-A +A

Samenhang arbitrage en vordering voor de gewone rechter

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Rechtbank van Koophandel
Plaats van uitspraak: Dendermonde
Datum van de uitspraak: 
don, 29/03/2012

De samenhang van vorderingen die aan arbitrage zijn onderworpen met een andere vordering (waarvoor de gewone bevoegdheidsregels van de hoven en rechtbanken gelden en geen gebrek aan rechtsmacht speelt) maakt het geenszins mogelijk om de op de arbitrage-overeenkomst gebaseerde exceptie te verwerpen en zich alsnog rechtsmacht toe te eigenen. De regels inzake samenhang kunnen dan ook niet de uitvoering verhinderen van een overeenkomst waarbij partijen alle mogelijke betwistingen inzake hun rechtsverhouding aan scheidsrechters hebben willen onderwerpen 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig weekblad
Uitgever: 
Intersentia
Jaargang: 
2013-2014
Pagina: 
351
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

 BV naar Nederlands recht D.H. t/ NV M. e.a.

...

1. Verwerende partijen roepen de exceptie van arbitrage in. Zij baseren zich hiervoor op art. 16, tweede lid van de aandeelhoudersovereenkomst.

Bij nazicht vermeldt deze bepaling: “Ieder geschil betreffende deze overeenkomst en de statuten, hun uitvoering, hun interpretatie, de in uitvoering genomen beslissingen, het bestuur en het toezicht over de vennootschap, de handelingen over het algemeen van de organen, en haar naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt aangestelde leden, iedere kwestie aangaande de ontbinding van de vennootschap, ieder geschil dat de vennoten tegen één of meer onder hen stelt of een patstelling tussen de bestuurders, worden uitsluitend gebracht voor één college van zes arbiters. Elk der partijen duidt één arbiter aan en de arbiters duiden samen een zesde arbiter aan. De partijen verwijzen onherroepelijk naar het reglement van Cepina wat de procedure betreft, alsmede de regeling van kosten en uitgaven”.

2. De exceptie is ontvankelijk en toelaatbaar, nu deze werd ingeroepen in limine litis, dit is in de eerste conclusies, voordat het debat ten gronde werd aangegaan.

3. De exceptie van arbitrage is een exceptie van gebrek aan rechtsmacht. Deze exceptie betreft immers de macht van rechter, zoals omschreven in art. 8 Ger.W.

4. Ten onrechte evenwel roept eerste verweerster het arbitragebeding in. Het is duidelijk dat eerste verweerster geen partij was bij de overeenkomst, waarin het arbitragebeding was vervat. Dit blijkt ten andere uit het feit dat het bedoelde arbitragebeding, zoals hierboven geciteerd, melding maakt van het recht van alle vijf partijen om elk een arbiter aan te duiden, waarna deze samen een zesde arbiter aanduiden.

Ten aanzien van eerste verweerster is de bedoelde overeenkomst een res inter alios acta. Als er verschillende verwerende partijen zijn, zoals thans het geval is, vindt het beginsel van de betrekkelijkheid van het arbitragebeding toepassing.

Mocht de rechtbank ingaan op deze exceptie, in zoverre voorgedragen door eerste verweerster, dan zou zij eiseres onttrekken aan haar natuurlijke rechter en deze de toegang tot de(ze) rechter ontzeggen.

5. De overige verwerende partijen kunnen zich evenwel met succes beroepen op het arbitragebeding.

Noch de overeenkomst, noch het arbitragebeding zelf worden betwist: de rechtsgeldigheid en het bindend karakter hiervan dienen te worden aangenomen op grond van art. 1134, eerste lid BW.

Deze rechtbank zou het wettelijk recht van partijen (van verweerders, uitgezonderd eerste verweerster) miskennen om geschillen bij overeenkomst aan arbitrage te onderwerpen krachtens art. 1676, 1 Ger.W. en zich een bevoegdheid toe-eigenen die zij wettelijk niet (meer) heeft, mocht zij niet ingaan op de voorgedragen exceptie.

