-A +A

Schijn van partijdigheid gerechtsdeskundige

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Arbeidshof
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
vri, 08/01/2010
A.R.: 
51.683 :

De onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de deskundige vormen de basis van zijn gezag; ook een schijn van partijdigheid dient te worden vermeden.

Het hof stelt vast dat het expertiseverslag van de heer van Buggenhout grotendeels gebaseerd is op de onderzoeken van de bijgeroepen bedrijfsrevisor Boone, die voordien gelast is geweest met de opstelling van het financieel plan voor de oprichting van de B.V.B.A. Matel/Mato.
De onpartijdigheid/onafhankelijkheid is alzo niet voldoende gegarandeerd; alleszins is er een schijn van partijdigheid.

De heer Van Buggenhout is wegens pensionering als accountant geen lid meer van IAB, zodat in de huidige stand evenmin een aanvullende expertiseopdracht kan worden gegeven, die tot een rechtzetting zou kunnen leiden.

Het hof kan dan ook niet anders dan een nieuwe expertise te gelasten, waarbij rekening zal gehouden worden met de volledige opdracht, zoals ze initieel werd bepaald in het tussenvonnis van 14 juni 1994. Indien door het tijdsverloop een exacte bepaling van de schade niet meer mogelijk zou zijn, verzoekt het hof de deskundige om ex aequo et bono (naar billijkheid) een realistische raming van de schade voorop te stellen.

Publicatie
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 JANUARI 2010.
DERDE KAMER

Bediendecontract
Tegensprekelijk
Aanstelling deskundige

In de zaak A.R. nr. 51.683 :

De Heer R. A., handelaar,

Appellant, geïntimeerde op incideel hoger beroep, 

Tegen :

1. DE COOPERATIEVE VENNOOTSCHAP DRUA ELECTRONIC, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, Hulstlaan, 11, H.R. Brussel nr. 485.059,

1ste geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, 

2. De Heer Rd. P., in zijn hoedanigheid van gewezen curator van de B.V.B.A. MATEL INSTRUMENT, voorheen genaamd B.V.B.A. MATO ELEC, in failliet, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, Jaargetijdenlaan 100-102, Bus 30, ondernemingsnummer 0434.671.252, faillissement open verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel op 19 september 1997 en afgesloten verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel dd. 16 maart 1999,

2de geïntimeerde,

De Heer M. V.P., bediende,

3de geïntimeerde, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, 

In de zaak A.R. nr. 51.787 :

De Heer M. V.P., bediende,

Appellant, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, 

Tegen :
1. DE COOPERATIEVE VENNOOTSCHAP DRUA ELECTRONIC, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, Hulstlaan, 11, H.R. Brussel nr. 485.059,

1ste geïntimeerde, appellante op incidenteel hoger beroep, 

2. De Heer R. A., handelaar,

2de geïntimeerde, geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, 

 

 

Na beraadslaging, velt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald op :

- de gedinginleidende dagvaarding voor de Rechtbank van Koophandel te Brussel dd. 9 december 1988;

- het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel dd. 4 mei 1990 waarbij de zaak verwezen werd naar de Arrondissementsrechtbank te Brussel;

- het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Brussel dd. 29 juni 1990 waarbij de zaak werd teruggewezen naar de Rechtbank van Koophandel te Brussel;

- het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Brussel dd. 7 april 1993 waarbij de Rechtbank van Koophandel zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van de zaak en de zaak verwees naar de Arbeidsrechtbank te Brussel;

- het tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel dd. 14 juni 1994;

- het verzoekschrift in hoger beroep van R. A. en van MATEL INSTRUMENT dd. 7 juli 1994;

- het deskundigenverslag van gerechtsdeskundige De Heer Louis Van Buggenhout;

- het arrest van het Arbeidshof te Brussel van 13 maart 2007;

- het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 4 november 2008;

- het verzoekschrift hoger beroep in zaak A.R. nr. 51.683 neergelegd ter griffie van dit Hof op 6 januari 2009;

- het verzoekschrift hoger beroep in zaak A.R. nr. 51.787 neergelegd ter griffie van dit Hof op 27 januari 2009;

- de besluiten, aanvullende besluiten en synthesebesluiten van partijen;

- de voorgelegde stukken;

Gehoord partijen in hun middelen en beweringen op de openbare zitting van 4 december 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

FEITEN EN RECHTSPLEGING.

1. Het hof kreeg reeds eerder de gelegenheid om deze betwisting te bespreken in de beroepsprocedure, gekend onder AR 30.810, waarin op 13 maart 2007 een arrest werd gewezen. In dit arrest werden de relevante feiten en rechtspleging weergegeven als volgt :

" De C.V. Drua Electronic werd op 29-9-‘86 opgericht door drie personen, waaronder de heer M. V.P. met één aandeel. De heer S. beschikte over 176 deelbewijzen en werd aangeduid als zaakvoerder.

De vennootschap nam het handelsfonds en de naam over van de B.V.B.A. Drua Electronic die reeds sinds '37 bestond en gespecialiseerd was in aan- en verkoop van electriciteits- en electronica-uitrusting en aanverwante technieken, voornamelijk meet- en regeltechnieken.

