-A +A

Schijnhuwelijk - Beroep tegen weigering ambtenaar burgerlijke stand - Termijn - onsplitsbaar geschil

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
don, 29/06/2017

Beide huwelijkspartners kunnen samen of afzonderlijk beroep aantekenen tegen de beslissing van de ambtenaar van Burgerlijke stand.  Het betreft evenwel  een onsplitsbaar geschil in de zin van artikel 31 Ger.W., het tijdige hoger beroep van de ene huwelijkspartner verhelpt het laattijdige hoger beroep van de andere.

Zelfs wanneer het hoger beroep van een huwelijkspartner onontvankelijk is, fungeert deze huwelijkspartner in onderhavig onsplitsbaar geschil als een tijdig en regelmatig betrokken partij in de zin van artikel 1053, tweede lid Ger.W. (Cass. 14 februari 1992, RW1991-92, 1438, noot J. Laenens; Gent 24 december 2015, TEP 2016, 491).

Bij de beoordeling of het voorgenomen huwelijk een schijnhuwelijk is, moet apriori worden nagegaan of de partijen een duurzame levensgemeenschap beogen .

Ontbreekt bij een van de aanstaande echtgenoten de intentie om duurzaam met de andere samen te leven, dan kan tot een schijnhuwelijk worden besloten wanneer het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel combinatie vindt met andere motieven.

Het gebruik van de term 'enkel' in voormelde wetsbepaling wijst op een exclusiviteit die niet slaat op de motieven voor het aangaan van een schijnhuwelijk, maar die de uitsluiting van de intentie om een duurzame levensgemeenschap te vormen beklemtoont.

Zodra vaststaat dat de intentie van (minstens één van) de kandidaat-echtgenoten niet is gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, gaat het om een schijnhuwelijk.

Wie het schijnkarakter van een voorgenomen huwelijk inroept, moet duidelijke indicaties hebben dat het huwelijk kennelijk niet is gericht op het vormen van een duurzame levensgemeenschap. In de regel kan de beweerde simulatie slechts blijken uit een geheel van omstandigheden.

Willen de kandidaat-echtgenoten een duurzame levensgemeenschap tot stand brengen, terwijl zij ook een verblijfsrechtelijk voordeel nastreven, dan gaat het niet om een schijnhuwelijk

Deze weliswaar niet-discretionaire doch gebonden beoordelingsbevoegdheid laat de ambtenaar van de burgerlijke stand een ruime beoordelingsmarge zodat een behoorlijk onderzoek naar de intenties van de kandidaat-echtgenoten zich opdringt. Daartoe kan hij bij de procureur des Konings een (niet bindend) advies inwinnen doch hij is daartoe niet verplicht.

De ambtenaar van de burgerlijke stand kan zich (ook) onder meer baseren op

(1) nagetrokken verklaringen van de aanstaande echtgenoten zelf (bijvoorbeeld bij een visumaanvraag), van verwanten of nauw betrokkenen, (

2) bepaalde geschriften en onderzoeken door politiediensten en

(3) gedragingen van de huwelijkskandidaten (bijvoorbeeld bij de huwelijksaangifte).

Het horen van beide aanstaande echtgenoten specifiek in het kader van dit onderzoek of met het oog op het advies van de procureur des Konings is geen (verdragsrechtelijke of wettelijke) verplichting en is evenmin vereist omwille van het recht van verdediging van de betrokkene(n).

De ambtenaar van de burgerlijke stand dient de feitelijke en juridische overwegingen die zijn weigeringsbeslissing gronden, afdoende en in de beslissing zelf weer te geven.

Zo volstaat een louter verwijzen naar het negatieve advies van de procureur des Konings niet. Het gevolgde, voldoende gemotiveerde advies moet dan zeker zijn/worden meegedeeld aan de betrokkenen en/of integraal worden overgenomen in de weigeringsbeslissing.

Bij een verhaal tegen de weigeringsbeslissing is de rechterlijke controle niet beperkt tot de wettigheid van de beslissing. De rechter oefent dienaangaande zijn rechtsmacht volledig uit.

