-A +A

Schijnzelfstandigheid niet uitgesloten wanneer werknemer zelf personeel aanwerft

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
din, 17/10/1995

Het feit dat via de aanwerving van eigen personeelsleden een eigen bedrijfsrisico ontstaat, sluit niet noodzakelijk uit dat men aan dwingende bevelen inzake organisatie en uitvoering van arbeid wordt onderworpen (bijvoorbeeld verplichte uurregeling, nauwkeurige omschrijving van de taken, enz.).

De aanwerving van eigen personeel heeft in dergelijke omstandigheden enkel tot gevolg dat deze verplichtingen niet enkel persoonlijk, maar met de hulp van het zelf aangeworven en bezoldigd personeel worden uitgevoerd.

Aldus sluit de aanwerving van personeel door de "werknemer" schijnzelfstandigheid niet uit.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
133
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

S. t/ B.V.B.A. D. en D.

Uit het geheel van de gegevens blijkt dat appellante zeer nauw gecontroleerd en begeleid werd door de geïntimeerden.

Geïntimeerden bemoeiden zich met alles tot in de kleinste aspecten toe, dit alles was niet noodzakelijk uit economische overwegingen, doch gebeurde met de bedoeling om appellante van dichtbij te controleren en te volgen in haar activiteiten.

Daartegenover stond het feit dat appellante zelf personeel mocht aanwerven en dat zij dit effectief gedaan heeft, namelijk elf personeelsleden in haar tewerkstellingsperiode, en dat zij volledig zelfstandig gehandeld heeft qua verkoop van eetwaren (zoals maaltijden, soepen, oxo, chips) te haren laste en te haren bate.

De exploitatie van deze sector gebeurde dus in volstrekt eigen beheer met behulp, althans gedeeltelijk van het aangeworven personeel, zodat er sprake kan zijn van een onderneming.

Zijdelings zij opgemerkt dat het bestaan van een concurrentiebeding niet exclusief voorbehouden is voor werknemers.

De eerste rechter verwijst naar het hierboven reeds vermelde arrest van 16 januari 1978 van het Hof van Cassatie, A.C., 1978, I, 577, dat overwoog: «dat wanneer degene die zich verbindt tot het verrichten van arbeid, de overeenkomst uitvoert met medewerking van door hem in dienst genomen en betaald personeel en wanneer de uitvoering ervan leidt tot de exploitatie van een eigen onderneming, de overeenkomst tot het verrichten van arbeid geen arbeidsovereenkomst is».

De vraag rijst evenwel of het via de aanwerving en bezoldiging van eigen personeel gecreëerde eigen bedrijfsrisico, automatisch de ontstentenis van een ondergeschiktheidsverhouding ten aanzien van de opdrachtgever, zijnde ontstentenis van zijn recht bevelen te geven inzake organisatie en uitvoering van de arbeid impliceert.

Zoals hierboven gesteld komt de ondergeschiktheid in de organisatie van de arbeid vooral tot uitdrukking in de arbeidstijdregeling en in de materiële inrichting van de zaak, terwijl evenzeer als element van juridische afhankelijkheid beschouwd wordt de nauwkeurige omschrijving van de opgelegde taken, zowel van de aard als de wijze van uitvoering, evenals de mogelijkheid tot controle erop.

Zoals hierboven ook vastgesteld, zijn deze voorwaarden vervuld.

Welnu, het feit dat via de aanwerving van eigen personeelsleden een eigen bedrijfsrisico ontstaat, sluit niet noodzakelijk uit dat men aan dwingende bevelen inzake organisatie en uitvoering van arbeid wordt onderworpen (bijvoorbeeld verplichte uurregeling, nauwkeurige omschrijving van de taken, enz.).

De aanwerving van eigen personeel heeft in dergelijke omstandigheden enkel tot gevolg dat deze verplichtingen niet enkel persoonlijk, maar met de hulp van het zelf aangeworven en bezoldigd personeel worden uitgevoerd.

Dit feit op zichzelf volstaat niet om het bestaan van een arbeidsovereenkomst te weerleggen indien blijkt dat de opdrachtgever niettemin zelf de organisatie en de uitvoering van de arbeid blijft bepalen (zie in deze zin Actuele problemen van het sociale zekerheidsrecht, «Onderscheid tussen werknemer en zelfstandige», A. Van Regenmortel, blz. 84, nr. 44, Die Keure, 1995).

Te dezen zijn er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens dat in casu zulks het geval is.

Er mag met nagenoeg absolute zekerheid aanvaard worden dat tweede geïntimeerde in feite het personeel aanwierf, tewerkstelde en ontsloeg dat hij wilde. Immers, als eerste geïntimeerde zich met alle facetten van de exploitatie van de zaak tot in het kleinste toe bezighield, is het uitgesloten dat hij zich, wat betreft de aanwerving, tewerkstelling en ontslag van personeel op de vlakte zou houden.

Dit blijkt ook uit de verklaring van V.C., die stelde: «Zij (= appellante) mocht ook niet zelf het personeel aannemen, alhoewel ze deze zelf moest betalen. Als er feesten waren richtte T. (= tweede geïntimeerde) deze zelf in en zei ook hoeveel personeel er moest werken die dag (...)».

Ook uit de verklaring van V.G. blijkt zulks: «(...) vormden wij een goeie ploeg, ware het niet de voortdurende inmenging van T.D. Het was T. die besliste wie wel of niet mocht werken (...) Iemand die hem niet aanstond moest ontslagen worden. E. is verplicht geweest een zekere H.S. in april 1991 in dienst te nemen (...)».

Het feit dat appellante zich aangediend heeft als werkgeefster en de voorgelegde personeelsdocumenten nemen niet weg dat tweede geïntimeerde de drijvende kracht tegenover het personeel en de werkelijke baas was.

Bijgevolg moet uiteindelijk besloten worden dat appellante verbonden was door een arbeidsovereenkomst tegenover de geïntimeerden.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 13/09/2017 - 10:51
Laatst aangepast op: wo, 13/09/2017 - 10:51

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.