De samenhang van vorderingen die aan arbitrage zijn onderworpen met een andere vordering (waarvoor de gewone bevoegdheidsregels van de hoven en rechtbanken gelden en geen gebrek aan rechtsmacht speelt) maakt het geenszins mogelijk om de op de arbitrage-overeenkomst gebaseerde exceptie te verwerpen en zich alsnog rechtsmacht toe te eigenen. De regels inzake samenhang kunnen dan ook niet de uitvoering verhinderen van een overeenkomst waarbij partijen alle mogelijke betwistingen inzake hun rechtsverhouding aan scheidsrechters hebben willen onderwerpen (vgl.: Cass. 9 november 1995, P&B 1996, 118).

Dat de exceptie van arbitrage in strijd zou zijn met de eenheid van geding (sic), waarnaar eiseres verwijst, is dan ook niet ter zake dienend.

6. Slechts indien er sprake zou zijn van een onsplitsbaar geschil, zou de rechter de zaak alsnog moeten behandelen, ten aanzien van alle verwerende partijen, zelfs ten aanzien van de partijen die zich in beginsel met succes op een arbitragebeding zouden kunnen beroepen (vgl.: Cass. 9 mei 1963, Pas. 1963, I, 956).

Er is evenwel geen sprake van een onsplitsbaar geschil, in weerwil van wat eiseres in conclusies laat uitschijnen.

Een geschil is slechts onsplitsbaar wanneer de gezamenlijke tenuitvoerlegging van de onderscheiden beslissingen waartoe het aanleiding (kan) geven, materieel onmogelijk zou zijn (art. 31 Ger.W.).

De onderscheiden beslissingen onderstellen minstens een driepartijenverhouding, zoals in casu één eisende partij en verschillende verweerders, waarbij enerzijds de gewone rechter uitspraak doet en anderzijds een scheidsgerecht.

Materiële onmogelijkheid van gezamenlijke tenuitvoerlegging betekent dan dat de beslissing tussen de ene eiser en de verweerder of tussen de eiser en de ene verweerder niet samen uitvoerbaar is met de (per hypothese tegenstrijdige) beslissing tussen de eiser en andere verweerders.

Rechtspraak en rechtsleer interpreteren het begrip “onsplitsbaar geschil” zeer strikt. In de regel zijn veroordelingen tot betaling van een geldsom splitsbaar, ook al kunnen de vorderingen in dat verband samenhangend zijn. Enkel in uitzonderlijke gevallen, bv. bij subrogatie, is dit niet het geval. Ook hoofdelijke gehoudenheid brengt geen onsplitsbaarheid mee (M. Castermans, Gerechtelijk Privaatrecht, Gent, Academia Press, 2004, p. 56, nr. 94).

Een vonnis dat de vordering van eiseres gegrond zou verklaren ten aanzien van eerste verweerster, kan perfect samen uitgevoerd worden met een scheidsrechterlijke uitspraak die de vordering van eiseres ten aanzien van de overige verwerende partijen (of minstens één van hen) ongegrond zou verklaren en vice versa. Gezamenlijke tenuitvoerlegging van twee andersluidende beslissingen inzake een veroordeling tot betaling van een geldsom is, zoals hierboven vermeld, materieel niet onmogelijk.

7. Dat tweede tot en met vijfde verweerders de veroordeling van eiseres vragen tot de gedingkosten en uit dien hoofde aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding, houdt niet in dat verweerders afstand zouden hebben gedaan van het arbitragebeding. De rechter die uitspraak doet over de kosten en aldus de kosten vereffent, doet immers geen uitspraak over een rechtsvordering (Cass. 16 december 2004, Pas. 2004, I, 2014); de uitspraak inzake de kosten vormt immers een louter rechtsgevolg van de veroordeling (of beoordeling) ten gronde.

Uit geen enkel gegeven blijkt dat de eerste tot en met de vijfde verweerders de rechtsmacht van deze rechtbank zouden hebben aanvaard, ook niet impliciet.

8. De exceptie van arbitrage is dan ook gegrond. De rechtbank heeft geen rechtsmacht om te oordelen over de vorderingen van eiseres, in zoverre gericht tegen de tweede tot en met de vijfde verweerders.

...

 

Gerelateerd
Aangemaakt op: za, 26/10/2013 - 16:57
Laatst aangepast op: vr, 15/06/2018 - 16:13

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.