-A +A

Samenhang internationale bevoegdheid in het kader van de Brussel I-Verordening

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
maa, 24/02/2014

De vraag of een samenhang tot de aanvaarding van de internationale bevoegdheid/rechtsmacht kan leiden dient niet vanuit het intern Belgisch recht bekeken te worden, maar vanuit de autonome regeling van de EEX-Verordening. 

De samenhang wordt in de EEX-Verordening geregeld door artikel 28 en gedefinieerd door artikel 28, 3. Daarnaast regelt ook artikel 6 een bevoegdheidstoewijzing door samenhang, doch die bepaling speelt in casu geen rol omdat de situatie die bij dat artikel geregeld is, zich in deze zaak niet voordoet.

Samenhangend in de zin van artikel 28 EEX-Verordening zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

Publicatie
tijdschrift: 
RABG
Uitgever: 
Larcier
Jaargang: 
2014/12
Pagina: 
805
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

(F.M.E. NV / G's.M. Ltd, P.G.S. Ltd (beiden opgericht onder het recht van Engeland en Wales))

(…)

1. De NV F.M.E. (verder afgekort als 'F.M.E.'), leverde sinds 2004 dagelijks aanzienlijke hoeveelheden paddenstoelen aan geïntimeerden, de vennootschappen naar het recht van Engeland en Wales G's.M. Ltd. en P.G.S. Ltd., die ze verdeelden aan supermarkten in Groot-Brittannië.

Zij beweert dat partijen hieromtrent een kaderovereenkomst van onbepaalde duur hadden gesloten.

Op 13 augustus 2008 werd de overeenkomst volgens F.M.E. eenzijdig beëindigd door geïntimeerden, die oorspronkelijk een opzegtermijn van 12 weken gaven. De opzegtermijn werd vervolgens gewijzigd: voor wat de leveringen aan het kleinste depot betreft, werd dit verkort tot 10 weken, voor wat de levering aan het tweede depot betreft werd deze termijn verlengd tot 14 weken en voor wat de leveringen aan het grootste van de drie depots betreft werd deze termijn verlengd tot een duurtijd van 24 weken.

F.M.E. meent dat de plotse opzegging van de overeenkomst, waarbij een onvoldoende lange opzegtermijn gegeven zou zijn, haar recht zou geven op een schadevergoeding.

Verder houdt zij voor dat er facturen die zij heeft uitgeschreven, openstaan.

2. F.M.E. ging over tot dagvaarding van de vennootschappen naar het recht van Engeland en Wales G's.M. Ltd. en P.G.S. Ltd. op 6 april 2009.

De dagvaarding bevatte twee verschillende vorderingen.

De eerste vordering van F.M.E. is enkel gericht tegen G's.M. Ltd. en strekte tot haar veroordeling tot betaling van het bedrag van 37.582,93 EUR, te vermeerderen met de verwijlinteresten aan 10% op 34.166,30 EUR en met de gerechtelijke interesten. Deze vordering had betrekking op een openstaand saldo uit hoofde van verkoopfacturen. Achteraf lichtte zij in conclusie en ter terechtzitting toe dat het onbetaald gebleven saldo betrekking had op een door haar aangerekende prijsverhoging die G's.M. Ltd. onbetaald had gelaten omdat zij die prijsverhoging betwistte.

De tweede vordering van F.M.E. is gericht tegen beide geïntimeerden en strekt ertoe een schadevergoeding te bekomen wegens de “ontijdige en onrechtmatige opzeg” van de door haar ingeroepen kaderovereenkomst. Zij vordert dat beide geïntimeerden “solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke van de andere” zouden worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding die in conclusie verhoogd werd tot een hoofdsom van 2.414.018 EUR, te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 13 augustus 2008 en met de gerechtelijke interesten.

In ondergeschikte orde vorderde zij dat een gerechtsdeskundige zou worden aangesteld met het oog op een advies over de door F.M.E. geleden schade. Verder eiste zij de veroordeling van huidige geïntimeerden tot de kosten en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis.

3. Bij het bestreden vonnis van 25 juni 2010 werd door de rechtbank vastgesteld dat zij geen rechtsmacht had om kennis te nemen van de vorderingen. Hoewel de eerste rechter zijn internationale bevoegdheid/rechtsmacht afwees, oordeelde deze dat de dagvaarding niet nietig was.

F.M.E. werd veroordeeld tot de gerechtskosten, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van 15.000 EUR voor de huidige geïntimeerden gezamenlijk.

4. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld op 25 oktober 2010. Het hoger beroep strekt tot de hervorming van het bestreden vonnis door toewijzing - na aanvaarding van de internationale bevoegdheid/rechtsmacht - van de oorspronkelijke vorderingen.

Verder vorderde F.M.E. de veroordeling van geïntimeerden tot de kosten van beide aanleggen.

5. Geïntimeerden wierpen op dat de dagvaarding nietig was en de vorderingen dus onontvankelijk.

Verder concludeerden zij tot onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van het hoger beroep, en argumenteerden zij dat de Belgische gerechten geen rechtsmacht hadden en dat de vorderingen onontvankelijk, minstens ongegrond zijn.

Zij vorderen verder ook de veroordeling van F.M.E. tot de kosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep ten bedrage van 15.000 EUR.

Tussenarrest
6. Bij tussenarrest van 4 juni 2012 werd het hoger beroep toelaatbaar verklaard.

(…)

M.b.t. de eerste eis die werd geformuleerd onder randnr. l van de dagvaarding en die een loutere invordering betreft van verkoopfacturen die door F.M.E. uitgereikt waren aan G's.M. Ltd., werd geoordeeld dat de internationale bevoegdheid/rechtsmacht van de Belgische gerechten inderdaad gesteund kan worden op artikel 23, l., b) EEX-Verordening (verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, verder ook afgekort als EEX-Vo).

Het hof verwees naar de eerdere zeer intensieve handelsrelaties met bijna dagelijks leveringen van verse champignons sedert 2004 en met zo goed als wekelijks facturatie van de verkochte waar, waarbij meer dan 200 facturen werden uitgereikt die steeds voorbehoudloos aanvaard en betaald werden, en oordeelde dat het forumbeding in de algemene voorwaarden van de litigieuze facturen beantwoordt aan artikel 23, l., b) EEX-Vo, zodat de Belgische gerechten beschikken over de internationale bevoegdheid/rechtsmacht om van de vordering tot betaling van het saldo van die facturen kennis te nemen.

M.b.t. de tweede eis die in dezelfde dagvaarding onder een afzonderlijk randnummer werd ingesteld zonder verwijzing naar enige band met de eis tot betaling van facturen die onder randnr. l was geformuleerd, en die een vordering inhield tot betaling van een schadevergoeding wegens de ontijdige en onrechtmatige beëindiging van een beweerde kaderovereenkomst, werd het volgende geoordeeld. Eerst werd vastgesteld dat die vordering gericht was tegen de beide geïntimeerden terwijl de eerste vordering enkel gericht was tegen G's.M. Ltd. Vervolgens overwoog het hof:

“In dagvaarding meldde F.M.E. dat (geïntimeerden) dagelijks grote partijen paddenstoelen afnamen aan vooraf overeengekomen prijzen', dit sinds 2004 op continue wijze, met sinds juli 2005, leveringen aan drie depots in Groot-Brittannië met een wekelijks gemiddelde van 150.000 kg, hetwelk een gemiddelde wekelijkse omzet ten belope van 359.000 EUR vertegenwoordigde'.

Met de beweerde kader-, samenwerkings- of distributieovereenkomst zou ook een samenwerking ter bewaking van de door een Britse supermarktketen opgelegde kwaliteitsstandaarden zijn gerealiseerd.

In de dagvaarding zelf werd reeds impliciet maar duidelijk aangegeven dat de kenmerkende prestatie die hoe dan ook in uitvoering van die beweerde kaderovereenkomst verricht moest worden, te situeren was in het Verenigd Koninkrijk. Heel de samenwerking was uiteindelijk gericht op de aan de wensen van de koper beantwoordende levering van de paddenstoelen waarvan in dagvaarding erkend werd dat deze te situeren was in het Verenigd Koninkrijk.

Dat die kaderovereenkomst zelf beheerst zou zijn door een forumbeding, laat staan door hetzelfde forumbeding dat van toepassing was op de verbintenissen volgend uit de individuele verkopen zelf, is niet aangetoond.

Partijen hebben de vraag of beide vorderingen al dan niet samenhangend zijn enkel bekeken vanuit het nationaal Belgisch recht, zonder standpunt in te nemen over de vraag of ze ook samenhangend zijn in de zin van de EEX-Verordening en of zulk een samenhang, indien die er zou zijn, ook internationale bevoegdheid/rechtsmacht zou kunnen vestigen voor wat die tweede eis betreft…”

Om die reden werd de heropening der debatten bevolen.

