-A +A

Schending auteursrecht en-vordering tot vernietiging

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 23/01/2012

Artikel 86ter, § 2 van de auteurswet verschaft de rechter de mogelijkheid om de benadeelde van een geschonden auteursrecht op vordering van de partij die een vordering inzake namaak kan instellen, de terugroeping uit het handelsverkeer, de definitieve verwijdering uit het handelsverkeer of de vernietiging gelasten van de inbreukmakende goederen, alsmede, in passende gevallen, van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van die goederen zijn gebruikt. Deze maatregelen worden uitgevoerd op kosten van de inbreukmaker, tenzij bijzondere redenen dit beletten. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering wordt rekening gehouden met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste maatregelen, alsmede met de belangen van derden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2012/20
Pagina: 
1373
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(NV Z.T.S./NV C., S.T.I. EN Z.T.S. BV))

( ... )

Gelet op het bestreden vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 19 maart 2010, waarvan geen akte van betekening wordt voorgebracht, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 3 juni 2010.

1. De feiten

Voor een uiteenzetting aangaande de feiten verwijst dit hof naar het bestreden vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 19 maart 2010.

Kort wordt in herinnering gebracht dat eertijds Z.T.S. BV kledij - waaronder een T-shirt, een poloshirt en een cardigan - bestelde bij S.T.I. BV in Nederland.

Laatstgenoemde had van NV C. klaarblijkelijk in dezelfde periode opdracht gekregen tot productie van kledingstukken over te gaan volgens de door NV C. overgemaakte ontwerpen, waaronder die van een T-shirt, een poloshirt en een cardigan, aangeduid als BOYS T-shirt style nr. 3703, BOYS poloshirt style nr. 3705 en GIRLS cardigan style nr. 5750.

NV C. beweert dat de door NV Z.T.S. in België verkochte poloshirts, T-shirts en cardigans zijn nagemaakt.

De ex-werkneemster van NV C. die de cardigan had ontworpen, C.D., verklaarde op 10 maart 2010 ten overstaan van een privéonderzoeker dat zij haar rechten op het ontwerp nooit aan NV C. heeft afgestaan (rapport M. de Kort 12 maart 2010).

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Op 30 maart 2009 ging NV C. over tot dagvaarding van de NV Z.T.S. (hierna genoemd Z. België).

2.2. Op 20 april 2009 ging Z. België over tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst van S.T.I. BV (hierna genoemd S. Nederland).

2.3. Bij tussenvonnis van 9 oktober 2009 van de rechtbank van koophandel te Antwerpen werden de hiervoor vermelde zaken samengevoegd en de vordering van NV C. om overeenkomstig artikel 735 Ger.W. Z. België bij tussenvonnis te veroordelen om bepaalde stukken (zoals volledige boekhouding enz.) op straffe van een dwangsom mede te delen, naar de rol verzonden ter behandeling nadat de vermeende fout [inbreuk] werd beoordeeld.

2.4. Voor de vorderingen, die voor de eerste rechter werden gesteld, verwijst het hof naar het bestreden vonnis van 19 maart 2010.

 

2.5. Bij het bestreden vonnis van 19 maart 2010 van de rechtbank van koophandel te Antwerpen werd als volgt geoordeeld:

"Yerhlaart onderhavige procedure m.b.t. de eis in vrijwaring niet in staat. Houdt de procedure omtrent deze eis (alsmede hiermee samenhangende) dan ook aan.

Verwijst deze naar de rol voor verdere instaatstelling.

Verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van de eisen ingesteld door de NV C. ten laste van de NV Z. T.S. en de vennootschap naar vreemd recht S. T.I. BV.

Verklaart de vorderingen ingesteld ten laste van de vennootschap naar vreemd recht S. T.I. BV toelaatbaar doch ongegrond.

Verklaart de vorderingen ingesteld ten laste van de NV Z. T.S. toelaatbaar en in volgende mate gegrond:

- stelt het auteursrechtelijk beschermd karakter vast van volgende werken "Boys T-shirt style nr. 3703, de Boys poloshirt style nr. 3705 en de Girls Cardigan Style nr. 5750" waarvan de NV C. wordt vermoed te beschikken over de auteursrechtelijke vermogensrechten;

- stelt de auteursrechtelijke inbreuk vast van de door S. verdeelde, verkochte en te koop aangeboden kledingstukken met volgende referentie 2014089 14143, 2014089 14144 en 2014089 14145;

- veroordeelt de NV Z. T.S. tot betaling aan de NV C. van een schadevergoeding begroot op 15.000 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf betekening van onderhavig vonnis;

- beveelt aan de NV Z. T.S. binnen de 14 dagen na betekening van onderhavig vonnis de voorlegging aan de NV C. van het bewijs van verzameling van alle nog in België aanwezige inbreukmakende kledingstukken op een plaats in België door de NV Z. T.S. te bepalen {plaats die tijdens kantooruren en na verwittiging van bezoek toegankelijk dient te zijn zowel voor de NV C. dan wel een door haar aangestelde gerechtsdeurwaarder);

- beveelt binnen een termijn van 21 dagen na de voorlegging van het bewijs van verzameling hetzij de (gehele/gedeeltelijke) vernietiging van de desbetreffende kledingstukken (met mogelijkheid tot controle door een door de NV C. aangestelde gerechtsdeurwaarder), hetzij de (gehele/gedeeltelijke) schenking ervan (aan een door de NV C. te bepalen doel waarbij de aflevering in België dient te geschieden) door de NV Z. T.S. (met mogelijkheid tot controle door een door de NV C. aangestelde gerechtsdeurwaarder). De keuze hieromtrent dient aan de NV Z. T.S. te worden overgemaakt binnen de 14 dagen na voorlegging van bewijs door de NV Z. T.S. Bij gebrek aan tijdig meegedeelde keuze door de NV C. staat het de NV Z. T.S. vrij zelf één van deze twee mogelijkheden voorop te stellen en uit te voeren (waarbij zijzelf een goed doel kan vooropstellen) binnen de vooropgestelde termijn;

- veroordeelt de NV Z. T.S. tot betaling van de kosten die gemaakt dienen te worden in het kader van de verzameling, vernietiging en/of schenking, met uitzondering van de kosten verbonden met de eventuele aanstelling van een gerechtsdeskundige door de NV C.;
beveelt de vrijgave en terugbetaling aan de NV C. van de borgsom van 5.000 EUR, die werd opgelegd in de beschikking van 4 maart 2009, en die door NV C. in consignatie werd gegeven. Verwerpt het andere en meer gevorderde (als hoof dvordering) als ongegrond. Veroordeelt de NV Z. T.S. tot betaling aan de NV C. van de kosten van het geding als volgt begroot:

( ... )

Veroordeelt de NV C. tot betaling aan de vennootschap naar vreemd recht S. T.I. BV van de kosten van het geding als volgt begroot:

( ... )"

Na dit bestreden tussenvonnis van 19 maart 2010 werd door de BV Z.T.S. (hierna te noemen Z. Nederland) op 13 april 2010 een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst overeenkomstig artikel 813 Ger.W. neergelegd, dat ertoe strekt:

- aan haar akte te verlenen van haar vrijwillige tussenkomst in het geding hangende tussen Z. België en S. Nederland gekend onder AR 09103206;

- het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- in de mate dat Z. België geen rechtstreekse vordering zou hebben tegen S.Neder-

land en Z. Nederland gehouden is om Z. België te vrijwaren, S. Nederland te veroordelen tot vrijwaring van Z. Nederland;

- S. Nederland te veroordelen tot betaling aan Z. Nederland van alle sommen die zij aan Z. België zou dienen te betalen;

- S. Nederland te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. De vorderingen en het verweer in hoger beroep

3.1. Z. België legde op 3 juni 2010 een verzoekschrift strekkende tot hoger beroep neer, waarbij NV C., S. Nederland en Z.T.S. BV (Z. Nederland) worden aangeduid als de geïntimeerden.

