-A +A

Schijnhuwelijk - Nietigverklaring – Intentie niet gericht op duurzame levensgemeenschap

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 19/05/2016

Art. 146bis BW, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999 (tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk) bepaalt dat er geen huwelijk (en derhalve wel een schijnhuwelijk) is wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens een van de echtgenoten kennelijk niet is gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde.

Bij de beoordeling of het voorgenomen huwelijk een schijnhuwelijk is, moet a priori worden nagegaan of de partijen een duurzame levensgemeenschap beogen.

Ontbreekt bij een van de echtgenoten de intentie om duurzaam met de andere samen te leven, dan kan tot een schijnhuwelijk worden besloten wanneer het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel gepaard gaat met andere motieven. Het gebruik van de term «enkel» in voormelde wetsbepaling wijst op een exclusiviteit die niet slaat op de motieven voor het aangaan van een schijnhuwelijk, maar die de uitsluiting van de intentie om een duurzame levensgemeenschap te vormen beklemtoont.

Wie het schijnkarakter van een (voorgenomen) huwelijk inroept (en aldus de uitsluiting van de intentie om een duurzame levensgemeenschap te vormen), moet duidelijke indicaties hebben dat het huwelijk kennelijk niet is gericht op het vormen van een duurzame levensgemeenschap.

In de regel kan de beweerde simulatie slechts blijken uit een geheel van omstandigheden.

Het gebeurlijk illegale verblijf in België is slechts een element in de beoordeling, omdat het legale verblijf als zodanig geen voorwaarde voor een geldig huwelijk uitmaakt en het recht om te huwen niet is verbonden aan de verblijfstoestand van de betrokken partijen.

Willen de echtgenoten een duurzame levensgemeenschap tot stand brengen, terwijl zij ook een verblijfsrechtelijk voordeel nastreven, dan gaat het niet om een schijnhuwelijk.

Na de voltrekking van een schijnhuwelijk kan iedere belanghebbende, met inbegrip van het openbaar ministerie, de nietigverklaring ervan vorderen.

Een schijnhuwelijk wordt bestraft met de absolute nietigheid van het huwelijk. Deze nietigheid kan niet worden gedekt. Er moet worden gelet op het voornemen van de echtgenoten op de dag van het huwelijk.

Uit het optreden van moeilijkheden tussen de echtgenoten achteraf kan niet worden afgeleid dat zij niet werkelijk het voornemen hadden om zich bij de instelling van het huwelijk aan te sluiten.

Dit neemt echter niet weg dat de rechter, bij zijn beoordeling van de toestemming tot het sluiten van het huwelijk, ook rekening kan houden met een geheel van gebeurtenissen rond de huwelijkssluiting, meer bepaald alles wat eraan voorafging, maar ook alle latere gebeurtenissen die een licht kunnen werpen op de werkelijke intenties van de partijen op het ogenblik van de huwelijkssluiting

Het bewijs van een schijnhuwelijk kan worden geleverd door alle middelen van recht, en dus ook door vermoedens. Wanneer sprake is van precieze en samenhangende vermoedens die veinzing van een van de echtgenoten aantonen, kan de nietigheid van het huwelijk met zekerheid worden uitgesproken. Het betreft een feitenkwestie, zodat elke zaak in concreto in de feiten beoordeeld moet worden.

Het komt erop aan dat de feitenrechter een geheel van omstandigheden moet aanduiden die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aantonen dat het gesloten huwelijk is afgewend van zijn normale intentie en dat de partijen of een van hen op het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk nooit de bedoeling hebben gehad om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.

Aangezien deze intentie nagenoeg nooit met volstrekte zekerheid kan worden achterhaald, moeten de aangevoerde (bewijs)middelen van de eiser tot nietigverklaring een decisief karakter hebben, zodat een eenduidig en niet-tegengesproken vermoeden ontstaat. Blijft twijfel bestaan over de intentie van (een van) de betrokken partijen, dan kan de nietigverklaring niet worden uitgesproken
 

Publicatie
tijdschrift: 
RW
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
1223
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Openbaar ministerie t/ G.V.D. en N.B.

...

I. Beroepen vonnis

Bij vonnis van 12 juni 2014 (...) wijst de derde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen (afdeling Gent) de vordering van de procureur des Konings bij deze rechtbank tot nietigverklaring van het huwelijk dat op 25 november 2005 te A. werd gesloten tussen G.V.D. en N.B. af als ontvankelijk maar ongegrond. (...)

II. Hoger beroep

1. (...) Met zijn hoger beroep beoogt het openbaar ministerie in essentie de inwilliging van de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring van het huwelijk.