Op 1-10-‘86 sloot de zaakvoerder met de heer V.P. een arbeidsovereenkomst voor handelsagent met de bedoeling deze overeenkomst om te zetten in een samenwerkingsovereenkomst op zelfstandige basis.
In de arbeidsovereenkomst verbond de zaakvoerder zich ertoe de bonussen die de heer V.P. zou verdienen om te zetten in de overdracht van 97 van de aandelen waarover hij beschikte. De heer V.P. zou op die manier maximum 49% van de aandelen van de vennootschap verwerven.

Op 15-10-‘86 delegeerde de zaakvoerder:

- aan de twee andere vennoten (mevrouw d. C. de M. en de heer V.P.) zijn bevoegdheid inzake dagelijkse verrichtingen en o.m. om de inschrijving in het handelsregister te wijzigen en de vennootschap te vertegenwoordigen t.o.v. de Belgische openbare en privé-besturen;
- aan mevrouw d.C. de M. alleen, de bevoegdheid tot aan- en verkoop van koopwaren en grondstoffen en tot het sluiten van handelsakkoorden.

Met een brief van 23-6-‘88 stelde de C.V. Drua Electronic wegens dringende reden een einde aan de arbeidsovereenkomst met de heer V.P.. Zij gaf hem kennis van de dringende reden met een aangetekende brief van 24-6-‘88. De ingeroepen dringende redenen bestonden hieruit:

- onttrekking van de som van 45.000 BEF aan het maatschappelijk patrimonium op 10 en 25-5 en 25-6-‘88 en gelijkaardige daden in 1987 voor een bedrag van 170.342 BEF,
- het uiten van beschuldigingen m.b.t. het vervalsen van de balans op de algemene vergadering van 23-6-‘88 waarbij hij gewag maakte van contacten met de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel te Brussel, zonder enige verdere toelichting.

De heer R. A. dreef handel in eigen naam. Op 12-4-‘88 voegde hij aan zijn inschrijving in het handelsregister de benaming MATO-ELEC-DIVISION-MATEL QUARTZ toe.

Op 22-6-‘88 richtte de heer R. A. de éénmansvennootschap B.V.B.A. MATO-ELEC-DIVISION-MATEL QUARTZ op (hierna afgekort tot MATO). Die vennootschap waarvan hij de zaakvoerder werd, had een gelijkaardige activiteit als de C.V. Drua Electronic.

Op 6-7-‘88 sloot de heer V.P. met de B.V.B.A. MATO een arbeidsovereenkomst. Hij trad er in dienst als technisch directeur.

Mevrouw A., die als administratief bediende tewerkgesteld was bij de C.V. Drua Electronic en op 22-6-‘88 ontslagen werd wegens reorganisatie, trad eveneens in dienst van de B.V.B.A. MATO.

Op 2-8-‘88 stelde de C.V. Drua Electronic de heer V.P. in gebreke tot betaling van een schadevergoeding van 1,5 miljoen BEF wegens intussen ontdekte onregelmatigheden, nl:

- niet-gerechtvaardigde onkostennota's (300.715 BEF)
- onverklaarde vermindering van de voorraden (503.698 BEF)
- verdwijning van concessie- en vertegenwoordigingsovereenkomsten en belangrijke briefwisseling met 20 vennootschappen
- het sluiten van contracten zonder bevoegdheid met de R.T.T. voor de duur van 4 jaar en met HASSLER voor de duur van 7 jaar
- de overdracht van bestellingen naar de B.V.B.A. MATO
- de facturatie ten laste van de vennootschap van publiciteit voor de B.V.B.A. MATO
- de verspreiding bij afnemers en verdelers van het nieuws dat de vennootschap niet meer bestond.
-
Voor die feiten werd op 10-8-‘88 strafklacht neergelegd die echter op 26-6-‘91 werd geseponeerd.

Bij brief van 2-8-‘88 betwistte de heer V.P. de dringende reden en maakte hij aanspraak op een opzegvergoeding gelijk aan drie maanden loon.

Op 9-9-‘88 ontsloeg de B.V.B.A. MATO de heer V.P. mits betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 7 dagen.

Op 14-9-‘88 wordt de B.V.B.A. MATO omgevormd tot de B.V.B.A. MATEL INSTRUMENT (hierna afgekort MATEL).

Op 23-9-‘88 stelde de C.V. Drua Electronic, de B.V.B.A. MATEL in gebreke tot betaling van 15 miljoen BEF wegens onttrekking van leveranciers en klanten.

De heer R. A. betwistte de aanspraak bij brief van 29-9-‘88 en schoof elke verantwoordelijkheid af op de heer V.P.. Hij deelde mee dat na het ontslag van de heer V.P. bij MATEL in de magazijnen materiaal werd gevonden waarvan de herkomst onbekend was maar waarvan niet uitgesloten was dat de heer V.P. het daar had ondergebracht. Het materiaal werd door DRUA opgehaald op 14-11-‘88.

Met dagvaarding van 15-11-‘88 spande de C.V. Drua Electronic een geding aan voor de Rechtbank van Koophandel tegen de heer V.P., de B.V.B.A. Matel instrument en de heer R. A.. Zij vorderde hun solidaire veroordeling tot betaling van 15 miljoen BEF schadevergoeding en de gerechtelijke intresten daarop, als volgt nader gepreciseerd in conclusie:

de veroordeling van de heer V.P. tot betaling van:

- 300.715 BEF wegens ongerechtvaardigde onkostennota's
- 503.698 BEF wegens vermindering van de voorraden
- 139.490 BEF wegens het afsluiten van contracten zonder bevoegdheid
en de solidaire veroordeling van alle partijen tot betaling van (???),
- 30% van de gederfde winst op 3.500.0000 BEF onttrokken bestellingen, uitgebreid bij conclusie van 28-1-94 tot 3.500.000 BEF schadevergoeding

Bij aanvullende conclusie van 31-1-‘92 verzocht zij de persoonlijke verschijning te bevelen van mevrouw A. (in dienst van DRUA als administratief bediende vanaf 1-4-‘88 en ontslagen op 22-6-‘88 wegens reorganisatie) en van de heer V. en een bedrijfsrevisor aan te stellen.

