-A +A

Rookverbod verantwoordelijkheid uitbater en klant

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Gent
Datum van de uitspraak: 
vri, 06/05/2016

De exploitant van een fuifzaal waar gerookt wordt, wordt verondersteld te hebben laten roken ten behoeve van die exploitatie, misdrijf dat aldus verband houdt met de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, zoals dit blijkt uit de statuten. Uit de hierboven vermelde overwegingen blijkt dat door de beklaagde bewust werd gekozen voor het exploiteren van de fuifzaal zonder toe te zien op de naleving van het rookverbod, met name op 3 november 2012 en op 17 februari 2013. Er is dan ook sprake van een eigen strafrechtelijke fout van de tweede beklaagde als rechtspersoon, zodat de hierboven bewezen verklaarde feiten aan de tweede beklaagde dienen te worden toegerekend en haar verwijtbaar zijn.

 

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1352
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Openbaar ministerie t/ M. en BVBA A.

...

Op grond van de gegevens van het strafdossier en de behandeling voor het hof zijn de feiten, voorwerp van de onderscheiden onderdelen van de enige telastlegging, en de schuld van de eerste beklaagde en van tweede beklaagde, de BVBA A., aan die feiten bewezen gebleven in zoverre deze onderdelen betrekking hebben op het niet naleven van het rookverbod in gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn, nl. op 3 november 2012 en op 17 februari 2013. De enige telastlegging is daarentegen voor het hof niet bewezen in zoverre ze betrekking heeft op de omstandigheid dat de rookkamer op 17 februari 2013 niet zou zijn ingericht overeenkomstig de bepalingen van art. 6 van de wet van 22 december 2009.

De eerste beklaagde is de zaakvoerder van de tweede beklaagde, BVBA A., die (...) een discotheek (fuifzaal) en drankgelegenheid (...) exploiteert.

Uit het door een bevoegde controleur van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid op 7 november 2012 opgestelde proces-verbaal van vaststelling van overtreding (...) blijkt onder meer dat er op 3 november 2012 in de voormelde fuifzaal:

– naast en voor de togen verschillende klanten stonden te roken;

– één van de dj’s of technici stond te roken achter de discobar;

– één van de veiligheidsmensen stond te roken naast de toog;

– een fotografe stond te roken in de toiletten;

– het personeel achter de toog, in de toiletten en aan de kassa voor drankbonnen, geen enkele opmerking maakte naar de rokers toe.

Voorts blijkt uit het door diezelfde bevoegde controleur op 21 februari 2013 opgestelde proces-verbaal van inlichting (...) m.b.t. vaststellingen die werden verricht op 17 februari 2013 o.m. dat:

– door de controleur een doordringende rookgeur van tabaksproducten kon worden waargenomen bij het betreden van de fuifzaal;

– in de fuifzaal nog steeds werd gerookt, waarbij verschillende klanten naast en voor de togen en naast de muziekinstallatie stonden te roken;

– de vloer bezaaid was met peuken;

– de deur van de rookkamer openstond naar het publieke gedeelte toe;

– in de rookkamer een waas van rook hing, wat de controleur deed veronderstellen dat de rookafzuiging niet of niet correct werkt;

– binnen in de fuifzaal geen permanente verwijzing is naar de rookkamer en dat louter op televisieschermen, tussen de reclame voor dranken, in een roulatiesysteem af en toe de vermelding verschijnt van de aanwezigheid van een rookkamer.

Het is op grond van de voormelde vaststellingen in de processen-verbaal bewezen dat de eerste beklaagde (...) en de tweede beklaagde, de BVBA A., het in de wet van 22 december 2009 voorgeschreven rookverbod niet hebben nageleefd (art. 3 van de wet van 22 december 2009). Uit de voormelde vaststellingen van de controleur blijkt immers dat het rookverbod op 3 november 2012 en op 17 februari 2013 niet zomaar werd overtreden door individuele klanten op een wijze die door de beklaagden niet kon worden gecontroleerd, maar dat de beklaagden doelbewust hebben gedoogd dat er in de fuifzaal, in strijd met het rookverbod, werd gerookt (art. 7 van de wet van 22 december 2009).

