-A +A

Sabam kan internetproviders niet verplichten op filters te plaatsen die inbreuken tegen de auteursrechten tegenhouden (Scarlet)

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Justitie
Datum van de uitspraak: 
don, 24/11/2011
A.R.: 
c-70/10

SABAM heeft middels 2 procedures voor het Grondettelijk hof (HvJ 24/11/2011, C-70/10 Sabam/Scarlet, HvJ 16/02/2012, C360/10 SAbam/netlog) tevergeefs gepoogd internetproviders te dwingen om technische middelen in te zetten om auteursrechtelijke inbreuken te verhinderen en dan voornamelijk tegen auteursinbreuken de hieroe gebruikte peer to peer technieken.

Publicatie
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

24 november 2011 (*)

„Informatiemaatschappij – Auteursrecht – Internet – ‚Peer-to-peer’-programma’s – Internetproviders – Invoering van systeem waarbij elektronische communicatie wordt gefilterd om met auteursrechten strijdige uitwisseling van bestanden te voorkomen – Geen algemene verplichting van toezicht op doorgegeven informatie”

In zaak C‑70/10,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Hof van Beroep te Brussel (België) bij beslissing van 28 januari 2010, ingekomen bij het Hof op 5 februari 2010, in de procedure

Scarlet Extended NV

tegen

Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers CVBA (SABAM),

in tegenwoordigheid van:

Belgian Entertainment Association Video VZW (BEA Video),

Belgian Entertainment Association Music VZW (BEA Music),

Internet Service Provider Association VZW (ISPA),

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Malenovský (rapporteur), R. Silva de Lapuerta, E. Juhász en G. Arestis, rechters,

advocaat-generaal: P. Cruz Villalón,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 januari 2011,

gelet op de opmerkingen van:

– Scarlet Extended NV, vertegenwoordigd door T. De Meese en B. Van Asbroeck, advocaten,

– Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers CVBA (SABAM), Belgian Entertainment Association Video VZW (BEA Video) en Belgian Entertainment Association Music VZW (BEA Music), vertegenwoordigd door F. de Visscher, B. Michaux en F. Brison, advocaten,

– Internet Service Provider Association VZW (ISPA), vertegenwoordigd door G. Somers, advocaat,

– de Belgische regering, vertegenwoordigd door T. Materne, J.‑C. Halleux en C. Pochet als gemachtigden,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek en K. Havlíčková als gemachtigden,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door S. Fiorentino, avvocato dello Stato,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels en B. Koopman als gemachtigden,

– de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Szpunar, M. Drwięcki en J. Goliński als gemachtigden,

– de Finse regering, vertegenwoordigd door M. Pere als gemachtigde,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Samnadda en C. Vrignon als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 april 2011,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van:

– richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB L 178, blz. 1);

– richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10);

– richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten (PB L 157, blz. 45, met rectificatie in PB L 195, blz. 16);

– richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281, blz. 31), en

– richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201, blz. 37).

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Scarlet Extended NV (hierna: „Scarlet”) en de Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers CVBA (SABAM) (hierna: „SABAM”) over de weigering van Scarlet om een systeem in te voeren waarbij elektronische communicatie die via filesharingsoftware (zogenoemde „peer-to-peer”-programma’s) wordt verricht wordt gefilterd om met auteursrechten strijdige uitwisseling van bestanden te voorkomen.

Toepasselijke bepalingen

Wettelijke regeling van de Unie

Richtlijn 2000/31

3 De punten 45 en 47 van de considerans van richtlijn 2000/31 luiden als volgt:

„(45) De beperking van de in de richtlijn vastgestelde aansprakelijkheid van dienstverleners die als tussenpersoon optreden, doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om verschillende soorten verbodsmaatregelen te treffen. Die maatregelen bestaan in het bijzonder in rechterlijke of administratieve uitspraken waarin de beëindiging of voorkoming van een inbreuk wordt bevolen, met inbegrip van de verwijdering of het ontoegankelijk maken van onwettige informatie.

