-A +A

Samenhang welke rechter is bevoegd

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 11/01/2018
A.R.: 
C.17.0221.N

Krachtens artikel 566 Gerechtelijk Wetboek kunnen verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn, voor dezelfde rechtbank samengevoegd worden met inachtneming van de voorrang, bepaald in artikel 565, tweede lid, 1° en 2° en 4° tot 8° van dit wetboek.

Artikel 565, tweede lid Gerechtelijk Wetboek bepaalt de regels van voorrang in geval van aanhangigheid.

Artikel 565, derde lid Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer een van de vorderingen tot de uitsluitende bevoegdheid van een bepaalde rechtbank behoort, alleen deze bevoegd is om van de gezamenlijke vorderingen kennis te nemen.

Deze regel heeft voorrang op de voorrangsregels uit het tweede lid.

Uit de samenhang tussen deze bepalingen volgt dat in geval van samenhang alleen de rechter die uitsluitend bevoegd is om van één van de vorderingen kennis te nemen, bevoegd is om kennis te nemen van de gezamenlijke vorderingen.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2017-2018
Pagina: 
361
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.17.0221.N
AXA ASSURANCE LUXEMBOURG, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te LU 1325 Luxemburg (Groot-Hertogdom Luxemburg), rue de la Chapelle 7,
eiseres,

tegen
SECUREX ARBEIDSONGEVALLEN, gemeenschappelijke verzekeringskas tegen arbeidsongevallen, met zetel te 9000 Gent, Verenigde Natieslaan 1,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 december 2014.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 566 Gerechtelijk Wetboek kunnen verschillende vorderin-gen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, wel-ke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken moeten worden ge-bracht, indien zij samenhangend zijn, voor dezelfde rechtbank samengevoegd worden met inachtneming van de voorrang, bepaald in artikel 565, tweede lid, 1° en 2° en 4° tot 8° van dit wetboek.

Artikel 565, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, bepaalt de regels van voorrang in geval van aanhangigheid.

2. Artikel 565, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer een van de vorderingen tot de uitsluitende bevoegdheid van een bepaalde rechtbank be-hoort, alleen deze bevoegd is om van de gezamenlijke vorderingen kennis te nemen.

Deze regel heeft voorrang op de voorrangsregels uit het tweede lid.

3. Uit de samenhang tussen deze bepalingen volgt dat in geval van samenhang alleen de rechter die uitsluitend bevoegd is om van één van de vorderingen kennis te nemen, bevoegd is om kennis te nemen van de gezamenlijke vorderingen.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 905,49 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer en in openbare rechtszitting van 11 januari 2018

 

VOORZIENING IN CASSATIE

VOOR : De vennootschap naar buitenlands recht AXA ASSU-RANCE LUXEMBOURG, ingeschreven in het RC Luxembourg onder nr. B53466 en met maatschappelijke zetel in het Groot-Hertogdom Luxembourg, LU 1325 Luxemburg, rue de la Chapelle 7,

Eiseres tot cassatie, 

TEGEN : De gemeenschappelijke verzekeringskas tegen arbeids-ongevallen SECUREX, voortaan genaamd SECUREX ARBEIDSONGEVALLEN, ingeschreven in de Kruis-puntbank der ondernemingen onder nummer 0400.037.896 en met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Verenigde Natieslaan 1,

Verweerster in cassatie.

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en He-ren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiseres heeft de eer het arrest, gewezen door de eerste kamer van het Hof van beroep te Gent op 18 december 2014 (2012/AR/2642), aan het toezicht van Uw Hof te onderwerpen.

 

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1. Dit dossier betreft een ongeval dat op 15 maart 2007 te Malmedy plaatsvond en waarbij de heer V., werknemer van de bvba Evirotop, gewond raakte.

Het ongeval vond plaats toen de heer V. de laadbak loste van een vrachtwagen die door zijn werkgever werd gehuurd en in WAM was verzekerd door eiseres.

Verweerster, arbeidsongevallenverzekeraar van de bvba Eviro-top, vorderde vanwege eiseres terugbetaling van haar uitgaven ten voordele van het slachtoffer. Eind 2018 ging eiseres over tot betaling van 17.498,24 EUR.

Naderhand, nadat verweerster haar bij brief van 12 januari 2010 had meegedeeld dat het ongeval op Belgisch grondgebied had plaatsgevonden, kwam eiseres tot het besluit dat het ongeval geen verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet uitmaakt en zij derhalve niet gehouden is tot vergoeding van verweerster.

