-A +A

Ruilverkaveling en bevoegdheid van Raad van State

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 13/06/2013
A.R.: 
C.10.0064.F

Hoewel de vrederechter luidens art. 591, 11° Ger.W. kennisneemt van geschillen inzake ruilverkaveling van landeigendommen, ongeacht het bedrag van de vordering, is die bepaling enkel van toepassing op de geschillen die uitdrukkelijk worden opgesomd in de wet van 22 juli 1970.

Noch art. 43 van die wet, dat de voormelde opsomming bevat, noch enige andere bepaling bepaalt dat de rechterlijke macht bevoegd is om kennis te nemen van geschillen die betrekking hebben op de ruilverkavelingsakte zelf of sluit uit dat de administratieve akte die deze beslissing bevat, met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan worden bestreden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2014-2015
Pagina: 
388
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Ruilverkavelingscomité van Bleid t/ L.B.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, van 22 december 2009.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens art. 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling Bestuursrechtspraak uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. Die bevoegdheid wordt bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring.

Het bestreden arrest stelt vast dat het beroep van de verweerder strekt tot “vernietiging van de ongedagtekende beslissing van het ruilverkavelingscomité Bleid tot vaststelling van het herverkavelingsplan en van de lijsten die zijn opgemaakt overeenkomstig art. 26 en art. 34, 1o, 2o en 3o van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet”.

Hoewel de vrederechter luidens art. 591, 11o Ger.W. kennisneemt van geschillen inzake ruilverkaveling van landeigendommen, ongeacht het bedrag van de vordering, is die bepaling enkel van toepassing op de geschillen die uitdrukkelijk worden opgesomd in de wet van 22 juli 1970.

Noch art. 43 van die wet, dat de voormelde opsomming bevat, noch enige andere bepaling bepaalt dat de rechterlijke macht bevoegd is om kennis te nemen van geschillen die betrekking hebben op de ruilverkavelingsakte zelf of sluit uit dat de administratieve akte die deze beslissing bevat, met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan worden bestreden.

2. De eiser, die deze uitlegging betwist, verzoekt aan het Grondwettelijk Hof twee prejudiciële vragen te stellen.

De eerste prejudiciële vraag luidt als volgt: “schendt art. 43, § 1 van de Ruilverkavelingswet van 22 juli 1970 art. 16 Gw., nu er een vorm van onteigening plaatsvindt buiten de gevallen door de wet bepaald en op een door de wet niet toegelaten wijze, gezien de onmogelijkheid van controle van de externe en interne wettigheid van de gevraagde onteigening, in de uitlegging volgens welke de ruilverkavelingsakte niet met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan worden bestreden en in de uitlegging volgens welke de ruilverkavelingsakte wel met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan worden bestreden?”.

Het onderdeel kan enkel tot cassatie leiden als het Grondwettelijk Hof zou beslissen dat het bestaan van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State de Grondwet zou schenden.

Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest 83/2003 van 11 juni 2003 beslist dat art. 43, § 1 van de wet van 22 juli 1970 art. 10 en 11, al dan niet gelezen in samenhang met art. 16 Gw. niet schendt, op grond dat “[die] wet [...] – inzonderheid in art. 23 en 43 – in een aantal waarborgen voorziet die de belanghebbenden toestaan bepaalde beslissingen inzake de vaststelling van bepaalde waarden en vergoedingen te betwisten” en dat “de eindbeslissingen van het ruilverkavelingscomité bovendien met een beroep voor de Raad van State kunnen worden bestreden”.

Aangezien de tweede vraag van de vrederechter van het kanton Dendermonde-Hamme, waarover dat arrest uitspraak doet, het Grondwettelijk Hof had gevraagd of “het [voormelde] art. 43, § 1, art. 16 Gw. schendt, nu er een vorm van onteigening plaatsvindt buiten de gevallen door de wet bepaald en op een door de wet niet-toegelaten wijze, gezien de onmogelijkheid van controle van de externe en interne wettigheid van de gevraagde onteigening”, bestaat er overeenkomstig art. 26, § 2, tweede lid, 2o van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof geen grond om een nieuwe vraag te stellen, maar moet ervan worden uitgegaan dat het Grondwettelijk Hof het bestaan van een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State niet als strijdig met de Grondwet zou kunnen beschouwen.

De tweede prejudiciële vraag van de eiser luidt als volgt: “schenden art. 20 en 43 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet art. 10 en 11 Gw., gelezen in samenhang met art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, doordat de minwaarde die het gevolg is van de toewijzing van gronden in het kader van de ruilverkaveling, niet zou worden vergoed omdat deze gronden geen cultuur- of bedrijfswaarde zouden hebben, in zoverre het aldus een discriminatie in het leven roept ten aanzien van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling die, in het gemene recht, aan de andere onteigenden wordt toegekend, in de uitlegging volgens welke de ruilverkavelingsakte niet met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan worden bestreden en in de uitlegging volgens welke de ruilverkavelingsakte wel met een beroep tot nietigverklaring voor de Raad van State kan worden bestreden?”.

De bepaling van art. 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989, krachtens welke het Hof ertoe gehouden is het Grondwettelijk Hof te verzoeken uitspraak te doen over een voor hem opgeworpen vraag, zelfs wanneer het oordeelt dat het antwoord op de vraag niet vereist is om zijn beslissing te wijzen, moet binnen de grenzen van het bij het Hof aanhangig gemaakte middel worden uitgelegd.

De prejudiciële vraag houdt geen verband met het onderdeel.

3. Het bestreden arrest, dat herinnert aan het onderwerp van het beroep tot nietigverklaring, oordeelt vervolgens “dat de beslissing van het ruilverkavelingscomité een grievende administratieve akte is waarvan de Raad van State in beginsel kan kennisnemen overeenkomstig art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat het werkelijke voorwerp van het geschil, gelet op de middelen van het verzoekschrift [tot nietigverklaring], geen betwisting blijkt te zijn die, luidens art. 144 en 145 Gw., tot de bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken zou behoren”, en “dat de bevoegdheid van de Raad van State alleen maar zou kunnen worden uitgesloten indien de belanghebbenden een rechtsvordering voor een gewone rechtbank konden instellen die hetzelfde resultaat kon opleveren als dat welk zij met een beroep wegens bevoegdheidsoverschrijding konden bereiken”, wat het arrest uitsluit door te herhalen “dat de vrederechter [...] de ruilverkaveling zelf niet in vraag kan stellen”, en verantwoordt aldus naar recht zijn beslissing om de door de eiser opgeworpen exceptie van onbevoegdheid te verwerpen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 04/11/2014 - 21:18
Laatst aangepast op: zo, 30/11/2014 - 15:07

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.