Dit laatste blijkt met name uit het feit dat er op beide data naast en voor de togen door verschillende klanten werd gerookt en dat er ook werd gerookt door personen die bij de werking van de fuifzaal waren betrokken (onder wie één van de dj’s of technici en één van de veiligheidsmensen), terwijl er door het personeel achter de toog, in de toiletten en aan de kassa geen opmerkingen werden geformuleerd naar de rokers toe teneinde hen op het rookverbod te wijzen. Op 17 februari 2013 werd bovendien vastgesteld dat de grond bezaaid lag met peuken, wat eveneens aantoont dat er massaal werd gerookt door de klanten, zonder dat daarover enige opmerking werd gemaakt door het personeel.

Het antwoord op de vraag of er op 3 november 2012 al dan niet voldoende rookverbodtekens (via televisieschermen) werden aangebracht – waaromtrent de eerste beklaagde verwijst naar een proces-verbaal van vaststelling dat gerechtsdeurwaarder (...) op 14 februari 2014 op zijn verzoek heeft opgesteld – is voor het overige niet relevant, daar de telastlegging daar geen betrekking op heeft.

Ten onrechte betwist de eerste beklaagde de bijzondere bewijswaarde van de voormelde processen-verbaal, die volgens de wet gelden tot het tegendeel is bewezen (art. 11, § 2 van de wet van 24 januari 1977 “betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten”, zoals van toepassing ingevolge art. 10 van de voormelde wet van 22 december 2009). In dit verband wijst de eerste beklaagde niet pertinent op de gedragscode en het “deontologisch kader” voor de “ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt”, daar nergens uit blijkt noch aannemelijk wordt gemaakt dat de betrokken controleur een gedragscode of enig deontologisch voorschrift zou hebben miskend.

Meer in het bijzonder kan de eerste beklaagde niet worden gevolgd in zijn kritiek dat de controleur die de voormelde processen-verbaal heeft opgesteld, zich pas na zijn vaststellingen heeft gelegitimeerd en zich als controleur kenbaar heeft gemaakt. Mede gelet op de aard van de te controleren voorschriften, namelijk het rookverbod, waarvan een overtreding op een bijzonder vluchtige wijze kan worden verdoezeld, was de controleur er geenszins toe verplicht om zich vooraf te legitimeren alvorens zijn – overigens louter zintuiglijke – vaststellingen te verrichten. Een voorafgaande legitimatie wordt door de wet niet vereist en zou een efficiënte controle immers in de weg staan. Uit het voormelde proces-verbaal van 7 november 2012 (m.b.t. de vaststellingen die op 3 november 2012 werden verricht) blijkt overigens dat de controleur zich wel degelijk heeft gelegitimeerd ten aanzien van de eerste beklaagde en dat er tussen beide zelfs een relatief lang gesprek werd gevoerd over het rookverbod in het algemeen en de controle in de fuifzaal in het bijzonder.

Ook de omstandigheid dat de controleur zich bij een nieuwe controle helemaal niet kenbaar zou hebben gemaakt – wat volgens de bewuste controleur louter was ingegeven door zijn bekommernis om zijn veiligheid te garanderen, daar de situatie soms uit de hand kan lopen wanneer er dronken personen aanwezig zijn – impliceert niet dat zijn vaststellingen niet regelmatig zouden zijn.

In weerwil van wat door de eerste beklaagde wordt aangevoerd, was de controleur er evenmin toe gehouden de personen te identificeren die daadwerkelijk aan het roken waren, daar uit geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling noch uit enig deontologisch voorschrift kan worden afgeleid dat hiertoe enige verplichting bestond. De loutere vaststelling dat de controleurs de bevoegdheid hebben om de individuele rokers te identificeren, doet hieraan geen afbreuk.

Zo ook was de bewuste controleur er niet toe gehouden om een controle uit te voeren op de rookafzuiginstallatie in de rookkamer. De omstandigheid dat hij dit niet heeft gedaan, impliceert niet dat zijn vaststellingen zoals hierboven vermeld, niet betrouwbaar zouden zijn.

