-A +A

Schijnzelfstandigheid strafrechtelijke sanctie

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
din, 13/09/2016
A.R.: 
P.15.0450.N

De Arbeidsrelatiewet voorziet geen strafsancties.

Schijnzelfstandigheid wordt strafrechtelijk beteugeld via een inbreuk op de Dimona-wetgeving (de niet inschrijving als werknemer). Een dergelijke inidirecte strafbaarstelling is volgens het Hof van Cassatie voldoende duidelijk en beantwoordt aan het legaliteitsbeginsel,

Artikel 331 Arbeidsrelatiewet bepaalt: "Zonder de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden, kiezen de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie waarbij de effectieve uitvoering van de overeenkomst moet overeenkomen met de aard van de arbeidsrelatie. Er moet voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit."

Uit die bepaling volgt dat de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie kunnen kiezen, maar niet dat zij vrij zijn een andere kwalificatie te geven aan die arbeidsrelatie dan de werkelijke aard ervan zoals die uit de feitelijke uitoefening ervan blijkt, noch dat zij aldus zouden zijn vrijgesteld van de wettelijke verplichingen verbonden aan de werkelijke aard van die arbeidsrelatie.

Krachtens de artikelen 8 en 4 koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, deelt de werkgever de gegevens opgesomd in de afdeling I, hoofdstuk II van die wet mee aan de instelling, die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen, bij het in dienst nemen van een werknemer uiterlijk op het tijdstip waarop de werk-nemer zijn prestaties aanvat.
Die bepalingen zijn ook toepasselijk op een arbeidsovereenkomst die door de par-tijen formeel niet als arbeidsovereenkomst is gekwalificeerd.

De eisers worden niet vervolgd omdat zij de bedoelde samenwerkingsverbanden verkeerd hebben gekwalificeerd, maar omdat zij de verplichtingen niet hebben vervuld die verbonden zijn aan de arbeidsovereenkomsten die zij onwettig niet als dusdanig hebben gekwalificeerd.

Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten.

De omstandigheid dat partijen die hun arbeidsrelatie onwettig niet hebben gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst, belet niet dat zij kunnen uitmaken dat het niet-Dimona aangeven van de tewerkstelling strafbaar is.
15. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 12 en 14 Grond-wet en miskenning van het legaliteitsbeginsel, kan het niet worden aangenomen.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. P.15.0450.N
I
1. H T,
beklaagde,
2. A G,
beklaagde,
3. F G,
beklaagde,
4. Z T,
beklaagde,
eisers,
II
T bvba,
beklaagde en burgerrechtelijk aansprakelijke partij,
eiseres,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 26 februari 2015.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres II

1. Het arrest verklaart de eiseres II niet burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de aan de eisers I opgelegde geldboeten en kosten.
In zoverre het cassatieberoep van de eiseres II werd ingesteld in haar hoedanig-heid van burgerrechtelijk aansprakelijke partij, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
Eerste middel van de eisers 1

2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 19 en 62 Sociaal Strafwetboek, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het propor-tionaliteitsbeginsel: het arrest oordeelt onwettig dat het onderzoek van de sociale inspectie onpartijdig verliep, alhoewel het onderzoek tumultueus, uiterst subjectief en disproportioneel verliep gelet op de gekleurde deducties in de processen-verbaal en onderzoeksverslagen, waar de waarheid bewust geweld wordt aange-daan, de disproportionele vrijheidsberoving en dwang op de getuigen en de bekritiseerde uitlatingen in de onderzoeksverslagen, in het bijzonder de woorden: "bizar, angstvallig, gekker, te dol voor woorden" en de tendentieuze besluitvorming zonder enig bewijs dat de eisers instructies tot valse verklaringen zouden hebben gegeven; het arrest doet de partijdige en onverschoonbare houding van de sociale inspectie onwettig af als "op ietwat ongelukkige wijze al te plastische bedenkingen".

3. Artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en artikel 62 Sociaal Strafwet-boek zijn vreemd aan de aangevoerde grief.
In zoverre faalt het middel naar recht.

4. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of een onderzoek van de sociale inspectie al dan niet onpartijdig werd gevoerd.

5. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit de feiten en omstandigheden die hij vaststelt, geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daar-van niet kunnen worden verantwoord.

6. Het arrest (p. 12) oordeelt niet alleen zoals in het middel vermeld, maar ook: "Geen der elementen van de zaak laat toe vast te stellen of aannemelijk te maken dat het onderzoek op enigerlei subjectieve, disproportionele, selectieve of voorin-genomen wijze zou gevoerd zijn en/of dat informatie zou zijn achtergehouden.

Er blijken in casu geen objectieve redenen voorhanden te zijn die rechtvaardigen dat er in hoofde van [de eisers] een gewettigde vrees kan ontstaan dat de sociaal controleur en/of sociaal inspecteur als onderzoeker partijdig zijn opgetreden.

De omstandigheid dat sociaal controleur [K.P.] in bepaalde onderzoeksverslagen op ietwat ongelukkige wijze al te plastisch beschreven bedenkingen zou hebben geformuleerd, doet hieraan geen afbreuk.

Een (onderzoeks)verslag van de sociale inspectie is trouwens geen proces-verbaal-verbaal in de zin van de artikelen 64 t/m 67 van het Sociaal strafwetboek (cfr. voorheen artikel 9 van de arbeidsinspectiewet) en geldt als "inlichting" die de feitenrechter vrij kan beoordelen." Met die redenen is de bekritiseerde beslissing naar recht verantwoord, zonder dat hieruit een schending van de aangehaalde wetsbepalingen of miskenning van het aangehaald algemeen rechtsbeginsel kan worden afgeleid.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

7. Voor het overige vereist het middel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
Tweede middel van de eisers I

8. Het middel voert schending aan van de artikelen 12 en 14 Grondwet, alsme-de miskenning van het legaliteitsbeginsel: het arrest verklaart de eisers I schuldig aan de telastlegging B, alhoewel de Arbeidsrelatiewet geen strafsancties bepaalt en niet toelaat strafsancties in te schatten wanneer er een herkwalificatie van de arbeidsrelatie wordt doorgevoerd terwijl de wetgever de keuze aan partijen laat om de aard van hun samenwerking te kwalificeren zodat de Dimona-aangifteplicht niet op de eisers I toepasselijk was.

9. Artikel 331 Arbeidsrelatiewet bepaalt: "Zonder de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden, kiezen de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie waarbij de effectieve uitvoering van de overeenkomst moet overeenkomen met de aard van de arbeidsrelatie. Er moet voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit."

10. Uit die bepaling volgt dat de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie kunnen kiezen, maar niet dat zij vrij zijn een andere kwalificatie te geven aan die arbeidsrelatie dan de werkelijke aard ervan zoals die uit de feitelijke uitoefening ervan blijkt, noch dat zij aldus zouden zijn vrijgesteld van de wettelijke verplichtingen verbonden aan de werkelijke aard van die arbeidsrelatie.
In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

11. Krachtens de artikelen 8 en 4 koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, deelt de werkgever de gegevens opgesomd in de afdeling I, hoofdstuk II van die wet mee aan de instelling, die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen, bij het in dienst nemen van een werknemer uiterlijk op het tijdstip waarop de werk-nemer zijn prestaties aanvat.

Die bepalingen zijn ook toepasselijk op een arbeidsovereenkomst die door de par-tijen formeel niet als arbeidsovereenkomst is gekwalificeerd.

12. De eisers worden niet vervolgd omdat zij de bedoelde samenwerkingsver-banden verkeerd hebben gekwalificeerd, maar omdat zij de verplichtingen niet hebben vervuld die verbonden zijn aan de arbeidsovereenkomsten die zij onwettig niet als dusdanig hebben gekwalificeerd.

13. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten.

14. De omstandigheid dat partijen die hun arbeidsrelatie onwettig niet hebben gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst, belet niet dat zij kunnen uitmaken dat het niet-Dimona aangeven van de tewerkstelling strafbaar is.

15. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 12 en 14 Grond-wet en miskenning van het legaliteitsbeginsel, kan het niet worden aangenomen.