3.2. Z. België en Z. Nederland vragen bij conclusies van 10 juni 2011:

"Het hoger beroep van appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en uitspraak te doen over de oorspronkelijke vorderingen van de partijen zoals de rechtbank van koophandel had dienen te doen."

1. Voorafgaandelijk

Een eventuele toekomstige conclusie van S. T.I. BV op (uiterlijk) 16 augustus 2011 te weren uit de debatten.

2. Met betrekking tot de hoof dvordering

In hoofdorde

De vordering van NV C., in de mate dat deze gesteund is op een beweerde inbreuk op de bepalingen van de auteurswet en minstens in de mate dat deze betrekking heeft
op de trui met kap (ref. nr. 14144), af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond, bij gebrek aan bewijs van titulariteit op de beweerde auteursrechten op het ogenblik van de beweerde inbreuk.
In ondergeschikte orde

Voor zover uw Hof van mening zou zijn dat de vordering in eerste aanleg in hoof de van NV C. ontvankelijk was;

Deze in elk geval in al zijn onderdelen af te wijzen als ongegrond en te horen zeggen voor recht dat de betrokken kledingstukken geen auteursrechtelijke bescherming genieten en dat de litigieuze kledingstukken geen inbreuk uitmaken op de beweerde auteursrechten van NV C.

In meer ondergeschikte orde

Voor zover er een inbreuk op de vermeende auteursrechten van NV C. zou bewezen zijn, te horen zeggen voor recht dat Z. T.S. NV en Z. T.S. BV niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de weerhouden inbreuk;

In voorkomend geval, een deskundige aan te stellen met als opdracht het opvragen, doen overhandigen en bestuderen van alle documenten (bestelbonnen, leveringsbonnen, transportdocumenten, facturen, enz.) en tekeningen van de kledingstukken die bij S. T.I. BV kunnen worden aangetroffen, dit zowel voor wat betreft de vermeende oorspronkelijke als de litigieuze kledingstukken; de deskundige in het bezit te doen stellen van alle briefwisseling, inclusief de instructies met betrekking tot de productie van beide collecties aan de fabrikant; de deskundige te laten overgaan tot de vaststelling van het moment waarop de wijzigingen aan de vermeend originele ontwerpen werden aangebracht;

NV C. te bevelen bij toepassing van artikel 877 Ger. W., binnen de 24 uur na de betekening van het tussen te komen arrest en onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 EUR per dag vertraging, de facturen, transportdocumenten, bestelbonnen, contracten en andere documenten over te leggen waaruit de volgende informatie blijkt:

- de plaatsen waar de betrokken kledingstukken effectief gecommercialiseerd werden door NV C.;

- de groot- en kleinhandelaars die de betrokken kledingstukken effectief aankochten en verkochten (aankopen en verkopen);

- de prijs die deze groot- of kleinhandelaars aan NV C. betaalden voor deze kledingstukken;

- de hoeveelheid van deze kledingstukken die effectief gecommercialiseerd werden in België;

- de evolutie van de verkoop van de betrokken kledingstukken in de jaren 2008 tot en met 2010;

- de prijs die NV C. betaalde voor de productie van de betrokken kledingstukken;

- de bijkomende algemene kosten die verband houden met de distributie, opslag,

verhandeling van en het voeren van de administratie omtrent de (verkoop van de) betrokken kledingstukken.

Minstens, alvorens recht te doen, de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie:

'"Moeten artikelen 3.1, 3.2, 13.1 en 16 van richtlijn 2004148/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten (mede in het licht van de algemene beginselen van Gemeenschapsrecht die betrekking hebben op het evenredigheidsbeginsel en de vrijheid van handel) aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling die stelt dat een inbreukmaker in ieder geval, los van de vraag naar enig subjectief bestanddeel van de fout of inbreuk en zelfs indien een uiteindelijke derde inbreukmaker aan de benadeelde partij bekend is en zijn woonplaats heeft binnen de Gemeenschap, gehouden worden om een vergoeding te betalen aan de benadeelde partij tot herstel van de schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden, strijdig is met het recht van de Europese Unie en meer bepaald met voormelde bepalingen van richtlijn 2004148/EG?"

3. Met betrekking tot de vordering in vrijwaring

Voor zover de vordering van NV C. geheel of gedeeltelijk gegrond zou worden verklaard, de in tussenkomst gedagvaarde partij, S. T.I. BV, te horen veroordelen tot vrijwaring van Z. T.S. NV voor alle schade;

S. T.I. BV te veroordelen tot het betalen aan Z. T.S. NV van alle sommen waartoe deze laatste zou worden veroordeeld ten aanzien van NV C.;

Indien Z. T.S. NV toch aansprakelijk zou worden gehouden ten aanzien van NV C., deze aansprakelijkheid te beperken tot hoogstens 10% van de schade van NV C., waarbij S. T.I. BV aansprakelijk dient te worden gehouden voor 90% van de schade van NV C.;

In de mate dat Z. T.S. NV geen rechtstreekse vordering zou hebben tegen S. T.I. BV vast te stellen dat Z. T.S. BV gehouden is om Z. T.S. NV te vrijwaren;

S. T.I. BV te veroordelen tot het betalen aan Z. T.S. BV van alle sommen die zij aan Z. T.S. NV zou dienen te betalen.

4. In elk geval

NV C. te veroordelen tot het vergoeden van de schade van Z. T.S. NV ten gevolge van het ten onrechte gevorderde en gelegde beslag inzake namaak, provisioneel begroot op 1 EUR, onder voorbehoud voor Z. T.S. NV om de door haar geleden schade later te begroten en bijgevolg te zeggen voor recht dat de borgsom van 5.000 EUR dient geconsigneerd te blijven.

NV C. of minstens S. T.I. BV tevens te horen veroordelen tot betaling van de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen, die in uitvoering van artikel 1022 Ger. W., met toepassing van het KB van 26 oktober 2007 dient te worden vastgesteld op 1.200 EUR voor de procedure in eerste aanleg en op 1.320 EUR voor de beroepsprocedure, meer de uitgavenvergoeding."

3.3. NV C. vraagt bij conclusies van 13 juli 2011:

"Het hoger beroep van Z. ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;

Daarnaast het incidenteel beroep van NV C. ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Bijgevolg, opnieuw rechtdoende:

1) Vast te stellen dat de door NV C. gecommercialiseerde kledingstukken, namelijk de 'Boys T-shirt style nr. 3703', de 'Boys poloshirt style nr. 3705' en de 'Girls Cardigan Style nr. 5750' auteursrechtelijk beschermde werken zijn;

Vast te stellen dat NV C. beschikt over de auteursrechtelijke vermogensrechten, van de door haar gecommercialiseerde kledingstukken, die het voorwerp uitmaken van dit geschil;

Te zeggen voor recht dat de daden gesteld door, in hoof dorde Z., en in ondergeschikte orde Z. en S., een inbreuk uitmaken op de auteursrechten van NV C.

2) Te zeggen voor recht dat C. schade heeft geleden door de inbreuken op haar rechten door Z. en/of S.;

3) In hoofdorde Z., en in ondergeschikte orde Z. en S. solidair en in solidum minstens de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding, op basis van de in huidige conclusie meegedeelde gegevens en op basis van de gegevens die Z. tot op het ogenblik van de uitspraak heeft meegedeeld.

4) Bij wijze van tussenarrest en met het oog op het bepalen van de totale schadevergoeding Z. te veroordelen om haar volledige boekhoudkundige stukken, vrachtbrieven en computergegevens met betrekking tot haar aangekochte, binnen haar Belgische vestigingen verdeelde, gestockeerde en te koop aangeboden artikelen die het voorwerp uitmaken van dit geschil, meer bepaald alle gegevens sinds de eerste aankoop door gedaagde tot de dag van de laatste verkoop door gedaagde, op een volledig toegankelijke en transparante manier over te maken aan NV C. of aan een deskundige die de opdracht heeft om de voor deze zaak relevante informatie te distilleren, ten laatste 24 uur na de betekening van dit tussenarrest en binnen de 24 uur na elke verkoop die nog zou plaatsvinden na de datum van betekening van dit tussenarrest, onder verbeurte van een dwangsom van minstens 2.500 EUR per dag vertraging, waarvan de grootte van het effectief opgelegde bedrag wordt overgelaten aan de wijsheid van de rechtbank.