[...]

(47) De lidstaten mogen dienstverleners geen toezichtverplichtingen van algemene aard opleggen. Dit geldt niet voor toezichtverplichtingen in speciale gevallen en doet met name geen afbreuk aan maatregelen van nationale autoriteiten in overeenstemming met de nationale wetgeving.”

4 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalt:

„1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen aan de goede werking van de interne markt door het vrije verkeer van de diensten van de informatiemaatschappij tussen lidstaten te waarborgen.

2. Voor zover voor de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstelling nodig, worden met deze richtlijn bepaalde nationale bepalingen nader tot elkaar gebracht die van toepassing zijn op de diensten van de informatiemaatschappij en betrekking hebben op de interne markt, de vestiging van de dienstverleners, de commerciële communicatie, langs elektronische weg gesloten contracten, de aansprakelijkheid van tussenpersonen, gedragscodes, de buitengerechtelijke geschillenregeling, rechtsgedingen en de samenwerking tussen lidstaten.

[...]”

5 Artikel 12 van deze richtlijn, dat deel uitmaakt van afdeling 4 van hoofdstuk II ervan, met als opschrift „Aansprakelijkheid van dienstverleners die als tussenpersoon optreden”, luidt als volgt:

„1. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, of in het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk, de dienstverlener niet aansprakelijk is voor de doorgegeven informatie, op voorwaarde dat:

a) het initiatief tot de doorgifte niet bij de dienstverlener ligt;

b) de ontvanger van de doorgegeven informatie niet door de dienstverlener wordt geselecteerd, en

c) de doorgegeven informatie niet door de dienstverlener wordt geselecteerd of gewijzigd.

[...]

3. Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor een rechtbank of een administratieve autoriteit om in overeenstemming met het rechtsstelsel van de lidstaat te eisen dat de dienstverlener een inbreuk beëindigt of voorkomt.”

6 Artikel 15 van richtlijn 2000/31, dat eveneens deel uitmaakt van afdeling 4 van hoofdstuk II van deze richtlijn, bepaalt:

„1. Met betrekking tot de levering van de in de artikelen 12, 13 en 14 bedoelde diensten leggen de lidstaten de dienstverleners geen algemene verplichting op om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.

2. De lidstaten kunnen voorschrijven dat dienstverleners de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis dienen te stellen van vermeende onwettige activiteiten of informatie door afnemers van hun dienst, alsook dat zij de bevoegde autoriteiten op hun verzoek informatie dienen te verstrekken waarmee de afnemers van hun dienst met wie zij opslagovereenkomsten hebben gesloten, kunnen worden geïdentificeerd.”

Richtlijn 2001/29

7 De punten 16 en 59 van de considerans van richtlijn 2001/29 luiden als volgt:

„(16) [...] Deze richtlijn moet worden uitgevoerd binnen eenzelfde tijdschema als dat voor de uitvoering van [richtlijn 2000/31], omdat die richtlijn voorziet in een geharmoniseerd kader van de beginselen en voorschriften die onder andere van belang zijn voor belangrijke delen van deze richtlijn. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de voorschriften inzake aansprakelijkheid in de richtlijn inzake elektronische handel.

[...]

(59) In het bijzonder in de digitale omgeving, zullen derden voor inbreukmakende handelingen wellicht in toenemende mate gebruikmaken van de diensten van tussenpersonen. Die tussenpersonen zijn in veel gevallen het meest aangewezen om een eind te maken aan zulke inbreukmakende handelingen. Onverminderd de eventuele andere beschikbare sancties en rechtsmiddelen, moeten de rechthebbenden over de mogelijkheid beschikken om te verzoeken om een verbod ten aanzien van een tussenpersoon die een door een derde gepleegde inbreuk met betrekking tot een beschermd werk of ander materiaal in een netwerk steunt. Deze mogelijkheid moet ook beschikbaar zijn wanneer de door de tussenpersoon verrichte handelingen krachtens artikel 5 uitgezonderd zijn. De voorwaarden en nadere bepalingen met betrekking tot dergelijke verbodsmaatregelen moeten aan het nationaal recht van de lidstaten worden overgelaten.”