Derde middel van de eisers I

16. Het middel voert schending aan van de artikelen 331 en 333 Arbeidsrelatie-wet en artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest neemt onwettig andere criteria in aanmerking dan die bepaald in artikel 333 Ar-beidsrelatiewet om tot herkwalificatie over te gaan, door de vennootschapswerking en structuren en criteria van economische afhankelijkheid hieraan toe te voe-gen en te verwijzen naar het oneigenlijk toebedelen van de hoedanigheid van werkend vennoot met misbruik van de rechtsfiguur van de vennootschap.

17. Het middel legt niet uit hoe en waardoor het arrest artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering schendt.
In zoverre is het middel bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk.

18. Krachtens artikel 332, eerste lid, Arbeidsrelatiewet, wanneer de uitoefening van de arbeidsrelatie voldoende elementen naar voor brengt die, beoordeeld over-eenkomstig de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, onverenig-baar zijn met de kwalificatie die door de partijen aan de arbeidsrelatie wordt gegeven, gebeurt er een herkwalificatie van de arbeidsrelatie en wordt er een over-eenstemmend stelsel van sociale zekerheid toegepast.

Krachtens artikel 332, tweede lid, Arbeidsrelatiewet worden de elementen die in het eerste lid worden bedoeld, beoordeeld op basis van de algemene criteria zoals gedefinieerd in artikel 333.

Krachtens artikel 333, § 1, Arbeidsrelatiewet zijn de algemene criteria waarvan sprake in artikel 332 en die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen:

- de wil der partijen zoals die in hun overeenkomst werd uitgedrukt, voor zover deze laatste overeenkomstig de bepalingen van artikel 331 wordt uitgevoerd;
- de vrijheid van organisatie van de werktijd;
- de vrijheid van organisatie van het werk;
- de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen.

19. Het arrest (p. 37-38) oordeelt: "De betrokken arbeidskrachten verrichtten er enkel uitvoerende arbeid voor [de eiseres II] die hen hiervoor, via de BVBA's AG Production en BG Services & Co een door [de eiseres II] eenzijdig bepaald loon betaalde dat door de voornoemde tussengeschakelde vennootschappen aan de arbeidskrachten werd doorgestort.

De betrokken arbeidskrachten stelden hun arbeid exclusief en voltijds ter beschik-king van [de eiseres II], die een directe mogelijkheid tot hiërarchische controle en toezicht had op de uitgevoerde prestaties;

Zij hadden geen keuze om al dan niet de activiteit te presteren en hadden niet de aan het statuut van zelfstandige eigen vrijheid wat betreft de organisatie van hun werk en werktijd.

De zeer beperkte mogelijkheid tot het variëren van hun prestatie-uren deed in niets af aan het uiteindelijk doorslaggevende beslissingsrecht van [de eiseres II] en de voormelde aanverwante vennootschappen.

De betrokkenen hebben niet in volle vrijheid en met afdoende kennis van zaken kunnen beslissen omtrent de rechtspositie waarin zij in België hun arbeid zouden presteren en presteerden.

Zij hadden enkel het oogmerk om te werken voor een baas die hen voor hun arbeid een loon zou betalen en niet om middels het investeren van kapitaal te ondernemen en winst te maken, functionerend als zelfstandige.

Zij werkten in realiteit onder het gezag van [de eisers] en leverden prestaties onder de voorwaarden van een arbeidsovereenkomst.

Algemeen/synthese.

De uit het onderzoek blijkende feitelijke gegevens, die ondubbelzinnig het bestaan van een gezagsrelatie aantonen, sluiten de juridische kwalificatie die de partijen aan de overeenkomst hebben gegeven uit of, met ander woorden zijn onverenig-baar met de door de partijen gegeven kwalificatie.

De omstandigheden waaronder de betrokken "vennoten" te dezen in concreto prestaties leverden zijn overenigbaar met het statuut van zelfstandige."

Met het geheel van die redenen herkwalificeert het arrest de samenwerkingsver-banden na toetsing ervan uitsluitend aan de in artikel 333 Arbeidsrelatiewet be-paalde criteria en verantwoordt het zijn beslissing naar recht.

20. Met de redenen vermeld in het middel voegt het arrest geen criterium toe aan artikel 333 Arbeidsrelatiewet, maar geeft het te kennen welke werkwijze de eisers hebben toegepast om de onjuiste kwalificatie van de samenwerkingsver-banden te verdoezelen.