Hij kan ten volle oordelen of de partijen hun subjectief recht op huwen in casu kunnen laten gelden. Daarbij dient de rechter zich niet te beperken tot de gegevens die op het ogenblik van de weigeringsbeslissing werden voorgebracht.

Hij dient te oordelen op basis van alle hem voorgelegde feitelijke gegevens. Dit impliceert dat hij tot beoordeling van de intentie(s) van de partijen rekening moethouden met latere gebeurtenissen die een licht kunnen werpen op de werkelijke intentie(s) van de partijen op het ogenblik van de voorgenomen huwelijkssluiting en rekening kanhouden met motieven die niet in de weigeringsbeslissing zijn opgenomen.

De feitenrechter die besluit tot een schijnhuwelijk en dit op basis van regelmatig verzamelde en voorgelegde bewijsstukken, schendt noch de artikelen 8 of 12 EVRM noch artikel 23 IVBPR: het recht om te huwen moet inderdaad slechts worden gewaarborgd als het om een werkelijk huwelijk gaat, terwijl in geval van een schijnhuwelijk er geen sprake is van een gezinsleven.

Deze artikelen verzetten zich niet tegen het optreden van de overheidsorganen tegen schijnhuwelijken.

Het bewijs van een schijnhuwelijk kan worden geleverd door alle middelen van recht en dus ook door samenhangende vermoedens die veinzing van (minstens) een van de kandidaat-echtgenoten aantonen.

Het betreft een feitenkwestie, derwijze dat elke zaak in concreto feitenrechterlijke beoordeling vindt. Het komt erop aan dat de feitenrechter een geheel van omstandigheden aanduidt die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aantonen dat het voorgenomen huwelijk wordt afgewend van zijn normale intentie en dat de partijen of een van hen op het ogenblik van de voorgenomen voltrekking van het huwelijk nooit de bedoeling hebben gehad om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.

Waar deze intentie nagenoeg nooit met volstrekte zekerheid kan worden achterhaald, moeten de door de ambtenaar van de burgerlijke stand aangevoerde (bewijs)middelen een decisief karakter hebben, zodat een eenduidig en niet tegengesproken vermoeden ontstaat. Blijft twijfel bestaan over de intentie(s) van (een van) de betrokken partijen, dan kan niet tot een schijnhuwelijk worden besloten.
 

Publicatie
tijdschrift: 
T.Fam
Uitgever: 
Kluwer
Jaargang: 
2018/2
Pagina: 
45
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

1. Beroepen vonnis

1. Bij vonnis van 1 juni 2016 in de zaak met AR nummer 2015/2061/ A wijst de (familie)rechter (7de kamer) in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, zetelend zoals in kort geding, het (bij dagvaarding van 18 juni 2015 geïnitieerde) verhaal van S. V. (hierna: V) en A. C. (hierna: C.) tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad 0. (hierna: DE AMBTENAAR) om hun voorgenomen huwelijk te voltrekken af als ontvankelijk doch ongegrond.

De weigeringsbeslissing van 20 mei 2015 komt tussen na negatief advies van het openbaar ministerie van 5 mei 2015. De rechter volgt de weigeringsbeslissing, zodat ze verdere uitwerking krijgt. De rechter bekrachtigt zodoende de weigering van DE AMBTENAAR om het voorgenomen huwelijk tussen V. en C. te voltrekken.

( ... )

ll. Hoger beroep

1. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 10 november 2016 stellen V en C hoger beroep in tegen het vonnis van 1 juni 2016.

Met hun hoger beroep beogen V. en C., met hervorming van het beroepen vonnis, de inwilliging van hun verhaal tegen de weigeringsbeslissing van DE AMBTENAAR. Zij beogen zodoende een bevel tot voltrekking van hun voorgenomen huwelijk, met verlenging van de in artikel 165, § 3 BW bedoelde termijn.

Daarnaast verzoeken zij DE AMBTENAAR te veroordelen tot de nader begrote gedingkosten van beide aanleggen.