5) Na het tussenarrest, in hoofdorde Z., en in ondergeschikte orde Z. en S. solidair en in solidum minstens de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen tot betaling van het verschil tussen de definitieve schadevergoeding en de reeds betaalde provisionele schadevergoeding, op basis van de gegevens die Z. krachtens het tussenarrest heeft meegedeeld, waarbij de definitieve schadevergoeding als volgt wordt begroot: - de gederfde winst voor de Belgische markt: voor elke door Z. bij haar leverancier

aangekochte trui met kap, T-shirt of polo: de verkoopprijs gevraagd door Z. aan de consument na aftrek van de aankoopprijs door Z. bij haar leverancier, vermeerderd met de gerechtelijke interesten;

- het geleden verlies: het aantal manuren dat NV C. hierin heeft geïnvesteerd (zeker 80 uren) aan 100 EUR/uur of 8.000 EUR; meer de reputatieschade, die ex aequo et bono kan worden vastgesteld op minstens 200.000 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke interesten.

6) In hoofdorde Z., en in ondergeschikte orde Z. en S. solidair en in solidum minstens de ene bij gebreke van de andere, te bevelen om, op haar of hun kosten, alle nog in België aanwezige namaak ten laatste twee weken na de betekening van het tussen te komen vonnis te verzamelen en binnen deze termijn af te leveren bij een door de rechtbank in het tussen te komen vonnis aangestelde sekwester en om deze vervolgens op een nabije datum ofwel te vernietigen, of te laten vernietigen, in aanwezigheid van een gerechtsdeurwaarder die de verificatie doet, ofwel te schenken aan een door NV C. gekozen goed doel, eveneens mits verificatie door een gerechtsdeurwaarder, onder verbeurte van een dwangsom waarvan NV C. het minimum bedrag voorstelt van 2.500 EUR per kalenderdag vertraging en van 2.500 EUR per niet afgeleverd stuk.

7) In hoofdorde Z., en in ondergeschikte orde Z. en S. solidair en in solidum minstens de ene bij gebreke van de andere, eveneens te veroordelen tot de kosten van het geding, dagvaardingskosten, deurwaarderskosten, kosten van de deskundige en rechtsplegingsvergoeding van beide aanleggen inbegrepen.

8) Te zeggen voor recht dat de borgsom van 5.000 EUR, die werd opgelegd in de beschikking van 4 maart 2009, en die door NV C. in consignatie werd gegeven ter vrijwaring van de gebeurlijke rechten van Z. T.S. NV, dient te worden vrijgegeven en terugbetaald aan NV C.

3.4. S.T.I. BV vraagt bij conclusies van 10 januari 2011

a) Wat de vordering van NV C. tegen S. betreft

- in hoof dorde, hiermee het vonnis a quo bevestigend, de vordering van NV C. ontoelaatbaar, onontvankelijk of minstens ongegrond te verklaren en dienvolgens NV C. te veroordelen tot betaling aan S. van de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;

- in ondergeschikte orde, voor zover de vordering van NV C. tegen S. ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard, de begroting van de schade in het vonnis a quo te bevestigen, de verdeling van de in solidum aansprakelijkheid als volgt vast te stellen: 90% Z. en 10% S.; dienvolgens Z. te veroordelen om S. te vrijwaren tegen elke veroordeling in hoofdsom, interesten en kosten die S. zou oplopen, dit tot beloop van 90%, maar dit enkel voor de schadevergoeding die slaat op de namaak, niet voor de dwangsommen die NV C. van Z. kan vorderen, die kan ze enkel van Z. en niet van S. vorderen.

b) Wat de vordering in vrijwaring van Z. NV tegen S. betreft

- in hoof dorde, de vordering van NV C. tegen Z. ontoelaatbaar, onontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren en bijgevolg de vordering in vrijwaring van Z. zonder voorwerp te verklaren en Z. te veroordelen tot betaling aan S. van de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;

- in ondergeschikte orde, de vordering in vrijwaring van Z. tegen S. onontvankelijk of ongegrond te verklaren en Z. te veroordelen in betaling aan S. van de gerechtskosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding;

- in strikt ondergeschikte orde de vordering in vrijwaring van Z. tegen S. te beperken tot 10% van de sommen waartoe Z. zou worden veroordeeld, maar dit enkel voor de schadevergoeding die slaat op de namaak, niet voor de dwangsommen die NV C. van Z. kan vorderen, die kan ze enkel van Z. en niet van S. vorderen.

c) Wat de vordering in vrijwaring van Z. BV tegen S. betreft

- in hoof dorde, de vordering van NV C. tegen Z. ontoelaatbaar, onontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren en bijgevolg de vordering in vrijwaring van Z. BV zonder voorwerp te verklaren en Z. te veroordelen tot betaling aan S. van de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;

- in ondergeschikte orde, de vordering in vrijwaring van Z. BV tegen S. onontvankelijk of ongegrond te verklaren en Z. BV te veroordelen in betaling aan S. van de gerechtskosten, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding;

- in strikt ondergeschikte orde de vordering in vrijwaring van Z. BV tegen S. te beperken tot 10% van de sommen waartoe Z. BV zou worden veroordeeld, maar dit enkel voor de schadevergoeding die slaat op de namaak, niet voor de dwangsommen die NV C. van Z. kan vorderen, die kan ze enkel van Z. en niet van S. vorderen.

Hoe dan ook, in elk geval en in de meest ondergeschikte orde:

Elke mogelijke vordering van C. en Z. NV en/of Z. BV tegen S. die slaat op het verhalen van verbeurde dwangsommen als ongegrond af te wijzen."

4. Beoordeling

4.1. Wat Z. Nederland betreft

( ... )

4.2. Het hoger beroep van Z. België

4.2.1. De beweerde niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van NVC.

( ... )

4.2.2. De gegrondheid van de oorspronkelijke vordering van NV C. 4.2.2.1. De titulariteit

4.2.2.1.1. Z. houdt voor dat NV C. niet aantoont dat zij titularis is van de auteursrechten.

Z. benadrukt dat tijdens de procedure ten gronde in eerste aanleg aan het licht is gekomen dat blijkens een overeenkomst tussen NV C. en haar werkneemster NDS, eerstgenoemde de auteursrechten op de kledingstukken 'Boys T-shirt style nr. 3 703' en 'Boys Poloshirt style nr. 3705' pas op 30 oktober 2009 verwierf. Dit is nadat de procedure werd opgestart.

Wat het kledingstuk 'Gids Cardigan style nr. 5750' betreft is na het bestreden vonnis aan het licht gekomen dat dit was ontworpen door een ex-werkneemster van NV C., C.D. Deze dame heeft ten overstaan van een privédetective (ingehuurd door Z.) verklaard dat zij nooit afstand heeft gedaan van haar auteursrechten aan NV C.

NV C. blijft voorhouden te beschikken over de auteursrechten op de door haar gecommercialiseerde kledingstukken. De vereiste van een geschrift is slechts een bewijsregel ten aanzien van de auteur en geen geldigheidsvoorwaarde. Het bewijs van overdracht van auteursrechten ten aanzien van derden kan met alle middelen van recht worden aangetoond. 'Uitdrukkelijk in de overdracht voorzien', staat volgens haar niet gelijk met 'uitdrukkelijk neerschrijven in de onderhandse akte met betrekking tot de arbeidsovereenkomst'. Zij beroept zich op vermoedens die aantonen dat zij over de vereiste titulariteit beschikt. De vermelding van andere namen op de ontwerpen is volgens haar niet relevant. Zij levert het bewijs dat ze minstens als vertegenwoordiger van de auteur kan worden aangemerkt. De overeenkomst tussen C.D. en Z. is volgens haar zonder voorwerp.