Bij conclusie van 28-1-‘94 breidde zij haar vordering uit met de wettelijke intresten en in ondergeschikte vorderde zij een getuigenverhoor.

Bij vonnis van 7-4-‘93 verklaarde de Rechtbank van Koophandel zich onbevoegd om van het geschil kennis te nemen en verzond zij de zaak naar de Arbeidsrechtbank.

De heer V.P. vorderde bij conclusies neergelegd op 7-1-‘94 de veroordeling van de C.V. DRUA tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 6maanden loon of 420.000 BEF en de intresten daarop, wegens de éénzijdige verbreking van de arbeidsovereenkomst.

De B.V.B.A. MATEL en de heer R. A. vorderden bij conclusie neergelegd op 19-5-‘89 een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding t.b.v. 150.000 BEF.

Zij stelden tevens bij conclusie neergelegd op 22-6-‘92 een tussenvordering in tegen de heer V.P. tot tussenkomst en vrijwaring voor alle veroordelingen die te hunnen laste zouden worden uitgesproken.

Met een vonnis van 14-6-‘94 verklaarde de Arbeidsrechtbank de vorderingen ontvankelijk. Zij verklaarde de vordering van de C.V. Drua Electronic tegen de heer V.P. gedeeltelijk gegrond en veroordeelde hem tot betaling van 6.288,- BEF. verkeersboetes en 8.818,- BEF telefoonkosten plus de wettelijke intresten.

Vooraleer uitspraak te doen over de vordering tegen de drie verwerende partijen tezamen, stelde zij de heer Van Buggenhout, accountant aan als deskundige met als opdracht:

- de boekhouding en de stukken van A. R. en van MATEL te onderzoeken en de juiste omvang te bepalen van de bestellingen die op ongeoorloofde wijze van DRUA naar één of meerdere verweerders werden versluisd
- de gederfde winst van DRUA te bepalen
- de economische schade te begroten.

Zij verklaarde de tegenvordering van de heer V.P. onontvankelijk wegens verjaring, de tegenvordering van MATEL en van de heer R. A. ontvankelijk doch ongegrond, de tussenvordering van MATEL en de heer R. A. tegen de heer V.P. ontvankelijk.

Zij stelde vast dat zij door de Rechtbank van Koophandel werd gevat in uitvoering van art. 662 Ger. Wetboek omdat de vordering was gesteund op het bestaan van een arbeidsovereenkomst met de heer V.P..

De Arbeidsrechtbank overwoog :

- dat niet werd aangetoond dat de heer V.P. meerderheidsaandeelhouder was geworden,
- dat de heer V.P. als actieve vennoot met minderheidsparticipatie was tewerkgesteld in ondergeschikt verband aangezien hij slechts beperkte daden van dagelijks bestuur mocht stellen,
- dat de aansprakelijkheid van de werknemer bepaald wordt door art. 18 W.A.O..

Zij achtte de terugvordering van verkeersboetes en van telefoongesprekken van de heer V.P. met zijn familieleden in P. gegrond.

Zij stelde vast dat de heer V.P. gedelegeerd was om financiële verrichtingen te doen voor de vennootschap en daarbij onder toezicht stond van de zaakvoerder, dat niet werd aangetoond dat de zaakvoerder opmerkingen formuleerde over verkeerde uitgaven, noch dat de heer V.P. misbruik zou hebben gemaakt van zijn delegatiebevoegdheid of gelden van de vennootschap had afgewend van het sociaal doel voor privé-doeleinden.

Zij achtte de terugvordering van de andere uitgaven niet gegrond.

Na te hebben vastgesteld dat de C.V. Drua Electronic op 14-11-‘88 een aantal goederen kon recupereren bij MATEL waar de heer V.P. ze had ondergebracht overwoog de Arbeidsrechtbank dat niet bewezen werd dat het toebehoren niet apart kon worden aangekocht noch dat de verweerders het hadden verkocht of zelf gebruikt. Zij achtte de daarvoor gevorderde schadevergoeding niet bewezen.

Zij achtte de verdwijning van documenten (vnl.vertegenwoordigings-overeenkomsten) niet bewezen.

Wat het handelen buiten bevoegdheid betrof, stelde zij vast dat de zaakvoerder of de bevoegde vennoten daartegen niet onmiddellijk hadden geprotesteerd en dat wat de bestelde materialen betrof, de facturen werden betaald en de materialen gebruikt zodat geen zware fout was bewezen en geen schadevergoeding kon gevorderd worden.