2. G.V.D. en N.B. nemen afzonderlijk conclusie telkens tot afwijzing van het hoger beroep als ontvankelijk maar ongegrond. (...)

III. Beoordeling

...

2. De Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen (afdeling Gent) en (bijgevolg) dit hof zijn internationaal en materieel/territoriaal bevoegd om van de vordering tot nietigverklaring kennis te nemen (artt. 1,a en 3.1,a van de EG-verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning van tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid en tot intrekking van EG-verordening nr. 1347/2000 dan wel de artt. 42-43 WIPR; art. 624, 1o Ger.W.; S. Saroléa, «Commentaar bij art. 42 WIPR» in J. Erauw e.a., Het WIPR becommentarieerd, Antwerpen/Brussel, Intersentia/Bruylant, 2006, 230-231; J. Verhellen, «Brussel IIbis-Verordening – Huwelijkszaken» in B. Allemeersch en T. Kruger (eds.), Handboek Europees burgerlijk procesrecht, Antwerpen, Intersentia, 2015, p. 66-67, nr. 18 en p. 73-74, nr. 28).

3. Ten tijde van het litigieuze huwelijk van 25 november 2005 heeft G.V.D. de Belgische nationaliteit en N.B. de Surinaamse nationaliteit.

Gelet op de verschillende nationaliteit van de partijen, rijst de vraag naar het toepasselijke recht. Het huwelijk behelst de staat van de personen, terwijl de wetgeving dienaangaande de openbare orde raakt.

Art. 46, eerste lid WIPR bepaalt dat, onder voorbehoud van art. 47, de voorwaarden voor de geldigheid van het huwelijk voor elke echtgenoot worden beheerst door het recht van de Staat waarvan hij bij de voltrekking de nationaliteit had.

Een internationaal huwelijk is geldig gesloten wanneer, wat de grondvoorwaarden betreft, beide echtgenoten voldoen aan hun nationale wet en, wat de vormvoorwaarden betreft, de lex locus regit actum wordt gevolgd.

Enkel de grondvoorwaarden van het huwelijk staan hier ter discussie. De nationale wet van elk van de echtgenoten moet distributief worden toegepast, onder voorbehoud van de exceptie van de Belgische internationale openbare orde. In de respectieve toepasselijke wetgeving moet normaliter worden nagegaan wat onder toestemmingsvereiste wordt verstaan (J.-Y. Carlier, «Commentaar bij art. 46 WIPR» in J. Erauw e.a., Het WIPR becommentarieerd, Antwerpen/Brussel, Intersentia/Bruylant, 2006, 249).

Voorts is het Belgische proces- en bewijsrecht van toepassing.

4. Art. 146bis BW, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999 (tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk) bepaalt dat er geen huwelijk (en derhalve wel een schijnhuwelijk) is wanneer, ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens een van de echtgenoten kennelijk niet is gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel dat is verbonden aan de staat van gehuwde.

Bij de beoordeling of het voorgenomen huwelijk een schijnhuwelijk is, moet a priori worden nagegaan of de partijen een duurzame levensgemeenschap beogen (S. D’Hondt, «Commentaar bij art. 146bis BW» in Comm.Pers. 2000, p. 6-9, nr. 5; S. Lefebvre, «Schijnhuwelijken», NJW 2007, p. 818, nr. 2). Ontbreekt bij een van de echtgenoten de intentie om duurzaam met de andere samen te leven, dan kan tot een schijnhuwelijk worden besloten wanneer het verkrijgen van een verblijfsrechtelijk voordeel gepaard gaat met andere motieven. Het gebruik van de term «enkel» in voormelde wetsbepaling wijst op een exclusiviteit die niet slaat op de motieven voor het aangaan van een schijnhuwelijk, maar die de uitsluiting van de intentie om een duurzame levensgemeenschap te vormen beklemtoont (G. Verschelden, Handboek Belgisch personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2016, p. 500-501, nr. 1132).

Wie het schijnkarakter van een (voorgenomen) huwelijk inroept (en aldus de uitsluiting van de intentie om een duurzame levensgemeenschap te vormen), moet duidelijke indicaties hebben dat het huwelijk kennelijk niet is gericht op het vormen van een duurzame levensgemeenschap. In de regel kan de beweerde simulatie slechts blijken uit een geheel van omstandigheden. Het gebeurlijk illegale verblijf in België is slechts een element in de beoordeling, omdat het legale verblijf als zodanig geen voorwaarde voor een geldig huwelijk uitmaakt en het recht om te huwen niet is verbonden aan de verblijfstoestand van de betrokken partijen. Willen de echtgenoten een duurzame levensgemeenschap tot stand brengen, terwijl zij ook een verblijfsrechtelijk voordeel nastreven, dan gaat het niet om een schijnhuwelijk (G. Verschelden, Handboek Belgisch personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2016, p. 501-502, nr. 1134).

