-A +A

Rookverbod - begrip gesloten plaats en begrip terras

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van beroep
Plaats van uitspraak: Antwerpen
Datum van de uitspraak: 
woe, 08/06/2016

De beperkende maatregelen in het kader van de bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook gelden niet alleen voor “gebouwen”.

Het WHO-kaderverdrag bepaalt de minimumnorm inzake bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook die door de nationale instanties bereikt moet worden door het nemen van doeltreffende wetgevende, bestuurlijke en/of andere maatregelen.

Het feit dat art. 8, 2o van dit Kaderverdrag spreekt over bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook “... in binnen gebouwen gelegen werkplekken, het openbaar vervoer, binnen openbare gebouwen en, naargelang het geval, op andere openbare plaatsen”, verhindert niet dat de nationale instanties wetgevende, bestuurlijke en/of andere maatregelen kunnen nemen die verder gaan en derhalve strenger zijn dan deze minimumnorm zoals bepaald in het WHO-kaderverdrag.

Wanneer art. 3, § 1 van de wet van 22 december 2009 “betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook” het rookverbod regelt “in gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn”, is het duidelijk dat dit rookverbod niet beperkt is tot “gebouwen” in de strikte betekenis van het woord, maar ook slaat op alle voor het publiek toegankelijke “gesloten” plaatsen die geen “gebouwen” zijn, zoals tenten, overdekte terrassen, enz.

Art. 2 van de wet van 22 december 2009 definieert een “gesloten plaats” als “een plaats door wanden afgesloten van de omgeving en voorzien van een plafond of zoldering”.

Het al dan niet gesloten karakter van een plaats is een feitenkwestie die geval per geval door de rechter ten gronde beoordeeld dient te worden.

Een HORECA terras-constructie aangebouwd tegen de voorgevel van een uitbating, waarbij de drie overige wanden bestaan uit gesloten glazen wanden, met enkel aan de voorzijde een (schuif)deur waarmee het overdekte terras en vervolgens de in het gebouw gelegen uitbating betreden kan worden is een gesloten plaats, alwaar het rookverbod geldt, (art. 2 wet 22/12/2009) te meer daar de inrichting volledig overdekt is met een zeilconstructie die opengeschoven kan worden.

De wet bepaalt immers niet uit welke materialen (stenen, gyproc, glas, plexiglas, kunststof, tentzeil, ...) de wanden en het “plafond” dienen te bestaan opdat er van een “gesloten plaats” in de zin van de wet van 22 december 2009 sprake zou zijn, zodat het al dan niet “gesloten” karakter van de plaats een feitenkwestie betreft die geval per geval beoordeeld dient te worden.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Jaargang: 
2016-2017
Pagina: 
1350
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Openbaar ministerie t/ NV De M.

...

1. Beklaagde wordt vervolgd voor overtreding van de bepalingen van art. 3, § 1 en § 3 van de wet van 22 december 2009 “betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook” door de aanwezigheid van rokers toegelaten te hebben en door geen rookverbodstekens te hebben aangebracht en asbakken te hebben voorzien op de tafeltjes op de overdekte terrassen van de brasserie X. en de brasserie Y. die als “gesloten” dienen beschouwd te worden.

2. Beklaagde verwijst in haar beroepsconclusie naar de nieuwe richtlijn 2014/40/EU van 3 april 2014 “betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van richtlijn 2001/37/EG”. Deze nieuwe richtlijn is in werking getreden op 18 mei 2014 en dient overeenkomstig art. 31 van de richtlijn te worden omgezet uiterlijk op 20 mei 2016. Tevens verwijst beklaagde naar het WHO-kaderverdrag, dat als supranationale rechtsnorm bindend is voor de lidstaten en derhalve zou primeren op andere bepalingen van intern recht.

Uit de bepalingen van dit WHO-kaderverdrag leidt beklaagde ten onrechte af dat de beperkende maatregelen in het kader van de bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook enkel betrekking zouden hebben op “gebouwen”, ondanks het feit dat art. 3, § 1 van de wet van 22 december 2009 “betreffende een algemene regeling voor rookvrije plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook” spreekt over een rookverbod in “gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn”.

Het WHO-kaderverdrag bepaalt de minimumnorm inzake bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook die door de nationale instanties bereikt moet worden door het nemen van doeltreffende wetgevende, bestuurlijke en/of andere maatregelen.

Het feit dat art. 8, 2o van dit Kaderverdrag spreekt over bescherming tegen blootstelling aan tabaksrook “... in binnen gebouwen gelegen werkplekken, het openbaar vervoer, binnen openbare gebouwen en, naargelang het geval, op andere openbare plaatsen”, verhindert niet dat de nationale instanties wetgevende, bestuurlijke en/of andere maatregelen kunnen nemen die verder gaan en derhalve strenger zijn dan deze minimumnorm zoals bepaald in het WHO-kaderverdrag.

3. Wanneer art. 3, § 1 van de wet van 22 december 2009 “betreffende een algemene regeling voor rookvrije gesloten plaatsen toegankelijk voor het publiek en ter bescherming van werknemers tegen tabaksrook” het rookverbod regelt “in gesloten plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn”, is het duidelijk dat dit rookverbod niet beperkt is tot “gebouwen” in de strikte betekenis van het woord, maar ook slaat op alle voor het publiek toegankelijke “gesloten” plaatsen die geen “gebouwen” zijn, zoals tenten, overdekte terrassen, enz.