Het middel kan niet worden aangenomen.
Vierde middel van de eisers I

21. Het middel voert schending aan van de Arbeidsrelatiewet: het arrest besluit onwettig tot herkwalificatie van de betrokken arbeidsrelaties op grond van ele-menten die afzonderlijk of samen genomen, niet onverenigbaar zijn met de door de eisers gegeven kwalificatie, namelijk de elementen uitvoerend werk, vaste uren, controle op het werk, één opdrachtgever, geen bedrijfsrisico en werkmateriaal van de opdrachtgever; ten tijde van de feiten bestonden er geen bepalingen van economische afhankelijkheid die een herkwalificatie verantwoordden; die werden slechts ingevoerd voor bepaalde sectoren bij wet van 25 augustus 2012; controle en het geven van instructies zijn op zich niet onverenigbaar met zelfstandige sa-menwerking.

22. Uit het antwoord op het derde middel volgt dat het arrest de bedoelde ar-beidsrelaties uitsluitend beoordeelt op grond van de criteria vermeld in artikel 333 Arbeidsrelatiewet, het ontbreken van de vrijheid van organisatie van de werktijd en het werk en de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen en niet op de in het middel aangevoerde elementen.

Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.
Vijfde middel van de eisers I

23. Het middel voert aan dat het arrest uitgaat van objectieve aansprakelijkheid en nergens de toerekening motiveert van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de eisers I: het arrest beslist met "boutades" zonder enige concrete aanwijzing en met loutere stijlfiguren en vage bewoordingen dat de eisers I schuld hebben aan de verkeerd gekwalificeerde zelfstandige samenwerkingsovereenkomsten; het arrest maakt nergens concreet of zij effectief de bevoegdheid hadden om over de naleving van de wet te waken.

24. Het arrest (p. 38-39) oordeelt: "[De eisers I.1 en I.4] waren ten tijde van de feiten juridisch en/of feitelijk zaakvoerder van [de eiseres II] en hebben de voor-melde constructie met de vennootschappen (...) opgezet, vennootschappen waarin ook hun respectieve echtgenotes, [de eisers I.2 en/of I.3] figureerden en die in het geheel van de bedrijfsvoering in de gecreëerde constellatie een eigen verantwoor-delijke en leidinggevende rol speelden, zoals onder meer blijkt uit de verklaring van meerdere arbeidskrachten.

Er kan, gelet op wat voorafgaat, in alle redelijkheid niet worden aangenomen dat de onderscheiden [eisers] niet allen op de hoogte zouden geweest zijn van de es-sentiële aspecten van het opgezette fraudesysteem waaraan zij allen, door hun persoonlijke gedragingen, bewust hun rechtstreekse en onontbeerlijke medewerking hebben verleend.

Zij hadden allen als werkgever dan wel diens aangestelden of lasthebbers, een leidinggevende rol bij het dagdagelijkse reilen en zeilen van het bedrijf, en waren bekleed met het gezag en de bevoegdheid om in naam en voor rekening van [de eiseres II], effectief te waken over de naleving van de toepasselijke regelgeving, hetgeen zij wetens en willens hebben verzuimd."

"De fraudeconstructie werd opgezet en in stand gehouden in onderling overleg tussen [de eisers I en de eiseres II], waarvan de leidinggevende organen van meet af aan kennis hadden van het crimineel opzet in casu, ermee hebben ingestemd en eraan hun rechtstreekse medewerking hebben verleend.

De tussenkomst van ieder van hen was noodzakelijk om de bewezen verklaarde misdrijven te kunnen plegen zoals ze in concreto gepleegd werden op de wijze en in de omstandigheden zoals hierboven uiteengezet."