8 Artikel 8 van richtlijn 2001/29 bepaalt:

„1. De lidstaten voorzien in passende sancties en rechtsmiddelen met betrekking tot inbreuken op de in deze richtlijn omschreven rechten en verplichtingen en dragen er zorg voor, dat deze sancties en rechtsmiddelen daadwerkelijk worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend en evenredig zijn en bijzonder preventieve werking hebben.

[...]

3. De lidstaten zorgen ervoor dat de rechthebbenden kunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten.”

Richtlijn 2004/48

9 Punt 23 van de considerans van richtlijn 2004/48 luidt als volgt:

„Onverminderd andere ter beschikking staande maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten rechthebbenden de mogelijkheid hebben te verzoeken dat een bevel wordt uitgevaardigd tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op het industriële-eigendomsrecht van de rechthebbende. De voorwaarden voor en modaliteiten van deze bevelen moeten aan het nationale recht van de lidstaten worden overgelaten. Met betrekking tot inbreuken op auteursrechten en naburige rechten is al een grote mate van harmonisatie bewerkstelligd door richtlijn [2001/29]. Aan artikel 8, lid 3, van [richtlijn 2001/29] dient dan ook door deze richtlijn geen afbreuk te worden gedaan.”

10 Artikel 2, lid 3, van richtlijn 2004/48 bepaalt:

„Deze richtlijn doet geen afbreuk aan:

a) de communautaire bepalingen betreffende het materiële recht inzake de intellectuele eigendom, [...] of richtlijn [2000/31] in het algemeen en de artikelen 12 tot en met 15 daarvan in het bijzonder;

[...]”

11 Artikel 3 van richtlijn 2004/48 bepaalt:

„1. De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze vertragingen inhouden.

2. De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures.”

12 In artikel 11 van richtlijn 2004/48 is bepaald:

„De lidstaten dragen er zorg voor dat, wanneer bij rechterlijke uitspraak inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht is vastgesteld, de bevoegde rechterlijke instanties een bevel tot staking van de inbreuk tegen de inbreukmaker kunnen uitvaardigen. Indien het nationale recht erin voorziet, wordt bij niet-naleving van een bevel, indien passend, een dwangsom tot naleving van het verbod opgelegd. De lidstaten dragen er tevens zorg voor dat de rechthebbenden om een rechterlijk bevel kunnen verzoeken tegen tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te maken, onverminderd artikel 8, lid 3, van richtlijn [2001/29].”

Nationale wettelijke regeling

13 Artikel 87, § 1, eerste en tweede alinea, van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (Belgisch Staatsblad van 27 juli 1994, blz. 19297) bepaalt:

„[...] [D]e voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg [...] [stelt] het bestaan vast van elke inbreuk op het auteursrecht of op een naburig recht en [beveelt] [...] de staking ervan.

[Hij kan] eveneens een bevel tot staking uitvaardigen tegenover tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op het auteursrecht of op een naburig recht te plegen.”

14 De artikelen 12 en 15 van richtlijn 2000/31 zijn bij de artikelen 18 en 21 van de Wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de informatiemaatschappij (Belgisch Staatsblad van 17 maart 2003, blz. 12962) in nationaal recht omgezet.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15 SABAM is een beheersmaatschappij die auteurs, componisten en uitgevers van muziekwerken vertegenwoordigt bij het verlenen van toestemming voor het gebruik door derden van hun auteursrechtelijk beschermde werken.

16 Scarlet is een internetprovider die haar klanten internettoegang verschaft, maar geen andere diensten, zoals een downloaddienst of filesharing, aanbiedt.

