-A +A

Schijnsamenwoning bewijs

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 15/01/2018

Er wordt geen wettelijke samenwoning geakteerd wanneer, ondanks de geuite wil van beide partijen om wettelijk samen te wonen, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens een van beiden kennelijk enkel gericht is op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van wettelijk samenwonende.

Artikel 1476quater, vijfde lid B.W. bepaalt dat de belanghebbende partijen binnen de maand na de kennisgeving van de beslissing daartegen "beroep" kunnen aantekenen. Dit gebeurt door dagvaarding van de ambtenaar van de burgerlijke stand, teneinde alsnog toelating te bekomen de wettelijke samenwoning te mogen aangaan.

Aan de samenwoners, appellanten, kan geen negatieve bewijslast worden opgedrongen: de bewijslast rust bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Aangezien de intentie van de aanvragers nooit met absolute zekerheid te achterhalen valt, dienen de aangebrachte bewijsmiddelen een beslissend karakter te hebben (cfr. De notie kennelijk, zoals gehanteerd in artikel 1476bis B.W.), namelijk een eenduidig en niet tegen te spreken vermoeden van (voorgenomen) schijnsamenwoning.
 

Publicatie
tijdschrift: 
NJW
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018
Pagina: 
354
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Antwerpen 15 januari 2018, NjW 2018, 354.

1. K.D.A., [ ... ],

2. L.G., [ ... ], appellanten, [ ... ]

tegen

Ambtenaar van de burg. stand van de stad Antwerpen, district Antwerpen,

[ ... ]

geïntimeerde,

[ ... ]

VOORGAANDE

Appellanten hebben zich op 11/12/2015 aangeboden bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te Antwerpen, district Antwerpen, ten einde een verklaring van wettelijke samenwoning te laten registreren.

Bij aangetekende brief van 20/04/2016 werden betrokkenen in kennis gesteld van de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand om deze verklaring van samenwoning in te schrijven.

Appellanten hebben daarop de ambtenaar van de burgerlijke stand gedagvaard op 24/05/2016 ten einde in essentie hem te verplichten alsnog de verklaring van wettelijke samenwoning in te schrijven in het bevolkingsregister, onder verbeurte van en dwangsom van € 250 per dag vetraging.

VORDERINGEN IN BEROEP

Tegen dit vonnis tekenden mevrouw K.D.A. en de heer L.G. hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19/04/2017.

De ambtenaar van de burgerlijke stand besluit tot bevestiging van het bestreden beschikking.

[ ... ]

BEOORDELING

1.

Artikel 60, eerste lid W.I.P.R. bepaalt dat de relatie van samenleven wordt beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied zij voor het eerst is geregistreerd. Het Belgische recht bepaalt bijgevolg de voorwaarden van de vaststelling van de relatie voor een in België aangegane wettelijke samenwoning, ongeacht de nationaliteit van de betrokkenen (artikel 60, tweede lid W.I.P.R.).

Artikel 1475, § 1 B.W. omschrijft de wettelijke samenwoning als een toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd overeenkomstig artikel 1476 B.W .. Ook de wettelijke samenwoning is bijgevolg ontegensprekelijk gericht op het vormen van een levensgemeenschap tussen twee mensen.

Artikel 1476bis B.W. bepaalt dat er geen wettelijke samenwoning is wanneer, ondanks de geuite wil van beide partijen om wettelijk samen te wonen, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens een van beiden kennelijk enkel gericht is op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van wettelijk samenwonende.

Artikel 1476quater, vijfde lid B.W. bepaalt dat de belanghebbende partijen binnen de maand na de kennisgeving van de beslissing daartegen "beroep" kunnen aantekenen. Dit gebeurt door dagvaarding van de ambtenaar van de burgerlijke stand, teneinde alsnog toelating te bekomen de wettelijke samenwoning te mogen aangaan.

2.

Aan de samenwoners, appellanten, kan geen negatieve bewijslast worden opgedrongen: de bewijslast rust bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Aangezien de intentie van de aanvragers nooit met absolute zekerheid te achterhalen valt, dienen de aangebrachte bewijsmiddelen een beslissend karakter te hebben (cfr. De notie kennelijk, zoals gehanteerd in artikel 1476bis B.W.), namelijk een eenduidig en niet tegen te spreken vermoeden van (voorgenomen) schijnsamenwoning.