( ... )

III. Beoordeling

1. DE AMBTENAAR stelt voorop dat het hoger beroep onontvankelijk is.

DE AMBTENAAR stelt meer precies dat, daar waar hij bij gerechtsdeurwaardersexploten van 5 en 10 oktober 2016 heeft laten overgaan tot betekening van het beroepen vonnis respectievelijk aan V en C, het hoger beroep, ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 10 november 2016, laattijdig is, aangezien het (mede) door V. is ingesteld buiten de in artikel 1051, eerste lid Ger.W. bedoelde beroepstermijn van één maand vanaf de betekening van het vonnis.

V. en C. stellen daartegenover dat de betekening op 5 oktober 2016 heeft plaatsgevonden op de woonplaats van V., terwijl hij woonstkeuze had gedaan op het kantooradres van zijn advocaat.

2. Met DE AMBTENAAR is het hof van oordeel dat de woonstkeuze van V. in de zin van artikel 39, eerste lid Ger.W. wel de mogelijkheid maar niet de verplichting inhield om tot betekening over te gaan op het kantooradres van zijn advocaat (Cass. 26 februari 2010, RABG 2010, 702, noot B. Maes; Cass. 10 mei 2012, RW2012-13, 1212, noot T. Toremans).

V. kan zich derhalve niet verschuilen achter zijn woonstkeuze, nu (1) een rechtsgeldige betekening heeft plaatsgevonden op zijn woonplaats in België en (2) geen deloyaal (proces)gedrag dan wel (proces)rechtsmisbruik van DE AMBTENAAR blijkt.

Het hoger beroep is derhalve laattijdig, in zoverre het uitgaat van V (art. 1051, eerste lid Ger.W.; Gent 29 maart 1999, TGR 2000, 72; P. Taelman en K. Piteus, "Dynamiek en evolutie van het geding in hoger beroep", in Goed procesrecht - Goed procederen 2002-2003, XXIXste postuniversitaire cyclus Willy Delva, Mechelen, Kluwer, 2004, 379-380, nr. 34).

Het hoger beroep is enkel tijdig, in zoverre het uitgaat van C.

3. Het betreft evenwel (zonder twijfel) een onsplitsbaar geschil in de zin van artikel 31 Ger.W., zodat de vraag rijst in welke mate het op zich tijdige hoger beroep van C. aan het laattijdige hoger beroep van V. verhelpt.

Anders dan DE AMBTENAAR ter terechtzitting van 15 juni 2017 mondeling aangeeft, is het hof van oordeel dat het op zich tijdige hoger beroep van C. aan het laattijdige hoger beroep van V weldegelijk verhelpt.

Hoewel het hoger beroep uitgaande van V onontvankelijk is, fungeert hij in onderhavig onsplitsbaar geschil als door C. tijdig en regelmatig betrokken partij in de zin van artikel 1053, tweede lid Ger.W. (Cass. 14 februari 1992, RW1991-92, 1438, noot J. Laenens; Gent 24 december 2015, TEP 2016, 491).

4. Op die manier faalt de door DE AMBTENAAR opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep en komt het hof toe aan de verdere beoordeling van het verhaal van V. en C. tegen de weigeringsbeslissing van DE AMBTENAAR om hun voorgenomen huwelijk te voltrekken.

( ... )

Bij de beoordeling of het voorgenomen huwelijk een schijnhuwelijk is, moet apriori worden nagegaan of de partijen een duurzame levensgemeenschap beogen (S. D'Hondt, "Commentaar bij art. 146bis BW", Comm. Pers. 2000, 6-9, nr. 5; S. Lefebvre, "Schijnhuwelijken", NjW2007, 818, nr. 2).

Ontbreekt bij een van de aanstaande echtgenoten de intentie om duurzaam met de andere samen te leven, dan kan tot een schijnhuwelijk worden besloten wanneer het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel combinatie vindt met andere motieven.

