-A +A

Sanctie schending wet consumentenkrediet

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 17/11/2014

Hoewel de nietigverklaring van een overeenkomst in principe met terugwerkende kracht gebeurt en de partijen verplicht zijn om de zaken in hun oorspronkelijke staat te herstellen, wordt de toepassing van dit principe echter overgelaten aan de onaantastbare beoordeling van de feitenrechter die, rekening houdend met de bescherming van de sociale orde en de rechtvaardigheid, op de best mogelijke manier de naleving van de doelstelling van de wetgever moet verzekeren en onderzoeken of die naleving het best wordt gerealiseerd door de teruggave of net de weigering daarvan.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
912
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

BVBA L. t/ M.

1. Feitenrelaas

BVBA L. (appellante, hierna “L.”) is een onderneming gespecialiseerd in bewakings- en beveiligingsmaterialen en -diensten. De heer J. M. (geïntimeerde) lijdt aan multiple sclerose en is rolstoelgebonden.

Op 4 november 2010 werd een eerste overeenkomst gesloten tussen partijen, ten huize van de heer M., nadat deze laatste daags voordien telefonisch door L. dienaangaande was gecontacteerd. Deze overeenkomst had betrekking op de levering en plaatsing van branddetectoren, een alarmcentrale, een agressiealarm, evenals telebewaking, een dienstenpakket en een onderhoudscontract.

De heer M. voert aan en L. ontkent dit niet, dat hij in de dagen voordien meermaals telefonisch werd opgeroepen, maar dat werd ingelegd toen hij de telefoon opnam. Volgens de raadsman van L. maakt L. wel degelijk gebruik van dergelijke telefoons om potentiële klanten alert te maken voor risico’s op inbraken of overvallen.

Deze overeenkomst vermeldt een totaalprijs van 4.900 euro, inclusief btw, waarvan 900 euro te betalen bij plaatsing en het saldo a rato van 136,82 euro per maand over een periode van 36 maanden.

Daarnaast werd de prijs van 2,70 euro per dag voor de telebewaking, van 1,15 euro per dag voor het dienstenpakket en van 150 euro per jaar voor het onderhoudscontract bedongen. Ten slotte werd vermeld dat de heer M. levenslang een korting van 50% zou genieten op de prijs van de telebewaking en dat het dienstenpakket de eerste vijf jaar gratis zou zijn.

Aangezien de heer M. volgens L. geen financiering kon verkrijgen bij de bank voor de voormelde overeenkomst, hebben partijen voor het voormelde materiaal een huurkoopovereenkomst gesloten, die eveneens op 4 november 2010 werd gedateerd en die de eerdere overeenkomst verving.

Volgens deze nieuwe overeenkomst diende een voorschot van 900 euro te worden betaald, bedroeg de maandelijkse huurprijs 174,19 euro, inclusief btw, en had de overeenkomst een duurtijd van zestig maanden. De huurprijs omvatte volgens deze vervangende overeenkomst zowel de prijs voor het materiaal als voor de telebewaking, het dienstenpakket en het jaarlijks onderhoud.

Op 24 november 2010 ondertekende de heer M. een domiciliëringsopdracht ten behoeve van L.

Op het ogenblik van de levering en de plaatsing van de voormelde goederen op 24 november 2010 sloten partijen een tweede overeenkomst voor de levering van twee brandblusapparaten, tegen de prijs van 95 euro per stuk, gekoppeld aan een onderhoudscontract van 15 euro per apparaat per jaar.

Op 29 november 2010 betaalde de heer M. 1.090 euro aan L. en ook de volgende facturen van L. werden betaald tot de raadsman van de heer M., L. op 7 april 2011 aanschreef om de overeenkomsten te beëindigen en terugbetaling te vorderen van de betaalde bedragen.

2. Voorafgaande rechtspleging

12.1. Op 13 mei 2011 bracht de heer M. de gedinginleidende dagvaarding uit (...).

...

Voor de eerste rechter vorderde de heer M. dat de overeenkomsten van 4 november 2010 en van 24 november 2010 nietig zouden worden verklaard, dat L. bijgevolg zou worden veroordeeld tot betaling van 2.861,90 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten en gerechtelijke interesten (...). Tevens vorderde de heer M. voorbehoud voor de bedragen die hij inmiddels nog aan L. zou hebben betaald.