De rechter die moet oordelen over het beroep van de kandidaat-wettelijke samenwoners tegen de beslissing tot weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand, heeft volle rechtsmacht en mag zich zodoende volledig in de plaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand stellen. Alles wat tot de beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand behoort, wordt onderworpen aan het toezicht van de rechter. De beoordelingsbevoegdheid reikt dan ook verder dan een eenvoudige wettigheidscontrole op de weigeringsbeslissing.

De controle van de rechter behelst een volledige toetsing van het subjectieve recht om een wettelijke samenwoning aan te gaan. Deze toetsing geschiedt op basis van alle voorgelegde elementen, met inbegrip van deze die zich pas na de weigeringsbeslissing hebben voorgedaan.

3.

Het hof ziet te dezen geen redenen om de vordering van appellanten in te willigen.

In het bestreden vonnis heeft de eerste rechter, op grond van een oordeelkundige motivering, die, voor zover niet tegengesproken door wat hierna gesteld wordt, door het hof wordt bijgetreden en overgenomen, terecht geoordeeld dat de vordering van huidige appellanten als ongegrond dient afgewezen te worden.

 

Ter aanvulling van de redengeving van de eerste rechter en beantwoording van de besluiten in hoger beroep kan daar nog het volgende aan toegevoegd worden.

4.

Uit de stukken neergelegd door de ambtenaar van de burgerlijke stand en door het openbaar ministerie blijkt dat volgende elementen bewezen zijn:

- sedert 2008 heeft mijnheer allerlei pogingen ondernomen om zijn verblijf in België te regulariseren (asielaanvraag, aanvraag op grond van art. 9bis, aanvraag op grond van art. 9ter etc., telkens negatief beoordeeld en gevolgd door een bevel om het land te verlaten)
-
- een snelle gang van zaken, een vaag relatieverloop en uiteenlopende verklaringen
-
- - ondanks het feit dat partijen een gemeenschappelijk kind hebben en er een zekert vorm van samenwonen is, is er geen enkele vorm van relatie te bespeuren, er zijn geen gemeenschappelijke interesses, mevrouw verklaart zelf dat het moeilijk is om met mijnheer dingen samen te doen beide partijen verklaren in het interview dat het hun bedoeling is de verblijfssituatie van mijnheer te regulariseren
-
5.

Tevergeefs verwijzen appellanten in besluiten naar het feit dat een legale verblijfstoestand geen grondvoorwaarde is voor een wettelijke samenwoning. De illegale verblijfstoestand van mijnheer wordt immers enkel als uitgangspunt genomen om na te gaan of de voorgenomen wettelijke samenwoning niet kennelijk enkel gericht is op het bekomen van een verblijfsvoordeel.

Eveneens tevergeefs geven appellanten aan dat de ingeroepen elementen aangaande hun relatieverleden 'nonsens' zouden zijn. Deze elementen zijn immers gebaseerd op de inlichtingen van DVZ, die op hun beurt gebaseerd zijn op gedocumenteerde feiten.

Het feit dat de heer Lanyoh taalcursussen heeft gevolgd en in het bezit is van

een attest van inburgering, doet geen afbreuk aan het feit dat er geen enkele vorm van relatie wordt vastgesteld tussen de aanstaande samenwoners.

6.

Uit bovengenoemd (randnummer 4) geheel van bewezen omstandigheden en de elementen opgesomd door de eerste rechter, die niet weerlegd worden in hoger beroep, blijkt manifest dat appellanten (of minstens één van hen) enkel de intentie hebben een verblijfsrechtelijk voordeel te bekomen dat verbonden is aan en voortvloeit uit de wettelijke samenwoning.

Bijgevolg dient het bestreden vonnis bevestigd te worden.