Het gebruik van de term 'enkel' in voormelde wetsbepaling wijst op een exclusiviteit die niet slaat op de motieven voor het aangaan van een schijnhuwelijk, maar die de uitsluiting van de intentie om een duurzame levensgemeenschap te vormen beklemtoont (G. Verscheiden, Handboek Belgisch personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2016, 500-501, nr. 1132). Zodra vaststaat dat de intentie van (minstens één van) de kandidaat-echtgenoten niet is gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, gaat het om een schijnhuwelijk.

Wie het schijnkarakter van een voorgenomen huwelijk inroept, moet duidelijke indicaties hebben dat het huwelijk kennelijk niet is gericht op het vormen van een duurzame levensgemeenschap. In de regel kan de beweerde simulatie slechts blijken uit een geheel van omstandigheden.

Willen de kandidaat-echtgenoten een duurzame levensgemeenschap tot stand brengen, terwijl zij ook een verblijfsrechtelijk voordeel nastreven, dan gaat het niet om een schijnhuwelijk (G. Verscheiden, Handboek Belgisch personen- en familierecht, Brugge, die Keure, 2016, 501-502, nr. 1134).

10. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft de bevoegdheid om preventief op te treden tegen schijnhuwelijken. Hij is verplicht de voltrekking van het geplande huwelijk te weigeren wanneer hij van oordeel is dat het daadwerkelijk een gepland schijnhuwelijk betreft.

Deze weliswaar niet-discretionaire doch gebonden beoordelingsbevoegdheid laat de ambtenaar van de burgerlijke stand een ruime beoordelingsmarge zodat een behoorlijk onderzoek naar de intenties van de kandidaat-echtgenoten zich opdringt. Daartoe kan hij bij de procureur des Konings een (niet bindend) advies inwinnen doch hij is daartoe niet verplicht.

De ambtenaar van de burgerlijke stand kan zich (ook) onder meer baseren op (1) nagetrokken verklaringen van de aanstaande echtgenoten zelf (bijvoorbeeld bij een visumaanvraag), van verwanten of nauw betrokkenen, (2) bepaalde geschriften en onderzoeken door politiediensten en (3) gedragingen van de huwelijkskandidaten (bijvoorbeeld bij de huwelijksaangifte). Het horen van beide aanstaande echtgenoten specifiek in het kader van dit onderzoek of met het oog op het advies van de procureur des Konings is geen (verdragsrechtelijke of wettelijke) verplichting en is evenmin vereist omwille van het recht van verdediging van de betrokkene(n).

11. De ambtenaar van de burgerlijke stand dient de feitelijke en juridische overwegingen die zijn weigeringsbeslissing gronden, afdoende en in de beslissing zelf weer te geven. Zo volstaat een louter verwijzen naar het negatieve advies van de procureur des Konings niet. Het gevolgde, voldoende gemotiveerde advies moet dan zeker zijn/worden meegedeeld aan de betrokkenen en/of integraal worden overgenomen in de weigeringsbeslissing.

12. Bij een verhaal tegen de weigeringsbeslissing is de rechterlijke controle niet beperkt tot de wettigheid van de beslissing. De rechter oefent dienaangaande zijn rechtsmacht volledig uit. Hij kan ten volle oordelen of de partijen hun subjectief recht op huwen in casu kunnen laten gelden. Daarbij dient de rechter zich niet te beperken tot de gegevens die op het ogenblik van de weigeringsbeslissing werden voorgebracht. Hij dient te oordelen op basis van alle hem voorgelegde feitelijke gegevens. Dit impliceert dat hij tot beoordeling van de intentie(s) van de partijen rekening moethouden met latere gebeurtenissen die een licht kunnen werpen op de werkelijke intentie(s) van de partijen op het ogenblik van de voorgenomen huwelijkssluiting en rekening kanhouden met motieven die niet in de weigeringsbeslissing zijn opgenomen.

13. De feitenrechter die besluit tot een schijnhuwelijk en dit op basis van regelmatig verzamelde en voorgelegde bewijsstukken, schendt noch de artikelen 8 of 12 EVRM noch artikel 23 IVBPR: het recht om te huwen moet inderdaad slechts worden gewaarborgd als het om een werkelijk huwelijk gaat, terwijl in geval van een schijnhuwelijk er geen sprake is van een gezinsleven.