De eerste beklaagde kan ook niet worden gevolgd in zijn verweer dat zijn recht van verdediging, zoals dat voortvloeit uit o.m. art. 6 EVRM, door het optreden van de controleur geschonden zou zijn. Nog ongeacht de bijzondere bewijswaarde van de processen-verbaal die de overtredingen van het rookverbod vaststellen, is het hof immers van oordeel dat de vaststellingen in deze processen-verbaal hoe dan ook geloofwaardig en betrouwbaar zijn, daar niet in het minst aannemelijk wordt gemaakt dat de erin gerelateerde feitelijke vaststellingen niet met de waarheid zouden stroken. De omstandigheid dat de individuele rokers niet werden geïdentificeerd en de controleur zich pas na zijn vaststellingen – en bij een nieuwe controle zelfs helemaal niet – heeft gelegitimeerd, laat deze vaststelling onverlet.

Overigens heeft de eerste beklaagde wel degelijk gereageerd tegen de vaststellingen van 3 november 2012, zoals beschreven in het proces-verbaal van 7 november 2012, nl. door hierop bij brief van 9 november 2012 te reageren – welke schriftelijke reactie door de controleur aan een proces-verbaal van inlichting van 22 november 2012 werd gehecht (...) en in het strafdossier werd opgenomen. Uit deze schriftelijke reactie blijkt dat de eerste beklaagde vooral zijn ongenoegen heeft geuit over de strenge reglementering ter zake en tevens heeft benadrukt dat hij naar zijn oordeel wél alles heeft gedaan om het rookverbod te (doen) naleven, maar dat hij zich blijkbaar tevens neerlegt bij de vaststellingen van de controleur (...).

De door de eerste beklaagde voorgelegde schriftelijke verklaringen van personeelsleden, die beweren dat ze op 3 november 2012 werkzaam waren in de fuifzaal, maar dat ze onmogelijk aan het roken kunnen zijn geweest daar ze geen roker zijn (...), zijn evenmin van aard om afbreuk te doen aan de voormelde vaststellingen van de controleur. Het blijkt immers nergens uit dat de personeelsleden die deze – in identieke bewoordingen opgestelde – verklaringen hebben ondertekend, degenen zijn die worden bedoeld in de vaststellingen m.b.t. de rokende personeelsleden op 3 november 2012.

Dat de controleur wel degelijk waarheidsgetrouw in zijn proces-verbaal van 3 november 2012 heeft genoteerd dat er behalve verschillende klanten ook personeelsleden van de fuifzaal naast, voor en achter de toog en de discobar stonden te roken, wordt overigens bevestigd door de eigen mededelingen van de eerste beklaagde aan de controleur, zoals die blijken uit datzelfde proces-verbaal. De eerste beklaagde liet immers aan de controleur, die hem vroeg waarom hij niet optrad wanneer hij zijn personeel ziet roken, weten dat hij “geen personeel meer heeft” wanneer hij tegen het roken zou optreden. De grief van de eerste beklaagde dat zijn woorden in het proces-verbaal niet correct zouden zijn weergegeven, is niet geloofwaardig, daar niet in het minst waarschijnlijk wordt gemaakt dat de bewuste controleur de eerste beklaagde dergelijke woorden in de mond zou leggen wanneer hij ze niet effectief heeft uitgesproken.

Het verweer van de eerste beklaagde dat zijn recht van verdediging zou zijn geschonden, dat de processen-verbaal geen bewijswaarde zouden hebben en dat de strafvordering bijgevolg “onontvankelijk, minstens ongegrond” zou zijn, kan dan ook niet worden aangenomen.