Zij achtte wel bewezen dat een aantal bestellingen werden doorgesluisd naar MATO en eveneens dat de heer V.P. reclame voor MATO liet factureren aan de C.V. Drua Electronic en dat hij mededelingen deed aan leveranciers met betrekking tot het niet meer bestaan van de C.V. Drua Electronic en de oprichting door hem van MATO. Ten slotte achtte zij bewezen dat hij nog tijdens de arbeidsovereenkomst verrichtingen deed voor MATO, op dit ogenblik de benaming van de handelsactiviteit uitgeoefend door de heer A. R..

Zij besloot dat de heer V.P. zich derhalve schuldig had gemaakt aan oneerlijke concurrentie tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ten voordele van de heer R. A. en de B.V.B.A. MATO, zodat er geen reden was om de heer R. A. buiten zake te stellen.

Zij achtte niet bewezen dat de C.V. Drua Electronic een exclusiviteitovereenkomst had met 14 leveranciers.

Bij verzoekschrift van 8-7-‘94 stelden de B.V.B.A. MATEL en de heer R. A. hoger beroep in tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank.

Zij meenden dat de Arbeidsrechtbank:

- er ten onrechte vanuit was gegaan dat zij onrechtmatig hadden gehandeld door gevolg te geven aan bestellingen van klanten waaraan de C.V. Drua Electronic geen gevolg kon geven omdat zij wegens haar wankel krediet of om andere redenen bij geen enkele leverancier nog bepaalde producten kon bekomen en het de klanten volstrekt vrij stond om zich tot een andere vennootschap te wenden. Zij wezen erop dat de Arbeidsrechtbank immers zelf vaststelde dat er geen exclusiviteitcontract bestond
- ten onrechte bewezen achtte dat een bestelling voor de C.V. Drua Electronic naar MATEL werd afgeleid, terwijl het om een andere bestelling ging.
- er ten onrechte van uitging dat de handelwijze van de heer V.P. gebeurde met haar goedkeuring en medeweten . Zij herinnert er aan dat zij hem reeds na twee maanden ontsloeg en zelfs een gerechtelijke procedure tegen hem voerde wegens het frauduleus innen van commissielonen.

Zij vorderden dat de oorspronkelijke vordering van de C.V. Drua Electronic als ongegrond zou worden afgewezen.

De heer R. A. verzoekt in ondergeschikte orde buiten zake te worden gesteld.

Indien het Hof de aanstelling van de deskundige zou bevestigen, verzochten zij dat de zaak zou worden verzonden naar de Arbeidsrechtbank voor uitspraak ten gronde.

Zij vorderden dat de oorspronkelijke tegeneis voor een bedrag van 3.718,4 Euro zou worden ingewilligd als schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding en tevens een schadevergoeding van 10.000 Euro wegens kosten van hun raadsman.

Zij vorderden dat de eis in tussenkomst en vrijwaring t.a.v. de heer V.P. gegrond zou worden verklaard en dat hij zou worden veroordeeld hen te vrijwaren voor alle veroordelingen die lastens hen zouden worden uitgesproken.

De C.V. DRUA stelde incidenteel hoger beroep in.

Zij verzoekt om de bevestiging van het vonnis in de mate dat daarin een deskundige werd aangesteld en na kennisname van het deskundig verslag,

- de heer V.P., MATEL en de heer R. A. te veroordelen haar een schadevergoeding te betalen van 24.310,47 Euro wegens de economische schade die zij heeft geleden en 92.526 Euro wegens gederfde winst;
- de heer V.P. te veroordelen haar een schadevergoeding te betalen van 7.441,14 Euro wegens ongerechtvaardigde onkostennota's,
- 50.369,98 Euro wegens verdwenen voorraden,
- 3.457,87 Euro wegens contracten afgesloten zonder bevoegdheid
en de intresten op die bedragen.

De heer V.P. verzoekt het hoger beroep ongegrond te verklaren
of vooraleer ten gronde recht te spreken:

- de voorlegging te bevelen door de C.V. Drua van balans en jaarrekening voor ‘87 en de jaarrekeningen van ‘84 tot ‘86 en de originele stukken betreffende de Provinciale Technische Scholen Antwerpen, Dembla en Stad Mechelen (hij stelt namelijk dat hij ontslagen werd omdat hij tijdens de Algemene Vergadering van 23-6-‘88 een vervalsing van de balans had aangeklaagd).
- het getuigenverhoor te bevelen van mevrouw A. en de heer V. betreffende de verdwijning van stukken, goederen uit de voorraad en bestellingen naar de concurrentie.
- vast te stellen dat hij de sommen waartoe hij eerder veroordeeld werd heeft betaald.
Te zeggen voor recht dat er geen aanleiding toe is hem te veroordelen tot een bijkomende schadevergoeding bij gebrek aan bewijs van daden van oneerlijke concurrentie of schending van fabrieksgeheimen noch van het bestaan van bewezen schade bij de C.V. DRUA. De tussenvordering van MATEL en R. A. ongegrond te verklaren en de C.V. DRUA te veroordelen tot alle kosten.

Hij betwist ten stelligste zich schuldig te hebben gemaakt aan oneerlijke concurrentie.

Hij betwist het bestaan van exclusiviteitcontracten met de leveranciers en acht die niet bewezen.

Hij stelt dat hij na zijn ontslag als handelsvertegenwoordiger het volste recht had het cliënteel te blijven bezoeken.

Hij meent dat de deskundige in ieder geval geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat DRUA verlieslatend was en evenmin met "de menselijke invloed". Hij verduidelijkt dat hij de enige persoon was die actief was binnen die vennootschap en het dan ook normaal is dat zijn vertrek zich deed voelen aangezien de vennootschap niet over de nodige know-how beschikte en niemand anders in dienst had die bekwaam was om de activiteit verder te zetten."

