-A +A

RIZIV vordering tot terugbetaling van te dure en overbodige zorgverstrekking

Printervriendelijke versiePrintervriendelijke versieVerstuur naar een vriendVerstuur naar een vriend
Instantie: Raad van State
Datum van de uitspraak: 
don, 17/01/2002

De verkorte verjaringstermijn van twee jaar bepaald in art. 174 Gecoördineerde ZIV-wet is niet van toepassing op de terugvorderingen van het RIZIV tegen zorgverleners die worden aangesproken wegens uitgaven voor onnodig dure onderzoeken en behandelingen en overbodige verstrekkingen.

Publicatie
tijdschrift: 
Rechtskundig Weekblad
Uitgever: 
intersentia
Jaargang: 
2004-2005
Pagina: 
26
In bibliotheek?: 
Dit item is beschikbaar in de bibliotheek van advocatenkantoor Elfri De Neve

De J. t/ RIZIV

Arrest nr. 102.632

Gezien het verzoekschrift dat Johan De J. op 24 februari 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 23 december 1997 van de Nederlandstalige afdeling van de commissie van beroep, ingesteld bij de dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV), waarbij de beslissing van 19 februari 1997 van de controlecommissie, afdeling Oost-Vlaanderen, in al haar onderdelen wordt bevestigd;

...

1. De gegevens van de zaak

Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat:

1.1. De verzoeker is dokter in de genees-, heel- en verloskunde en heeft een huisartsenpraktijk in Deinze.

1.2. Er wordt vastgesteld dat de verzoeker in 1990 voor aanvragen klinische biologie een veelvoud haalt van zowel het nationaal als het provinciaal gemiddelde. Op grond van deze vaststelling wordt beslist een verder onderzoek uit te voeren omtrent het aanvraagpatroon en de repercussie ervan op de verzekeringstegemoetkoming.

1.3. Op 9 augustus 1996 wordt door de dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV bij de controlecommissie, afdeling Oost-Vlaanderen, een gemotiveerde klacht ten laste van de verzoeker aanhangig gemaakt.

Luidens deze klacht worden hem volgende tekortkomingen aan art. 73 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (de gecoördineerde Z.I.V.- wet) verweten: «In de periode van 1 januari 1991 tot en met 30 april 1992 werden 4551 overbodige verstrekkingen klinische biologie en nucleaire geneeskunde in vitro ten onrechte aangevraagd, wat een totale verzekeringstegemoetkoming vertegenwoordigt van 958.916 fr.».

1.4. De gemotiveerde klacht wordt met een aangetekende brief van 9 augustus 1996 aan de verzoeker toegezonden, samen met een oproeping om op de zitting van 16 oktober 1996 voor de controlecommissie van Oost-Vlaanderen te verschijnen.

1.5. Bij beslissing van 19 februari 1997 zegt de controlecommissie, afdeling Oost-Vlaanderen, voor recht:

«- de tekortkomingen inzake de bepalingen van art. 73 van de gecoördineerde wet zijn vastgesteld en bewezen: door dokter De J. werden in de periode van 1 januari 1991 tot en met 30 april 1992, 4.551 overbodige verstrekkingen klinische biologie en nucleaire geneeskunde in vitro aangevraagd die aan de verplichte ziekteverzekering werden aangerekend voor een bedrag van 958.916 fr.;

- vordert van dokter Johan De J. de uitgaven terug met betrekking tot deze ten laste genomen prestaties; legt het bedrag van deze terugvordering vast op 958.916 fr. (...);

- wijzen klachtdoende partij af van het overige en meergevorderde, in het bijzonder de uitsluiting uit de derdebetalersregeling;

- (...)».

Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:

...

1.6. Op 25 maart 1997 tekent de verzoeker bij de commissie van beroep hoger beroep aan tegen de beslissing van 19 februari 1997 van de controlecommissie.

1.7. Op 23 december 1997 neemt de commissie van beroep de thans bestreden beslissing, waarbij het hoger beroep van de verzoeker ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard en de aangevochten beslissing van 19 februari 1997 van de controlecommissie in al haar onderdelen wordt bevestigd.

De uitspraak van de commissie van beroep rust op volgende redengeving:

...

2. Ten gronde

2.1. Het eerste middel

2.1.1. Standpunten van de partijen

Overwegende dat de partijen de volgende argumenten ontwikkelen:

2.1.1.1. (...)

De verzoeker voert aan dat art. 174, 6o, van de gecoördineerde Z.I.V.-wet eveneens van toepassing is wanneer de terugvordering geschiedt op grond van art. 157 van de gecoördineerde Z.I.V.-wet. M.a.w., de tweejaarlijkse verjaringstermijn, bepaald in art. 174, 6°, van de gecoördineerde Z.I.V.-wet is ook van toepassing wanneer het RIZIV een vordering tot terugvordering instelt tegen een zorgverlener. In casu zou de terugvordering aldus verjaard zijn.

...

2.1.2. Bespreking

2.1.2.1. Overwegende dat het ten principale aangevoerde middel ongegrond is om de volgende redenen:

Art. 174, 6°, van de gecoördineerde Z.I.V.-wet bepaalt: «De vordering tot terugvordering van de waarde der ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging ten onrechte verleende prestaties, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin die prestaties zijn vergoed»;

Deze bepaling, die reeds was opgenomen in de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, betreft alleen de terugvordering van ten onrechte, m.a.w. zonder oorzaak, door de verzekering voor geneeskundige verzorging terugbetaalde sommen. Ze regelt de verhouding tussen de verzekeringsinstelling en haar verzekerde.

De in casu toepasselijke regeling betreffende de terugvordering van de uitgaven voor onnodig dure onderzoeken en behandelingen en van overbodige verstrekkingen, thans neergelegd in art. 157 van de Z.I.V.-wet, werd daarentegen ingevoerd bij wet van 22 december 1989. Ze bevat geen verjaringstermijn, en uit niets blijkt dat het de bedoeling van de wetgever was de toepassing van die nieuw ingevoerde maatregelen aan een bijzondere verjaringstermijn te onderwerpen. Ze betreft prestaties die in eerste instantie terecht werden betaald.

Misbruiken inzake therapeutische of diagnostische vrijheid komen slechts tot uiting na aandachtige observatie en vergelijking van het voorschrijf- en prestatiegedrag over een min of meer lange periode. Een korte verjaringstermijn van twee jaar, dan nog ingaand op het einde van de maand waarin de verstrekkingen zijn vergoed, valt moeilijk te verenigen met de door de wetgever in 1989 ingevoerde maatregel. Het kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest de eventuele terugvordering op grond van art. 157 te onderwerpen aan een in de praktijk nauwelijks in acht te nemen verjaringstermijn.

De commissie van beroep heeft dan ook, in navolging van de controlecommissie, terecht geoordeeld dat de vordering van de dienst voor geneeskundige controle niet onderworpen is aan de verjaringstermijn, bedoeld in art. 174, 6°, van de Z.I.V.-wet.

...

Gerelateerd
Aangemaakt op: do, 21/04/2016 - 13:59
Laatst aangepast op: do, 21/04/2016 - 13:59

Hebt u nog een vraag?

Hebt u nog een vraag in dit verband, klik dan hier om uw vraag aan ons te stellen, of meteen een afspraak te maken voor een consultatie.

Aanvulling

Heeft u een suggestie, aanvulling of voorstel tot correctie met betrekking tot deze pagina? Gebruik dit adres om het te melden.