17 In 2004 heeft SABAM vastgesteld dat internetgebruikers die van de diensten van Scarlet gebruikmaken, zonder toestemming en zonder rechten te betalen werken uit haar catalogus van het internet downloaden via „peer-to-peer”-netwerken. Dit is een gebruiksvriendelijk, onafhankelijk, decentraal en met geavanceerde zoek- en downloadfuncties uitgerust middel om de inhoud van bestanden te delen.

18 Bij exploot van 24 juni 2004 heeft SABAM Scarlet voor de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel gedagvaard, met als argument dat dit bedrijf als internetprovider bij uitstek is aangewezen om maatregelen te nemen teneinde de door haar klanten gepleegde inbreuken op het auteursrecht te beëindigen.

19 SABAM heeft allereerst verzocht om vast te stellen dat de illegale uitwisseling van elektronische muziekbestanden met behulp van „peer-to-peer”-programma’s een inbreuk vormt op het auteursrecht op de tot haar repertoire behorende muziekwerken, in het bijzonder op het verveelvoudigings- en openbaarmakingsrecht, en dat deze inbreuken werden gepleegd met gebruikmaking van de diensten van Scarlet.

20 Vervolgens heeft SABAM verzocht om Scarlet op straffe van betaling van een dwangsom te gelasten deze inbreuken te beëindigen door elke niet door de auteursrechthebbenden toegestane verzending of ontvangst door haar klanten via „peer-to-peer”-programma’s van bestanden die een muziekwerk bevatten, te blokkeren of onmogelijk te maken. Ten slotte heeft SABAM gevraagd dat Scarlet haar op straffe van betaling van een dwangsom de maatregelen zou meedelen die zij ter uitvoering van de te nemen rechterlijke beslissing zou treffen.

21 Bij vonnis van 26 november 2004 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel het bestaan van de door SABAM gehekelde inbreuk op het auteursrecht vastgesteld. Alvorens te beslissen op het verzochte bevel tot staking heeft de voorzitter echter een deskundige aangesteld om te onderzoeken of de door SABAM voorgestelde technische oplossingen technisch haalbaar zijn, of zij het mogelijk maken uitsluitend de illegale uitwisseling van elektronische bestanden te filteren, of er nog andere toepassingen bestaan waarmee toezicht op het gebruik van „peer-to-peer”-programma’s mogelijk is, en wat de kosten zijn van de overwogen toepassingen.

22 In zijn verslag is de aangeduide deskundige tot de conclusie gekomen dat het ondanks talrijke technische hindernissen niet volledig is uitgesloten dat het filteren en blokkeren van illegale uitwisselingen van elektronische bestanden haalbaar is.

23 Bij vonnis van 29 juni 2007 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel Scarlet gelast om op straffe van betaling van een dwangsom de in het vonnis van 26 november 2004 geconstateerde inbreuken op het auteursrecht te beëindigen door het onmogelijk te maken dat haar klanten via „peer-to-peer”-programma’s elektronische bestanden ontvangen of verzenden die muziekwerken uit het repertoire van SABAM bevatten.

24 Tegen deze beslissing heeft Scarlet bij de verwijzende rechter beroep ingesteld. Zij heeft om te beginnen betoogd dat zij onmogelijk aan het rechterlijk bevel kan voldoen omdat de efficiëntie en de duurzaamheid van blokkerings- of filtersystemen niet is bewezen en omdat de toepassing van die systemen op vele praktische hindernissen stuit, zoals problemen met de capaciteit van het netwerk en de impact van deze systemen daarop. Bovendien bestaan er thans een aantal „peer-to-peer”-programma’s die toezicht op hun inhoud door derden onmogelijk maken, waardoor elke poging om de betrokken bestanden te blokkeren gedoemd is op zeer korte termijn te mislukken.

