-A +A

Samenwoningsplicht

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Eerste Aanleg
Plaats van uitspraak: Brussel
Datum van de uitspraak: 
woe, 30/03/2016
A.R.: 
C.13.0335.N

De feitelijke scheiding is de verbroken band tussen echtgenoten die niet meer samenwonen en de verplichting tot samenwoning aldus niet nakomen, maar die wel gehuwd blijven.

Er is geen sprake van feitelijke scheiding wanneer partijen door omstandigheden buten hun wil om (tijdelijk of blijvend) niet bij mekaar wonen. Vb. opname in rusthuis, buitenlandse missies...

De feitelijke scheidng staat aldus tegeover de samenwoning van de gehuwden en omvat ook een intentioneel element, namelijk het doel om samen te leven als man en vrouw. Aldus is er een inbreuk op de samenwoningsplicht en is er dus feitelijke scheiding wanneer één van de echtelieden in boelschap leeft met een andere persoon.De getruwheidsverplichting impliceert de plicht tot het beëindigen van seksuele imgang met derden.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2016/15
Pagina: 
1149
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Famrb. Brussel (254ste k.) (nl.), 30/03/2016

(A.L., M.L. / F.L., M.H. - Rolnr.: 14/4709/A)

(Advocaten: Mr. G. Soares loco Mr. E. Boydens en Mr. W. Broothaers)

(…)

Bespreking
De rechtbank wijst in eerste orde naar de gegevens en de uiteenzettingen opgenomen in haar tussenvonnis van 17 juni 2015.

Na tussenvonnis werden de daarin weerhouden vragen opgelost in die zin dat eiseressen het bewijs van overschrijving overeenkomstig artikel 2 hypotheekwet voorleggen en dat de raadsman van verweerder verklaard heeft ook op te treden namens mevrouw M.H., die vrijwillig in de procedure tussenkomt.

Het behoort haar daarvan akte te verlenen.

De rechtbank verwijst naar de bepalingen van het huwelijkscontract tussen verweerder en de overleden moeder van eiseressen, en de wijzigingen daarvan zoals geciteerd in het tussenvonnis; en de rechtbank dient zich derhalve uit te spreken nopens het feit of er op het moment van het overlijden van de moeder van eiseressen (15 juli 2013) een feitelijke scheiding bestond.

De rechtsgeldigheid van het verblijvingsbeding dat ingevolge de wijziging van 23 oktober 2008 werd opgenomen wordt niet ernstig betwist, derwijze dat de rechtbank zich derhalve dient uit te spreken nopens het feit of er op het moment van het overlijden van de moeder van eiseressen (15 juli 2013) een feitelijke scheiding bestond.

De wederzijdse argumenten van partijen worden, in de mate dat zij relevant zijn voor de oplossing van het geschil, beoordeeld zoals hierna bepaald.

Op grond van de gegevens, door partijen verstrekt en op grond van de door partijen voorgelegde stukken, dient het volgende te worden weerhouden:

dat verweerder reeds enige tijd voor het overlijden van mevrouw M. een openlijke buitenechtelijke relatie had met de vrijwillig tussenkomende partij;
dat deze relatie klaarblijkelijk reeds bestond op het moment van de aangebrachte wijziging op 23 oktober 2008;
dat mevrouw M. in september 2009 werd opgenomen in een rusthuis, alwaar zij verbleven heeft tot aan haar overlijden;
dat de vrijwillig tussenkomende partij sedert 23 oktober 2009 gedomicilieerd is in de echtelijke woning L.-M. en daar de facto met verweerder samenwoonde.
Verweerder betwist het aldus niet dat hij gedurende vele jaren een relatie had met de vrijwillig tussenkomende partij, noch dat deze sedert 23 oktober bij hem woont in de echtelijke woning en zulks sedert 23 oktober 2009.

Verweerder stelt dat het hier evenwel om een latrelatie ging, waarvan wijlen mevrouw M. en ook de overige familieleden op de hoogte waren en welke door hen werd aanvaard.

Op grond van de gegevens van het dossier blijkt genoegzaam dat er kennelijk een zekere aanvaarding, minstens een gelatenheid bestond in hoofde van zowel mevrouw M. als van eiseressen ten overstaan van de situatie die verweerder had gecreëerd.

Verweerder stelt evenwel volstrekt ten onrechte dat deze toestand niet kan worden beschouwd als een feitelijke scheiding zoals bedoeld in de betreffende bepaling van 23 oktober 2008, gezien de feitelijke scheiding een feitelijk en een intentioneel bestanddeel vereist en dit intentioneel bestanddeel in casu niet voorhanden was.

Wijlen mevrouw M. bleef weliswaar tot aan haar overlijden gedomicilieerd in de echtelijke woning, doch zij verbleef in haar laatste levensjaren in een rusthuis.