Na de voltrekking van een schijnhuwelijk kan iedere belanghebbende, met inbegrip van het openbaar ministerie, de nietigverklaring ervan vorderen. De feitenrechter die op die vordering ingaat en zodoende het huwelijk nietig verklaart wegens simulatie, en dit op basis van regelmatig verzamelde en voorgelegde bewijsstukken, schendt noch art. 8 EVRM noch art. 12 EVRM; het recht om te huwen moet immers slechts worden gewaarborgd als het om een werkelijk huwelijk gaat, terwijl in geval van een schijnhuwelijk er geen sprake is van een gezinsleven.

Een schijnhuwelijk wordt bestraft met de absolute nietigheid van het huwelijk. Deze nietigheid kan niet worden gedekt. Er moet worden gelet op het voornemen van de echtgenoten op de dag van het huwelijk. Uit het optreden van moeilijkheden tussen de echtgenoten achteraf kan niet worden afgeleid dat zij niet werkelijk het voornemen hadden om zich bij de instelling van het huwelijk aan te sluiten. Dit neemt echter niet weg dat de rechter, bij zijn beoordeling van de toestemming tot het sluiten van het huwelijk, ook rekening kan houden met een geheel van gebeurtenissen rond de huwelijkssluiting, meer bepaald alles wat eraan voorafging, maar ook alle latere gebeurtenissen die een licht kunnen werpen op de werkelijke intenties van de partijen op het ogenblik van de huwelijkssluiting (G. Verschelden e.a., «Overzicht van rechtspraak (2007-2011): Familierecht», TPR 2012, p. 1667, nr. 242).

Het bewijs van een schijnhuwelijk kan worden geleverd door alle middelen van recht, en dus ook door vermoedens. Wanneer sprake is van precieze en samenhangende vermoedens die veinzing van een van de echtgenoten aantonen, kan de nietigheid van het huwelijk met zekerheid worden uitgesproken. Het betreft een feitenkwestie, zodat elke zaak in concreto in de feiten beoordeeld moet worden. Het komt erop aan dat de feitenrechter een geheel van omstandigheden moet aanduiden die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aantonen dat het gesloten huwelijk is afgewend van zijn normale intentie en dat de partijen of een van hen op het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk nooit de bedoeling hebben gehad om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen. Aangezien deze intentie nagenoeg nooit met volstrekte zekerheid kan worden achterhaald, moeten de aangevoerde (bewijs)middelen van de eiser tot nietigverklaring een decisief karakter hebben, zodat een eenduidig en niet-tegengesproken vermoeden ontstaat. Blijft twijfel bestaan over de intentie van (een van) de betrokken partijen, dan kan de nietigverklaring niet worden uitgesproken (G. Verschelden e.a., «Overzicht van rechtspraak (2007-2011): Familierecht», TPR 2012, p. 1667-1668, nr. 242).

5. Gelet op (1) de diverse elementen die de eerste rechter evalueert (...) en (2) de diverse (grotendeels overlappende) elementen die vooral N.B. omstandig duidt (...), is ook het hof van oordeel dat niet afdoende is aangetoond dat de intentie van G.V.D. en N.B. bij hun huwelijk op 25 november 2005 kennelijk niet was gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap. Het geheel van omstandigheden leert niet dat het gesloten huwelijk manifest is afgewend van zijn normale intentie en dat de partijen op het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk nooit de bedoeling hebben gehad om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.

Aldus:

– hebben G.V.D. (wonende in België) en N.B. (toen nog wonende te Suriname) elkaar leren kennen via het internet, waarna G.V.D. eind 2004 – begin 2005 naar Suriname is gereisd;

– starten zij daar een liefdesrelatie, waarbij zij gedurende enkele weken verblijven in een huurwoning, samen met S.V.D., het zoontje van N.B. (o10 maart 2004) uit een vorige relatie, terwijl G.V.D. ook bepaalde familieleden van N.B. leert kennen;

– is G.V.D. begin 2005 teruggekeerd naar België, waarna zij intense contacten zijn blijven onderhouden;

– heeft G.V.D., in overeenstemming met het bovenstaande (met volmacht van N.B.) een huwelijksaangifte gedaan in België (A.) op 13 januari 2005;

– gaat G.V.D., met toelating van N.B. op 30 december 2004, over tot erkenning van het zoontje van N.B. op 7 februari 2005, dat van dan af de familienaam «V.D.» draagt;

– zijn N.B. en S.V.D. in het najaar van 2005 (met een zogeheten C-visum, dat einde 2005 zou verstrijken) naar België gekomen, waar zij op 25 november 2005 in het huwelijk zijn getreden;