Aan het bovenstaande wordt voorts evenmin afbreuk gedaan door het verweer van de eerste beklaagde dat niet elke overtreding van het rookverbod in een fuifzaal impliceert dat de uitbater van deze fuifzaal hiervoor verantwoordelijk zou zijn, ook al is dit laatste als zodanig correct. Krachtens art. 7 van de wet van 22 december 2009 zijn de uitbater en de klant, elkeen voor wat hem aangaat, immers verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. De beklaagden worden te dezen dan ook niet vervolgd door het enkele feit dat bepaalde individuen in zijn zaak hebben gerookt – waarbij de beklaagde benadrukt dat in de grote fuifzaal, waar vaak klank- en lichtspektakels plaatsvinden, ondersteund door een rookmachine, het rookverbod niet zo gemakkelijk kan worden gecontroleerd – maar wel omdat zij bij de exploitatie van de fuifzaal doelbewust hebben gedoogd dat er massaal overtredingen van het rookverbod werden begaan. De omstandigheid dat er niet enkel heimelijk werd gerookt door de klanten – overigens op een massale wijze, getuige de omstandigheid dat de vloer op 17 februari 2013 bezaaid lag met peuken – maar dat dit zelfs gebeurde aan de toog, terwijl hieromtrent niet de minste opmerking werd gemaakt door het aanwezige personeel, alsook de omstandigheid dat er ook door bepaalde personeelsleden werd gerookt, tonen duidelijk aan dat de algemene cultuur binnen de fuifzaal minstens getuigde van een uitgesproken laksheid ten aanzien van het rookverbod, waarvoor de beklaagden wel degelijk strafrechtelijk verantwoordelijk zijn. De beklaagden kunnen dan ook niet worden gevolgd in hun standpunt dat zij (althans op het ogenblik van de voormelde vaststellingen) als uitbater van de fuifzaal al het redelijke hebben gedaan om aan het rookverbod te voldoen.

Wat de naleving van de vereisten van de rookkamer op 17 februari 2013 betreft, is de enige telastlegging naar het oordeel van het hof daarentegen niet bewezen. Hoewel uit het voormelde proces-verbaal van inlichting blijkt dat op 17 februari 2013 de deur van de rookkamer openstond naar het publieke gedeelte toe, kan hieruit niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat de voorschriften van art. 6 van de wet van 22 december 2009 niet zouden zijn nageleefd. Uit dit proces-verbaal blijkt immers dat de rookkamer in de fuifzaal voldeed aan de normen qua oppervlakte, terwijl voorts vaststaat dat er een rookafzuigsysteem was geïnstalleerd dat voldeed aan de normen van het KB van 28 januari 2010 “betreffende de vaststelling van de voorwaarden van het rookverbodsteken en van de installatie van een ventilatiesysteem” (...). De loutere vaststelling van de controleur dat er in de rookkamer een waas van rook hing “wat laat veronderstellen dat de rookafzuiging niet of niet correct werkt”, is – afgezien van de vaststelling dat de telastlegging daarop niet specifiek betrekking heeft – slechts een appreciatie van de controleur die, bij gebrek aan enige controle van de rookafzuiginstallatie, het niet mogelijk maakt om met voldoende zekerheid vast te stellen dat de rookafzuigsysteem niet (voldoende) werkte.

Voor het overige kan het hof slechts vaststellen dat de loutere omstandigheid dat in het voormelde proces-verbaal van inlichting wordt vastgesteld dat op 17 februari 2013 de deur van de rookkamer openstond naar het publieke gedeelte toe, op zich niet bewijst dat de rookkamer niet zodanig werd geconstrueerd en ingericht dat de ongemakken van de rook ten opzichte van de niet-rokers zoveel mogelijk worden verminderd, zoals voorgeschreven door art. 6 van de wet van 22 december 2009, terwijl evenmin met zekerheid blijkt dat aan de overige voorschriften van die bepaling niet zou zijn voldaan. Er blijkt immers nergens uit dat het openstaan van de deur van de rookkamer een structureel gegeven was en geen occasioneel incident, bv. omdat een bezoeker van de rookkamer toevallig had nagelaten de deur achter zich te sluiten.

De beide beklaagden dienden dan ook te worden vrijgesproken van de enige telastlegging in zoverre deze betrekking heeft op de beweerde niet-naleving van de voorschriften m.b.t. de rookkamer. Aan dit onderdeel van de enige telastlegging zijn geen afzonderlijke kosten verbonden.

Overtredingen van de wet van 22 december 2009 betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook, zijn strafbaar van zodra bewezen is dat de overtreder bewust en vrijwillig heeft gehandeld. Dit laatste is te dezen bewezen, daar het duidelijk is dat de beklaagden doelbewust hebben gedoogd dat het rookverbod in de fuifzaal op 3 november 2012 en op 17 februari 2013 werd overtreden.