Daarmee was de feitelijke scheiding ruimtelijk een feit, doch gezien de handelwijze van verweerder en gelet op de door hem gecreëerde situatie, zeker vanaf het ogenblik dat hij vanaf oktober 2009 met de vrijwillig tussenkomende partij de facto samenwoonde kan niet anders dan worden besloten dat er sprake was van een feitelijke scheiding tussen hemzelf en mevrouw M.

Noch het feit dat de buitenechtelijke relatie aan mevrouw M. bekend was, noch het feit dit ook reeds het geval was op het moment dat de wijzigingsclausule in het huwelijkscontract werd opgenomen kunnen daaraan afbreuk doen.

Uit niets blijkt dat wijlen mevrouw M. daadwerkelijk haar instemming heeft betuigd met de handelwijze van verweerder: eerder moet worden aangenomen dat zij weinig keuze had en gezien haar gezondheidstoestand de door verweerder gecreëerde situatie heeft moeten ondergaan.

Het begrip “feitelijke scheiding” wordt niet in concreto door de wetgever omschreven.

Een feitelijke scheiding kan worden beschouwd als de toestand waarbij de echtgenoten de samenwoningsplicht niet meer nakomen, maar waarbij het huwelijk wel blijft bestaan.

Waar het loutere feit dat de echtgenoten op een andere locatie verblijven (in casu de situatie waarbij mevrouw M. in het rusthuis verbleef) niet noodzakelijk moet leiden tot het verzaken aan de samenwoningsplicht, is dit in casu wel degelijk het geval geweest, gezien de buitenechtelijke relatie van verweerder en zijn feitelijke samenwoning met de vrijwillig tussenkomende partij.

De samenwoning houdt in dat de echtgenoten als gemeenschappelijk doel hebben om samen onder één dak te wonen, intentioneel element dat in casu duidelijk niet meer aanwezig was, alleszins niet in hoofde van verweerder.

De samenwoningsplicht behoort tot het wezen van het huwelijk en bij de beoordeling van het begrip “samenwonen als echtgenoten” in het licht van artikel 213 BW dient onderzocht te worden of de echtgenoten in de echtelijke verblijfplaats, zijnde de plaats waar de echtgenoten hun huwelijksplichten volbrengen, als gehuwden met elkaar omgaan (cf. Rb. Gent 27 april 1989, TRG 1989, 145-146).

De getrouwheidsplicht impliceert de onthouding van seksuele omgang met iemand anders dan de mede-echtgenoot; deze huwelijksplicht raakt de openbare orde.

Uit hetgeen voorafgaat kan niet anders dan wettig en overtuigend worden besloten dan dat verweerder noch aan zijn plicht tot getrouwheid, noch aan zijn samenwoningsplicht heeft voldaan en dat hij bijgevolg een situatie heeft gecreëerd die wel degelijk te beschouwen is als een feitelijke scheiding.

Bijgevolg kan er, overeenkomstig de huwelijksvoorwaarden van verweerder en wijlen mevrouw M., in het bijzonder ingevolge de wijzigingsclausule van 23 oktober 2008 geen sprake zijn van een toedeling aan verweerder van het gemeenschappelijk vermogen en aldus van het onroerend goed, gelegen, doch dient dit gemeenschappelijk vermogen in twee helften te worden verdeeld, waarvan de helft van wijlen M. in haar nalatenschap is gevallen.

Gezien er ter zake geen akkoord is tussen partijen, vermag de rechtbank in het aanstellend vonnis inzake gerechtelijke vereffening niet de verkoop bevelen van de onverdeelde goederen, ter zake wordt verwezen naar de bevoegdheden van de boedelnotaris overeenkomstig artikel 1224 Ger.W.

OM DEZE REDENEN

DE FAMILIERECHTBANK

(…)

Geeft akte aan mevrouw M.H. van haar vrijwillige tussenkomst;

Beveelt de vereffening en de verdeling van de nalatenschap van wijlen mevrouw M., overleden op 15 juli 2013;

Stelt notaris J.P.C., met standplaats te (…) aan als notaris-vereffenaar;

Zegt voor recht dat ingevolge de huwelijksvoorwaarden destijds afgesloten tussen de overledene M. en verweerder F.L., zijnde het huwelijkscontract d.d. 17 juli 1963 en de wijzigingen van 26 maart 1993 en 23 oktober 2008 er geen sprake kan zijn van toebedeling aan F.L. van het volledige gemeenschappelijk vermogen, gezien er bij het overlijden van M. sprake was van een feitelijke scheiding tussen haarzelf en F.L.

(…)

Waar aanwezig was: D. Vanderwaeren, rechter.

Tegen het vonnis werd hoger beroep aangetekend.

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 25/11/2016 - 18:25
Laatst aangepast op: vr, 25/11/2016 - 18:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.