Met die redenen geeft het arrest op concrete wijze aan, niet alleen dat de eisers de bevoegdheid hadden om wat betreft de tewerkstelling door de eiseres II de wet na te leven, maar ook de plicht hadden om dat te doen en dit met kennis van zaken en bewust hebben nagelaten.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Eerste middel van de eiseres II

25. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 19 en 62 Sociaal Strafwetboek, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het proportio-naliteitsbeginsel: het arrest oordeelt onwettig dat het onderzoek van de sociale inspectie onpartijdig verliep, alhoewel het onderzoek vooringenomen heeft plaats gevonden gelet ook op de disproportionele vrijheidsberoving en dwang op de getuigen; de persoonlijke interpretaties in processen-verbaal en onderzoeksverslagen van de sociaal inspecteurs K.P en A.N, zoals de uitlating dat ‘de eisers hun ar-beidskrachten hebben geïnstrueerd om bij een inspectie verkeerd en valse infor-matie te geven aan de sociaal inspecteurs of de arbeidsinspecteurs, vrijblijvende bewering die geen steun vindt in het strafdossier', zijn volstrekt onaanvaardbaar; het arrest doet de partijdige en onverschoonbare houding van de sociale inspectie onwettig af als "op ietwat ongelukkige wijze al te plastische bedenkingen".

26. Het middel heeft dezelfde strekking als het eerste middel van de eisers I en is om dezelfde redenen te verwerpen.
Tweede middel van de eiseres II

27. Het middel voert schending aan van de artikelen 12 en 14 Grondwet, alsme-de miskenning van het legaliteitsbeginsel: het arrest verklaart de eiseres II schuldig aan de telastlegging B, alhoewel de Arbeidsrelatiewet niet toelaat strafsancties in te schatten wanneer er een herkwalificatie van de arbeidsrelatie wordt doorge-voerd, terwijl de wetgever de keuze aan partijen laat om de aard van hun samen-werking te kwalificeren zodat de Dimona-plicht niet voor de eiseres II toepasselijk was.

28. Het middel heeft dezelfde strekking als het tweede middel van de eisers I en is om dezelfde redenen te verwerpen.
Derde middel van de eiseres II

29. Het middel voert schending aan van de artikelen 331 en 333 Arbeidsrelatie-wet en artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest neemt onwettig andere criteria in aanmerking dan die bepaald in artikel 333 Ar-beidsrelatiewet om tot herkwalificatie over te gaan, door de vennootschapsmanda-ten en criteria van economische afhankelijkheid mee in overweging te nemen en te verwijzen naar het oneigenlijk toebedelen van de hoedanigheid van werkend vennoot met misbruik van de rechtsfiguur van de vennootschap.

30. Het middel heeft dezelfde strekking als het derde middel van de eisers I en is om dezelfde reden te verwerpen.

Vierde middel van de eiseres II

31. Het middel voert schending aan van de Arbeidsrelatiewet: het arrest besluit onwettig tot herkwalificatie van de betrokken arbeidsrelaties op grond van elementen die afzonderlijk of samen genomen, niet onverenigbaar zijn met de door de eisers gegeven kwalificatie, namelijk de elementen uitvoerend werk, vaste uren, controle op het werk, één opdrachtgever, geen bedrijfsrisico en werkmateriaal van de opdrachtgever; ten tijde van de feiten bestonden er geen bepalingen van economische afhankelijkheid die een herkwalificatie verantwoorden; die werden slechts ingevoerd voor bepaalde sectoren bij wet van 25 augustus 2012; controle en het geven van instructies zijn op zich niet onverenigbaar met zelfstandige sa-menwerking.

32. Het middel heeft dezelfde strekking als het vierde middel van de eisers I en is om dezelfde reden te verwerpen.

Vijfde middel van de eiseres II

33. Het middel voert schending aan van artikel 5 Strafwetboek alsmede mis-kenning van de motiveringsverplichting: het arrest herleidt de eigen strafrechtelij-ke aansprakelijkheid van de eiseres II tot een afgeleide aansprakelijkheid en geeft de redenen niet aan waarom zij strafrechtelijk aansprakelijk is.

34. Het arrest (p. 38-39) oordeelt: "De ten laste van [de eiseres II] bewezen ver-klaarde feiten, zoals voormeld, hebben een intrinsiek verband met de verwezenlijking van haar doel of de waarneming van haar belangen en staan in relatie tot de kernactiviteiten van deze vennootschap, die voor de uitbating van haar bedrijf, zoals voormeld, noodzakelijkerwijze een beroep diende te doen op werknemers.