[ ... ]

BESLISSING

[ ... ]

Het hof:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

[ ... ]

(Tegen)Indicaties Voor Een Schijnwettelijke Samenwoning

 

Noot: 

Sven Eggermont, (Tegen)Indicaties Voor Een Schijnwettelijke Samenwoning, NJW, 2018, 356

• Gent 11 oktober 2004, JT 2005, 100;

• Brussel 15 juni 2006, JT 2007, 598, noot J. Van Boxstael, vernietigd door Cass. 24 november 2008, Pas. 2008, 2634

• F. Swennen, “Bedenkingen bij het rechtsbegrip “staat van de persoon”” in Met rede ontleed, de rede ontkleed. Opstellen aangeboden aan Fons Heyvaert ter gelegenheid van zijn 65 ste verjaardag, Gent, Mys & Breesch, 2002, p. 59, nr. 7

• P. Senaeve en L. De Schrijver, Comm.Pers., art. 1475 BW (2013), nr. 1; G. Verschelden, Handboek Belgisch Familierecht, Brugge, die Keure, 2010

• A.-C. Van Gysel, Précis de droit de la famille, Brussel, Bruylant, 2009, p. 99

• J. Erauw en J. Verhellen, “Het conflictenrecht van de wettelijke samenwoning. Internationale aspecten van een niet-huwelijkse samenwoningsvorm”, EJ 1999, p. 150, i.h.b. nrs. 44 en 45;

• L. Barnich, “Union libre et cohabitation légale – Questions de droit international privé” in Mélanges offerts à Roland De Valkeneer à l’occasion du 125 e anniversaire de la Revue du notariat belge, Brussel, Bruylant, 2000, 3 e.v


zie evenwel:

Hof van beroep Gent, 27/11/2014, Tijdschrift voor Familierecht, Jaargang: 2015/5, Pagina: 135
In bibliotheek?:
 

I. Beroepen vonnis

Bij voorlopig uitvoerbaar vonnis van 14 oktober 2014 gaat de voorzitter van de rechtbank te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (G 17de kamer) in op het verhaal van F.T. en P.D. tegen de weigeringsbeslissing van 4 juni 2014 van de ambtenaar van de burgerlijke stand van Gent (hierna: DE AMBTENAAR) om hun verklaring van wettelijke samenwoning te registreren.

De rechter verklaart deze weigeringsbeslissing ongegrond, zodat ze zonder rechtsgevolg blijft. De rechter beveelt zodoende DE AMBTENAAR om de voorgenomen wettelijke samenwoning op te nemen in het bevolkingsregister. (…)

II. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 27 oktober 2014 stelt DE AMBTENAAR hoger beroep in tegen het voormelde vonnis (…).

Met zijn hoger beroep beoogt DE AMBTENAAR in de eerste plaats de hervorming van het beroepen vonnis daar waar de rechter het voorlopig uitvoerbaar verklaart.

Met zijn hoger beroep beoogt DE AMBTENAAR vervolgens, na bepaling van een conclusietermijn en agenda, met verdere hervorming van het beroepen vonnis, de afwijzing van het verhaal van T. en D. tegen de weigeringsbeslissing van 4 juni 2014 van DE AMBTENAAR.

Daarnaast verzoekt hij T. en D. te veroordelen tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen.

2. T. en D. nemen conclusie tot afwijzing van het hoger beroep als ongegrond en zodoende tot bevestiging van het beroepen vonnis, met verwijzing van DE AMBTENAAR in de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen.

3. Het hof heeft de partijen, enkel wat betreft het door DE AMBTENAAR betwiste voorlopig uitvoerbare karakter van het beroepen vonnis, in hun middelen en conclusies gehoord op de openbare terechtzitting van 30 oktober 2014, waarna het hof het debat heeft gesloten. (…)

III. Beoordeling

1. Het tijdig en regelmatig ingestelde hoger beroep is ontvankelijk.

2. Ten gronde rijst de vraag of de door T. en D. beoogde wettelijke samenwoning, gelet op het geheel van de omstandigheden, al dan niet kennelijk enkel is gericht op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van wettelijk samenwonende (art. 1476bis BW), derwijze dat DE AMBTENAAR met toepassing van artikel 1476quater BW de registratie van de verklaring van wettelijke samenwoning moet weigeren.

De artikelen 1476bis en 1476quater BW zijn in de voorliggende internationale context, gelet op de voorgenomen wettelijke samenwoning met een Belg (D.) in België, sowieso van toepassing (artt. 58-60 WIPR).

3. T. heeft de Tunesische nationaliteit en D. de Belgische nationaliteit. Zij hebben elkaar leren kennen medio 2007 tijdens een vakantieverblijf van D. te Tunesië in het hotel waar T. werkzaam was als barman. D. is nadien (al dan niet met vriendinnen) herhaaldelijk teruggegaan naar Tunesië op dezelfde locatie.