2. In het arrest van 13 maart 2007 werden de hogere beroepen ( principaal en incidenteel) van alle partijen afgewezen als zijnde ontvankelijk, doch ongegrond en werd het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 14 juni 1994 bevestigd, zodat de zaak opnieuw verwezen werd naar de arbeidsrechtbank te Brussel om verder uitspraak te doen ten gronde op basis van de resultaten van de bevolen expertise.

In dit arrest werd vastgesteld dat de heer V.P. het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 14 juni 1994 niet aanvocht in de mate dat hij veroordeeld werd tot terugbetaling van de verkeersboetes en van zijn privé telefoononkosten, maar werd het incidenteel beroep van de C.V. Drua Electronic (hierna aangeduid als C.V. Drua) afgewezen in zoverre het de bijkomende veroordeling nastreefde in verband met de betaling van ongerechtvaardigde onkostennota's, verdwenen voorraden en een vergoeding voor contracten die hij zonder bevoegdheid zou hebben afgesloten.

Ook het hoger beroep van de heer V.P. als zou hij zich niet schuldig gemaakt hebben aan daden van oneerlijke concurrentie werd ongegrond verklaard; deze handelwijze werd beschouwd als een zware fout en zelfs bedrog, in de zin van artikel 18 arbeidsovereenkomstenwet, zodat hij hierdoor aansprakelijk is voor de aan de C.V. Drua veroorzaakte schade.

Wat betreft het aandeel van de heer A. R. en zijn B.V.B.A. Mato/Matel werd derdemedeplichtigheid vastgesteld ten aanzien van de fouten van de heer V.P., waarvan zij de vruchten plukten.

Het hof wees erop dat, wanneer een schade haar oorzaak vindt in de fouten van verschillende personen en zonder de fout van één van die personen, de fouten van de anderen niet zouden hebben volstaan om de schade te veroorzaken, zij allen gehouden zijn t.o.v. het slachtoffer voor het geheel van de schade. De beslissing van de arbeidsrechtbank te Brussel tot aanstelling van een deskundige voor de beoordeling van deze schade, werd bevestigd.

De kritiek op het op dat ogenblik reeds tot stand gekomen deskundig verslag kwam toen niet toe aan het hof, doch wel aan de arbeidsrechtbank, die nog ten gronde uitspraak diende te doen.

3. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 4 november 2008 werden deze kritieken niet aanvaard en werd de schaderaming van het deskundig verslag bevestigd; wel stelde de arbeidsrechtbank vast :

"Als kritiek op het deskundig rapport kan inderdaad worden vastgesteld dat de deskundige onvoldoende schriftelijk heeft uiteengezet op welke wijze hij rekening heeft gehouden met de bemerkingen van partijen, doch er kan niet gezegd worden dat hij geen rekening heeft gehouden met deze bemerkingen gelet op alle moeite die hij zich heeft getroost en de vergaderingen die hij heeft verricht naar aanleiding van deze opmerkingen.
In elk geval is het 20 jaar na de feiten niet meer opportuun om nog verder kosten te maken en voor dit formeel aspect een bijkomende opdracht te geven aan een deskundige.
Feit is dat de deskundige op een ernstige wijze heeft getracht alle inlichtingen in te winnen en de opdracht van de rechtbank te vervullen. Hij heeft zich bovendien laten bijstaan door een bedrijfsrevisor.
Er is geen reden om te twijfelen aan de kunde van deze specialisten..."

Aangezien de B.V.B.A. Mato/Matel failliet werd verklaard, werd de vordering voor zover zij tegen deze vennootschap gericht was, naar de rol verzonden.

Aldus werden de heren V.P. en R. A. in solidum veroordeeld om aan de C.V. Drua Electronic een bedrag te betalen van euro 92.526,85 + euro 24.310,47, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 23 juni 1988, en de gerechtelijke intrest; het overige van de vordering werd afgewezen.

Wat betreft de intresten vatte de arbeidsrechtbank het verloop van de lange procedures samen, maar stelde vast dat er geen sprake was van enig foutief stilzitten van partijen, zodat de intresten voor de volledige duur van de procedure werden toegekend.

De tussenvordering in vrijwaring van de heer R. A. tegen de heer V.P. werd ongegrond verklaard, omdat reeds uit het arrest van het arbeidshof was gebleken dat eerstgenoemde meegewerkt had aan de begane oneerlijke praktijken.

4. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 6 januari 2009, tekende de heer R. A. hoger beroep aan tegen dit vonnis en vroeg dat de vordering van de C.V. Drua Electronic ontvankelijk doch ongegrond zou worden verklaard en dat de tussenvordering in vrijwaring lastens de heer V.P. gegrond zou worden verklaard, minstens dat de onderlinge bijdrageplicht zou worden bepaald op 20% voor hemzelf en 80% voor de heer V.P., met veroordeling van de C.V. Drua tot de gerechtskosten ( A.R. 51.683).