Deze artikelen verzetten zich niet tegen het optreden van de overheidsorganen tegen schijnhuwelijken.

Het bewijs van een schijnhuwelijk kan worden geleverd door alle middelen van recht en dus ook door samenhangende vermoedens die veinzing van (minstens) een van de kandidaat-echtgenoten aantonen. Het betreft een feitenkwestie, derwijze dat elke zaak in concreto feitenrechterlijke beoordeling vindt. Het komt erop aan dat de feitenrechter een geheel van omstandigheden aanduidt die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aantonen dat het voorgenomen huwelijk wordt afgewend van zijn normale intentie en dat de partijen of een van hen op het ogenblik van de voorgenomen voltrekking van het huwelijk nooit de bedoeling hebben gehad om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen. Waar deze intentie nagenoeg nooit met volstrekte zekerheid kan worden achterhaald, moeten de door de ambtenaar van de burgerlijke stand aangevoerde (bewijs)middelen een decisief karakter hebben, zodat een eenduidig en niet tegengesproken vermoeden ontstaat. Blijft twijfel bestaan over de intentie(s) van (een van) de betrokken partijen, dan kan niet tot een schijnhuwelijk worden besloten (G. Verscheiden e.a., "Overzicht van rechtspraak (2007-2011): Familierecht", TPR 2012, 1667-1668, nr. 242).

14. Het hof is van oordeel dat de litigieuze weigeringsbeslissing van DE AMBTENAAR (daar waar zij zou gelden) als bestuurshandeling (hoe dan ook) voldoet aan de motiveringsverplichting, zoals bedoeld in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. DE AMBTENAAR heeft niet enkel verwezen naar een negatief advies van het openbaar ministerie, maar het waar nodig als zodanig tot zijn motivering gemaakt.

De werkwijze om zich te baseren op een prealabel advies van het openbaar ministerie na een gedegen politioneel onderzoek is zeer gebruikelijk.

Dat DE AMBTENAAR het openbaar ministerie in zijn advies volgt, betekent natuurlijk niet dat hij zijn gebonden beoordelingsbevoegdheid miskent. De beslissing om het niet-bindende advies van het openbaar ministerie al dan niet te volgen, ligt volledig bij DE AMBTENAAR. Dit is in casu duidelijk.

Zoals reeds aangegeven, is bovendien bij een verhaal tegen de weigeringsbeslissing de rechterlijke controle niet beperkt tot de wettigheid van de beslissing (Cass. 13 april 2007, RW 2008-09, 407). De rechter oefent dienaangaande zijn rechtsmacht volledig uit om zodoende ten volle te oordelen of de partijen hun subjectief recht op huwen in casu kunnen laten gelden (zie ook en vgl.: Cass. 27 juni 2005, RW 2006-07, 960).

15. Daar waar het verhaal van V en C voor de eerste rechter tijdig/ontvankelijk was, is het hoe dan ook ongegrond.

16. Gelet op (1) de diverse elementen die de eerste rechter oordeelkundig evalueert en vervolgens samenvat op folio's 1163 tot en met 1165 van het beroepen vonnis en (2) de diverse (grotendeels overlappende) elementen die DE AMBTENAAR omstandig duidt in zijn conclusie p. 10 tot en met 12, is ook het hof (die deze overwegingen van de eerste rechter overneemt en tot de zijne maakt) van oordeel dat afdoende is aangetoond dat de intentie van V en C bij hun voorgenomen huwelijk kennelijk niet was gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap. Het geheel van omstandigheden leert dat het voorgenomen huwelijk manifest is afgewend van zijn normale intentie en dat de partijen op het ogenblik van de (geweigerde) voltrekking van het huwelijk nooit de bedoeling hadden om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen.

V. en C. slagen er (ook in deze instantie) niet in om met hun grieven, middelen en argumenten en/of overgelegde stavingstukken deze weerhouden feitelijke elementen te weerleggen.