D. kwam aldus tot bij T. meermaals per jaar, veelal tijdens de vakantieperiodes.

De contacten werden blijkbaar alsmaar omstandiger, nu D. (mede) een woning financierde op een grond te Tunesië, en dit op naam van T. T. en D. zouden hun relatie bestendigen in België. D. zou hoofdzakelijk in België willen blijven wonen, met een vast vakantieverblijf in Tunesië.

Na eerdere herhaalde vergeefse pogingen sinds begin 2010 heeft T. via de Belgische ambassade in Tunesië en de Belgische Dienst Vreemdelingenzaken (FOD Binnenlandse Zaken) een visum voor kort verblijf in België verkregen. Ingevolge de beslissing in die zin van 26 november 2013 zoals afgeleverd op 4 december 2013 komt T. naar België.

Nu T., ondanks het verstrijken van zijn visum op 20 maart 2014, in België is gebleven, werd hem een bevel om het grondgebied te verlaten betekend op 8 mei 2014 en een herhaald bevel om het grondgebied te verlaten op 27 augustus 2014 (benevens een zogeheten inreisverbod). T., die weigert aan het bevel gevolg te geven, wordt uiteindelijk opgepakt en opgesloten in het Centrum voor illegalen te Brugge. 4.

Op 26 februari 2014 bieden T. en D. zich aan bij de dienst Bevolking van de stad Gent met het oog op een verklaring van wettelijke samenwoning, waarvan zij een ontvangstbewijs verkrijgen. DE AMBTENAAR beslist tot uitstel van de registratie van deze verklaring, wat aan T. en D. wordt te kennen gegeven bij aangetekende brief van 4 maart 2014.

Hierop volgt een onderzoek via de Cel Schijnrelaties van de stad Gent (met een interview op 18 maart 2014) en het openbaar ministerie/de politie. Na verder uitstel van de registratie van de verklaring van wettelijke samenwoning (zoals te kennen gegeven bij aangetekende brief van 26 maart 2014) en het negatieve advies van het openbaar ministerie van 23 mei 2014, weigert DE AMBTENAAR bij beslissing van 4 juni 2014 de verklaring van wettelijke samenwoning te registreren. 5.

Het bij dagvaarding van 24 juli 2014 geïnitieerde verhaal van T. en D. tegen deze weigeringsbeslissing wordt ingewilligd in het voormelde beroepen vonnis van 14 oktober 2014.

Daar waar het Openbaar Ministerie blijkens zijn advies van 23 mei 2014 en DE AMBTENAAR blijkens zijn beslissing van 4 juni 2014 van oordeel zijn dat een schijn-wettelijke samenwoning in de zin van artikel 1476bis BW aan de orde is, oordeelt de eerste rechter anders.

Heikele punten die het Openbaar Ministerie en DE AMBTENAAR aanvoeren zijn onder meer:

– het klassieke scenario van de tewerkgestelde man in de Noord-Afrikaanse toeristische sector die, ondanks het verbod vanuit professionele hoek, uitkijkt naar een relatie met een alleenstaande relatief bemiddelde oudere vrouw;

– het grote leeftijdsverschil tussen T. en D.,

– terwijl D. als vrouw wars van de Tunesische/Islamitische cultuur de relatief onbemiddelde T. onderhoudt

– en terwijl deze laatste inzonderheid op het stuk van huwelijk en voortplanting geen bijzondere toekomstperspectieven heeft;

– de ernstige aanwijzingen dat T. misbruik maakt van de zwakkere positie van de kinderloze en oudere D. om zich financieel veilig te stellen,

mede gelet op

(1) het aantrekkelijke inkomen van D.,

(2) door D. vanuit België aan T. in Tunesië overgemaakte gelden en

(3) de financiering/schenking van een grond met woning te Tunesië in een periode dat de relatie was beperkt tot enkele bezoeken (inz.) tijdens de vakantieperiodes en derhalve in vakantiesfeer;

– het gegeven dat de (hoe dan ook onvolledige en op meerdere punten tegenstrijdige) verklaringen van T. en D. eerst voor de Cel Schijnrelaties van de stad Gent en nadien voor de politie te Gent meer en meer (kunstmatig) op elkaar zijn afgestemd;