4.2.2.1.2.

"Artikel 6 van de auteurswet bepaalt dat de oorspronkelijke auteursrechthebbende de natuurlijke persoon is die het werk gecreëerd heeft.

Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt eenieder als auteur aangemerkt wiens naam of letterwoord, waarmee hij te identificeren is als dusdanig op het werk, op een reproductie van het werk, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.

De uitgever van een anoniem werk of van een werk onder pseudoniem wordt ten aanzien van derden geacht de auteur daarvan te zijn.

Artikel 3 van de auteurswet bepaalt dat de vermogensrechten roerende rechten zijn die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn door gehele of gedeeltelijke overdracht volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Zij kunnen onder meer worden vervreemd of in een gewone of exclusieve licentie worden ondergebracht.

Ten aanzien van de auteur worden alle contracten schriftelijk bewezen.

(".)

§ 3. Wanneer een auteur werken tot stand brengt ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever voor zover uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de creatie van het werk binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut valt.

"De betreffende kledingstukken waarvan de auteursrechten worden ingeroepen, namelijk: 'Boys T-shirt style nr. 3 703 ', 'Boys Poloshirt style nr. 3 705' en 'Gids Car- digan style nr. 5750', zijn ontworpen door werknemers van NV C., namelijk de eerste twee door NDS en de laatste door C.D. Dit wordt niet betwist.

De eerste rechter oordeelde terecht dat de vereiste van schriftelijke overdracht zoals vermeld in artikel 3 van de auteurswet enkel geldt tussen de auteur en de vermeende auteursrechthebbende.

NV C. houdt terecht voor dat de vereiste van een geschrift een bewijsregel is ten aanzien van de auteur en geen geldigheidsvoorwaarde.

NV C. beweert dat het voorwerp van de arbeidsovereenkomsten met haar medewerkers het ontwerpen van kledij was. De medewerkers waren op de hoogte dat deze kledij zou worden gecommercialiseerd.

Nochtans kan dit niet wegnemen dat de vermogensrechten van de werknemer maar kunnen overgaan op de werkgever indien de overdracht van de vermogensrechten in de arbeidsovereenkomst of in een afzonderlijke overeenkomst uitdrukkelijk werd bedongen. Het feit dat de arbeidsovereenkomst sloeg op het ontwerpen van kledij, is op zich niet voldoende om de overdracht van de auteursrechtelijke vermogensrechten te bewerkstelligen.

De arbeidsovereenkomsten met voormelde twee werknemers zijn dan ook niet afdoende om de overdracht aan NV C. aan te tonen.

Op 30 oktober 2009 legde NDS een verklaring af waarbij zij erkende dat zij haar rechten op haar eventuele ontwerpen van bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst had afgestaan aan NV C.

NV C. kan deze verklaring in onderhavige procedure aan Z. tegenwerpen.

Z. merkt op dat deze verklaring werd afgelegd nadat de procedure reeds was ingeleid.

Nochtans doet zulks geen afbreuk aan de waarachtigheid van de verklaring van deze ontwerpster. Zij heeft haar vermogensrechten afgestaan aan NV C. van bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst. Het geschrift is trouwens een bewijsmiddel en geen geldigheidsvereiste.

NV C. beschikt dan ook over de vermogensrechten van het hiervoor vermelde poloshirt en T-shirt.

Dat deze verklaring onder druk werd afgelegd - zoals Z. beweert - wordt niet aangetoond.

Het feit dat NV C. nog andere dergelijke overeenkomsten met andere werknemers tussen 18 mei 2009 en 18 mei 2010 heeft afgesloten (zogenaamd om doelmatigheidsredenen zoals Z. beweert), kan de waarachtigheid waarmee NDS haar verklaring met betrekking tot dit geschil aflegde, niet aantasten.

Met betrekking tot de kledingstukken 'Boys T-shirt style nr. 3 703 ', 'Boys Poloshirt style nr. 3705' bewijst NV C. dan ook afdoende haar titulariteit.

Wat de cardigan betreft:

De eerste rechter oordeelde (onder meer met betrekking tot deze cardigan) dat op grond van het vermoeden van artikel 6 van de auteurswet afgaande op de merkaanduiding in de kledingstukken, NV C. als auteursrechthebbende kon worden beschouwd.

In deze cardigan zoals ook het hiervoor vermelde poloshirt en T-shirt staat een merklabel met de naam 'Knot so bad'.

Het wordt niet betwist dat deze cardigan werd ontworpen door C.D. Laatstgenoemde was eertijds, zoals NDS, werkzaam bij NV C.

Deze ex-werkneemster heeft ten aanzien van een privédetective verklaard dat zij haar vermogensrechten niet had afgestaan aan NV C.

NV C. is dan ook geen titularis. De vermogensrechten werden niet overgedragen door de auteur.

De argumentatie in verband met artikel 6 van de auteurswet doet dan ook niet ter zake.

NV C. beweert dat vermits geen reactie volgde op haar antwoord van 22 december 2009 aan de raadsman van C.D. bewezen is dat de vermogensrechten aan haar waren overgedragen.

Bij brief van 22 december 2009 aan de raadsman van C.D. beweerde NV C. dat het voorwerp van de arbeidsovereenkomst bestond uit het ontwerpen van kledingstukken. De vermogensrechten maakten volgens NV C. reeds het voorwerp uit van een overdracht ten gunste van NV C. NV C. verzocht slechts om bevestiging van deze overdracht.

Het feit dat er geen reactie volgde op dit schrijven, kan hier niet betekenen dat het bewijs van de overdracht is geleverd.

Kortom: met betrekking tot de cardigan geldt dat NV C. niet bewijst titularis te zijn van de vermogensrechten. Zij bewijst niet dat de auteur C.D. haar vermogensrechten heeft overgedragen. Zij kan zich niet beroepen op de wettelijke vermoedens, nu deze worden weerlegd door de verklaring van de auteur ten aanzien van de privédetective en zij op geen andere afdoende wijze het bewijs van een overdracht levert.

NV C. wordt door het hof niet gevolgd waar zij beweert dat de overdracht van de rechten aangaande de cardigan door C.D. aan Z. zonder voorwerp is geworden. Zoals hiervoor aangenomen bewijst NV C. immers niet dat voornoemde auteur haar vermogensrechten had overgedragen aan NV C.

4.2.2.2. De auteursrechtelijke bescherming van het 'Boys T-shirt style nr. 3703', het 'Boys poloshirt style nr. 3 705'

4.2.2.2.1. Gelet op voorgaande wordt hierna nog enkel gehandeld over de auteursrechtelijke bescherming van het genoemde T-shirt en poloshirt nu met betrekking tot de cardigan NV C. geen auteurrechtelijke rechten kan laten gelden.

4.2.2.2.2. Z. is de mening toegedaan dat uit de beoordeling van het T-shirt en het poloshirt blijkt dat het gaat over banale modellen waaruit geen intellectuele inspanning blijkt. De kledingstukken missen volgens haar elke originaliteit. De samenstellende delen van de kledingstukken op zich zowel als de combinatie ervan betreffen volgens haar geen beschermbare elementen.

Volgens NV C. dient de uitdrukking in de auteurswet 'werken van letterkunde en kunst' ruim te worden begrepen. Kledij kan door de snit, de kleur, de gebruikte stoffen, de motieven, enz. als origineel worden beschouwd en bijgevolg auteursrechtelijk beschermd worden. De esthetische waarde is niet pertinent. De enige pertinente vraag die moet worden gesteld is of de creatie een eigen karakter heeft en of men er de stempel in kan zien van een bepaalde persoon. Volgens haar is het bestaan van keuzemogelijkheden bij de creatie van een bepaald werk reeds voldoende om auteursrechtelijke bescherming te kunnen genieten.

4.2.2.2.3. Om van bescherming van de auteurswet te kunnen genieten, is het nodig maar voldoende dat bewezen wordt dat het werk de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de maker, wat onontbeerlijk is om aan het werk het vereiste individuele karakter te geven waardoor een schepping ontstaat.