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 27 januari 2009 tekende de heer V.P. hoger beroep aan en vroeg eveneens dat de hoofdvordering van de C.V. Drua ongegrond zou worden verklaard en dat de veroordeling in solidum ongegrond zou worden verklaard wegens miskenning van de verschillende tijdsperiodes in het deskundig verslag, hoe dan ook de schadevordering van de C.V. Drua te herleiden tot de werkelijk veroorzaakte schade en in ondergeschikte orde tot compensatie over te gaan met de nog bestaande natuurlijke verbintenis wegens onwettig ontslag omwille van dringende reden ( A.R. 51.787).

De C.V. Drua Electronic tekende incidenteel beroep aan en vroeg dat de andere partijen solidair of in solidum zouden worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van minimaal euro 466.039,82, te vermeerderen met wettelijke en gerechtelijke intresten en te vermeerderen met gerechtelijke intresten op de hiervoor vermelde intresten vanaf de tussenkomst van het vonnis waartegen beroep en tot de gerechtskosten, begroot op de maximum rechtsplegingsvergoeding en de expertisekosten, te vermeerderen met gerechtelijke intresten op de voorgeschoten expertisekosten vanaf de datum van betaling; in ondergeschikte orde een provisie toe te kennen en een nieuwe gerechtsdeskundige aan te stellen, waarbij de last van de provisies voor deze nieuwe gerechtsdeskundige diende gelegd te worden op de schouders van de heren R. A. en V.P..

BEOORDELING.

Voor een goede rechtsbedeling dienen de hogere beroepen te worden samengevoegd.

In zoverre het hoger beroep gericht is tegen de B.V.B.A. Matel Instruments, voorheen genaamd B.V.B.A. Mato Elec en/of beoogt om wegens de devolutieve kracht van het hoger beroep recht te doen over de vorderingen tegen deze B.V.B.A., deelt advocaat Rd. P. in zijn hoedanigheid van voormalig curator van deze B.V.B.A. mee dat deze failliet werd verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 19 september 1997, maar dat dit faillissement werd afgesloten bij vonnis van dezelfde rechtbank van 16 maart 1999, zodat hij niet meer over de bekwaamheid beschikt om deze B.V.B.A. te vertegenwoordigen en het hoger beroep in dit opzicht niet toelaatbaar dient te worden verklaard. Er kan hiermee worden ingestemd wegens gebrek aan hoedanigheid.

Er wordt geen betekeningakte van het bestreden vonnis meegedeeld. Er kan derhalve worden aangenomen dat de hogere beroepen tijdig werden ingesteld. Ze zijn regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan, daarover is geen betwisting gerezen. Ze zijn derhalve ontvankelijk, behalve in zoverre zij gericht zijn tegen de B.V.B.A. Matel/Mato. Het incidenteel hoger beroep is in dezelfde mate ontvankelijk.

De uitvoering van de expertiseopdracht.

1. De appellanten vorderen de ongegrondverklaring van de resterende vordering van de C.V. Drua, omdat ze de schadevaststelling in het expertiseverslag niet aanvaarden.

Samen met de eerste rechter kan vastgesteld worden dat de deskundige onvoldoende schriftelijk heeft uiteengezet op welke wijze hij rekening heeft gehouden met de bemerkingen van partijen.

In de deskundigenopdracht, zoals geformuleerd in het tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 14 juni 1994, werd aan de deskundige de mogelijkheid gegeven om zich zo nodig te laten bijstaan door een of meerdere specialisten naar keuze, indien aanvullende onderzoekingen nodig zouden blijken voor de gevraagde opdracht.

De deskundige heeft zich aldus laten bijstaan door bedrijfsrevisor Michaël Boone, ten aanzien van wie de heer R. A. erkent dat deze op zijn verzoek als bedrijfsrevisor is tussengekomen bij de opstelling van het financieel plan voor de oprichting van de B.V.B.A. Matel/Mato.

Tevens volgde uit de deskundigenopdracht, zoals geformuleerd in het tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 14 juni 1994, dat de boekhoudingen dienden te worden nagezien m.b.t. welbepaalde leveranciers om op basis hiervan de juiste omvang te bepalen van de bestellingen bij de C.V. Drua die werden versluisd naar een of meerdere van de in het geding betrokken partijen en om op basis hiervan de economische schade en de winst te bepalen die de C.V. Drua had kunnen realiseren op deze bestellingen en uitvoeringen van bepaalde contracten door de heer R. A. en zijn B.V.B.A.

De kritieken van appellanten komen er in wezen op neer dat ze aan de deskundige verwijten dat hij, bezien vanuit deze opdracht, een te ruime periode in aanmerking heeft genomen, gelet op de beperkte tewerkstelling van de heer V. P. bij de heer R. A. en zijn B.V.B.A.

2. De onpartijdigheid en de onafhankelijkheid van de deskundige vormen de basis van zijn gezag; ook een schijn van partijdigheid dient te worden vermeden.

Het hof stelt vast dat het expertiseverslag van de heer van Buggenhout grotendeels gebaseerd is op de onderzoeken van de bijgeroepen bedrijfsrevisor Boone, die voordien gelast is geweest met de opstelling van het financieel plan voor de oprichting van de B.V.B.A. Matel/Mato.
De onpartijdigheid/onafhankelijkheid is alzo niet voldoende gegarandeerd; alleszins is er een schijn van partijdigheid.

De heer Van Buggenhout is wegens pensionering als accountant geen lid meer van IAB, zodat in de huidige stand evenmin een aanvullende expertiseopdracht kan worden gegeven, die tot een rechtzetting zou kunnen leiden.