25 Vervolgens heeft Scarlet betoogd dat dit rechterlijk bevel niet in overeenstemming is met artikel 21 van de Wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de informatiemaatschappij, waarbij artikel 15 van richtlijn 2000/31 in nationaal recht is omgezet, omdat daarbij de facto een algemene verplichting van toezicht op de communicatie op haar netwerk wordt opgelegd. Elk blokkerings- of filtersysteem voor „peer-to-peer”-verkeer veronderstelt immers noodzakelijkerwijs een veralgemeend toezicht op alle communicatie op dat netwerk.

26 Ten slotte heeft Scarlet betoogd dat de invoering van een filtersysteem de Unierechtelijke bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens en het communicatiegeheim schendt, aangezien een dergelijke filtering de verwerking inhoudt van IP-adressen, die persoonsgegevens vormen.

27 De verwijzende rechter heeft daarom geoordeeld dat, voordat wordt ingegaan op de vraag of er een systeem voor het filteren en blokkeren van „peer-to-peer”-bestanden bestaat en of dit doeltreffend kan zijn, moet worden nagegaan of de verplichtingen die Scarlet kunnen worden opgelegd, in overeenstemming zijn met het Unierecht.

28 In die omstandigheden heeft het Hof van Beroep te Brussel de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1) Staan de richtlijnen 2001/29 en 2004/48, junctis de richtlijnen 95/46, 2000/31 en 2002/58, mede beschouwd in het licht van de artikelen 8 en 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, de lidstaten toe om een nationale rechter die wordt aangezocht in een bodemprocedure, enkel op de grondslag van een wettelijke bepaling inhoudend dat ‚zij [de nationale rechters] [...] eveneens een bevel tot staking [kunnen] uitvaardigen tegenover tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op het auteursrecht of op een naburig recht te plegen’, de bevoegdheid te verlenen een internetprovider te bevelen om ten aanzien van al zijn klanten, in abstracto en als preventieve maatregel, op zijn kosten en zonder beperking in de tijd, een systeem toe te passen voor het filteren van alle onder andere via ‚peer-to-peer’-programma’s in‑ en uitgaande elektronische communicatie, teneinde te kunnen vaststellen of op zijn netwerk elektronische bestanden in omloop zijn die een muzikaal, cinematografisch of audiovisueel werk bevatten waarvan de verzoeker beweert de auteursrechthebbende te zijn, en vervolgens de uitwisseling ervan te blokkeren, hetzij bij de opvraging, hetzij bij de verzending ervan?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, verplichten deze richtlijnen dan de nationale rechter die wordt verzocht om een bevel uit te vaardigen tegen een tussenpersoon waarvan de diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een auteursrecht te maken, toepassing te geven aan het beginsel van evenredigheid, wanneer deze rechter zich dient uit te spreken over de doeltreffendheid en de afschrikkende werking van de verzochte maatregel?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

29 Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de richtlijnen 2000/31, 2001/29, 2004/48, 95/46 en 2002/58, samen gelezen en uitgelegd tegen de achtergrond van de vereisten die voortvloeien uit de bescherming van de toepasselijke grondrechten, aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een internetprovider door de rechter wordt gelast een filtersysteem in te voeren

– voor alle elektronische communicatie via zijn diensten, met name door het gebruik van „peer-to-peer”-programma’s;

– dat zonder onderscheid op al zijn klanten wordt toegepast;

– dat preventief werkt;

– dat uitsluitend door hem wordt bekostigd, en

– dat geen beperking in de tijd kent,

dat in staat is om op het netwerk van deze provider het verkeer van elektronische bestanden die een muzikaal, cinematografisch of audiovisueel werk bevatten waarop de verzoeker intellectuele-eigendomsrechten zou hebben, te identificeren, om de overbrenging van bestanden waarvan de uitwisseling het auteursrecht schendt, te blokkeren (hierna: „litigieus filtersysteem”).

30 Om te beginnen moet in herinnering worden gebracht dat houders van intellectuele-eigendomsrechten volgens artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/29 en artikel 11, derde zin, van richtlijn 2004/48 om een rechterlijk bevel kunnen verzoeken tegen tussenpersonen, zoals internetproviders, wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk te maken op hun rechten.