Bij wijze van tegeneis vorderde L. dat voor recht zou worden gezegd dat de heer M. de voormelde overeenkomsten eenzijdig en vroegtijdig had beëindigd per 11 april 2011, dat de heer M. bijgevolg zou worden veroordeeld tot betaling van 3.600 euro, 1.530 euro, 525 euro en 84 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten en de gerechtelijke interesten.

2.2. In het bestreden vonnis werd de tegeneis toelaatbaar maar ongegrond verklaard. De hoofdeis werd toelaatbaar en in de volgende mate gegrond verklaard. De overeenkomsten van 4 november 2010 en van 24 november 2010 werden nietig verklaard. L. werd veroordeeld tot betaling aan de heer M. van 2.861,90 euro, te vermeerderen met de verwijlinteresten tegen de wettelijke rentevoet vanaf de data van betaling van de respectieve facturen tot aan de datum van de gedinginleidende dagvaarding en vanaf dan met de gerechtelijke interesten tegen dezelfde rentevoet tot aan de datum van de volledige betaling. Er werd een voorbehoud verleend aan de heer M. voor de bedragen die hij inmiddels nog aan L. zou hebben betaald (...).

De eerste rechter oordeelde dat de betwiste overeenkomsten dermate onduidelijk en verwarrend waren dat de heer M. had gedwaald over de prijs van beide overeenkomsten, dat dit een dwaling betrof over de zelfstandigheid van de zaak en dat deze dwaling verschoonbaar was.

Aangezien deze overeenkomsten nietig waren, was de tegeneis ongegrond.

3. Eisen in hoger beroep

L. heeft hoger beroep ingesteld teneinde het bestreden vonnis te horen vernietigen, bijgevolg de oorspronkelijke hoofdeis ongegrond te horen verklaren en op tegeneis de heer M. te horen veroordelen tot betaling van alle vervallen huurtermijnen, subsidiair tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan 20% van de nog te vervallen huurtermijnen.

In haar laatste conclusie in hoger beroep, neergelegd op 3 oktober 2014 ter griffie van dit hof, breidt L. haar tegeneis uit door subsidiair te vorderen dat – indien de betwiste overeenkomsten nietig zouden zijn – deze nietigheid slechts ex nunc zou worden uitgesproken, rekening houdende met de reeds geleverde prestaties en de waardevermindering van de geleverde en geplaatste materialen.

4. Beoordeling

...

4.2. Gegrondheid van het hoger beroep

4.2.1. De rechter wordt door de wet verplicht om zelf de bepalingen van dwingend recht toe te passen, tenzij de partij die door deze dwingende wetsbepalingen wordt beschermd, van deze bescherming afstand heeft gedaan. Zolang de partij die door een dwingende wetsbepaling wordt beschermd, geen afstand heeft gedaan van die bescherming, heeft de rechter zich ten aanzien van die bepaling te gedragen alsof ze de openbare orde raakt en moet hij ze ambtshalve opwerpen (in deze zin: Cass. 2 mei 1946, Pas. 1946, I, 168; Cass. 24 september 1953, Pas. 1953, I, 36; Cass. 24 november 1978, Pas. 1979, I, 352; Cass. 14 januari 1982, Pas. 1982, I, 595; Cass. 7 januari 2003, Arr.Cass. 2003, 61).

Op de terechtzitting van 22 september 2014 werden partijen ambtshalve door het hof uitgenodigd om standpunt in te nemen over de dwingende bepalingen van artikel 7 van de wet op het consumentenkrediet (hierna: “WCK”) en de gevolgen van deze wetsbepaling voor de beslechting van dit geschil.

...

4.2.2. Overeenkomstig art. 1, 1o WCK is een consument – voor de toepassing van deze wet – elke natuurlijke persoon die ten aanzien van de onder deze wet vallende verrichtingen handelt met een oogmerk dat geacht kan worden vreemd te zijn aan handels-, beroeps- of ambachtelijke activiteiten. Art. 1, 2o WCK definieert een kredietgever als elke natuurlijke persoon, elke rechtspersoon of elke groep van dergelijke personen, die een krediet toestaat binnen het kader van zijn handels- of beroepsactiviteiten. Ten slotte bepaalt art. 1, 4o WCK dat onder kredietovereenkomst moet worden verstaan, elke overeenkomst waarbij een kredietgever een krediet verleent of toezegt aan een consument in de vorm van uitstel van betaling, van een lening, of van elke andere soortgelijke betalingsregeling en bepaalt art. 1, 10o WCK uitdrukkelijk dat een huurkoopovereenkomst een kredietovereenkomst is.