De eerste rechter oordeelde terecht dat doorslaggevend in de beoordeling omtrent de auteursrechtelijke bescherming van objecten, de oorspronkelijkheid van een werk of de onderdelen ervan betreft. NV C. dient dan ook duidelijk aan te geven welke aspecten, elementen en/of onderdelen volgens haar oorspronkelijk zijn.

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat NV C. aan die verplichting heeft voldaan door middel van de in het feitelijk gedeelte weergegeven opsomming van afzonderlijke en gezamenlijke elementen die zij als oorspronkelijk beschouwt.

Originaliteit kan resulteren uit de samenvoeging van reeds gekende elementen, niet beschermbaar op zichzelf, waarvan het verkregen geheel zich duidelijk onderscheidt van andere modellen en een eigen stempel heeft.

Het feitelijk gegeven dat kledij aan functionele vereisten dient te voldoen, neemt hier niet weg dat NV C. voldoende aantoont dat het T-shirt en poloshirt als oorspronkelijk te beschouwen zijn.

Het hof sluit zich aan bij de eerste rechter die in het algemeen het oorspronkelijk karakter weerhield door het veruitwendigen van de combinatie van volgende elementen met betrekking tot het T-shirt en poloshirt:

- kleuren: zwart, wit en rood - met grijstinten;

- specifieke city-style uitdrukkingen;

- woorden of begrippen zoals 'peace', 'love' en 'petrol';

- lettertype en plaatsing van woorden in graffitistijl;

- grafische weergave van stedelijke elementen hetzij met grafische onderdelen hetzij met verwijzingen naar New York;

voor het T-shirt:

- dubbele naad gestikt in het wit onderaan beide mouwen, onderaan het T-shirt en in het midden van de schouders;

voor het poloshirt:

- in het midden een witte strook met zwarte letters; witte kribbels doorheen de zwarte letters;

zwarte spatten tussen de zwarte letters door;

op de schouders een brede witte naad in een steek met lussen; op de rechterschouder wit stiksel in zig-zagmotief;

wit stiksel op beide mouwen;

lapje witte stof op het einde van elke mouw;

serie knopen onder de kraag en knoopsgaten langs de andere kant, die geen functie hebben.

Voorgaande oorspronkelijke elementen zoals die in combinatie voorkomen op de kwestieuze kledingstukken, geven aan het geheel een oorspronkelijk karakter.

4.2.2.3. De auteursrechtelijke inbreuk

Z. beklemtoont dat zij de litigieuze kledingstukken niet zelf heeft ontworpen noch vervaardigd. Zij heeft ze aangekocht bij S. Nederland en is dan ook niet schuldig aan namaak. Zij kon ook niet weten dat NV C. auteursrechten bezat. Controle op eventuele gelijkenissen is onmogelijk, volgens haar. Indien het hof twijfels zou hebben omtrent de ware toedracht van de aankoop en de productie van de nagemaakte kledingstukken, verzoekt Z. om de aanstelling van een deskundige met opdracht zoals aangehaald in conclusie. Daaruit zou volgens haar blijken dat S. Nederland de oorspronkelijke kledingstukken van Z. al had gewijzigd voordat zij deze aan Z. voorstelde. Bovendien wijst Z. op de verschillen van de kledingstukken die zij aankocht bij S. Nederland met de kledingstukken van NV C.

De bewering van Z. dat zij geen fout heeft begaan en te goeder trouw is, speelt geen rol bij de beoordeling van de auteursrechtelijke inbreuk. NV C. heeft recht op vergoeding van elke schade die zij door de namaak of de inbreuk lijdt. De materiële schending door Z. van de wettelijke bepalingen van de auteurswet op zich houdt een fout in die Z. als overtreder aansprakelijk stelt. Bij deze objectieve aansprakelijkheid doet de goede trouw in hoofde van Z. bijgevolg niet ter zake.

Gelet op voorgaande, gaat het hof dan ook niet in op het verzoek van Z. om een deskundige aan te stellen om vaststelling te doen van het moment waarop de wijzigingen aan de vermeend originele ontwerpen werden aangebracht.

Gelet op de objectieve aansprakelijkheid doet het er niet toe of de kleine verschillen die aan de kledingstukken werden aangebracht al dan niet door S. Nederland zelf of op initiatief van Z. geschiedden.

De rechtspraak die door Z. wordt aangehaald in een poging om aan te tonen dat een overtreding wetens en willens zou moeten worden begaan, dateert van vóór de wet van 9 mei 2007, die artikel 86bis van de auteurswet heeft gewijzigd.

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat namaak wordt weerhouden in geval het vermeend inbreukmakend werk geheel of gedeeltelijk een overname, reproductie vormt van wat origineel is aan het oorspronkelijke werk. De gelijkenissen wegen zwaarder door dan de verschillen waarbij rekening wordt gehouden met het globaal beeld van de gemiddelde koper ervan. Hier heeft de visuele presentatie van de kledij een belangrijke rol.

De eerste rechter oordeelde terecht: "De verhoudingen, opdrukkingen, stiksels, kleuren, (".)in de oorspronkelijke modellen van C. worden helder weergegeven in haar bijgebrachte ontwerpen (bijgebracht als stuk) waarin elk model grafisch wordt weergegeven. Een vergelijking van deze presentatie met die van Z. geeft aan dat deze laatste kledingstukken op de markt heeft gebracht met identieke dan wel gelijkaardige verhoudingen, opdrukkingen, stiksels en kleuren, minstens met combinaties hiervan waardoor de oorspronkelijke kledingstukken herkenbaar blijven zelfs nadat er wijzigingen werden aan aangebracht."

Een visuele vergelijking tussen de kledingstukken van NV C. met die door Z. in België aangeboden, toont de auteursrechtelijke inbreuk op het T-shirt en poloshirt aan.

De minieme verschillen bij het T-shirt: de naad op de schouder:

bij diegene door Z. aangeboden: een gewone zwarte naad

bij die van NV C.: een plat stukje met een dwars lichtgrijs stiksel; de prints en logo's zijn zeer miniem verschillend in onderwerp van afbeelding en opstelling.

Deze kleine verschillen doen aan het zeer gelijkend totaalbeeld geen afbreuk. Hetzelfde geldt voor het poloshirt. Het minieme verschil bij de mouwuiteinden bij NV C. is die van drie lijnen met witte stiksels en fijne witte boord en diegene door Z. aangeboden: een simpele afzoming. Dit kleine verschil doet geen afbreuk aan het zeer gelijkend totaalbeeld van de betreffende kledingstukken.

De auteursrechtelijke inbreuk in hoofde van Z. blijft dan ook in hoger beroep weerhouden.

Het verzoek van Z. om NV C. bij toepassing van artikel 877 Ger.W. bepaalde stukken te laten voorleggen, doet dan ook niet langer ter zake.

De eerste rechter heeft de auteurechtelijke inbreuk in hoofde van S. Nederland niet weerhouden. NV C. bleef volgens de eerste rechter in gebreke aan te tonen welke handelingen S. Nederland heeft gesteld in België opdat een inbreuk op de Belgische auteursrechten zou kunnen worden weerhouden.

Het hof merkt op dat NV C. in hoofdorde vraagt de inbreuk ten laste van Z. vast te stellen en in ondergeschikte orde ten laste van Z. en S. Nederland.

Vermits in hoofdorde de inbreuk in hoofde van Z. wordt vastgesteld, dient niet verder ingegaan te worden op de in ondergeschikte orde geformuleerde vordering van NVC.

4.2.2.4. Vordering tot overmaking van bewijsmateriaal

(".)