31 Uit de rechtspraak van het Hof volgt voorts dat de overeenkomstig die bepalingen aan de nationale rechter verleende bevoegdheid hem de mogelijkheid moet bieden om die tussenpersonen te gelasten maatregelen te nemen die niet alleen reeds met behulp van hun informatiemaatschappijdiensten gepleegde inbreuken op de intellectuele-eigendomsrechten beëindigen, maar ook nieuwe inbreuken voorkomen (zie in die zin arrest van 12 juli 2011, L’Oréal e.a., C‑324/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 131).

32 Ten slotte volgt uit diezelfde rechtspraak dat de modaliteiten van de rechterlijke bevelen waarin de lidstaten krachtens die artikelen 8, lid 3, en 11, derde zin, moeten voorzien, zoals die betreffende de te vervullen voorwaarden en de te volgen procedure, aan het nationale recht worden overgelaten (zie naar analogie arrest L’Oréal e.a., reeds aangehaald, punt 135).

33 Die nationale regels, alsook de toepassingen ervan door de nationale rechterlijke instanties, moeten echter de beperkingen die uit de richtlijnen 2001/29 en 2004/48 voortvloeien eerbiedigen, evenals uit de rechtsbronnen waarnaar deze richtlijnen verwijzen (zie in die zin arrest L’Oréal e.a., reeds aangehaald, punt 138).

34 Die door de lidstaten ingevoerde regels mogen dus, overeenkomstig punt 16 van de considerans van richtlijn 2001/29 en artikel 2, lid 3, sub a, van richtlijn 2004/48, geen afbreuk doen aan de bepalingen van richtlijn 2000/31, en meer in het bijzonder aan de artikelen 12 tot en met 15 daarvan.

35 Bijgevolg moeten die regels met name artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 eerbiedigen, dat de nationale autoriteiten verbiedt maatregelen te treffen die een internetprovider zouden verplichten een algemeen toezicht uit te oefenen op de informatie die hij op zijn netwerk doorgeeft.

36 In dit opzicht heeft het Hof reeds geoordeeld dat een dergelijk verbod zich met name uitstrekt tot nationale maatregelen die een als tussenpersoon optredende dienstverlener, zoals een internetprovider, zouden verplichten tot het actief toezicht houden op alle gegevens van ieder van zijn klanten om elke toekomstige inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten te voorkomen. Een dergelijke algemene toezichtverplichting zou bovendien onverenigbaar zijn met artikel 3 van richtlijn 2004/48, dat bepaalt dat de in deze richtlijn bedoelde maatregelen billijk en evenredig moeten zijn en niet overdreven kostbaar mogen zijn (zie arrest L’Oréal e.a., reeds aangehaald, punt 139).

37 De vraag rijst bijgevolg of het in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechterlijk bevel, dat de internetprovider verplicht het litigieuze filtersysteem in te voeren, hem verplicht daarbij actief toezicht uit te oefenen op alle gegevens van ieder van zijn klanten teneinde elke toekomstige inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten te voorkomen.

38 Vaststaat dat de toepassing van dat filtersysteem veronderstelt:

– dat de internetprovider in de eerste plaats uit de volledige elektronische communicatie van al zijn klanten de bestanden selecteert die behoren tot het „peer-to-peer”-verkeer;

– dat hij in de tweede plaats uit dit „peer-to-peer”-verkeer de bestanden selecteert die werken bevatten waarop houders van intellectuele-eigendomsrechten beweren rechten te hebben;

– dat hij in de derde plaats bepaalt welke van deze bestanden illegaal werden uitgewisseld, en

– dat hij in de vierde plaats door hem als illegaal gekwalificeerde uitwisselingen van bestanden blokkeert.

39 Een dergelijk preventief toezicht vereist dus een actieve observatie van alle elektronische communicatie op het netwerk van de betrokken internetprovider en omvat bijgevolg alle door te geven informatie en alle klanten die dat netwerk gebruiken.