Het hof kan dan ook niet anders dan een nieuwe expertise te gelasten, waarbij rekening zal gehouden worden met de volledige opdracht, zoals ze initieel werd bepaald in het tussenvonnis van 14 juni 1994. Indien door het tijdsverloop een exacte bepaling van de schade niet meer mogelijk zou zijn, verzoekt het hof de deskundige om ex aequo et bono (naar billijkheid) een realistische raming van de schade voorop te stellen.

3. Het hof ziet geen reden om in de huidige stand reeds een provisie op de schade toe te kennen; immers de toenmalige art. 973 en 977 Ger. Wetboek maakten het aan de C.V. Drua mogelijk om bij zwarigheden tijdens de expertise op de rechter een beroep te doen; wanneer ze dit niet deed, is ze slecht geplaatst om zich thans te beklagen over geleden tijdverlies.

4. Gelet op het feit dat in het arrest van dit hof van 13 maart 2007 de huidige appellanten werden aangeduid als de veroorzakers van de schade, worden zij bij toepassing van artikel 987 Ger. W. aangeduid als de partijen die een voorschot dienen te consigneren voor de kosten van de expertise. Dit voorschot kan voor elk van hen bij aanvang worden bepaald op euro 2.250.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Voegt wegens samenhang en met het oog op een goede rechtsbedeling, de hogere beroepen, ingesteld door de heer R. A. ( A.R. 51.683) en door de heer M. V.P. ( A.R. 51.787) samen;

Verklaart de principale en het incidenteel hoger beroepen ontvankelijk, behalve in zoverre zij gericht zijn tegen advocaat Rd. P. in zijn hoedanigheid van gewezen curator van de B.V.B.A. Matel Instrument, voorheen genaamd B.V.B.A. Mato Elect, failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel op 19 september 1997, faillissement afgesloten bij vonnis van dezelfde rechtbank van 16 maart 1999;

Doch alvorens verder te gronde te beslissen,

Duidt als deskundige aan : de heer Smets Dirk, bedrijfsrevisor, (...)
A. De opdracht van de deskundige:
De deskundige heeft als opdracht:
- de volledige boekhouding, met inbegrip van dagboek, bestelbons, in- en uitgaande facturen en nuttige briefwisseling, te onderzoeken van de heer R. A. (H.R.B. 299991), wonende te(...), handel drijvende onder de benaming MATO-ELEC enerzijds, en bij de B.V.B.A. MATEL INSTRUMENT, voorheen MATO-ELEC DIVISION - MATEL QUARTZ, H.R.B. 507317, met maatschappelijke zetel te 1070 Anderlecht, Steenweg op Bergen 814 bus 3, anderzijds, met inventarisatie van alle handelszaken m.b.t. de leveranciers A.I.M., CROPICO, ERJI, LIONMOUNT, METRIX, SEFELEC, S.I.P.I.E., TOELLNER, TOPTRONIC, WEIR, AHLBORN, B.B.E., BURSTER, E-JAY, P.M.E., GALLENKAMP, H. TINSLEY, FEEDBACK, MULTITONE, SYNTRONIC;

- op basis van voormelde gegevens de juiste omvang te bepalen van de bestellingen bij de C.V. DRUA ELECTRONIC die op ongeoorloofde wijze van deze C.V. naar de heer R. A. en/of zijn vennootschap en/of de heer V.P. werden versluisd;
- de winst te bepalen die de C.V. DRUA ELECTRONIC had kunnen realiseren op de doorgesluisde en op ongeoorloofde wijze ontnomen bestellingen en uitvoeringen van bepaalde contracten door de heer R. A. en/of zijn vennootschap en/of de heer V.P.;
- de economische schade te begroten die de C.V. DRUA ELECTRONIC heeft geleden omwille van de bedrieglijke afwerving van het cliënteel en leveranciers door toedoen van de heer R. A. en/of zijn vennootschap en/of de heer V.P. wegens voorgehouden " vernietiging van haar onderneming ";
- Indien door het tijdsverloop een exacte bepaling van de schade niet meer mogelijk zou zijn, ex aequo et bono (naar billijkheid) een realistische raming van de schade voorop te stellen.
De deskundige wordt gemachtigd de aanvullende onderzoeken die hij noodzakelijk acht te laten uitvoeren door een specialist van zijn keuze, mits hij alle partijen, vóór de aanvang van deze tussenkomst, hiervan op de hoogte brengt.
B. De eventuele weigering van de opdracht en de inwerkingstelling van het deskundig onderzoek.
Te rekenen vanaf de kennisgeving van het arrest door de griffie beschikt de deskundige over een termijn van acht dagen om:
- op gemotiveerde wijze de hem toevertrouwde opdracht te weigeren, wanneer hij zulks wenst;
- de plaats, de dag en het uur van de aanvang van zijn werkzaamheden mede te delen.
De deskundige zal de partijen verwittigen per aangetekende brief, en de rechter en de raadslieden bij gewone brief.
C. Het verdere verloop van het deskundig onderzoek.
Bij de aanvang van het onderzoek zullen de partijen aan de deskundige hun volledig en geïnventariseerd dossier meedelen. Zij zullen aan de deskundige eveneens de namen van de juridische en medische raadslieden, die hen bijstaan, bekend maken.
Tenzij hij daarvan uitdrukkelijk wordt vrijgesteld, zal de deskundige, met het oog op de verdere werkzaamheden van het deskundig onderzoek, de partijen oproepen bij aangetekend schrijven, en de raadslieden en de rechter bij gewone brief.
Op het einde van zijn werkzaamheden zal de deskundige aan de rechter, de partijen en hun raadslieden zijn vaststellingen toezenden, waarbij hij een voorlopig verslag voegt.
De partijen beschikken over een termijn van één maand na de mededeling van dit verslag om hun opmerkingen op dit verslag mede te delen. Wanneer hij dit wenselijk acht kan de deskundige echter een andere redelijke termijn vaststellen, waarbinnen de partijen hun opmerkingen dienen mede te delen.
De deskundige zal geen rekening houden met de opmerkingen die hij ontvangt buiten de termijn, die aan de partijen gegeven werd om hun opmerkingen te formuleren.
Het eindverslag zal gedateerd zijn en melding maken van de aanwezigheid van de partijen bij de werkzaamheden en van hun mondelinge verklaringen en verzoeken.
Het eindverslag zal verder een overzicht bevatten van de nota's en documenten die door de partijen overhandigd zijn.
Het eindverslag dient door de deskundige op straffe van nietigheid ondertekend te zijn.
De handtekening van de deskundige zal, op straffe van nietigheid, voorafgegaan moeten worden door de volgende eed:
"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb".
De minuut van het eindverslag, de stukken en de nota's van de partijen en de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de deskundige worden ter griffie van het arbeidshof neergelegd.
Op de dag van de neerlegging van het verslag zendt de deskundige een afschrift van het verslag en van de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon, aan de partijen per aangetekend schrijven, en aan hun raadslieden bij gewone brief.
D. De termijn voor neerlegging van het verslag en de eventuele verlenging.
Het eindverslag moet neergelegd worden binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van het arrest.
Enkel de rechter kan de termijn voor het neerleggen van het verslag verlengen.
Indien de deskundige zijn verslag niet kan neerleggen binnen de vastgestelde termijn, dan zal hij bij gemotiveerd schrijven aan het hof om een verlenging van de termijn dienen te verzoeken.
Indien de neerlegging van het verslag niet binnen de vastgestelde termijn kan gebeuren, dan zal de deskundige, om de zes maanden, een tussentijds verslag over de vooruitgang van zijn werkzaamheden meedelen aan de rechter, de partijen en hun raadslieden.