2. Bij ingebrekestelling van 3 mei 2011 vorderde eiseres van-wege verweerster terugbetaling van de onverschuldigd betaalde som van 17.498,24 EUR. Op 8 november 2011 dagvaardde eiseres ver-weerster te dien einde voor de Rechtbank van eerste aanleg te Gent.

Verweerster stelde bij besluiten een tegenvordering in, ertoe strekkende eiseres, op grond van artikel 29bis van de WAM-wet, te horen veroordelen tot verdere terugbetaling van haar uitgaven ten voordele van de heer V., ten belope van 102.169,09 EUR, met voor-behoud voor verdere uitgaven.

3. Bij vonnis van 18 juni 2012 oordeelde de Rechtbank van eerste aanleg te Gent dat het ongeval een zuiver arbeidsongeval uitmaakt en geen verkeersongeval in de zin van artikel 29bis van de WAM-wet, vermits de val van de heer V. in de laadbak van de vrachtwagen plaatsgreep buiten iedere deelname van de vrachtwagen aan het verkeer.

De hoofdvordering werd gegrond verklaard, zodat verweerster veroordeeld werd tot terugbetaling aan eiseres van 17.498,24 EUR, meer intresten, terwijl de tegenvordering als ongegrond werd afge-wezen.

4. Verweerster tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis.

Bij arrest van 18 december 2014 stelde het Hof van beroep te Gent vast dat het onbevoegd is om over het geschil te oordelen en verwees de zaak naar de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zetelend in graad van hoger beroep en anders samengesteld.

5. Tegen dit arrest meent eiseres volgend middel tot cassatie te kunnen aanvoeren.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen

artikelen 563, 565 (zoals van kracht vóór en na wijziging bij wet van 30 juli 2013), 566 (zoals van kracht vóór en na wijziging bij wet van 30 juli 2013), 568, 577, eerste lid, 601bis en 602,1° van het Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het Hof van beroep te Gent stelt in het arrest van 18 december 2014 vast dat het onbevoegd is om over het geschil te oordelen en verwijst de zaak naar de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zetelend in graad van beroep en anders samengesteld.

Het hof van beroep stoelt deze beslissing op volgende motieven:

"voorgaanden

Op 15 maart 2007 werd E. V., een werknemer van de sprl Evirotop, het slachtoffer van een arbeidsongeval. De werkgever heeft een ar-beidsongevallenverzekering afgesloten bij (verweerster).

E. V. bestuurde een vrachtwagen met laadbak, die door zijn werkgever gehuurd werd bij de sprl ITCJ. De burgerlijke aansprakelijkheid waartoe het gebruik van de vrachtwagen aanleiding kan geven was verzekerd bij (eiseres).
Bij aankomst op de private werf heeft E. V. de vrachtwagen gepar-keerd. Vervolgens is hij in de laadbak van de stilstaande vrachtwagen geklommen om deze te lossen. Het is bij deze beweging dat hij het evenwicht heeft verloren en in de laadbak is gevallen.

(Eiseres) heeft naar aanleiding van dit schadegeval een bedrag van euro 17.498,24 betaald aan de arbeidsongevallenverzekeraar van de sprl Evirotop. Zij meent dat er sprake is van een onverschuldigde betaling vermits het ongeval een arbeidsongeval betreft en niet valt onder toepassing van art. 29bis Wam.
(Eiseres) vorderde voor de eerste rechter de terugbetaling van dit bedrag, meer de vergoedende rente vanaf 30 januari 2009, zijnde de datum van betaling.

(Verweerster) daarentegen is van oordeel dat het ongeval wel valt onder toepassing van art. 29bis Wam. Zij vorderde bij wijze van te-genvordering de veroordeling van (eiseres) tot het betalen van de som van euro 102.169,09, met voorbehoud voor verdere uitgaven voor medische kosten, tijdelijke ongeschiktheid en blijvende arbeidson-geschiktheid.

De eerste rechter heeft geoordeeld dat het ongeval niet onder toe-passing van art. 29bis Wam valt omdat de val in de laadbak van de vrachtwagen is gebeurd buiten iedere deelname aan het verkeer door de vrachtwagen. Het ongeval is niet gebeurd bij het in- en uitstappen van de vrachtwagen, maar wel door op onvoorzichtige en ondoordachte wijze in de laadbak van de vrachtwagen te kruipen om deze te lossen.
De eerste rechter heeft dan ook de hoofdvordering gegrond en de tegenvordering ongegrond verklaard.