Internationale bevoegdheid/rechtsmacht
7. De vraag of het hof ook internationaal bevoegd is om kennis te nemen van die tweede vordering wordt geregeld door de EEX-Verordening die zoals reeds bij tussenarrest geoordeeld werd temporeel van toepassing is op dit geschil (art. 76 en 66, 1.).

Appellante meent dat beide bij dagvaarding ingestelde vorderingen samenhangend zouden zijn en dat het hof bijgevolg ook internationaal bevoegd zou zijn om kennis te nemen van de vordering tegen beide geïntimeerden tot betaling van een schadevergoeding wegens de ontijdige en onrechtmatige beëindiging van de beweerde kader-, samenwerkings- of distributieovereenkomst.

8. Alvorens verder in te gaan op de vraag of een samenhang tussen beide vorderingen voor gevolg heeft dat de internationale bevoegdheid om kennis te nemen van één vordering (nl. de vordering strekkend tot inning van het beweerd openstaand saldo van de verkoopprijs) ook de internationale bevoegdheid om kennis te nemen van de tweede vordering met zich meebrengt, wordt eerst nagegaan of dit hof op zich en los van iedere samenhang internationaal bevoegd zou zijn om kennis te nemen van die tweede vordering die strekt tot de veroordeling van geïntimeerden tot betaling van een schadevergoeding wegens de ontijdige en onrechtmatige beëindiging van een beweerde kaderovereenkomst tussen de drie betrokken partijen.

De internationale bevoegdheid om van die eis kennis te nemen kan zoals in het tussenarrest geoordeeld werd niet gesteund worden op het forumbeding dat voorkwam op de verkoopfacturen. Er ligt ook geen andere overeenkomst tussen partijen tot aanwijzing van een bevoegde rechter voor, zodat de internationale bevoegdheid voor wat deze vordering betreft niet gegrond kan worden op artikel 23 EEX-Verordening.

De algemene bevoegdheidsregeling van artikel 2 EEX-Verordening kan appellante geen soelaas bieden, en de bijzondere bevoegdheidsregeling van artikel 5, 1. EEX-Verordening evenmin.

Indien de beweerde kader-, samenwerkings- of distributieovereenkomst zou gelijkgesteld worden met een koop/verkoop, zijn het de gerechten van de lidstaat waar de zaken geleverd moesten worden die internationaal bevoegd zijn (art. 5, 1., b), eerste streepje). In casu geschiedde de levering systematisch in drie depots in het Verenigd Koninkrijk, en nooit in België.

Als de ingeroepen kader-, samenwerkings- of distributieovereenkomst beschouwd wordt als een overeenkomst m.b.t. de verstrekking van diensten in de zin van artikel 5, 1., b), tweede streepje, leidt dit in casu tot hetzelfde resultaat. De plaats waar de met de distributie van champignons in het Verenigd Koninkrijk verbonden diensten dan hadden moeten verstrekt worden volgens de overeenkomst, was zoals in het tussenarrest werd geoordeeld kennelijk het Verenigd Koninkrijk, en daar wordt geen afbreuk aan gedaan doordat sommige diensten (zoals een kwaliteitscontrole), in België werden uitgevoerd. Artikel 5, 1., b), tweede streepje moet immers aldus worden uitgelegd dat bij de verrichting van diensten in verschillende lidstaten het gerecht dat bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen die op de betrokken overeenkomst zijn gebaseerd, dat gerecht is dat gesitueerd is in het rechtsgebied van de plaats waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht (HvJ 11 maart 2010, C-19/09, Wood Floor Solutions Andreas Domberger GmbH / Silva Trade SA, Jur.2010, l, 2121).

Omdat in het tussenarrest reeds geoordeeld werd dat in de dagvaarding door appellante zelf was aangegeven dat de kenmerkende prestatie die in uitvoering van de beweerde kaderovereenkomst moest worden verricht, te situeren was in het Verenigd Koninkrijk, kan de bevoegdheid niet geënt worden op artikel 5, 1., b) EEX-Verordening.

Het betoog van appellante over de beweerde draagbaarheid van de door haar gevorderde schadevergoeding is volkomen irrelevant, en houdt een negatie in van het stelsel van artikel 5 EEX-Verordening.

Zelfs in de veronderstelling dat niet het stelsel van artikel 5, l., b) EEX-Verordening van toepassing zou zijn, doch het stelsel van artikel 5, l., a) EEX-Verordening, zouden de Belgische gerechten geen internationale bevoegdheid hebben om kennis te nemen van een vordering tot het bekomen van schadevergoeding wegens stopzetting van een beweerde verbintenis tot levering van champignons in het Verenigd Koninkrijk (vgl. HvJ 5 oktober 1999, C-420/97, Leathertex Divisione Sintetici SpA / Bonde­tex BVBA, Jur.1999, l, 6747).