17. Centraal pijnpunt daarbij is dat de aangifte van het thans voorgenomen huwelijk dateert van 26 november 2014, zijnde amper één maand na een arrest van 16 oktober 2014, waarbij deze (deels anders samengestelde) kamer van het hof na omstandige afweging van de tot dan voorliggende elementen besloot dat het voorgenomen huwelijk van V en C (waarvan aangifte voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Bredene, die weigerde dit huwelijk te voltrekken bij beslissing van 3 oktober 2011) een schijnhuwelijk betrof.

Het hof kwam (evenals de eerste rechter) tot dit besluit op basis van het geheel en de combinatie van de verschillende, bewezen feitelijke omstandigheden, zoals (1) het aanzienlijke leeftijdsverschil, (2) de gebrekkige communicatie tussen betrokkenen, (3) de zeer gebrekkige wederzijdse kennis van de ene omtrent een aantal zeer essentiële en persoonsgebonden gegevens van de andere, (4) de pertinente tegenspraak omtrent (onder meer) het tijdstip en de omstandigheden van het huwelijksaanzoek, (5) het gegeven dat C. geen enkele titel heeft om legaal in België te verblijven en (6) de bevindingen aangaande het relationele verleden van V. en de opvallende parallellen dienaangaande.

Het bedoelde relationele verleden van V. leert dat hij:

* na twee huwelijken met een Belgische vrouw, tal van pogingen tot huwelijk dan wel wettelijke samenwoning ondernam met diverse Thaise partners, die stuitten op weigeringsbeslissingen (van de ambtenaar van de burgerlijke stand te Bredene) en/of (hoe dan ook) misliepen;

* beweerdelijk begin 2011 een relatie startte met C., die systematisch visumaanvragen deed voor kort verblijf in België (met het oog op een huwelijk dan wel een wettelijke samenwoning), die telkens stuitten op weigeringsbeslissingen (van de Dienst Vreemdelingenzaken binnen de FOD Binnenlandse Zaken).

Aan deze mislukte pogingen ligt telkens een schijnhuwelijkproblematiek ten grondslag. V blijkt zeer vatbaar voor deze problematiek.

18. Voormeld arrest van 16 oktober 2014 vertoont als zodanig geen bindend karakter ten aanzien van DE AMBTENAAR, zijnde dus de ambtenaar van de burgerlijke stand te 0., die nietwas betrokken (J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, lntersentia, 2016, 151, nr. 275 en 152, nr. 277).

Niettemin geniet het arrest bewijswaarde en kan het ook door en ten aanzien van derden als bewijsmiddel worden tegengeworpen (J. Laenens e.a., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, lntersentia, 2016, 151, nr. 275 en 152, nr. 277).

19. Hoe dan ook overtuigen V. en C. niet daar waar zij teruggrijpen naar elementen voorafgaand aan het arrest van 16 oktober 2014, die reeds afdoende beoordeling hebben gevonden.

Het hof is ook thans van oordeel dat het geheel en de combinatie van de verschillende, bewezen feitelijke omstandigheden per 16 oktober 2014 wijzen op een (voorgenomen) schijnhuwelijk, inzonderheid (1) het aanzienlijke leeftijdsverschil, (2) de gebrekkige communicatie tussen betrokkenen, (3) de zeer gebrekkige wederzijdse kennis van de ene omtrent een aantal zeer essentiële en persoonsgebonden gegevens van de andere, (4) de pertinente tegenspraak omtrent (onder meer) het tijdstip en de omstandigheden van het huwelijksaanzoek, (5) het gegeven dat C. geen enkele titel heeft om legaal in België te verblijven en (6) de bevindingen aangaande het relationele verleden van V en de opvallende parallellen dienaangaande.

20. In de lijn met (1) de bevindingen na de aangifte van het thans voorgenomen huwelijk (op 26 november 2014) middels politioneel onderzoek (waarvan akte bij processen-verbaal van de lokale politie te 0. van 12 maart 2015 en 20 april 2015), (2) het negatieve advies van het openbaar ministerie van 5 mei 2015 en (3) de weigeringsbeslissing van DE AMBTENAAR van 20 mei 2015, ziet het hof geen elementen/omstandigheden die thans anders zouden doen beslissen.