Er bestaat geen betwisting tussen partijen dat de heer M. een consument is in de voormelde zin. Voorts bestaat er geen enkele betwisting over dat L. heeft gehandeld binnen het kader van haar handelsactiviteit en blijkt uit de voorgelegde stukken dat L. op 4 november 2010 een huurkoopovereenkomst heeft gesloten met de heer M., waarbij materiaal werd geleverd en geplaatst tegen betaling van een voorschot van 900 euro, gevolgd door gespreide betalingen over een periode van zestig maanden. Bijgevolg is de betwiste overeenkomst van 4 november 2010 wel degelijk een consumentenkredietovereenkomst die valt onder het toepassingsgebied van de voormelde wet.

4.2.3. Art. 7 WCK [thans VII.67, 1°194 Wetboek van Economisch Recht met een ruimer toepassingsgebied].bepaalt dat:

“Het leuren voor kredietovereenkomsten aan de woonplaats of verblijfplaats van de consument is verboden, behalve wanneer de kredietgever of de kredietbemiddelaar zich naar de woonplaats of verblijfplaats van de consument heeft begeven op het uitdrukkelijk en voorafgaand verzoek van deze laatste. Het bewijs van dat verzoek kan alleen geleverd worden door een van de kredietovereenkomst onderscheiden geschrift, opgesteld v´´r het bezoek.

“De consument opbellen om hem een bezoek voor te stellen wordt als leuren aan de woonplaats beschouwd.”

Het bijkomende overtuigingsstuk, dat door L. op 3 oktober 2014 werd voorgebracht, betreft een niet-gedateerd document, met als opschrift “risico-analyse”, ondertekend door de heer M., waarin deze laatste uitdrukkelijk aan L. vraagt “om, op basis van deze risicoanalyse, zich opnieuw bij ons thuis aan te melden om te onderhandelen over de aanschaf van een beveiligingssysteem en dit op volgende datum: 4 november 2010”.

Uit geen enkel element van het dossier noch uit het voormelde document zelf blijkt dat dit document werd opgesteld v´´r het bezoek van de aangestelde van L. aan de woning van de heer M. Dit document voldoet dan ook niet aan de voormelde wetsbepaling, zodat de heer M. afdoende bewijst dat L. – in strijd met art. 7 WCK – voor de betwiste kredietovereenkomst van 4 november 2010 heeft geleurd aan de woonplaats van de heer M.

4.2.4. Art. 85 WCK [thans VII.194 Wetboek van Economisch Recht]. bepaalt:

“Onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, verklaart de rechter de overeenkomst nietig of vermindert de verplichtingen van de consument en dit hoogstens tot de prijs van het goed of de dienst bij contante betaling of tot het ontleende bedrag en dit met behoud van het voordeel van de betaling in termijnen wanneer de kredietovereenkomst werd gesloten naar aanleiding van een in de artikelen 7, 8 en 9 bedoelde onwettige verkoopmethode”.

Deze wetsbepaling verleent de rechter de keuze om de sanctie toe te passen die aan de consument de grootste rechtsbescherming verleent, alle concrete omstandigheden van de zaak in acht genomen.

De eerste rechter heeft de overeenkomst van 4 november 2011 bijgevolg terecht vernietigd – weliswaar ten onrechte wegens een vermeend wilsgebrek – omdat uit het bijkomende overtuigingsstuk van L. blijkt dat zij zich wel degelijk bewust was van het verbod van art. 7 WCK, dat zij dit verbod met volle kennis van zaken heeft geschonden en gelet op de kwetsbare positie van de heer M. Het hoger beroep is in de voormelde mate ongegrond.

4.2.5. Het wordt niet aangetoond dat de heer M. afstand zou hebben gedaan van zijn recht om de nietigheid van de betwiste overeenkomsten te vorderen, noch dat hij zijn rechten ter zake op enige wijze zou hebben verwerkt. De nietigheid van deze overeenkomst werd ook niet gedekt door het begin van uitvoering dat deze overeenkomst heeft gekend.