Er wordt geen ter zake doende bevoegdheidsgrond aangehaald op grond waarvan de Belgische gerechten - los van enige samenhang - kennis zouden kunnen nemen van de vordering tot betaling van een schadevergoeding wegens de ontijdige en onrechtmatige beëindiging van de beweerde kaderovereenkomst.

9. De vraag of een samenhang van beide vorderingen had kunnen leiden tot de aanvaarding van de internationale bevoegdheid/rechtsmacht voor de tweede vordering, dient niet vanuit het intern Belgisch recht bekeken te worden, maar vanuit de autonome regeling van de EEX-Verordening. De verwijzing door partijen naar de nationale regeling inzake samenhang is irrelevant in zoverre er een internationale bevoegdheidsgrond uit wordt afgeleid.

De samenhang wordt in de EEX-Verordening geregeld door artikel 28 en gedefinieerd door artikel 28, 3. Daarnaast regelt ook artikel 6 een bevoegdheidstoewijzing door samenhang, doch die bepaling speelt in casu geen rol omdat de situatie die bij dat artikel geregeld is, zich in deze zaak niet voordoet.

Samenhangend in de zin van artikel 28 EEX-Verordening zijn vorderingen waartussen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.

Er bestaat geen enkel risico op onverenigbaarheid van afzonderlijke beslissingen over beide vorderingen. De rechter die moet oordelen over het gevorderde saldo van de koopprijs, kan dit perfect los van de vraag of er een kaderovereenkomst was die ontijdig of onrechtmatig zou zijn beëindigd.

Zelfs indien toch samenhang zou worden aangenomen, leidt dit er niet toe dat de rechter ook meteen bevoegd zou zijn om kennis te nemen van die samenhangende vordering. De samenhangregeling van artikel 28 EEX-Vo is immers (net zoals art. 22 van het EEX-Verdrag) enkel van toepassing wanneer samenhangende vorderingen voor gerechten van twee of meer verschillende verdragsstaten zijn gebracht, wat in deze zaak niet het geval was.

Bovendien bedeelt deze bepaling die overgenomen is van artikel 22 EEX-Verdrag hoe dan ook geen bevoegdheid toe (zie ook in die zin: HvJ 24 juni 1981, Elefanten Schuh / Jacqmain, 150/80, randnrs. 19 en 20: “Artikel 22 executieverdrag (…) deelt geen bevoegdheid toe; inzonderheid verleent het geen bevoegdheid aan een rechter van een verdragssluitende staat om te beslissen of een vordering die samenhangt met een andere vordering die krachtens de voorschriften van het executieverdrag voor deze rechter is gebracht. (20.) Op de tweede vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat artikel 22 executieverdrag enkel van toepassing is wanneer samenhangende vorderingen bij de gerechten van twee of meer verdragssluitende staten zijn aangebracht.”).

Artikel 28 EEX-Verordening is dus geen grond voor de vestiging van internationale bevoegdheid (zie ook in die zin: Luik 9 september 2010, Tijdschrift@ipr.be 2010, afl. 4, 118).

Ook indien het bestaan van samenhang tussen twee vorderingen die voor één nationale rechter zijn gebracht zou worden aangenomen en dus aangenomen zou worden dat beide vorderingen samenhangend zijn in de zin van artikel 28, 3. EEX-Verordening, leidt dit er niet toe dat een verweerder kan worden afgetrokken van een rechter die de verordening hem toekent. Geïntimeerden kunnen in het kader van de Europese bevoegdheidsregeling niet beroofd worden van het recht op berechting van de tweede vordering door de door de bepalingen van de EEX-Verordening als bevoegd aangeduide rechtbanken.

Besluitend wordt dus vastgesteld dat het hof niet over de internationale bevoegdheid of rechtsmacht beschikt om kennis te nemen van die tweede vordering die strekt tot betaling van een schadevergoeding wegens de ontijdige en onrechtmatige beëindiging van de beweerde kaderovereenkomst.

Het hof is dus enkel bevoegd om kennis te nemen van de eerste vordering, de vordering die strekt tot inning van het saldo van een verkoopprijs.

(…)

Noot: 

Clijmans, C., « Schept samenhang internationale bevoegdheid in het kader van de Brussel I-Verordening? », R.A.B.G., 2014/12, p. 811-814
15/06/2014

Gerelateerd
Aangemaakt op: vr, 07/07/2017 - 08:22
Laatst aangepast op: vr, 07/07/2017 - 08:25

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.