E. De kosten en het ereloon van de deskundige.

Bij toepassing van artikel 987 Ger. Wetboek worden appellanten, de heer R. A. en de heer M. V.P., aangeduid als de partijen die een voorschot dienen te consigneren voor de kosten van de expertise. Dit voorschot wordt bij aanvang voor elk van hen bepaald op euro 2.250.
Samen met het eindverslag zal de deskundige zijn staat van kosten en ereloon neerleggen .
De gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de specialisten, die door de deskundige geraadpleegd werden, zal toegevoegd worden aan het eindverslag en de deskundige zal het bedrag ervan opnemen in zijn globale staat.
Indien de partijen binnen de 15 dagen na de neerlegging van de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon hun akkoord bevestigen met het bedrag van de staat, dan zullen de kosten en het ereloon door de rechter begroot worden op de minuut van de staat. Een uitvoerbare titel, overeenkomstig het tussengekomen akkoord, zal daarvan afgeleverd worden.
Indien de partijen niet binnen de gestelde termijn hun akkoord bevestigd hebben met de staat van de kosten en het ereloon, kunnen de deskundigen of de partijen aan de rechter vragen dat hij tot de begroting van de staat overgaat.
De kosten zullen begroot worden in het eindarrest als gerechtskosten.
F. Diverse
Alle betwistingen, die zich in het de loop van het deskundig onderzoek voordoen, worden beslecht door de rechter. De deskundige en de partijen richten zich tot het hof in een gemotiveerd schrijven.
Voor de toepassing van artikel 973 van het Gerechtelijk Wetboek en van al de andere artikelen van dit Wetboek met betrekking tot het deskundig onderzoek waarin de tussenkomst van de rechter voorzien wordt, dient beschouwd te worden als "de rechter die het deskundig onderzoek bevolen heeft", of "de met dit doel aangestelde rechter" of nog " de rechter":
- de raadsheren, die de 3e kamer van het hof samenstelden op de zitting waarop het arrest werd uitgesproken;
- ingeval van afwezigheid van een sociaal raadsheer: de beroepsmagistraat die alleen zetelt;
- de beroepsmagistraat die de kamer voorzit op het ogenblik dat de betwisting met betrekking tot het deskundig onderzoek ontstaat;
- de beroepsmagistraat, aangeduid in het interne reglement van het arbeidshof voor het gerechtelijk jaar.
De zaak zal na afloop van het deskundig onderzoek terug op de zittingsrol moeten gebracht worden door de meest gerede partij.
De kosten worden voorbehouden.

 

Aldus gewezen door de 3de Kamer van het Arbeidshof op 8 januari 2010, waar aanwezig waren :

De Heer L. LENAERTS, Raadsheer,
Mevrouw L. REYBROECK, Raadsheer in sociale zaken als werkgever,
De Heer A. LEURS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende,
Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier.

L. HERREGODTS, L. LENAERTS,

L. REYBROECK, A. LEURS.

Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 8 januari 2010 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 15/10/2017 - 15:52
Laatst aangepast op: zo, 15/10/2017 - 15:57

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.