Hoewel de nietigverklaring van een overeenkomst in principe met terugwerkende kracht gebeurt en de partijen verplicht zijn om de zaken in hun oorspronkelijke staat te herstellen, wordt de toepassing van dit principe echter overgelaten aan de onaantastbare beoordeling van de feitenrechter die, rekening houdend met de bescherming van de sociale orde en de rechtvaardigheid, op de best mogelijke manier de naleving van de doelstelling van de wetgever moet verzekeren en onderzoeken of die naleving het best wordt gerealiseerd door de teruggave of net de weigering daarvan.

Wegens de concrete elementen van deze zaak heeft de eerste rechter L. terecht veroordeeld tot terugbetaling van wat de heer M. aan haar heeft betaald ingevolge de nietige overeenkomst, vermeerderd met de interesten tegen de wettelijke rentevoet. Omwille van de sociale orde, de rechtvaardigheid en teneinde het doel van de wet op het consumentenkrediet het best te verwezenlijken, bestaat er in dit geval geen aanleiding om de gevolgen van deze nietigverklaring te beperken tot het heden (ex nunc).

Het hoger beroep is ook op dit punt ongegrond.

4.2.6. De overeenkomst van 24 november 2010, die betrekking heeft op de verkoop van brandblusapparaten voor 95 euro per stuk en een onderhoudscontract van 15 euro per jaar en per toestel, valt niet onder het toepassingsgebied van de WCK.

Er wordt evenmin aangetoond dat de toestemming van de heer M. bij deze overeenkomst door dwaling of bedrog werd aangetast.

De eerste rechter heeft de overeenkomst van 24 november 2010 dan ook ten onrechte vernietigd en het bestreden vonnis dient op dit punt te worden hervormd.

4.2.7. De heer M. toont echter wel aan dat de betwiste overeenkomst van 24 november 2010 tot stand kwam ingevolge de oneerlijke en agressieve handelspraktijken van L. Zo blijkt uit de voorgelegde stukken en de conclusies van partijen dat L. feitelijk onjuiste beweringen heeft gedaan betreffende de aard en de omvang van het gevaar dat de persoonlijke veiligheid van de heer M. zou bedreigen indien hij de overeenkomst van 24 november 2010 niet sloot, in strijd met art. 91, 12o van de wet van 6 april 2010 op de marktpraktijken en de consumentenbescherming dat van kracht was op het ogenblik waarop de betwiste overeenkomst werd gesloten.

Zo blijkt ook – alle omstandigheden van de zaak in aanmerking genomen, rekening houdende met de feitelijke context waarin de betwiste handelingen werden gesteld en de lichamelijke handicap van de heer M. – dat L. zich door middel van herhaalde telefoons en vermeende risicoanalyses heeft bezondigd aan ongepaste beïnvloeding, die van die aard was dat zij een gemiddelde consument in dezelfde omstandigheden geplaatst aanzienlijk had beperkt of kon beperken in zijn keuzevrijheid om de betwiste overeenkomst al dan niet te sluiten, in strijd met art. 92 van de wet van 6 april 2010 op de marktpraktijken en de consumentenbescherming dat van kracht was op het ogenblik waarop de betwiste overeenkomst werd gesloten.

Wanneer een overeenkomst met een consument werd gesloten ingevolge de voormelde oneerlijke en agressieve handelspraktijken, kan de rechter de terugbetaling aan de consument van de door hem reeds betaalde sommen bevelen, zonder teruggave van de reeds geleverde producten of van de verleende diensten (in deze zin: R. Steennot, Handboek Consumentenbescherming en Handelspraktijken, Antwerpen, Intersentia, 2007, nr. 145). De eerste rechter heeft in dit geschil een correcte toepassing gemaakt van deze sanctie, zodat het hoger beroep ook op dit punt ongegrond is.

4 2.8. Om de voormelde redenen heeft de eerste rechter de tegeneis van L. terecht ongegrond verklaard, zodat ook dit onderdeel van het hoger beroep ongegrond is.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 08/03/2017 - 13:38
Laatst aangepast op: wo, 08/03/2017 - 13:38

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.