4.2.2.5. De objectieve aansprakelijkheid en de handhavingsrichtlijn

Z. meent dat het gepast is om volgende vraag aan het Hof van Justitie te stellen:

"Moeten artikelen 3.1, 3.2, 13.1 en 16 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten (mede in het licht van de algemene beginselen van Gemeenschapsrecht die betrekking hebben op het evenredigheidsbeginsel en de vrijheid van handel) aldus worden uitgelegd dat een nationale regeling die stelt dat een inbreukmaker in ieder geval, los van de vraag naar enig subjectief bestanddeel een fout of inbreuk en zelfs indien een uiteindelijke derde inbreukmaker aan de benadeelde partij bekend is en zijn woonplaats heeft binnen de Unie, gehouden worden om een vergoeding te betalen aan de benadeelde partij tot herstel van de schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden, strijdig is met het recht van de Europese Unie en meer bepaald met voormelde bepalingen van richtlijn 2004/48/EG?"

Het hof oordeelt dat voormelde vraag niet moet worden gesteld. Er is geen strijdigheid met de handhavingsrichtlijn.

De handhavingsrichtlijn doet geen afbreuk aan de middelen tot handhaving van intellectuele eigendomsrechten die in de communautaire of nationale wetgeving zijn of kunnen worden vastgelegd, voor zover deze middelen gunstiger zijn voor de rechthebbenden. Fundamentele voorwaarde hiervoor is dat de reeds nationaal of communautair voorziene maatregelen, procedures en rechtsmiddelen eerlijk, billijk en evenredig zijn. Zolang de bijkomende maatregelen en/of andere passende sancties in het voordeel zijn van de rechthebbenden, staat het de nationale wetgever van de lidstaten aldus vrij om deze vast te stellen. De Belgische wetgever heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, met onder meer op het vlak van het foutbegrip 'het principe van de objectieve aansprakelijkheid' te hanteren. De Belgische wetgever heeft met de wet van 9 mei 2007 een strenger foutbegrip gehanteerd dan de communautaire wetgever in de handhavingsrichtlijn. Van strijdigheid is dan ook geen sprake.

4.2.2.6. De schade

NV C. houdt voor dat zij door de inbreuk van Z. schade lijdt. Deze bestaat volgens haar uit de gederfde winst en het geleden verlies.

Het geleden verlies bestaat volgens haar uit de kosten die rechtstreeks door het bestrijden van de namaak zijn veroorzaakt en de reputatieschade.

Wat de kosten betreft die verband houden met het bestrijden van de namaak:

Zij haalt volgende posten aan: kosten van opsporing en vaststelling, administratieve beheerskosten voor juridische acties en andere kosten, zoals voor stockage, verzekering voor de in beslag genomen goederen, vernietiging, expertises, personeel, publiciteit, enz.

Concreet: kosten deskundige: 2. 734,96 EUR; deurwaarderskosten voor de vaststelling in België: 461 EUR; betekeningskosten van beschikking inzake beslag en proces-verbaal van beslag: 178,02 EUR en 434,94 EUR; dagvaardingskosten in onderhavige zaak: 270,69 EUR.

Het hof bemerkt geen ernstige betwisting wat de becijfering van deze kosten betreft. Kosten deskundige: 2.734,96 EUR; deurwaarderskosten voor de vaststelling in België: 461 EUR; betekeningskosten van beschikking inzake beslag en proces-verbaal van beslag: 178,02 EUR en 434,94 EUR, hetzij samen 3.808,92 EUR, worden door het hof als schade ten gevolge van de inbreuk weerhouden.

De kosten van dagvaarding in deze procedure worden met de kosten van het geding verrekend.

NV C. beweert dat door haar personeel en bedrijfsleider ongeveer een 80-tal uren werden besteed aan het geschil met Z., waarvoor zij een schadebecijfering van 8.000 EUR opgeeft.

Het hof aanvaardt dat door het personeel en de bedrijfsleider van NV C. tijd werd besteed aan het geschil met Z. Deze tijdsbesteding is het gevolg van de inbreuk van Z. Het hof acht het aannemelijk dat dit moeilijk aan de hand van concrete stukken valt te bewijzen. Billijkheidshalve begroot het hof deze schade - die voor vergoeding in aanmerking komt - op 3 .000 EUR.

Daarnaast maakt NV C. gewag van reputatieschade. Zij beweert dat bepaalde afnemers bij haar hebben afgehaakt nu Z. quasi identieke kledij tegen zeer lage prijzen kon aanbieden. NV C. beweert dat Z. de kledingstukken verkocht aan de prijs waaraan de kopers van NV C. inkochten.

Voor deze schade vraagt NV C. ex aequo et bono 200.000 EUR.

Het hof oordeelt dat het aannemelijk is dat door NV C. reputatieschade werd geleden. Het feit dat de nagemaakte kledij tegen zeer lage prijzen door Z. werden aangeboden heeft schade veroorzaakt aan haar reputatie.

Deze schade wordt door het hof in billijkheid bepaald op 10.000 EUR.

De ge derf de winst laat zich volgens NV C. berekenen door de omvang van de namaak te vermenigvuldigen met de winstmarge per eenheid. De omvang van de namaak dient dan ook gekend te zijn. Volgens NV C. is er sprake van 23.856 stuks (blz. 57 van haar conclusie van 13 juli 2011): 7.404 polo's, 8.748 truien en 7.704 T-shirts.

NV C. geeft de volgende berekening:

- voor 24.672 T-shirts betaalde Z. 32.750,72 EUR, inclusief BTW. Eén T-shirt is ongeveer 1,33 EUR. De T-shirts werden door Z. verkocht aan 2,99 EUR per stuk. De winstmarge was dan ook: 1,66 EUR per stuk. Voorgaande geeft: 7.404 (stuks ingevoerd voor België) x 1,66 EUR= 12.290,64 EUR;

- voor 24.192 polo's betaalde Z. 53.057,16 EUR inclusief BTW wat 2,19 EUR per polo bedraagt. De polo's werden door Z. verkocht aan 4,99 EUR per stuk. De winstmarge voor één polo was 2,80 EUR. Dit geeft: 7.404 (stuks ingevoerd voor België) x 2,80 EUR= 20.731,20 EUR.

Voor gederfde winst vraagt NV C.: 12.290,64 EUR + 20.731,20 EUR = 33.021,84 EUR.

Z. beweert dat winstafdracht enkel kan worden gevorderd in geval van kwade trouw van de inbreukmaker. Zij verwijst naar artikel 86bis van de auteurswet. De bewijslast ligt volgens haar bij NV C.

Volgens artikel 86bis van de auteurswet kan in geval van kwade trouw de rechter bij wijze van schadevergoeding de afdracht bevelen van het geheel of een deel van de ten gevolge van de inbreuk genoten winst alsmede tot het afleggen van rekenschap en verantwoording dienaangaande. Bij het bepalen van de af te dragen winst worden enkel de kosten in mindering gebracht die rechtstreeks verbonden zijn aan de betrokken inbreukactiviteiten.

NV C. bewijst geen kwade trouw in hoofde van Z.

Z. heeft de kledij aangekocht bij S. Nederland. Het is niet afdoende aangetoond dat Z. wist dat de door haar aangekochte kledij nagemaakt was van de modellen die door NV C. aan S. Nederland waren gegeven voor productie.

Z. beweert immers dat de kledij geen handelsnaam of merk bevatte. Dat bepaalde kledij was ontworpen door NV C., was haar niet medegedeeld.

De winst die Z. gemaakt heeft met de kwestieuze kledij, doet hier dan ook niet ter zake.

Wat de gederfde winst betreft in hoofde van NV C., t.t.z. niet uitgaande van de winst die Z. heeft gemaakt maar die NV C. had kunnen maken indien de inbreuk niet was begaan, wordt als volgt geoordeeld:

Concrete elementen worden door NV C. niet aangereikt. Er worden geen stukken voorgebracht met betrekking tot de door haar betaalde inkoopprijs aan S. Nederland bijvoorbeeld.

De eerste rechter verwees naar het arrest van dit hof van de gste kamer van 17 februari 2010 waarbij werd geoordeeld dat het bedrag van de dwangsom zwaarder moet doorwegen dan het louter economisch belang van de gewraakte handeling. Het hof heeft volgens de eerste rechter minstens met betrekking tot de gederfde winst reeds een maximum gesteld van 140.000 EUR. Rekening houdende met het aantal stuks heeft het hof, volgens de eerste rechter, de economische schade op 1,75 EUR per stuk gebracht. De eerste rechter meende dat gezag van gewijsde kleeft aan die uitspraak.