(Verweerster) is het oneens met de zienswijze van de eerste rechter en heeft hoger beroep aangetekend.

Zij stelt dat de eerste rechter ten onrechte is overgegaan tot de be-oordeling van het schadegeval in het licht van art. 29bis Wam. De eerste rechter heeft nagelaten te onderzoeken of aan de voorwaarden van art. 1376 en 1377 BW is voldaan. Zij is van oordeel dat (eiseres) met kennis van zaken en zonder het minste voorbehoud tot betaling is overgegaan, zodat zij geen terugbetaling kan vorderen. De eerste rechter had de hoofdvordering gegrond (lees: ongegrond) moeten verklaren en in het verlengde daarvan haar tegenvordering gegrond moeten verklaren.

Voor zover de vordering verband houdt met art. 29bis Wam meent (verweerster) dat de eerste rechter en ook het hof onbevoegd zijn om over de vordering van (eiseres) te oordelen.

Tot slot houdt zij voor dat de eerste rechter ten onrechte heeft ge-oordeeld dat het ongeval niet onder toepassing valt van art. 29bis Wam.

Zij herneemt haar vordering zoals gesteld voor de eerste rechter.

 

(Eiseres) vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

Zij is tevens van mening dat het hof onbevoegd is om over de vorde-ring van (verweerster) te oordelen.

beoordeling

Overeenkomstig art. 563 Ger.W. is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om kennis te nemen van de tegenvorderingen, ongeacht hun aard en hun bedrag.
Deze regel is echter niet van toepassing wanneer de tegenvordering behoort tot de exclusieve bevoegdheid van een andere rechtbank (...).

De partijen zijn het erover eens dat de tegenvordering gesteund is op art. 29bis Wam en dat deze problematiek tot de exclusieve be-voegdheid van de politierechtbank behoort (art.601bis Ger.W.).

De hoofdvordering die gesteund is op de onverschuldigde betaling behoort tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. De hoofdvordering en de tegenvordering zijn echter samenhangend. Zij zijn onderling zo nauw verbonden dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, ten einde oplossingen te vermijden die onverenigbaar zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht.

Vermits de rechtbank van eerste aanleg te Gent de bevoegde rechter is om in graad van beroep te oordelen over het geschil dat in eerste aanleg door de politierechtbank diende te worden beslecht, wordt de zaak in haar geheel verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zetelend in graad van beroep en anders samengesteld" (arrest, pp. 2-4).

Grieven

1. Het bestreden arrest stelt vast dat
- eiseres voor de eerste rechter vanwege verweerster terugbetaling vorderde van het onverschuldigd betaalde bedrag van 17.498,24 EUR en deze hoofdvordering, die gestoeld is op de onverschul-digde betaling, tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg behoort (arrest, p. 3, al. 3 en p. 4, ‘beoordeling', al. 3),
- verweerster bij tegenvordering voor de eerste rechter vanwege eiseres betaling vorderde van 102.169,09 EUR, met voorbehoud voor verdere uitgaven, en dat deze op artikel 29bis van de WAM-wet gestoelde tegenvordering tot de exclusieve bevoegdheid van de politierechtbank behoort (arrest, p. 3, al. 4 en p. 4, ‘beoordeling', al. 2),
- deze hoofd- en tegenvordering samenhangend zijn (arrest, p. 4, ‘beoordeling', al. 3).

2. Overeenkomstig artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek neemt de politierechtbank kennis, ongeacht het bedrag, van alle vorderingen tot vergoeding van schade ontstaan uit een verkeerson-geval of een treinongeval zelfs indien het zich heeft voorgedaan op een plaats die niet toegankelijk is voor het publiek.

Dit betreft een exclusieve bevoegdheid van de politierechtbank.

3. Overeenkomstig artikel 563 van het Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis van de tegenvorderin-gen, ongeacht hun aard en hun bedrag.

Deze regel vindt echter geen toepassing wanneer de tegenvor-dering behoort tot de exclusieve bevoegdheid van een ander rechts-college.

De rechtbank van eerste aanleg is aldus niet bevoegd kennis te nemen van een tegenvordering die krachtens artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek tot de exclusieve bevoegdheid van de politie-rechtbank behoort.

4. Krachtens artikel 566 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor ver-schillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn, voor dezelfde rechtbank samengevoegd worden met inachtneming van de voorrang, bepaald in artikel 565, tweede lid, 1° en 2° en 4° tot 8° van dit wetboek .

