-A +A

Rol van de woonstvergoeding bij de begroting persoonlijk onderhoudsgeld na echtscheiding

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Hof van Cassatie
Datum van de uitspraak: 
don, 17/09/2015
A.R.: 
C. 13.0304

De omstandigheid dat de woonstvergoeding die een uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot op grond van artikel 577-2, §3 en §5, Burgerlijk Wetboek verschuldigd is vanaf het definitief worden van de echtscheiding, wegens de exclusieve bewoning van de nog onverdeelde voormalige echtelijke woonst, niet effectief maandelijks wordt betaald, maar een te verrekenen schuld is die bij de vereffening en verdeling in mindering zal worden gebracht op zijn aandeel in de onverdeeldheid, verhindert in beginsel niet dat de rechter de met de nog te verrekenen woonstvergoeding corresponderende woonlast in aanmerking neemt bij het beoordelen van de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde ex- echtgenoot en het bepalen van de hem toekomende onderhoudsuitkering na echtscheiding; daardoor wordt geen rekening gehouden met een toekomstige en onzekere wijziging in de financiële toestand van de partijen; dat artikel 301, §7, tweede lid, Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid biedt de uitkering tot levensonderhoud aan te passen indien de vereffening en verdeling aanleiding geeft tot een wijziging van de financiële toestand van de partijen die dit rechtvaardigt, doet daaraan niet af.

Publicatie
tijdschrift: 
juridat
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

Nr. C.13.0304.N
J. M.,
eiser,
tegen
D. V.,
verweerster,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 4 maart 2013.

II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Artikel 301, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of bij een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toestaan ten laste van de andere echtgenoot.

Krachtens artikel 301, § 3, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

2. Overeenkomstig artikel 301, § 7, eerste lid, Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank, op vordering van een van de partijen, de uitkering later verhogen, ver-minderen of afschaffen, indien, ingevolge nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen, het bedrag ervan niet meer aangepast is, uitgezonderd indien de partijen uitdrukkelijk het tegenovergestelde zijn overeengekomen.

Verder bepaalt artikel 301, § 7, tweede lid, Burgerlijk Wetboek dat de rechtbank de uitkering eveneens kan aanpassen indien, ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk, de vereffening en verdeling van het gemeenschappelijk vermogen of van de onverdeeldheid die tussen de echtgenoten bestond, aanleiding geeft tot een wijziging van hun financiële toestand die een aanpassing rechtvaardigt van de uitkering tot levensonderhoud welke het voorwerp was van een vonnis of overeenkomst, gewezen of gesloten vóór de opmaak van de vereffeningsrekeningen.

3. De staat van behoefte van een uitkeringsgerechtigde wordt beoordeeld op grond van de normale levensomstandigheden waarin hij wegens zijn sociale situatie verkeerde, zoals onder meer de woonlast die dit meebrengt.

De onderhoudsuitkering na echtscheiding moet in de regel worden vastgesteld volgens de inkomsten, mogelijkheden en lasten van de partijen op de dag waarop het vonnis dat de echtscheiding toestaat, in kracht van gewijsde is gegaan. De rechter dient ook rekening te houden met de wijzigingen die zich in de toestand van de partijen hebben voorgedaan tussen het definitief worden van de echtschei-ding en de over de uitkering te wijzen beslissing, maar hij kan geen rekening hou-den met toekomstige en onzekere wijzigingen in de bestaansmiddelen van de par-tijen.

4. Bij de beoordeling van de staat van behoefte van de verweerster en de bepaling van de haar toekomende onderhoudsuitkering na echtscheiding overwegen de appelrechters onder meer dat de verweerster die met de jongste kinderen in de echtelijk woning verblijft, sedert het definitief worden van de echtscheiding een woonstvergoeding dient te betalen van 700 euro per maand. Zij overwegen verder dat aangezien de eiser deze woning wenst over te nemen, de verweerster die woning zal moeten verlaten bij het afsluiten van de vereffening en de verdeling en een woning zal dienen te huren.

5. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de appelrechters met de voormelde redenen aannemen dat de verweerster sedert het definitief worden van de echt-scheiding effectief maandelijks een woonstvergoeding van 700 euro betaalt aan de eiser, berust het op een onjuiste lezing van het arrest.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

6. De omstandigheid dat de woonstvergoeding die een uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot op grond van artikel 577-2, § 3 en § 5, Burgerlijk Wetboek ver-schuldigd is vanaf het definitief worden van de echtscheiding, wegens de exclu-sieve bewoning van de nog onverdeelde voormalige echtelijke woonst, niet effectief maandelijks wordt betaald, maar een te verrekenen schuld is die bij de veref-fening en verdeling in mindering zal worden gebracht op zijn aandeel in de onverdeeldheid, verhindert in beginsel niet dat de rechter de met de nog te verreke-nen woonstvergoeding corresponderende woonlast in aanmerking neemt bij het beoordelen van de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot en het bepalen van de hem toekomende onderhoudsuitkering na echtscheiding. Daardoor wordt geen rekening gehouden met een toekomstige en onzekere wijzi-ging in de financiële toestand van de partijen.

Dat artikel 301, § 7, tweede lid, Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid biedt de uit-kering tot levensonderhoud aan te passen indien de vereffening en verdeling aanleiding geeft tot een wijziging van de financiële toestand van de partijen die dit rechtvaardigt, doet daaraan niet af.

7. In zoverre het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.

8. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat tussen de partijen erover geen betwisting bestond dat de verweerster de onverdeelde echtelijke woning zou dienen te verlaten uiterlijk bij het afsluiten van de vereffening en verdeling.

9. Door te overwegen dat de verweerster "deze woning bij het afsluiten van de vereffening en de verdeling [zal] dienen te verlaten en een woning [zal] dienen te huren", waarmee zij slechts te kennen geven dat de woonlast van de verweerster niet wezenlijk zal veranderen, houden de appelrechters geen rekening met louter toekomstige en alsnog onzekere wijzigingen in de bestaansmiddelen van de ver-weerster.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.040,72 euro en voor de verweerster op 459,56 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer

Zie ook noot onder dit arrest van I. Boone, gepubliceerd in het RW 2016-2017, 1136

Noot: 

• Tijdschrift voor Familierecht [T. Fam.] BECKERS, Sien; Noot 'De rol van de woonstvergoeding bij de begroting van de onderhoudsuitkering na EOO' 2017, nr. 3, p. 69-74.

• C. Van Roy, De onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting: de voowaardelijke "ja" voor de levensstandaard vervangen door een "ja, maar", T. Fam. 2014/5, 107, Noot onder de weergave van dit arrest in zelfde tijdschrift.

• S. Brouwers, Rechtsmisbruik” en de principiële onwijzigbaarheid van de uitkering na een (oude) EOT, RABG 2011/05, 357 (noot onder Brussel, 19/10/2010, RABG 2011/5,357)

• Gerd Verschelden, Cassatie aanvaardt afschaffing alimentatie na rechtsmisbruik bij EOT overeenkomst, Juristenkrant 228, 20 april 2011, pagina 3 en Cass. 14 oktober  2010.De auteur wijst erop dat dit arrest, dat weliswaar kan toegejuicht worden, toch inhoudt dat een contractueel recht werd verbeurd, hetgeen een wrang gevoel heeft en waarbij de vraag kan gesteld worden waarom geen toevlucht werd gezocht tot een procedure tot vermindering van onderhoudsgeld. Persoonlijk begrijpen wij deze opmerking, doch deze opmerking benatwoordt de problemen niet bij een reeds verleende titel, een nog niet gewijzigd onderhoudsgeld, een uitvoering voor achterstallige betalingen, naast de moeilijkheden verbonden aan een procedure tot vermindering van een persoonlijk onderhoudsgeld na EOT.

Dit arrest werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Familierecht en aldaar voorzien van een noot van P. Sennaeve, Aangaande het bepalen van het onderhoudsgerechtigd zijn en aangaande de begroting van de onderhoudsuitkering na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting, T. Fam. 2014/3-4, 98. In deze noot maakt de auteur het onderscheid tussen het principieel gerechtigd zijn op onderhoudsgeld en de wijze van begroting van de onderhoudsuitkering.

• Hof van Cassatie, 1e Kamer – 6 maart 2014, RW 2014-2015, 1462

AR nr. C.12.0184.N

A. t/ D.

I. Rechtspleging voor het Hof

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 6 mei 2010.

...

III. Beslissing van het Hof

Beoordeling

Eerste onderdeel

...

2. Krachtens art. 301, § 3, eerste en tweede lid BW legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun behoeften en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Uit deze bepalingen volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding.

3. Het onderdeel dat er voor het overige geheel van uitgaat dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding verplicht is rekening te houden met de aanzienlijke terugval van de economische situatie die het gevolg is van de echtscheiding, zodat de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet worden bepaald op grond van de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: di, 22/08/2017 - 15:00
Laatst aangepast op: za, 09/09/2017 - 06:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.