– het gegeven dat T. en D. die hier sinds de aankomst van T. einde 2013 tot zijn opsluiting in het Centrum voor illegalen einde augustus 2014, zouden hebben samengewoond, (mede gelet op de lange werkdagen van D.) slechts beperkte tijd met elkaar spenderen en eigenlijk enkel op zondag samen zijn;

– het (betwiste) gegeven dat zij, ondanks hun zeven jaar durende relatie, bepaalde essentiële (persoonlijke en familiale) elementen niet van elkaar weten;

– het (eveneens betwiste) gegeven dat zij noch elkaars (naaste) familie (zoals de moeder van D. en de broers/zussen van T.) noch elkaars vrienden kennen/hebben ontmoet.

Het geheel van deze elementen/omstandigheden doet het Openbaar Ministerie en DE AMBTENAAR besluiten tot een schijnwettelijke samenwoning.

De eerste rechter oordeelt evenwel dat voormelde punten niet overtuigen, nu de bedoelde relatie weloverwogen is en bovendien oprecht affectief mede gelet op

(1) veelvuldige/ volgehouden alsmaar meer omstandige contacten en

(2) uiteindelijk de samenwoning.

De eerste rechter baseert zich onder meer op de persoonlijke verschijning van T. en D. en op het navolgende versoepelde advies van het Openbaar Ministerie van 1 oktober 2014. De eerste rechter besluit zodoende tot inwilliging van het verhaal tegen de bedoelde weigeringsbeslissing.

6. Discussiepunt hic et nunc is het voorlopig uitvoerbare karakter van het beroepen vonnis van 14 oktober 2014. 7.

Krachtens artikel 1398, eerste lid Ger.W. kan de rechter zijn vonnis voorlopig uitvoerbaar verklaren, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt.

De voorlopige uitvoerbaarverklaring is facultatief: zij moet worden gevraagd, terwijl de rechter niet verplicht is er gevolg aan te geven.

De rechter moet dienaangaande geen bijzondere motivering geven, tenzij wanneer de opportuniteit van de gevraagde uitvoerbaarverklaring wordt betwist (E. Dirix, “Overzicht van rechtspraak (2002-2007): Beslag en collectieve schuldenregeling”, TPR 2007, 2065, nr. 38; E. Dirix en K. Broeckx, “Beslag”, APR 2010, 261, nr. 383).

Een wegens gebrek aan betwisting ongemotiveerde uitvoerbaarverklaring schendt het recht van verdediging van de veroordeelde partij niet (Cass. 1 april 2004, RW 2004-05, 1422, noot K. Broeckx; Cass. 1 juni 2006, RW 2007-08, 1282).

De rechter geniet verder een ruime appreciatiebevoegdheid bij het al dan niet geheel of ten dele toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging (E. Dirix en K. Broeckx, “Beslag”, APR 2010, 261-262, nr. 383), desnoods mits een zekerheidsstelling (art. 1400 Ger.W.

De rechter geniet verder een ruime appreciatiebevoegdheid bij het al dan niet geheel of ten dele toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging (E. Dirix en K. Broeckx, “Beslag”, APR 2010, 261-262, nr. 383), desnoods mits een zekerheidsstelling (art. 1400 Ger.W.).

De appelrechter kan bijgevolg de appreciatiebevoegdheid van de eerste rechter bij het al dan niet (geheel of ten dele) toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging niet overdoen.

Deze bepaling belet de appelrechter echter niet het voorlopig uitvoerbare karakter van het eerstelijnsvonnis teniet te doen indien het is tussengekomen

(1) hetzij ultra petita,

(2) hetzij met miskenning van het recht van verdediging,

(3) hetzij meer algemeen met miskenning van fundamentele regels van procesvoering (E. Dirix, “Overzicht van rechtspraak (2002-2007): Beslag en collectieve schuldenregeling”, TPR 2007, 2064, nr. 36).

Krachtens artikel 1399 Ger.W. kan de voorlopige tenuitvoerlegging niet worden toegestaan inzake echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk. Dit verbod kan worden geëxtrapoleerd naar andere vonnissen die inwerken op de staat van de persoon (E. Dirix en K. Broeckx, “Beslag”, APR 2010, 262-263, nr. 384).