Een rechtspersoon is strafrechtelijk verantwoordelijk voor misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van haar doel of de waarneming van haar belangen, of die, naar blijkt uit de concrete omstandigheden, voor haar rekening zijn gepleegd. Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk wordt gesteld uitsluitend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan, worden veroordeeld. Cumulatie in de vervolging en veroordeling van rechtspersoon en natuurlijke persoon is evenwel mogelijk indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd (art. 5 Sw.).

De tweede beklaagde, BVBA A., is de exploitant van de fuifzaal en het misdrijf, omschreven in de hierboven bewezen verklaarde onderdelen van de enige telastlegging, werd gepleegd tijdens en ten behoeve van die exploitatie, die gebeurde voor rekening van de tweede beklaagde en verband houdt met de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel, zoals dit blijkt uit de statuten. Uit de hierboven vermelde overwegingen blijkt dat door de beklaagde bewust werd gekozen voor het exploiteren van de fuifzaal zonder toe te zien op de naleving van het rookverbod, met name op 3 november 2012 en op 17 februari 2013. Er is dan ook sprake van een eigen strafrechtelijke fout van de tweede beklaagde als rechtspersoon, zodat de hierboven bewezen verklaarde feiten aan de tweede beklaagde dienen te worden toegerekend en haar verwijtbaar zijn.

De eerste beklaagde kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij – aangezien hij als natuurlijk persoon niet de uitbater is van de fuifzaal, die door de BVBA A. wordt uitgebaat – niet strafrechtelijk kan worden aangesproken. De eerste beklaagde trad immers op als zaakvoerder van de tweede beklaagde, BVBA A., en had de beslissings- en handelingsbevoegdheid om het bewezenverklaarde misdrijf, meer bepaald het negeren van het rookverbod in de fuifzaal op 3 november 2012 en op 17 februari 2013, te voorkomen, wat hij niet deed. Hij reageerde spontaan tegen de vaststellingen van 3 november 2012 bij brief van 9 november 2012, waarbij hij zichzelf voorstelde als zaakvoerder van de BVBA A. en duidelijk te kennen gaf dat hij degene was die binnen de vennootschap verantwoordelijk was voor het bedrijfsbeleid, ook wat de naleving van het rookverbod betreft. Als natuurlijke persoon door wiens toedoen de BVBA A. handelde, heeft de eerste beklaagde bewust en buiten elke dwang, dit is wetens en willens, gehandeld in strijd met de bepalingen van de wet van 22 december 2009, en niet uit loutere onachtzaamheid, zoals door hem wordt beweerd. De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn dan ook aan de eerste beklaagde toerekenbaar en verwijtbaar, zodat de eerste beklaagde samen met de tweede beklaagde, BVBA A., strafrechtelijk verantwoordelijk is voor het misdrijf dat het voorwerp uitmaakt van de hierboven bewezen verklaarde onderdelen van de enige telastlegging.

De misdrijven die het voorwerp vormen van de bewezen verklaarde onderdelen van de enige telastlegging zijn in de persoon van de eerste beklaagde, respectievelijk de tweede beklaagde, BVBA A., de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet, zodat er voor elk van hen slechts één straf moet worden uitgesproken (art. 65, eerste lid Sw.). Het betreft hier meer in het bijzonder de straf die is bepaald in art. 13 van de wet van 24 januari 1977 “betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten”, waarnaar verwezen wordt in art. 9 van de wet van 22 december 2009 “betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook”. Daar art. 13 van de wet van 24 januari 1977 werd gewijzigd door art. 190 van de wet van 10 april 2014 “houdende diverse bepalingen inzake gezondheid” (BS 30 april 2014, p. 35442) en die laatste bepaling in een zwaardere bestraffing, meer in het bijzonder in een hogere maximale geldboete, voorziet, houdt het hof louter rekening met de mildere strafmaat zoals die werd voorgeschreven door art. 13 van de wet van 24 januari 1977 vóór die bepaling werd gewijzigd door art. 190 van de wet van 10 april 2014.

Rechtspraak:

• GwH nr. 3/2016 van 3 maart 2016, RW 2015-16, 1320

Rechtsleer:

• A. Marut, “Rookverbod in openbare plaatsen” in Postal Memorialis, juni 2012.

Gerelateerd
Aangemaakt op: wo, 10/05/2017 - 10:46
Laatst aangepast op: wo, 10/05/2017 - 10:46

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.