De verwezenlijking van de misdrijven volgde in casu, gelet op wat voorafgaat, ongetwijfeld uit een wetens en willens genomen beslissing op het beleids- en or-ganisatieniveau binnen deze rechtspersoon.

De fraudeconstructie werd opgezet en in stand gehouden in onderling overleg tus-sen [de eisers I en de eiseres II]."

35. Met dat oordeel leidt het arrest de eigen strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eiseres II niet af van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eisers I, maar geeft het de redenen aan waarom het moreel misdrijfbestanddeel bij de eise-res is aangetoond en de telastleggingen haar ook strafrechtelijk moeten worden toegerekend.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

36. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt de cassatieberoepen.
Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.
Bepaalt de kosten in het geheel op 234,91 euro waarvan de eisers I 119,10 euro verschuldigd zijn en de eiseres II 115,81 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, en op de openbare rechtszitting van 13 september 2016 uitgesproken

Noot: 

Vincent Dooms, Nogmaals over de kwalificatie van de overeenkomst, RABG 2012/14, 954

Aanvullende rechtspraak:

• Hof van Cassatie, 2e Kamer – 26 maart 2013, RW 2013-2014, 1062

samenvatting:

De gezagsrelatie op grond waarvan tot een arbeidsovereenkomst kan worden besloten en elke andere overeenkomst moet worden uitgesloten, dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die thans zijn opgenomen in de Arbeidsrelatiewet, meer bepaald in art. 333 van deze wet, zijnde de vrijheid van organisatie van het werk, de mogelijkheid een hiërarchische controle op dat werk uit te oefenen en de al dan niet bestaande vrijheid van de organisatie van de werktijd.

De rechter dient na te gaan of de gegevens die worden aangevoerd om het bestaan van een gezagsrelatie te staven een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het raam van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.

tekst arrest:

II. Beslissing van het Hof

...

Beoordeling

...

Derde middel

12. Het middel voert schending aan van art. 16 Voorafgaande Titel Sv. en art. 331, 332, 333 en 334 Arbeidsrelatiewet: het arrest veroordeelt de eiser op grond van een gezagsrelatie en bijgevolg van een arbeidsrelatie; het baseert zich evenwel op criteria die niet vallen onder die van art. 333 Arbeidsrelatiewet en die bovendien geen herkwalificatie van een overeenkomst als zelfstandige in een arbeidsovereenkomst kunnen rechtvaardigen; de arbeidsomstandigheden zijn niet onverenigbaar met het sociaal statuut van zelfstandige; het arrest toont niet aan dat erdoor in aanmerking genomen criteria onverenigbaar zijn met het bestaan van een overeenkomst als zelfstandige.

13. De gezagsrelatie op grond waarvan tot een arbeidsovereenkomst kan worden besloten en elke andere overeenkomst moet worden uitgesloten, dient te worden beoordeeld aan de hand van de criteria die thans zijn opgenomen in de Arbeidsrelatiewet, meer bepaald in art. 333 van deze wet, zijnde de vrijheid van organisatie van het werk, de mogelijkheid een hiërarchische controle op dat werk uit te oefenen en de al dan niet bestaande vrijheid van de organisatie van de werktijd.

14. Het staat aan de rechter na te gaan of de gegevens die worden aangevoerd om het bestaan van een gezagsrelatie te staven een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het raam van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.

15. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel vermeldt, maar ook: “het hof verwijst in dit verband onder meer naar de afwezigheid van keuze om al dan niet de activiteit te presteren en het feit dat [de eiser] directe controle en toezicht kon uitoefenen op de prestaties uitgevoerd door de betrokkenen die exclusief een functie hadden van uitvoerder door enkel hun arbeidskracht ter beschikking te stellen. Uit de verklaringen van betrokkenen blijkt duidelijk dat zij niet de aan het statuut van zelfstandige eigen vrijheid hadden wat de organisatie van hun werk en werktijd betreft”.

16. Op grond van deze feitelijke vaststellingen oordeelt het arrest wettig dat deze vastgestelde gegevens een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het raam van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

...
Zie ook: Cass. 6 december 2010, RW 2011-12, 614.

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 12/01/2018 - 12:36
Laatst aangepast op: vr, 12/01/2018 - 12:36

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.