Art. 2 van de wet van 22 december 2009 definieert een “gesloten plaats” als “een plaats door wanden afgesloten van de omgeving en voorzien van een plafond of zoldering”.

4. Het hof onderschrijft het standpunt van de eerste rechter dat de omzendbrief van 20 maart 2012 van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu géén bindende rechtsnorm is, maar enkel interpretatieve richtlijnen geeft aan de gemachtigde ambtenaren.

Alleszins blijft het al dan niet gesloten karakter van een plaats een feitenkwestie die geval per geval door de rechter ten gronde beoordeeld dient te worden.

...

Tijdens de controles door de beëdigd controleur van het FAVV op 21 december 2012, 18 april 2013, 15 oktober 2013 en 5 december 2013 werd telkens vastgesteld dat het overdekte terras van de brasserie X. een afgesloten terras betrof, bestaande uit vier wanden en een plafond, dat je moet passeren alvorens de horecazaak te kunnen betreden. Er zijn asbakken aanwezig en er zijn klanten aan het roken. Rookverbodstickers zijn afwezig.

Deze materiële vaststellingen worden als zodanig niet betwist door beklaagde.

Op de foto’s van het overdekte terras, gehecht aan het proces-verbaal van 18 maart 2013 en aan het proces-verbaal 15 oktober 2013, is duidelijk te zien dat de constructie is aangebouwd tegen de voorgevel van brasserie X. en dat de drie overige wanden bestaan uit gesloten glazen wanden, met enkel aan de voorzijde een (schuif)deur waarmee het overdekte terras en vervolgens de in het gebouw gelegen brasserie X. betreden kan worden. Het terras is volledig overdekt met een zeilconstructie die opengeschoven kan worden.

Rekening houdend met de hierboven beschreven aard en plaatsing van de terrasconstructie, is het hof van oordeel dat deze terrasconstructie op het moment van de door de beëdigd controleur van het FAVV uitgevoerde controles als een “gesloten plaats” moest worden beschouwd in de zin van art. 2 van de wet van 22 december 2009, omdat de aldus gecreëerde terrasruimte volledig werd afgesloten van de omgeving door drie glazen wanden en de voorgevel van het gebouw waartegen de constructie is aangebouwd, alsmede door het uitschuifbare dakzeil, dat op het moment van de controle ook volledig was uitgeschoven, waardoor het terras volledig was afgeschermd van de buitenlucht. De wet bepaalt immers niet uit welke materialen (stenen, gyproc, glas, plexiglas, kunststof, tentzeil, ...) de wanden en het “plafond” dienen te bestaan opdat er van een “gesloten plaats” in de zin van de wet van 22 december 2009 sprake zou zijn, zodat het al dan niet “gesloten” karakter van de plaats een feitenkwestie betreft die geval per geval beoordeeld dient te worden.

Dit uitschuifbare dakzeil boven het terras was, zoals vermeld, op het moment van de feiten uitgeschoven en was onder die specifieke omstandigheden wel degelijk een “plafond” in de zin van art. 2 van de wet van 22 december 2009, omdat het de gasten van het terras niet alleen afschermde tegen weer en wind, maar het tevens de aanwezige tabaksrook in de aldus afgesloten terrasruimte hield.

Bijgevolg was het overdekte terras van de brasserie X. wel degelijk een “gesloten ruimte” in de zin van art. 3, § 1 van de wet van 22 december 2009, en is de schuld van de beklaagde aan de haar ten laste gelegde feiten A.I. en B.I. zoals hiervoor omschreven bewezen gebleven.

Het bestreden vonnis wordt in die zin bevestigd

...

In tegenstelling tot het overdekte terras van de brasserie X., dat volledig tegen de voorgevel van het gebouw is aangebouwd, is er bij café Y. volgens de beschrijving in de opgestelde processen-verbaal en volgens de bijgevoegde foto’s tussen de voorgevel van het gebouw en het overdekte terras een voetpad (openbare weg), waardoor het overdekte terras langs één zijde (namelijk de zijde richting gebouw) volledig open is, met een opening aan de linkerzijde en aan de rechterzijde tussen het overdekte terras en het gebouw, telkens doorgang gevend aan gebruikers van het voetpad. Het voetpad is feitelijk overdekt door een luifel die overhangt tot tegen het overdekte terras. Aan de voorzijde van het overdekte terras zijn er twee deuropeningen.

Door deze terrasconstellatie zijn geen vier wanden rond het terras, waardoor aanwezige tabaksrook kan vervliegen langs de open zijde van het terras. Bijgevolg is het overdekte terras van de brasserie Y. géén “gesloten ruimte” in de zin van art. 3, § 1 van de wet van 22 december 2009, en is de schuld van de beklaagde aan de haar ten laste gelegde feiten A.II. en B.II., zoals hiervoor omschreven, niet bewezen.

Het bestreden vonnis wordt in die zin hervormd.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 09/05/2017 - 15:06
Laatst aangepast op: di, 09/05/2017 - 15:06

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.