8. Krachtens het met de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank ingevoegde artikel 1398/1, § 1 Ger.W. zijn de beslissingen van de familierechtbank in de regel voorlopig uitvoerbaar. De rechter kan echter weigeren (art. 1398/1, § 2 Ger.W.).

Krachtens artikel 1398/1, § 3 Ger.W. vindt de voorlopige tenuitvoerlegging echter niet plaats voor de beslissingen met betrekking tot de staat van de personen, behalve wat betreft de tussenbeslissingen of de beslissingen alvorens recht te doen.

9. Krachtens artikel 1402 Ger.W. kan de appelrechter in geen geval de tenuitvoerlegging van een eerstelijnsvonnis verbieden of doen schorsen, en dit op straffe van nietigheid.

De appelrechter kan bijgevolg de appreciatiebevoegdheid van de eerste rechter bij het al dan niet (geheel of ten dele) toestaan van de voorlopige tenuitvoerlegging niet overdoen.

Deze bepaling belet de appelrechter echter niet het voorlopig uitvoerbare karakter van het eerstelijnsvonnis teniet te doen indien het is tussengekomen

(1) hetzij ultra petita,

(2) hetzij met miskenning van het recht van verdediging,

(3) hetzij meer algemeen met miskenning van fundamentele regels van procesvoering (E. Dirix, “Overzicht van rechtspraak (2002-2007): Beslag en collectieve schuldenregeling”, TPR 2007, 2064, nr. 36).

10. De vraag rijst of het beroepen vonnis van 14 oktober 2014 een beslissing behelst met betrekking tot de staat van de personen, derwijze dat de eerste rechter met miskenning van fundamentele regels van procesvoering en meer precies (het) voormeld(e) artikel(en) 1399 (en 1398/1, § 3) Ger.W. voorlopig uitvoerbaar verklaart.

De eerste rechter stelt dienaangaande enkel dat de voorlopige uitvoerbaarverklaring is verantwoord ‘door de verblijfssituatie van de eiser’.

Pijnpunt is vooreerst dat T. en D. de voorlopige uitvoerbaarverklaring enkel bij wijze van stijlformule in hun dagvaarding van 24 juli 2014 hebben gevraagd, zonder deze vraag te hebben hernomen in hun syntheseconclusie van 1 september 2014.

Op die manier hebben zij hun vraag niet gehandhaafd (Cass. 29 maart 2012, RW 2012-13, 1145; Cass. 14 december 2012, P&B 2013, 119; Cass. 24 januari 2013, TBH 2013, 463). Zij hebben er zelfs van afgezien (Cass. 8 maart 2013, RW 2013-14, 739).

Pijnpunt is voorts dat DE AMBTENAAR de bedoelde voorlopige uitvoerbaarverklaring hoe dan ook bij conclusie heeft betwist, aangezien het gaat om de staat van de personen, terwijl de eerste rechter hier niet is op ingegaan.

Pijnpunt is bovenal dat de beslissing wel degelijk de staat van de personen behelst.

11. De staat van de persoon is het geheel van bepaalde elementen aangaande een persoon die zijn juridische toestand/ rechtspositie in de maatschappij en in de familie bepalen, om hem zodoende te onderscheiden van andere personen wat betreft het bezit en de uitoefening van bepaalde rechten.

De staat van de persoon laat toe zijn bekwaamheid te bepalen.

Het gaat om een technische en complexe notie, die in feite zeer verscheidende kenmerken van een persoon groepeert en waarbij bepaalde gemeenschappelijke regels gelden.

Aldus zijn er elementen van de staat van de persoon

(1) in de maatschappij, zoals de nationaliteit,

(2) in de familie, zoals de afstammingsrelatie en de (huwelijks)relatie en

(3) als enkeling met bepaalde fysieke, psychische en civielrechtelijke elementen.

Het gaat echter niet om een alomvattend juridisch begrip dat alle juridische kenmerken van een persoon zou omvatten.