Artikel 565, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek , bepaalt dat, ingeval van aanhangigheid, de verwijzing van de samengevoegde vorderingen geschiedt naar de volgende voorrang:

1°. de familierechtbank bedoeld in artikel 629bis, § 1, heeft altijd voorrang;
2°. de vrederechter bedoeld in de artikelen 628, 3°, en 629quater heeft altijd voorrang;
3°. de rechtbank die over de zaak een ander vonnis heeft gewezen dan een beschikking van inwendige orde, heeft altijd voorrang;
4°. de rechtbank van eerste aanleg heeft voorrang boven de andere rechtbanken;
5°. de arbeidsrechtbank heeft voorrang boven de rechtbank van koophandel;
6°. de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel hebben voorrang boven de vrederechter;
7°. de vrederechter heeft voorrang boven de politierechtbank;
8°. de rechtbank waartoe men zich het eerst wendt, heeft voorrang boven die waarvoor de zaak later wordt aangebracht.

De prorogatie van bevoegdheid die de toepassing van boven-vermelde regels van samenvoeging bij samenhang meebrengen, kan echter niet tot gevolg hebben dat een vordering wordt onttrokken aan de rechter die uitsluitend bevoegd is om van die vordering kennis te nemen.

De samenvoeging van de eisen wegens samenhang kan m.a.w. leiden tot prorogatie van bevoegdheid, behalve wanneer één van de eisen tot de exclusieve bevoegdheid van een rechter behoren.

Wanneer derhalve een hoofdvordering wordt ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg, die bevoegd is om van deze vordering kennis te nemen, en de verwerende partij een tegenvordering instelt die overeenkomstig artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek be-hoort tot de exclusieve bevoegdheid van de politierechtbank, zal de rechtbank van eerste aanleg geen toepassing kunnen maken van de regels van de samenhang en zal het zich onbevoegd dienen te verklaren kennis te nemen van de tegenvordering (met, overeenkomstig de artikelen 639 en 640 van het Gerechtelijk Wetboek, verwijzing van de tegenvordering naar de bevoegde rechtbank of de arrondis-sementsrechtbank).

Wanneer derhalve een hoofdvordering wordt ingesteld voor de rechtbank van eerste aanleg, die bevoegd is om van deze vordering kennis te nemen, en de verwerende partij een tegenvordering instelt die overeenkomstig artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek be-hoort tot de exclusieve bevoegdheid van de politierechtbank, zal de rechtbank van eerste aanleg m.a.w.

- noch met toepassing van artikel 565, tweede lid, 4° juncto artikel 566 van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen beslissen dat zij be-voegd is om van zowel de hoofd- als de tegenvordering kennis te nemen,

- noch kunnen beslissen dat de politierechtbank bevoegd is om van zowel de hoofd- als de tegenvordering kennis te nemen, nu deze prorogatie van bevoegdheid (waardoor de politierechtbank bevoegd wordt kennis te nemen van een vordering die behoort tot de materiële bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg) uit geen enkele wettekst volgt.

5. Nu het hof van beroep vaststelt dat de oorspronkelijk door ei-seres ingestelde hoofdvordering behoort tot de bevoegdheid ratione materiae van de rechtbank van eerste aanleg (artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek) en de door verweerster ingestelde tegenvordering behoort tot de exclusieve materiële bevoegdheid van de politierechtbank (artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek), was de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van de oorspronkelijke hoofdvordering, terwijl de politierecht-bank bevoegd was om in eerste aanleg van de oorspronkelijke te-genvordering kennis te nemen.

Het hof van beroep is derhalve, overeenkomstig artikel 602,1° van het Gerechtelijk Wetboek, het bevoegde appelgerecht wat betreft de oorspronkelijke hoofdvordering, terwijl de rechtbank van eerste aanleg, overeenkomstig artikel 577, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, het bevoegde appelgerecht is wat betreft de oorspronkelijke tegenvordering.

Door te beslissen dat de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de bevoegde rechter is om in graad van beroep te oordelen over het geschil dat in eerste aanleg door de politierechtbank diende te worden beslecht, zodat de zaak (d.w.z. zowel wat betreft de oorspronkelijke hoofdvordering als wat betreft de oorspronkelijke tegenvordering) wordt verwezen naar de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zetelend in graad van beroep, schendt het bestreden arrest derhalve de in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen.