40 Het aan de betrokken internetprovider opgelegde rechterlijk bevel om het litigieuze filtersysteem in te voeren, verplicht die internetprovider bijgevolg tot het actief toezicht houden op alle gegevens van al zijn klanten teneinde elke toekomstige inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten te voorkomen. Dat bevel onderwerpt die internetprovider dan ook aan een door artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 verboden algemene toezichtverplichting.

41 Om te beoordelen of dat rechterlijk bevel in overeenstemming is met het Unierecht, moet bovendien rekening worden gehouden met de vereisten die voortvloeien uit de bescherming van de toepasselijke grondrechten, zoals die welke werden vermeld door de verwijzende rechter.

42 Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde rechterlijk bevel strekt ertoe de auteursrechten, die een onderdeel vormen van het intellectuele-eigendomsrecht, te beschermen. Op die rechten kan inbreuk worden gemaakt door de aard en de inhoud van bepaalde elektronische communicatie die via het netwerk van de internetprovider wordt verricht.

43 Het intellectuele-eigendomsrecht wordt weliswaar door artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) beschermd, maar noch uit deze bepaling, noch uit de rechtspraak van het Hof vloeit voort dat dit recht onaantastbaar is en daarom absolute bescherming moet genieten.

44 Zoals immers uit de punten 62 tot en met 68 van het arrest van 29 januari 2008, Promusicae (C‑275/06, Jurispr. blz. I‑271), blijkt, moet de bescherming van het fundamentele eigendomsrecht, waarvan de intellectuele-eigendomsrechten deel uitmaken, worden afgewogen tegen de bescherming van andere grondrechten.

45 Meer in het bijzonder volgt uit punt 68 van dat arrest dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties in het kader van de ter bescherming van de houders van auteursrechten vastgestelde maatregelen een juist evenwicht moeten verzekeren tussen de bescherming van deze rechten en de bescherming van de grondrechten van personen die door zulke maatregelen worden geraakt.

46 In omstandigheden zoals die van het hoofdgeding moeten de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties bijgevolg met name een juist evenwicht verzekeren tussen de bescherming van het intellectuele-eigendomsrecht, die houders van auteursrechten ten goede komt, en de bescherming van de vrijheid van ondernemerschap, die operatoren zoals internetproviders krachtens artikel 16 van het Handvest genieten.

47 In casu veronderstelt het rechterlijk bevel tot invoering van het litigieuze filtersysteem dat in het belang van de houders van auteursrechten toezicht wordt gehouden op alle elektronische communicatie die op het netwerk van de internetprovider wordt verricht. Bovendien is dit toezicht onbeperkt in de tijd, op iedere toekomstige inbreuk gericht en veronderstelt het dat niet alleen bestaande werken worden beschermd, maar ook toekomstige werken die nog niet zijn gecreëerd op het tijdstip waarop dit systeem wordt ingevoerd.

48 Een dergelijk rechterlijk bevel leidt dus tot een ernstige beperking van de vrijheid van ondernemerschap van de betrokken internetprovider, aangezien het hem verplicht om een permanent, duur en ingewikkeld informaticasysteem in te voeren dat alleen door hem wordt bekostigd, wat overigens strijdig is met de voorwaarden uit artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/48, dat bepaalt dat de maatregelen ter bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten niet onnodig ingewikkeld of kostbaar mogen zijn.

49 Het rechterlijk bevel tot invoering van het litigieuze filtersysteem is dan ook strijdig met het vereiste dat een juist evenwicht wordt verzekerd tussen de bescherming van het intellectuele-eigendomsrecht, dat houders van auteursrechten ten goede komt, en de vrijheid van ondernemerschap, die operatoren zoals internetproviders genieten.