De wettelijke samenwoning behoort, minstens in de actuele stand van de wetgeving, tot de staat van de personen (P. Senaeve en L. De Schrijver, “Art. 1475 BW” in Comm. Pers. 2013, 3-4, nr. 1; F. Swennen, “De wettelijke samenwoning en de staat van de personen”, noot onder Cass. 17 januari 2013, RW 2013-14, 906, nr. 9; G. Verschelden, Handboek Belgisch Familierecht, Brugge, die Keure, 2010, 825, nr. 1942; B. Vinck, “Overzicht van rechtspraak (2000-2012): De wettelijke samenwoning”, T.Fam. 2012, 196-197, nr. 2; T. Wuyts, “Wettelijke samenwoning”, NJW 2014, 243, nr. 2).

De organisatie van de wettelijke samenwoning als instituut impliceert dat de invulling van de levensgemeenschap in beperkte mate aan de contractuele vrijheid van de samenwoners is onttrokken.

Deze organisatie betreft zowel de relatie tussen de samenwoners onderling als die tegenover derden. De wettelijke samenwoning bepaalt de juridische toestand/ rechtspositie van de wettelijke samenwoners en zodoende hun staat (F. Swennen, Het personen- en familierecht, Antwerpen, Intersentia, 2014, 286, nr. 479).

Noch de plaats van de wettelijke samenwoning in het Burgerlijk Wetboek, noch de irrelevantie van enige seksueel-affectieve verhouding of (aan)verwantschap tussen de samenwoners noch de voornamelijk patrimoniale gevolgen nemen weg dat de wetgever op basis van een persoonlijke verhouding de interne en externe rechtspositie van de wettelijke samenwoners abstract organiseert met een zekere uitsluiting van de wilsautonomie betreffende het intern en extern primair samenwoningsrecht en de dringende maatregelen na de beëindiging van de wettelijke samenwoning (F. Swennen, “De wettelijke samenwoning en de staat van de personen”, noot onder Cass. 17 januari 2013, RW 2013-14, 905, nr. 5).

Dat de wettelijke samenwoning geen band schept die evenwaardig is aan het huwelijk neemt evenmin de indeling bij de staat van de personen weg.

Daar komt bij dat de wet van 2 juni 2013 (op de strijd tegen de schijnhuwelijken en de schijn-wettelijkesamenwoningen) de schijn-wettelijkesamenwoning definieert als de wettelijke samenwoning waarbij de intentie van minstens één partij enkel is gericht op een verblijfsrechtelijk voordeel verbonden aan de staat van de wettelijk samenwonende (art. 1476bis BW – eigen onderlijning door het hof).

Daar waar de link tussen de schijnhuwelijken en de schijnwettelijke samenwoningen vanzelf spreekt en het niet opgaat beslissingen inzake schijnhuwelijken voorlopig uitvoerbaar te verklaren, gaat het evenmin op beslissingen inzake schijnwettelijkesamenwoningen voorlopig uitvoerbaar te verklaren (P. Senaeve, “Art. 1476quinquies BW” in Comm.Pers. 2014, 5, nr. 10; P. Senaeve, “

De wet van 2 juni 2013 tot bestrijding van de schijnhuwelijken, de schijn-wettelijkesamenwoningen en de gedwongen huwelijken en wettelijke samenwoningen – Civielrechtelijke aspecten”, T.Fam. 2014, 2-3, nr. 2 en 11, nr. 48). 12.

Het hoger beroep van DE AMBTENAAR is derhalve alvast beperkt gegrond en het beroepen vonnis van 14 oktober 2014 moet worden hervormd, vooralsnog enkel daar waar de eerste rechter het voorlopig uitvoerbaar verklaart.

Het hof houdt elke verdere beslissing, zo ook over de gedingkosten, aan. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, (…)

Verklaart het hoger beroep van de ambtenaar van de burgerlijke stand van Gent ontvankelijk en alvast beperkt gegrond als volgt, Hervormt het beroepen vonnis van 14 oktober 2014 vooralsnog enkel daar waar de eerste rechter het voorlopig uitvoerbaar verklaart, Zegt zodoende voor recht dat het beroepen vonnis van 14 oktober 2014 niet voorlopig uitvoerbaar is.

(…)

Noot – L. De Schrijver, De wettelijke samenwoning, een verhouding van staat?, gepubliceerd onder dit arrest in het T.Fam.

 

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 21/05/2018 - 18:53
Laatst aangepast op: ma, 21/05/2018 - 18:53

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.