozen de bepaling van het derde lid niet af te schaffen of aan te passen, terwijl dit wel gebeurd is voor andere onderdelen van artikel 2272 Burgerlijk Wetboek.

Een teleologische interpretatie laat doen deze bepaling toe te passen op de huidige scholen en vzw’s die de scholen organiseren, ook al bestonden dergelijke instellingen meer dan 200 jaar geleden niet.

Volgens sommige rechtspraak en rechtsleer is de bijzondere verjaring van artikel 2272 Burgerlijk Wetboek enkel van toepassing indien de schuldeiser geen geschrift heeft opgesteld. Hiervoor is geen ondersteuning te vinden in de wettekst.

Op basis van artikel 2275 eerste lid Burgerlijk Wetboek, besluiten sommige rechtspraak en rechtsleer dat de één-jarige verjaringstermijn voor de betaling van het leergeld van meesters gesteund is op het vermoeden van betaling.

Dit vermoeden van betaling is evenwel niet absoluut. Met name met betrekking tot het eerste lid van artikel 2272 bulkwetboek is reeds geoordeeld dat het niet gesteund is op een vermoeden van betaling, niettegenstaande de plaats die het inneemt in het Burgerlijk Wetboek (cassatie 3 december 1999, rechtskundig weekblad 1999-2 1000,949) is gelet hierop wordt de vordering tot toepassing van artikel 2275, lid twee Burgerlijk Wetboek tot het opdragen de eed af te leggen, afgewezen.

De verjaring van artikel 2272 Burgerlijk Wetboek heeft plaats, hoewel men met de verstrekkingen, leveringen, diensten en werken is voortgegaan. Zij houdt slechts op de lopende, indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of een authentieke schuldbekentenis bestaat, ofwel een dagvaarding voor het gerecht, waarop geen verval van instantie is gevolgd. (Artikel 2274 Burgerlijk Wetboek).

Geen van deze laatste hypothesen is hier aanwezig. Het herhaald ontvangen van schoolrekening en gedurende drie schooljaren, zonder ze te protesteren en zonder te betalen kan niet gelijkgesteld worden met de aanvaarding ervan, noch met een schuldbekentenis. Mevrouw C. Is er geen handelaar; de regels van de aanvaarde factuur met toepassing van artikel 25 lid twee wetboek koophandel zijn niet van toepassing. Bovendien vereist artikel 2274 Burgerlijk Wetboek een onderhandse geschrift, wat hier niet voorhanden is.

Er is een bijkomend argument om de verjaring van de vordering tot betaling van het schoolgeld te onderwerpen aan de korte termijn van een jaar.

Heel wat scholen vragen hun leerlingen het schoolreglement te onderschrijven. Daarin zijn bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de betaling van de rekeningen. Indien niet de eenjarige termijn van toepassing zal zijn, maar de 10-jarige, dan zouden de leerlingen nog tot hun 28e verjaardag aangesproken kunnen worden voor de school gelden die onbetaald bleven (terwijl de ouders bijvoorbeeld wel de kinderbijslag ontvingen). Dit strookt niet met de bedoeling van de (grond) wetgever de kost voor het onderwijs voor ouders, leerlingen en studenten zo laag mogelijk te houden.

Een laatste weliswaar niet doorslaggevend argument om de verjaring van de vordering tot betaling van de schoolrekening op een jaar te bepalen bestaat in het volgende. Een langere verjaringstermijn zou kunnen leiden tot disproportioneel hoge vorderingen tot betaling van intresten op de verschuldigde sommen. De verhouding tussen de hoofdsom en de intresten op de hoofdsom zou volledig verloren kunnen gaan. Er mag aangenomen worden dat de wetgever ook dat heeft willen voorkomen.

Het hof treedt het argumenten van de vzw niet bij dat mevrouw C.1 bekentenis van niet betaling afgelegd heeft door de rekeningen te ontvangen en zijn niet te betalen, waardoor de verjaring niet zou ingetreden zijn. Het ontvangen van de lessen, de materialen en de uitstappen door haar dochter en het ontvangen van rekeningen op geregelde tijdstippen gelden op zichzelf niet als een bekentenis van niet betaling. Voor zover een omstandig stilzwijgen als voldoende zal zijn, dan is niet bewezen dat dit hier aanwezig is. De vzw verwijst niet naar een stuk waaruit een erkenning van niet betaling zou blijken.

Mevrouw C. Is failliet verklaard op 24 januari 2008. Zij werd verschoonbare. Appellante werd op: “soms duurt het in wordingsproces wat langer. Bijvoorbeeld: er wordt tussentijds gestart met afbetalingen. Of zoals in casu: de moeder die als eerste in aanmerking kwam om de school gelden te betalen gaat failliet en het is niet meteen duidelijk hoe de school haar schuldvordering best probeert te innen”.

Dit zijn geen rechtsgeldige argumenten om te besluiten dat de één-jarige verjaringstermijn niet van toepassing is. Afbetalingen door de schuldenaar kunnen eventueel gelden in het kader van de stuiting van de verjaring. Uitzoeken dat een vordering tot betaling van het schoolgeld een persoonlijke schuld is van een gevarieerde, met de rechtsgevolgen die daaraan op grond van de faillissementswet verbonden zijn, is geen argument om de verjaringstermijn op langer dan een jaar te bepalen.

De verwijzingen naar de arresten van het Hof van Cassatie van 8 december 2000 en van 7 maart 2003 hij niet dienstig, nu deze arresten zich uitspreken in zaken van achterstallig onderhoudsgeld (artikel 2277 lid twee Burgerlijk Wetboek) daarover gaat het huidige zaak niet.

De jongste school rekening dateert van 21 maart 2008. De raadsman van de school stelde mevrouw C aangetekend in gebreke op 22 mei 2008. De laatste aangetekende aanmaning dateert van 17 juni 2009. De dagvaarding werd betekend op 24 januari 2011. Dit is meer dan een jaar na de laatste rekening en na de laatste aanmaning. Het is bijgevolg terecht dat de eerste rechter besloten heeft op vordering van de schoolverjaring. Niets belet evenwel de tweede geïntimeerde, desgevallend eerste geïntimeerde, een natuurlijke verbintenis tegenover de school alsnog na te komen. Hun dochter heeft zonder betwisting gedurende drie schooljaren onderwijs gekregen in Ter Groene Poorte.

 

Noot: 

Johanna Waelkens, Rechtsvorderingen van kostschoolhouders, Noot onder de publicatie van dit arrest in het NJW 2017, 455

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 25/06/2017 - 12:41
Laatst aangepast op: zo, 25/06/2017 - 12:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.