50 Bovendien beperken de effecten van dat rechterlijk bevel zich niet tot de betrokken internetprovider, aangezien het litigieuze filtersysteem ook een aantasting kan vormen van de grondrechten van de klanten van deze internetprovider, namelijk van hun recht op bescherming van persoonsgegevens en van hun vrijheid om informatie te ontvangen of te verstrekken, welke rechten worden beschermd door de artikelen 8 en 11 van het Handvest.

51 Het staat namelijk vast dat het rechterlijk bevel tot invoering van het litigieuze filtersysteem een systematische analyse van alle inhoud veronderstelt en de verzameling en identificatie van de IP-adressen van de gebruikers die illegale inhoud via het netwerk versturen. Aangezien die IP-adressen de precieze identificatie van die gebruikers mogelijk maken, vormen zij beschermde persoonsgegevens.

52 Bovendien kan dat rechterlijk bevel ook de vrijheid van informatie beperken, aangezien het filtersysteem mogelijk onvoldoende onderscheid maakt tussen legale en illegale inhoud, zodat de toepassing ervan zou kunnen leiden tot de blokkering van communicatie met legale inhoud. Er wordt immers niet betwist dat de beantwoording van de vraag of een verzending legaal is, ook afhangt van de toepassing van wettelijke uitzonderingen op het auteursrecht, die verschillen van lidstaat tot lidstaat. Bovendien kunnen sommige werken in bepaalde lidstaten tot het publieke domein behoren of kunnen ze door de betrokken auteurs gratis op het internet zijn geplaatst.

53 Bijgevolg eerbiedigt de betrokken nationale rechterlijke instantie bij uitvaardiging van een rechterlijk bevel waarbij de internetprovider wordt verplicht het litigieuze filtersysteem in te voeren, niet het vereiste dat een juist evenwicht wordt verzekerd tussen enerzijds het intellectuele-eigendomsrecht en anderzijds de vrijheid van ondernemerschap, het recht op bescherming van persoonsgegevens en de vrijheid om informatie te ontvangen of te verstrekken.

54 Op de gestelde vragen moet dan ook worden geantwoord dat de richtlijnen 2000/31, 2001/29, 2004/48, 95/46 en 2002/58, samen gelezen en uitgelegd tegen de achtergrond van de vereisten die voortvloeien uit de bescherming van de toepasselijke grondrechten, aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een internetprovider door de rechter wordt gelast het litigieuze filtersysteem in te voeren.

Kosten

55 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

De richtlijnen:

– 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”);

– 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij;

– 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;

– 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en

– 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie),

samen gelezen en uitgelegd tegen de achtergrond van de vereisten die voortvloeien uit de bescherming van de toepasselijke grondrechten, moeten aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een internetprovider door de rechter wordt gelast een filtersysteem in te voeren

– voor alle elektronische communicatie via zijn diensten, met name door het gebruik van „peer-to-peer”-programma’s;

– dat zonder onderscheid op al zijn klanten wordt toegepast;

– dat preventief werkt;

– dat uitsluitend door hem wordt bekostigd, en

– dat geen beperking in de tijd kent,

dat in staat is om op het netwerk van deze provider het verkeer van elektronische bestanden die een muzikaal, cinematografisch of audiovisueel werk bevatten waarop de verzoeker intellectuele-eigendomsrechten zou hebben, te identificeren, om de overbrenging van bestanden waarvan de uitwisseling het auteursrecht schendt, te blokkeren.

Noot: 

Joris Deeene, Sabam versus internetproviders: 0-2, De Juristenkrant, 245, p.2

Raf Schoefs, Online platformen zijn aanspreekbaar voor auteursrechtelijke inbreuken, Juristenkrant, 352, 28 juni 2017, pagina 2

Dekoninck, Ch., « Het plaatsen van een link: (g)een mededeling aan het publiek », R.A.B.G., 2016/20, p. 1449-1453

Gerelateerd
Aangemaakt op: zo, 13/08/2017 - 08:14
Laatst aangepast op: zo, 13/08/2017 - 08:20

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.