6.1 Zelfs indien de samenvoeging van de eisen wegens sa-menhang, zoals voorzien in artikel 566 van het Gerechtelijk Wetboek, zou kunnen leiden tot prorogatie van bevoegdheid wanneer één van de eisen tot de exclusieve bevoegdheid van een bepaald rechtscollege behoren, is de beslissing in het aangevochten arrest niet naar recht verantwoord.

Artikel 566 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst voor de sa-menhang van vorderingen enkel naar de regels van voorrang bepaald in artikel 565, tweede lid, 1° en 2° en 4° tot 8° van dit wetboek en niet naar het derde lid van het artikel 565.

Het derde lid van artikel 565 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in het geval dat een van de vorderingen tot de uitsluitende bevoegdheid van een bepaalde rechtbank behoort, alleen deze be-voegd is om van de gezamenlijke vorderingen kennis te nemen.

Aldus kunnen verschillende vorderingen of verschillende punten van een vordering tussen twee of meer partijen, welke, afzonderlijk ingesteld, voor verschillende rechtbanken zouden moeten worden gebracht, indien zij samenhangend zijn, voor eenzelfde rechtbank worden samengevoegd volgens de voorrangregels die zijn bepaald in artikel 565, tweede lid, 1° en 2° en 4° tot 8° van het Gerechtelijk Wetboek en niet voor de rechtbank die voor een van de vorderingen of punten van de vordering uitsluitend bevoegd is als niet is voldaan aan de voorrangregels die zijn bepaald in voormeld artikel 565, tweede lid, 1° en 2° en 4° tot 8°.

6.2. Nu het hof van beroep vaststelt dat de oorspronkelijk door eiseres ingestelde hoofdvordering behoort tot de bevoegdheid ratione materiae van de rechtbank van eerste aanleg (artikel 568 van het Gerechtelijk Wetboek), de door verweerster ingestelde tegenvordering behoort tot de materiële bevoegdheid van de politierechtbank (artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek) en dat deze vorderingen samenhangend zijn, was, overeenkomstig de artikelen 565, tweede lid, 4° en 566, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om in eerste aanleg kennis te nemen van deze samenhangende vorderingen en is het hof van beroep, overeenkomstig artikel 602,1° van het Gerechtelijk Wetboek, het bevoegde appelgerecht.

De omstandigheid dat de op artikel 29bis van de WAM-wet ge-stoelde tegenvordering overeenkomstig artikel 601bis van het Ge-rechtelijk Wetboek tot de exclusieve bevoegdheid van de politie-rechtbank behoort, doet hieraan geen afbreuk. Artikel 566 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst voor de samenhang van vorderingen immers niet naar het derde lid van artikel 565 van dit wetboek.

Door te beslissen dat de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de bevoegde rechter is om in graad van beroep te oordelen over het geschil dat in eerste aanleg door de politierechtbank diende te worden beslecht, zodat de zaak wordt verwezen naar de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zetelend in graad van beroep, schendt het bestreden arrest derhalve de in de aanhef van het middel aangehaalde wetsbepalingen, in het bijzonder de artikelen 565, tweede lid, 4° (zoals van kracht na wijziging bij wet van 30 juli 2013; en artikel 565, eerste lid, 2°, zoals van kracht vóór wijziging bij wet van 30 juli 2013) en 566, eerste lid (zoals van kracht vóór en na wijziging bij wet van 30 juli 2013) van het Gerechtelijk Wetboek.

Toelichting

Eiseres is zo vrij te verwijzen (wat betreft de grieven sub nrs. 4 en 5) naar het arrest van het Franse Hof van Cassatie van 7 april 2009 (JCP 2009, IV-1856), volgens welk de regels van samenvoeging van samenhangende vorderingen geen toepassing vinden indien een vordering tot de exclusieve bevoegdheid van een rechtscollege behoort, en (wat betreft de grieven sub nr. 6) naar het arrest van Uw Hof van 7 februari 2008 (Arr. Cass. 2008, nr. 90).

BIJ DEZE BESCHOUWINGEN,

Besluit voor eiseres, ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassa¬tie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen en de zaak en de partijen te verwijzen naar de bevoegde rechter, kosten als naar recht.

 

Brussel, 22 maart 2017.

 

Noot: 

Beschouwingen bij dit arrest en achtergrond zie RABG 2018/5, 363 

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 08/04/2018 - 15:18
Laatst aangepast op: vr, 11/05/2018 - 00:12

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.