Het beweerde gegeven dat V. en C. hun contacten en 'relatie' nu (intussen sinds begin 2011) jarenlang (intensief) aanhouden/volhouden (mede via sociale media), verhelpt niet. De aangehouden/volgehouden relatie steunt op geldgewin. Evenmin verhelpen de beweerde en enigszins geïllustreerde/gestoffeerde gegevens/verhaallijnen omtrent:

* de contacten (met familie, vrienden en kennissen) en investeringen/betalingen/financiële bijdragen (bv. in een landbouwbedrijvigheid en ten behoeve van het kind 'P.') van/door V. in Thailand;

* de aangehouden herhaalde reizen van V. naar Thailand, alwaar hij sterke banden heeft ontwikkeld, een sociaal leven

heeft uitgebouwd, veel vrienden heeft gemaakt en de taal/ cultuur alsmaar beter heeft leren kennen;

* de diverse financiële/bancaire verrichtingen (mede tot ondersteuning) in Thailand, alwaar van een of meer bankrekeningen van V. door C. met (een) bankkaart(en) gelden kunnen worden opgenomen;

* de met voorgaande gegevens enigszins tegenstrijdige toekomstplannen om in België een professioneel leven uit te bouwen (mede) in de horeca, waarbij C. ook vennootschaps-technisch wordt betrokken.

21. Anders dan V. en C. voordoen, is en blijft aangetoond dat de intentie van V. en C. bij hun voorgenomen huwelijk (van 26 november 2014) (nog steeds) kennelijk niet was/is gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap. Het geheel van omstandigheden leert dat het voorgenomen huwelijk (nog steeds) manifest is afgewend van zijn normale intentie en dat de partijen op het ogenblik van de (geweigerde) voltrekking van het huwelijk (nog steeds) geenszins de bedoeling hadden om een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen. Die bedoeling blijkt tot op heden niet. Het voorgenomen huwelijk houdt uitsluitend en onlosmakelijk verband met het door C. beoogde verblijfsrechtelijke voordeel.

Een manifest voorgenomen schijnhuwelijk ligt (nog steeds) voor.

22. In voormelde optiek besluit het hof tot een schijnhuwelijk, dat DE AMBTENAAR, op de aangifte V. en C. (op 26 november 2014), terecht weigerde om te voltrekken.

( ... )

Noot

A. VAN THIENEN, "Het schijnhuwelijk en het jurisdictioneel beroep tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand- Bevoegdheid, motivering en termijnen", T. Fam 2012/25

Overige rechtspraak

• Hof van beroep Brussel 28 februari 2017

42e kamer (familiekamer) 

Inzake: ambtenaar van de burgerlijke stand stad L. t./ L.S. en S.B.

Samenvatting:

De ambtenaar van de burgerlijke stand moet de weigeringsbeslissing het huwelijk te voltrekken nemen binnen de termijnen bepaald in artikel 167, tweede lid BW. Indien hij binnen deze termijn geen definitieve beslissing neemt, moet hij overeenkomstig artikel 167, derde lid BW onverwijld het huwelijk voltrekken.

De wet vereist enkel dat de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de in artikel 167, tweede lid BW bedoelde termijnen een definitieve beslissing neemt.

De wet vereist niet dat de ambtenaar de bedoelde beslissing ook binnen deze termijnen ter kennis brengt van de huwelijkskandidaten.

Dit laatste moet gebeuren zonder verwijl, dat wil zeggen zonder uitstel.

De wet bepaalt niet dat de weigeringsbeslissing de dag zelf waarop zij wordt genomen, ter kennis moet worden gebracht.

( ... )

 

Noot: 

Laura Deschuyteneer en Erinda Mehmeti, Nieuwe categorie van verlies van de Belgische nationaliteit op grond van fraus omnia corrumpit? noor onder de publicatie in het RW.

Gerelateerd
Aangemaakt op: ma, 26/03/2018 - 17:42
Laatst aangepast op: do, 29/03/2018 - 18:39

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.