Het arrest van 17 februari 2010 is een arrest geveld in hoger beroep na beschikking in kort geding van 11 juni 2009 op derdenverzet tegen de beschikking van 4 maart 2009 van de voorzitter van de rechtbank van koophandel op eenzijdig verzoekschrift tot beslag inzake namaak.

Vermits het arrest van 17 februari 2010 gewezen werd tegen een beschikking in kort geding, kan zij geen nadeel toebrengen aan de beoordeling ten gronde.

De rechter ten gronde is niet gebonden.

Volgens artikel 86bis van de auteurswet kan de rechter de schadevergoeding in redelijkheid en billijkheid vaststellen op een forfaitair bedrag wanneer de omvang van de schade op geen andere wijze kan bepaald worden.

Het hof verwerpt de kritiek van Z. die voorhoudt dat de schade door gebrek aan concreet bewijs moet worden afgewezen.

Het hof acht het aanvaardbaar dat het hier moeilijk is om voor alle schadeposten concrete bewijzen weer te geven. Dit mag geen reden zijn om NV C. geen vergoeding toe te kennen.

De schade wordt in redelijkheid en billijkheid bepaald op 15.000 EUR, naast de hiervoor toegekende posten.

De schade die Z. moet vergoeden is het gevolg van de inbreuk die zij heeft begaan. Zij kan deze ten aanzien van NV C. niet afwentelen op S. Nederland.

Het hof acht het oorzakelijk verband bewezen. Immers indien Z. geen inbreuk had gepleegd was die hiervoor aangenomen schade door NV C. niet geleden.

Als schadevergoeding wordt aan NV C. toegekend: 3.808,92 EUR+ 3.000 EUR+ 10.000 EUR+ 15.000 EUR= 31.808,92 EUR.

4.2.2.7. De solidaire gehoudenheid NV C. vordert:

"In hoof dorde Z., en in ondergeschikte orde Z. en S. solidair en in solidum minstens de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding, (".r

Hetzelfde geldt met betrekking tot de vorderingen van NV C. in verband met de vaststelling van de inbreuk (zie hiervoor).

De vordering in hoofdorde wordt door het hof toegekend.

Z. België (zie hiervoor) wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan NV C.

Het hof gaat dan ook niet verder in op de vordering in ondergeschikte orde. 4.2.2.8. De vernietiging van de namaak of schenking aan een goed doel onder voorwaarden.

NV C. vraagt: "In hoof dorde Z., en in ondergeschikte orde Z. en S. solidair en in solidum minstens de ene bij gebreke van de andere, te bevelen om, op haar of hun kosten, alle nog in België aanwezige namaak ten laatste twee weken na de betekening van het tussen te komen vonnis te verzamelen en binnen deze termijn af te leveren bij een door de rechtbank in het tussen te komen vonnis aangestelde sekwester en om deze vervolgens op een nabije datum ofwel te vernietigen, of te laten vernietigen, in aanwezigheid van een gerechtsdeurwaarder die de verificatie doet, ofwel te schenken aan een door NV C. gekozen goed doel, eveneens mits verificatie door een gerechtsdeurwaarder, onder verbeurte van een dwangsom waarvan NV C. het minimum bedrag voorstelt van 2.500 EUR per kalenderdag vertraging en van 2.500 EUR per niet afgeleverd stuk."

Volgens artikel 86ter van de auteurswet kan (§ 2.) onverminderd de aan de benadeelde wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, de rechter op vordering van de partij die een vordering inzake namaak kan instellen de terugroeping uit het handelsverkeer, de definitieve verwijdering uit het handelsverkeer of de vernietiging gelasten van de inbreukmakende goederen, alsmede, in passende gevallen, van de materialen en werktuigen die voornamelijk bij de schepping of vervaardiging van die goederen zijn gebruikt.

Deze maatregelen worden uitgevoerd op kosten van de inbreukmaker, tenzij bijzondere redenen dit beletten.

Bij de beoordeling van een vordering als bedoeld in het 1 ste lid, wordt rekening gehouden met de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste maatregelen, alsmede met de belangen van derden.

Gelet op het weerhouden van de auteursrechtelijke bescherming en de auteursrechtelijke inbreuk wordt de vordering tot verzamelen en vernietiging gegrond verklaard.

Zoals de eerste rechter is ook dit hof van oordeel dat deze maatregel als evenredig te beschouwen is met de ernst van de auteursrechtelijke inbreuk.

De maatregelen zoals bevolen door de eerste rechter worden bevestigd. 4.2.2.9. Vordering tot vrijgave van de geconsigneerde gelden

Gelet op hetgeen hiervoor werd beslist, wordt de vordering van NV C. tot vrijgave en terugbetaling van de borgsom van 5.000 EUR in consignatie gegeven ter vrijwaring van de gebeurlijke rechten van Z., zoals de eerste rechter terecht oordeelde, gegrond verklaard.

4.2.2.10. De rechtsplegingsvergoeding

NV C. vordert een rechtsplegingsvergoeding van 14.000 EUR in eerste aanleg en 15.400 EUR in hoger beroep.

NV C. houdt voor dat Z. de procedure onnodig complex maakt, mede door het onnodige verzoek om een prejudiciële vraag te stellen. Verder beweert NV C. nog dat Z. dilatoire procedures voert waarin ze aan NV C. verwijt geen regeling te willen aanvaarden terwijl Z. zelf gedurende maanden niet het minste voorstel heeft geformuleerd. Zij verwijt Z. een halsstarrige procesvoering.

Het hof oordeelt dat een verhoging van de rechtsplegingsvergoeding hier is aangewezen. De zaak is complex (wat onder meer blijkt uit de omvangrijkheid van de conclusies die partijen hebben opgesteld).

De basisrechtsplegingsvergoeding bedraagt 7.000 EUR, geïndexeerd: 7.700 EUR. Aan NV C. wordt een vergoeding van 10.000 EUR toegekend.

Het feitelijke gegeven dat NV C. niet geheel in het gelijk wordt gesteld, is hier geen reden om een verdeling van de kosten uit te spreken.

Z. België wordt veroordeeld tot de kosten van NV C.

4.3. De vordering in vrijwaring van Z. België ten laste van S. Nederland

Z. België vraagt - in de mate dat het hof zou oordelen dat de vordering van NV C. enigszins gegrond is - dat S. Nederland haar zou vrijwaren.

Z. België houdt voor dat zij schade heeft geleden. Zij beschikt over een belang en haar vordering is ontvankelijk.

Nochtans wordt geen contractuele relatie aangetoond tussen Z. België en S. Nederland.

Klaarblijkelijk werd de kledij aangekocht door Z. Nederland (stuk 2 farde VI 'Varia' bundel van Z.).

Z. België beweert dat - ook al is er geen contractuele band - de vrijwaringsvordering een toebehoren van de verkochte zaak is die samen met de zaak op iedere koper overgaat. Zij beroept zich op de zogenaamde kwalitatieve rechten.

Deze laatste rechten betreffen het geval wanneer tussen de schuldvordering en het aan de schuldeiser toebehorende goed een zodanig verband bestaat dat het belang bij de uitoefening van de schuldvordering staat of valt met de hoedanigheid van eigenaar van het goed.

Zoals hiervoor aangehaald, blijkt uit het stukkenbundel van Z., dat de kledij door Z. Nederland van S. Nederland werd aangekocht.

Z. België toont niet aan dat zij de kledij op haar beurt aankocht (van Z. Nederland). De vrijwaringsvordering van Z. België ten laste van S. Nederland is niet gegrond. Z. België houdt voor dat in zover zij geen vrijwaringsvordering ten opzichte van S. Nederland zou hebben, Z. Nederland gehouden is om haar te vrijwaren.