– heeft blijkens fotomateriaal een omstandige huwelijksviering plaatsgevonden, samen met familie en vrienden;

– wonen de huwelijkspartners samen in de gezinswoning te A. (officieus) tot in het najaar van 2006 (en officieel tot begin 2007), nu systematisch relatieproblemen en huwelijksmoeilijkheden opduiken, naar verluidt onder meer wegens (1) financiële problemen; (2) het dominante en agressieve gedrag van G.V.D. (waarvoor politietussenkomsten nodig waren) en (3) de drang naar een zelfstandig leven van N.B. (die ook heimwee heeft naar haar thuisland);

– verlaten N.B. en S.V.D. (in het najaar van 2006) de echtelijke woning om in eerste instantie te verblijven in een opvangtehuis en vervolgens in een huurwoning te Gent;

– worden zodoende op verzoek in N.B. (van 23 maart 2007) dringende en voorlopige maatregelen in de zin van het oude art. 223 BW bevolen door de vrederechter te Zelzate bij vonnis van 15 mei 2007;

– volgt nadien een echtscheiding bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 22 februari 2011;

– is onderhavige procedure tot nietigverklaring van het huwelijk door het openbaar ministerie gestart naar aanleiding van het nationaliteitsdossier van N.B.;

– betrof het weliswaar een moeilijke huwelijksverhouding met verschillende ups en downs, waarbij G.V.D. en N.B. aan elkaar een resem verwijten richten, zonder dat onbetwistbaar kan worden uitgemaakt wie precies gelijk heeft;

– is het huwelijk uiteindelijk (zoals zoveel huwelijken) gestrand door echtelijke moeilijkheden en een echtscheiding in 2011, waarbij G.V.D. en N.B. elk hun eigen verhaal brengen;

– mag bij een en ander niet uit het oog worden verloren dat de procedure tot nietigverklaring van het huwelijk is gevolgd in een fase dat het huwelijk reeds was spaak gelopen, met alle nuance van dien op het stuk van verhoren en verklaringen;

– zijn in casu noch het leeftijdsverschil van twaalf jaar noch de relatief snelle gang van zaken in de periode 2004-2005 noch de korte duur van de samenwoning en het huwelijk doorslaggevend tot bewijs dat G.V.D. en/of (inzonderheid) N.B. de wil om te huwen hebben geveinsd, enkel om een verblijfsrechtelijk voordeel te verkrijgen, verbonden aan de staat van gehuwde.

6. In de voorliggende concrete omstandigheden heeft de eerste rechter terecht besloten tot een gebrek aan afdoende bewijs van een schijnhuwelijk. Wanneer de echtgenoten, zoals in casu, een duurzame levensgemeenschap willen tot stand brengen, terwijl zij ook een verblijfsrechtelijk voordeel nastreven, gaat het niet om een schijnhuwelijk. De erkenning van het zoontje S.V.D. en de aanslepende perikelen omtrent (1) de echtscheiding en (2) het ouderlijk gezag over en het verblijf van het zoontje S.V.D., illustreren veeleer duurzaamheid dan een huwelijk enkel om verblijfsrechtelijke doeleinden.

7. De eerdere (definitieve) echtscheiding staat een latere vordering van het openbaar ministerie tot nietigverklaring van dit huwelijk niet in de weg. De ontbinding van het huwelijk door echtscheiding werkt ex nunc en staat los van het al dan niet rechtsgeldige karakter van het huwelijk. De nietigverklaring van het huwelijk werkt ex tunc. Met de nietigverklaring van het huwelijk wordt in voorkomend geval en gebeurlijk onder bepaalde voorwaarden (1) het krachtens het huwelijk verkregen verblijfsrechtelijke voordeel ongedaan gemaakt (ongeacht het tijdelijke dan wel duurzame karakter ervan) en (2) de krachtens het huwelijk verkregen Belgische nationaliteit afgenomen. Het openbaar ministerie blijft derhalve, niettegenstaande de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding, belang (in de zin van de artt. 17-18 Ger.W.) vertonen bij een vordering tot nietigverklaring van het huwelijk.

Zoals aangegeven, faalt deze vordering echter ten gronde.

8. Een en ander raakt de openbare orde, zodat de toetsing aan het Surinaamse recht niet meer nodig is, omdat deze niet tot een ander besluit zou kunnen leiden.

9. Het hoger beroep kan niet slagen.

...

Noot: 

Laura Deschuyteneer en Erinda Mehmeti, Nieuwe categorie van verlies van de Belgische nationaliteit op grond van fraus omnia corrumpit? noor onder de publicatie in het RW.

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 25/03/2018 - 15:20
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 18:42

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.