Zoals hiervoor geoordeeld, kan de tussenkomst van Z. Nederland - voor het eerst in hoger beroep - geen aanleiding geven tot een veroordeling. Om die reden kan niet gezegd worden voor recht dat Z. Nederland gehouden is om Z. België te vrijwaren. Deze vordering is niet toelaatbaar.

Om dezelfde reden kan Z. Nederland in hoger beroep niet voor het eerst een veroordeling ten laste van S. Nederland vragen. Deze vordering is niet toelaatbaar.

Het arrest kan aan Z. Nederland enkel gemeen worden verklaard.

De overige argumenten van partijen doen dan ook niet ter zake.

Z. België wordt veroordeeld tot de kosten van S. Nederland, door deze begroot op 1.200 EUR.

4.4. Besluit:

- er wordt akte genomen van de vrijwillige tussenkomst van Z. Nederland;

- deze tussenkomst van Z. Nederland wordt ontvankelijk verklaard;

- het auteursrechtelijk karakter wordt vastgesteld van de werken 'Boys T-shirt style nr. 3703' en 'Boys Poloshirt style nr. 3705' waarvan NV C. over de auteursrechtelijke vermogensrechten beschikt;

- de auteursrechtelijke inbreuk in hoofde van Z. België wordt vastgesteld op de hiervoor vermelde kledij;

- Z. België wordt veroordeeld om aan NV C. ten titel van schadevergoeding 31.808,92 EUR te betalen, meer de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van het arrest;

- Z. België wordt bevolen om binnen 14 dagen na betekening van het arrest aan NV C. de voorlegging te doen van het bewijs van verzameling van alle nog in België aanwezige inbreukmakende kledingstukken op een plaats in België door Z. België te bepalen (plaats die tijdens de kantooruren en na verwittiging van bezoek toegankelijk dient te zijn zowel voor NV C. dan wel voor de door de haar aangestelde gerechtsdeurwaarder);

- de vernietiging van de betreffende kledij wordt bevolen binnen een termijn van 21 dagen na voorlegging van het bewijs van verzameling (met mogelijkheid tot controle van een door NV C. aangestelde gerechtsdeurwaarder), hetzij de gehele of gedeeltelijke schenking aan een door NV C. te bepalen doel (waarbij de aflevering in België dient te geschieden) door Z. België. De keuze hieromtrent dient aan Z. België te worden overgemaakt binnen 14 dagen na voorlegging van het bewijs door Z. België. Bij gebrek aan tijdige keuze door NV C. staat het Z. België vrij zelf één van de twee mogelijkheden te doen en uit te voeren binnen de hiervoor vermelde termijn;

- Z. België wordt veroordeeld tot de kosten die worden gemaakt in het kader van de verzameling, vernietiging en/of schenking, met uitzondering van de kosten verbonden aan de eventuele aanstelling van een gerechtsdeurwaarder door NVC.;

- de vrijgave wordt bevolen van de geconsigneerde borgsom van 5.000 EUR aan NV C., die werd opgelegd in het kader van de beschikking van 4 maart 2009;

- het meer- en/of anders gevorderde van NV C. wordt afgewezen;

- de vordering in vrijwaring van Z. België ten laste van S. Nederland wordt ontvankelijk doch ongegrond verklaard;

- de vordering in vrijwaring van Z. België ten laste van Z. Nederland, is niet toelaatbaar;

- de vordering in vrijwaring van Z. Nederland ten laste van S. Nederland is niet toelaatbaar;

- het arrest wordt gemeen verklaard aan Z. Nederland;

- het hoger beroep van Z. België is toelaatbaar doch niet gegrond;

- het incidenteel beroep van NV C. is toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond;

- Z. België wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld tot de kosten van het geding.

De overige argumenten en middelen van partijen nopen niet tot een andere besluitvorming van het hof.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak bij toepassing van artikel 7 4 7, § 2 Ger. W. ten aanzien van de vennootschap naar Nederlands recht S.T.I. BV.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Het hof:

- verwerpt alle andersluidende en meeromvattende conclusies als ongegrond, niet ter zake dienstig en/of overbodig;

- verleent akte aan de vennootschap naar Nederlands recht Z.T.S. BV dat zij vrijwillig tussenkomt in het geding;

- verklaart de tussenkomst van de vennootschap naar Nederlands recht Z.T.S. BV ontvankelijk;

- verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk;

- verklaart het hoger beroep van NV Z.T.S. ongegrond;

- verklaart het incidenteel beroep gegrond als volgt:

- hervormt het bestreden vonnis als volgt:

- rechtdoende op de vordering van NV C. ten laste van NV Z. T.S.:

- verklaart de vordering van NV C. ten laste van NV Z.T.S. gedeeltelijk gegrond als volgt:

- stelt het auteursrechtelijk karakter vast van de werken 'Boys T-shirt style nr. 3703' en 'Boys Poloshirt style nr. 3705' waarvan NV C. over de auteursrechtelijke vermogensrechten beschikt;

- stelt de auteursrechtelijke inbreuk in hoofde van Z. vast op de hiervoor vermelde kledij;

- veroordeelt NV Z.T.S. om aan NV C. ten titel van schadevergoeding te betalen de som van 31.808,92 EUR, meer de gerechtelijke moratoire interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van het arrest;

- beveelt NV Z.T.S. om binnen 14 dagen na betekening van het arrest aan NV C. de voorlegging te doen van het bewijs van verzameling van alle nog in België aanwezige inbreukmakende kledingstukken op een plaats in België door NV Z.T.S. te bepalen (plaats die tijdens de kantooruren en na verwittiging van bezoek toegankelijk dient te zijn zowel voor NV C. dan wel voor de door de haar aangestelde gerechtsdeurwaarder);

- beveelt de vernietiging van de betreffende kledij binnen een termijn van 21 dagen na voorlegging van het bewijs van verzameling (met mogelijkheid tot controle van een door NV C. aangestelde gerechtsdeurwaarder), hetzij de gehele of gedeeltelijke schenking aan een door NV C. te bepalen doel (waarbij de aflevering in België dient te geschieden) door NV Z.T.S. De keuze hieromtrent dient aan NV Z.T.S. te worden overgemaakt binnen 14 dagen na voorlegging van het bewijs door NV Z.T.S. Bij gebrek aan tijdige keuze door NV C. staat het NV Z.T.S. vrij zelf één van de twee mogelijkheden te doen en uit te voeren binnen de hiervoor vermelde term11n;

- veroordeelt NV Z.T.S. tot de kosten die worden gemaakt in het kader van de verzameling, vernietiging en/of schenking, met uitzondering van de kosten verbonden aan de eventuele aanstelling van een gerechtsdeurwaarder door NV C.;

- beveelt de vrijgave van de geconsigneerde borgsom van 5 .000 EUR aan NV C., die werd opgelegd in het kader van de beschikking van 4 maart 2009;

- wijst het meer- en/of anders gevorderde van NV C. af;

- rechtdoende op de vordering in vrijwaring van NV Z. T.S.:

- verklaart de vordering in vrijwaring van NV Z.T.S. ten laste van de vennootschap naar Nederlands recht S.T.I. BV ontvankelijk doch ongegrond; - verklaart de vordering in vrijwaring van NV Z.T.S. ten laste van de vennootschap naar Nederlands recht Z.T.S. BV niet toelaatbaar;

- verklaart de vordering in vrijwaring van de vennootschap naar Nederlands recht Z.T.S. BV tegen S.T.I. BV niet toelaatbaar;

- verklaart het arrest gemeen aan de vennootschap naar Nederlands recht Z.T.S. BV;

- veroordeelt NV Z.T.S. tot de kosten in beide aanleggen van NV C. en de vennootschap naar Nederlands recht S.T.I. BV, vastgesteld als volgt:

aan de zijde van NV C.:

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 10.000 EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 11.000 EUR

aan de zijde van de vennootschap naar Nederlands recht S.T.I. BV:
- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 1.200 EUR
- geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding hoger 1.320 EUR
beroep:
( ... )
 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 16/06/2013 - 22:07
Laatst aangepast op: di, 14/06/2016 - 13:41

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.